Systeem dynamische uitleg

Uitleg van de persoonsontwikkeling, gerelateerd aan het diagram met haar systeem dynamische noties.
De 4 systeem dynamisch gerelateerde fasen van de persoonlijkheidsontwikkeling.

Een gezonde persoonsontwikkeling doorloopt de volgende 4 fasen.

1. Zelf functie (oost => zuid), 0-7 jaar

Zelf, wat is een zelf? Het woord zelf is afgeleid van het Griekse woord αυτός. Vandaar dat we in dit verband ook spreken van autoïteit (analoog aan egoïteit, identiteit, etc., facetten van een zich zelf ontwikkelende persoonlijkheid, zie verder), te verstaan als zelfheid en of eigenheid. Het zelf wordt door Plato omschreven als 'een zelf bewegend principe wat door niets anders wordt voortbewogen dan door zichzelf'. Omdat het een zelf bewegend principe is, plaatsen we de zelf functie in het diagram in het kwadrant met de posities: autonoom op oost en discentrisch op zuid. Niemand anders kan dit als zodanig zelf bewegende principe veroorzaken, evenwel is het door een en ander wel te beïnvloeden. In ieder geval omschrijven we het als een kracht die naar buiten gaat.

Het woord persoon, komt van het Latijnse woord, personare, in de betekenis van door heen klinken. Elke persoon heeft een eigen klank, klankkleur, dient zijn eigen klank voort te brengen en of te laten horen/zien. Door jouw zelf heen klinkt jouw eigen dynamiek. Elk kindje heeft in aanvang een hoogstpersoonlijk vertrekpunt, elk vogeltje zingt zoals het gebekt is. Dat is het hele bijzondere van de zelf-functie. Een kracht die in en door de persoon heen kan klinken (per sonnare) enerzijds, anderzijds betekent persona ook masker, zonder het gezicht te kunnen zien, konden de toehoorders van het Griekse drama proberen te ontdekken wie er achter het masker schuilde. Persoonskracht die zelfs door het masker heen naar buiten kan treden. Over welke kracht gaat het dan? De omschrijving van Plato verwijst dan ook naar het zichzelf voortbewegende principe van de ziel.

Op het Oost-punt, de dynamiek van het verschijnen, situeren we de aanvang van de zelf-functie met de geboorte van het kind. Dit betekent dat met de geboorte, de kindfase 0-7 jaar aantreedt, waarin heel nadrukkelijk het zelf in het kind georiënteerd is op wat hem tegemoet komt. Het kind is in deze altijd een autonome bron, echter emotioneel en fysiologisch afhankelijk wat betreft zijn fysieke en psychische voeding, relationeel afhankelijk van ouders en of ouderen. In deze zie je dat het zelf altijd in relatie staat tot de significante ander en of het andere. Omdat het zelf van die ander ook een zelf is, openen die twee 'zelven' zich voor elkaar en zijn in staat om een relatie op te bouwen. Met de significante ander bouw je een relatie op, daarin kan heel veel goeds gedaan worden, maar ook bedoeld en of onbedoeld veel kwaads. Het zelf kun je wat betreft het persoonlijke deel relateren aan de ziel, zichtbaar in uitdrukkingen als zielsveel houden van, zielsontmoetingen, zielsmaatje, op je ziel getrapt voelen, met je ziel onder je armen lopen. Uitdrukkingen waarin je het zelf ziet (dis)functioneren.

Nietzsche definieert het zelf als een zelf zijn. Een geheel met zichzelf. Het kind is een geheel met zichzelf, in een staat van onbewust zijn, het is nog geen bewust zelf. Het zelf is pre ordinaal, een vooraf gaand gegeven wat ordent, gegeven een bron van waaruit het verschijnt. Analoog aan een bron kunnen we ook van ziel spreken, daar je je de vraag mag stellen, waaruit verschijnt dat zelf en wat kan het verschijnen van dat zelf zodanig belemmeren dat het autist-form wordt, in zichzelf opgesloten raakt en wat zou het verschijnen van dat zelf kunnen bevorderen. Met ziel wordt dan een andere grootheid benoemt dan met geest en of lichaam, de ziel kan je dan verstaan als een tussen; lichaam en geest bemiddelend. Het zelf en de ziel zijn 2 grootheden die je aan elkaar kunt relateren, ze verwijzen naar een gelijk oorspronkelijke komaf.

De ziel, in wezen niet pakbaar en of zichtbaar, is echter wel te traceren in de wijze waarop het zelf zich uit en zich zelf manifesteert. Als een zich zelf voortbewegend fenomeen, een zich zelf voortbewegende mens. Met ziel wordt dan in dit verband gedoeld op “uit zichzelf bewegend”. Waarheen en waartoe beweegt een ziel zich voort? In het Duitse woord ziehlen, vinden we nog de connotatie van op een doel afgaan en in verband met het zelf te verstaan als het eigen doel hervinden. Te verstaan als een op weg gaan van de ziel om zichzelf te leren kennen langs de omweg van de andere en het andere (en de ander en het andere in zichzelf, de ziel als zweiheit, one in two). Ook te verstaan als een op weg gaan, teneinde zich te kunnen ontwikkelen. Dit op weg gaan van het zelf karakteriseren we in het diagram als de sympathische meebewegende dynamiek, de verbindende dynamiek, die door het zelf wordt geoefend.

Als we het hebben over het 'zelf', benoemen we dat niveau of die laag in de persoon, daar waar de persoonsontwikkeling plaatsvindt; die vindt het sterkst plaats in en vanuit het zelf. Zowel het naar buiten brengen van de persoon als het eigenen, het zich eigen maken, zit in de zelf-functie besloten.

Kinderen zeggen “zelf doen”. Dat geeft aan: ik ben in staat zelf te eten of zelf iets te doen. Kinderen kunnen initiatief nemen en daardoor hun basis vertrouwen, hun autonomie ontwikkelen. Door initiatief te nemen, leert het zichzelf vrij te ontwikkelen om zichzelf te worden. Als vader of moeder roept “laat mij dit maar doen of dat kan je toch niet”, dan geef je het zelf niet de kans zich te ontwikkelen en zich te verbinden met dit vind ik leuk of dat lust ik niet. Met het afwijzen en of afkappen, kan de insluiting en of terugtrekking van het zelf aanvangen. Met het bevestigen stimuleer je juist dit verschijnen en zichtbaar worden van het zelf, het wordt werkzaam in de persoonsontwikkeling.

Jezelf worden is een ongelooflijke en of geliefelijke klus. Je wordt met een aantal, nog niet bewust geworden, talenten en of vermogens geboren, die je kunt ontdekken langs de omweg van de ander en het andere, om ze vervolgens te oefenen door ze in te zetten. Dat is mogelijk het doel van de persoonsontwikkeling en de wijze waarop de persoon vorm gaat geven aan zijn/haar leven. Je bent als zelf nog niet af. Je moet jezelf in ontwikkeling nemen en of brengen. Je zit qua vertrek punt nog in een soort van mythisch stadium. Vandaar dat er een volgende stap van node wordt in de persoonsontwikkeling waarin een nieuw vermogen aan de orde moet komen en wel van het kleine ik.


2. Ego functie ( zuid => west), 7-14 jaar

In de ego-functie ontstaat de eerste tegenbeweging. Het zelf wordt omschreven als een meebewegende dynamiek, het ego een tegen-bewegende dynamiek, een anti-patische dynamiek. Die is niet verbindend, maar afscheidend. Deze tegenstrevende dynamiek ontstaat als tegenkracht (aan het zelf) reeds in de 1e zevensjaarsperiode, met name in de koppigheidsfase, het 'koninkje', het nee zeggen. Het niet willen mee bewegen met de ouder of de ander. Het ene kind is meer mee bewegend, het andere meer tegen bewegend. Nu sterkt de wil van het kind zich juist niet door het eigengereide tegen willen, maar juist door de wil van de liefdevolle autoriteit te volgen en ten uitvoering te brengen in een zinvol passende activiteit. 

We onderscheiden dus een tegen bewegende dynamiek die zich naar de ander richt, maar deze tegen bewegende dynamiek kan evenzeer op zichzelf gericht worden. Als die onbewust zowel op zichzelf als op de ander gericht wil worden, dan kan er een verstoring plaats vinden in de persoonsontwikkeling. Het van je zelf afsplitsen noemen we dan een schizoïde tendens die kan uitmonden in een spreekwoordelijke schizofrenie, een gespleten voorhoofdsdenken, c.q. persoonlijkheid. 

Een gezonde tegen bewegende dynamiek gaat gepaard met een gevoel van afscheiding van de significante ander en brengt mogelijk een onbestemd gevoel van verlies en mogelijk rouw teweeg Deze zich nog halfbewust wordende tegen dynamiek wordt doorgaans gesitueerd in de ontwikkelingsfase tussen 7-14 jaar. Het betreft dan ook meteen een eerste ontwikkeling van het ik-je, een ontwikkeling van wat ook wel de ego-functie wordt genoemd, een ego dat zich verder kan ontwikkelen naar een ik-functie. Het ego wordt vaak gezien als een lastig ding, hetgeen je te boven dient te komen en of achter te laten, maar het ego heeft een belangrijke functie in de persoonsontwikkeling. 

Het ego wordt vaak verbonden met het egoïsme, het streven om zichzelf in het centrum te zetten en al hetgeen het ego belangt naar zich toe te graaien. Onze cultuur mag wel gezien worden als een exponent van dit egoïsme. Het moge duidelijk zijn hoe schadelijk dit egoïsme uitwerkt in de economie en de ecologie, andere gebieden hier maar even terzijde gelaten. Dat dit egoïsme te boven gekomen mag worden lijkt evident. Daarentegen mag niet ontkent worden dat er een gezond ego belang aan de orde gesteld mag worden.

Waar we met de ego-functie op doelen is het gevoel ontwikkelen voor wat wel of niet bij mij zelf hoort, het eigene, de egoïteit betreft het gaan ontdekken wat heel bijzonder bij mij hoort en of mij kenmerkt. Martin Buber drukt dat uit in de zinsnede: mogen ontdekken wat niemand anders kan doen dan jij in het bijzonder, kortom het unieke in jouw zelf. Dat vrij te maken, te ontdekken en of te exploreren is van groot belang, aangezien het mede richting bepalend is voor de verdere ontplooiing van je zelf als mens. 

Het ikje wordt zich gevoelsmatig bewust, zij het halfbewust, van zijn andersheid, dat impliceert een soort van zich afscheiden van de ander en van zichzelf. Ik ben niet verbonden met de ander, maar ook niet helemaal meer met mij zelf. Ik ben mijn eigen afzondering. Er ontstaat in de persoon min of meer een ruimte, een duale dynamiek, een tegenover de ander en een tegenover je zelf, dat is reciproque. Deze innerlijke ruimte is van groot belang voor het toekomstige innerlijke gesprek, de innerlijke dialoog, je ontdekt een tweeheid in het ene zelf van de persoon. Op de pro-actieve zelf-functie, volgt een tegen-reactie van het ego. Van actie naar reactie. Hier kan een ik-je zich gaan ontwikkelen, zijn eigenheid voelbaar en zichtbaar maken aan de significante ander. Je kan het bijzonder gevoelde en gewilde laten klinken. En het vraagt van de significante ander, in deze fase zeer wel van de vader een kritische, doch ook een meevoelende, welwillende en ontvankelijke grondhouding.

Systeem dynamisch situeren we op zuid de discentrische dynamiek, de naar buiten stromende dynamiek. Op noord de concentrische dynamiek. Analoog daaraan verbinden we de zelf functie (O-Z kwadrant), mee bewegend en naar buiten stromend en de ik functie (N-O kwadrant), tegen bewegend en naar binnen stromend. Analoog aan zuid situeren we het einde van de eerste zeven jaars periode, de geboorte van het etherlichaam en het begin van de tweede zeven jaars periode waarin het school gaande kind zijn ik-je leert exploreren in relatie tot de ontwikkeling van zijn gevoelsvermogen en het astrale lichaam (zie wezensleden). 

In de tweede zeven jaars periode ontstaat naast de dynamiek van het naar buiten treden ook schoorvoetend een naar binnen tredende en een half bewuste tegen bewegende dynamiek. In de eerste zeven jaars periode wordt het eerste ik bewustzijn wakker. Het nee zeggen in de koppigheidsfase is een vooraankondiging van de ego afscheiding. Een kind zegt niet gauw uit zichzelf nee, het is altijd een nee in relatie tot een ander. We gaan eten, nee, we gaan naar bed, nee, snoepje, nee, allemaal nee. Vaak ook een nee zeggen om het nee, daarin zich oefenend in het eerste afscheidende en tegen bewegende en wel om zich zelf af te kunnen zonderen, weliswaar nog onbewust.

In het zelf zit wel een ik-je verborgen, maar dat wordt gevoelsmatig pas halfbewust in de ik beleving, de tweede zeven jaars periode en de tweede stap in de ik ontwikkeling. Het kan echter ook veel eerder of veel later wakker worden, naar gelang de context waarin de persoon vertoeft en afhankelijk van de context, al of niet traumatisch van aard. 

Enerzijds is het dus heel gezond om in de persoonlijke ontwikkeling te weten te komen wat bij jou past en wat niet. Een ego functie die zich niet ontwikkelt, wordt een allemans-vriendje, die niet weet wat ie zelf wil en vaak datgene doet wat de ander wil. Een gevoeglijke en verbindende natuur heeft echter ook een positieve keerzijde waarin een grote toegankelijkheid ontvankelijk kan worden voor grens verleggende ontdekkingen. 

Anderzijds kan de ik-functie ook geforceerd worden door een bruuskerende gebeurtenis en of realiteit. Let wel er is geen eenduidige persoonsontwikkeling, we schetsen slechts meerduidige tendensen, vandaar dat het onderkennen van de feitelijke dynamieken mogelijk de complexiteit recht kan doen. Therapeutisch gezien kan je alleen werken met de feitelijke symptomen in relatie tot een feitelijke context. 

Wat nu belangrijk is voor het vermogen om je af te scheiden, is het eerste afstand nemen, het vermogen je tegenover jezelf te stellen, je zelf aan te kijken en of te voelen, de ik-beleving. Er ontstaat een spiegeling tussen het kleine ik-je en het zelf, het ego, de ego functie en het zelf. Je wordt je bijvoorbeeld bewust dat je iets of iemand niet lekker en of niet leuk vindt of juist wel. Het ik-je wordt dan wakker, het ziet bijvoorbeeld de ouder en ziet ineens dat ie een andere neus heeft dan zichzelf, met de vraag 'ben ik wel jouw kind'? Het ik-je wordt bewust van zichzelf, maar ook van het andere dan zich zelf. Het kijkt in de spiegel en denkt 'ben ik dat'? Een aap ziet mogelijk een aap, niet zichzelf. Een mens ziet zichzelf.

Het ikje treedt buiten zichzelf en ziet de spiegeling zichtbaar worden en kan tegenover zichzelf staand, afstand nemen van zichzelf. Als je afstand neemt van jezelf dan kan je op een gegeven moment ook terugkijken naar jezelf en kun je in de terug spiegeling re-flecteren over wat je doet. De ego functie maakt dit mogelijk en kan in de weer-spiegeling zich verhouden tot zichzelf. Het zelf, in zijn nog onbewust verbindende functie, doet dit niet. Dat ontstaat pas later wanneer je bewust wordt van het moment dat je bewust een verbinding met de ander en of het andere aangaat. Dit reflecterende vermogen vraagt echter ook om scholing, wil het als instrument gehanteerd kunnen worden in de verdere persoonsontwikkeling.

Er zijn veel voorbeelden te geven waarin je je niet bewust bent dat je ergens in iets of iemand wordt gezogen, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Maar is dat het ook wel? In hoeverre heeft het ik-je zich mee laten slepen en in hoeverre is dit ik-je in staat een tegen beweging in te zetten en zich hiervan kritisch te distantiëren. Vaak ook veroorzaakt deze kritiek een pijnlijke breuk, zowel in mij zelf als tussen mij zelf en de ander. Je zelf kritisch in ogenschouw nemen kan afwezig zijn, maar kan ook pijnlijk nauwgezet je beperken in je verdere ontwikkeling.

Het terug kunnen kijken op wat je wel of niet realiseert, is een typische functie van het ik, een vermogen van het ik in functie. Je kunt uit jezelf stappen en uit de betrekking met de ander en of het andere. In het eerste oefenen, wanneer kinderen roepen: 'kijk mama wat ik hier heb gemaakt' wordt de ander gevraagd te reflecteren, in eerste instantie de significante ander. Deze reactie is mede bepalend voor het zelf-beeld wat zich in deze fase begint te ontwikkelen.

3. Individu functie (west => noord), 14-21 jaar

In het derde kwadrant situeren we de individu functie, het zelf hernemend als een 'ipse', een zelf, met als vermogen om met zich zelf samen te kunnen vallen, een 'idem' te worden. Een dynamiek die zich beweegt tussen een heteronome, een ipse, en een concentrische dynamiek, een idem. In het vloeiend en of hortend en stotend je zelf worden, ontdek je zelf wat uiteindelijk al of niet bij je zelf hoort, zodat je al of niet kunt samenvallen met je zelf, al of niet identiek kunt worden met je zelf en je identiteit al of niet boven water kan komen. 

Waar de moeder(rol) in de eerste 0-7 jaar periode al of niet zorgt voor de bevestiging en de vader(rol) tussen 7-14 jaar van belang wordt in de ontwikkelingsfase van de ego-functie / het astrale lichaam, het tegenover zich hebben van autoriteit, daar dient in de puberteit de eigen autoriteit, de eigen zelf beschikking geoefend te worden. Dat gaat al of niet gepaard met een gezonde en of ziekmakende strijd, afhankelijk hoe de ouders en de puberende daarmee kunnen omgaan. In deze fase vindt het eerste oefenen met betrekking tot de ik functie plaats om rond de 18 jaar de derde fase in te luiden: de ik-realisatie.

Op het West-punt situeren we met 14 jaar de geboorte van het astrale lichaam, daarmee en daardoor kan de sympathie en antipathie dynamiek al of niet een rol van betekenis krijgen, in het meebewegen met en het je aansluiten bij gelijken in de peer-groep en of het je afzetten tegen bijvoorbeeld je ouders en of anderen. In het zoeken naar je zelf, naar je identiteit, speelt juist ook de dynamiek van het loslaten van diegenen die ooit mede jouw zelf gevormd hebben, in deze zijn de ouder(rollen) tussen de 14-21 jaar zeer wel ook van belang. 

Het losmaken van de ouders kan gepaard gaan met een stuk strijd dan wel met een redelijke dialoog zodat men elkaar uiteindelijk gaat zien als redelijke en gezonde tegenovers. Wat de ouders eerder in hun eigen persoonsontwikkeling hebben laten liggen, kunnen ze hier voor hun kiezen krijgen. Dat vraagt evenzeer een hernieuwde kritische introspectie van deze ouders. Het gezonde los maken en of los komen kan alleen als jonge adolescenten hun eigen identiteit vinden, dat kan soms lang duren en pas in de volgende zeven jaars periode van 21-28 jaar of nog vele malen later haar beslag krijgen. 

Er zijn cultureel gezien nog andere overgangen te signaleren, zoals daar waar nog een wij-cultuur aan de orde is, waarin het zich voegen naar de stam en of de groep normerend is. In zo een overgang kan deze strijd niet openlijk gevoerd worden en blijft de puberende in een innerlijke strijd zitten en of dreigt verscheurd te worden om enerzijds ja te zeggen en anderzijds nee te doen. Een ego- en of identiteitsconflict kan aan de dag treden, zich bewegend tussen loyaliteit en separatie. In de oude wij-cultuur van de mythische mens is er nog geen plaats voor de autonome ik-functie. De ik-functie tegenover de wij-cultuur betreft zeer wel ook de botsing tussen het mythische en het ontologische paradigma, een wijze van zien naar zich zelf en naar de ander en of het andere. Migratie kan in deze een acculturatie bewerken. 

In een nieuw te ontwikkelen wij-cultuur dient de ik-functie wel degelijk overeind gehouden te worden, sterker nog ze dient de bepalende voorwaarde te worden waarin autonome en onafhankelijke ikken zich opnieuw in vrijheid gaan verbinden met anderen om een gezamenlijk ideaal of idee te gaan realiseren. Op zich genomen kun je je ik-functie in een ik-cultuur beter ontwikkelen dan in een wij-cultuur, aangezien een ik zich schoolt aan een ander ik, een significant authentiek ander ik, die zich niet meer hoeft te bewijzen, hetgeen het verschil maakt tussen autoritair gedrag gerelateerd aan de ego-functie en de autoriteit in de gezonde ik-functie. 

In de fase van de egoïteit vindt de eerste bewustwording plaats, hetgeen we relateren aan een half bewuste fase, pas in de derde zeven jaars periode kan het bewustzijn in de individuatie fase, het ondeelbaar worden met je zelf, zeer wel bewust aantreden op grond waarvan er een school of beroepskeuze gemaakt kan worden. Evenwel zien we dat het veelal niet kunnen kiezen hier spreekwoordelijk haar beslag krijgt. Een blijk van een nog niet gerealiseerde egoïteit, maar vaak ook nog een blijven steken in de 2e zevenjaarsperiode, met zeer veel onderscheiden uitwassen en problematieken, waaronder annorexia (ik-functie stoornis) en boulimia (zelf-functie stoornis). 

Zo ook, kun je dit bijvoorbeeld terugzien aan het pest gedrag van kinderen in het basis en vervolgonderwijs. Daar waar een kind nog niet zo krachtig zijn mannetje kan staan, schuw en verlegen aan de zijlijn staat en vaak bij het kiezen van partijtjes voor een balspel als laatste over blijft, kan dat pestgedrag uitlokken. Het is vaak heel moeilijk om te achterhalen waarom zo een kind gepest wordt, dan wel dat de pesters zich juist op dat kind richten. Met de ontwikkeling van de egoïteit komt ook het astrale lichaam in ontwikkeling, waarin gevoelens van sympathie en antipathie aan de orde komen. Op zich gezonde functies om te achterhalen wat wel en wat niet bij je past. 

Het laat echter ook zien dat de gezonde autoriteit met een gezonde ik-functie in deze niet mag ontbreken. Dat uit zich niet in geboden en verboden, want een autoriteit is voelbaar door zijn totale aanwezigheid. Wanneer de egootjes als oorlogsbaronnetjes op het toneel vrijuit kunnen acteren dan zien we vaak een gezagsvacuüm in velerlei vorm en vaak wordt gezag bestempeld als ouderwets en passez. 

Als je als schoolbegeleider naar het waarom van hun pestgedrag vraagt, dan merk je dat ze maar half bewust acteren en niet in de gaten hebben wat het met de ander doet. De ander uitsluiten en of insluiten op grond van antipathie en sympathie gaat dan kwalijke vormen aannemen, hetgeen we op volwassen niveau evenzeer waarnemen in het fenomeen van de tiran. Het betreft een culturele en persoonlijke doorgangsfase in de ik ontwikkeling, evenwel met kwalijke ontsporingen en uitwassen, zo laat de geschiedenis in velerlei vormen zien. De pester kan zich zelf nog niet tot de orde roepen, evenzeer is er geen reflexiviteit omtrent eigen gedrag.

Als de ouder authentiek zichzelf is en innerlijk gaat staan voor een morele orde, dan kan de puber het vertrouwen krijgen om te rebelleren, aangezien het bevragen de enige weg is om tot een eigen oordeel te komen. De ouder wordt dan een ware strijdpartner met wie op het scherpst van de snede, over en weer getoetst mag en moet worden, maar dan niet op betrekkingsniveau, maar zeer wel op inhoudsniveau, hetgeen we systeem dynamisch ook situeren op de ik-as. In een dialogale oordeelsvorming ontstaat wederzijds respect; ouders en pubers staan dan niet meer in een afhankelijke heteronome betrekking, maar involueren al doende naar een wederzijds gerespecteerde autonomie, waarin men voor elkaar sierlijk de hoed kan afnemen.

Een puber verdraagt zeker geen autoritair gedrag maar juist wel een gegronde autoriteit. Als je er als autoriteit staat, dan sta je. Dan val je met jezelf samen in de betreffende situatie. De autoriteit valt met zichzelf samen als dat wat ondeelbaar van zichzelf is geworden, identiek geworden aan zichzelf, en kenbaar aan zijn identiteit. De puber weet ondanks alle trubbels wat hij aan zo een autoriteit heeft.

Waar je jezelf verliest van 0-7, je je zelf herneemt van 7-14 door middel van de ego functie, daar dien je je opnieuw te verhouden tot je zelf in de individuatie fase en wel in relatie tot het helder krijgen van je identiteit. Je kunt je zelf pas hernemen als je zelf-kritisch bent, je jezelf kunt beperken, om vervolgens hetgeen je ontdekt als jouw eigenste ikje ook weer in bezit te nemen door je zelf te bevestigen. Als je dat kan dan ben je ondeelbaar jezelf geworden, je valt met je zelf samen. 

In deze fase wordt de ik functie geoefend, uitmondend in de 1e geboorte van het fysieke ik rond de 21 jaar. Met het fysieke ik kan ik mezelf gestand doen, voor mij zelf gaan staan. Ik ben op weg, van een heteronome positie, waar ik nog afhankelijk ben van de ander, naar een autonome ik functie, 21-28.

Kinderen in rampgebieden of anderszins, die hun ouders hebben verloren waartoe ze zich niet meer kunnen verhouden, moeten in hun leven plotsklaps de ouderrol vervullen door voor hun kleine broertjes of zusjes te gaan zorgen om zo de verloren vader of moeder te compenseren. Plotsklaps moeten de kind-ouders een volwassen rol innemen. Dit kan goed gaan maar het kan ook gepaard gaan met verstoord gedrag. Veel wezen die ontheemd achterblijven, kunnen bijgevolg niet oefenen in de vorming van hun fysieke ik. Tussen kind-ouder en jongere kinderen kan dan een onvrije ik functie leiden tot o.a. autoritair reactief gedrag, dat zich weer generaties kan voortzetten.

Het fysieke ik is in staat zichzelf de wet te stellen en niet zozeer de ander de wet te stellen of voor te houden, we spreken dan ook van autonomie, van autos = zelf en nomos = wet. Je hebt dan de wet, elke mogelijke vigerende wet, de morele orde omtrent gedrag of anderszins, verinnerlijkt. Zichzelf de wet kunnen stellen, laat zich bijvoorbeeld zien in het niet door het rode licht rijden of lopen, ook als het kruispunt leeg is. De werkelijkheid op straat laat vaak het tegendeel zien. Als iemand alleen stopt als er een politieagent staat, dan is er dus geen sprake van autonomie. Met dit voorbeeld kan je rustig turven in hoeverre de vrije ik functie zich al heeft bestendigd en in hoeverre de egoïstische barbaren in hun snelheidsdrang door betonnen drempels dienen te worden beteugeld, overigens zonder resultaat, hopelijk zijn alleen schokbrekers de dupe en niet argeloze kinderen.

4. Ik functie (noord => oost), 21-28 jaar.

In het aarde kwadrant (conform de vier elementen), concentrisch autonoom, wordt de ik functie gesitueerd. Vierkant en onverschrokken voor jezelf gaan staan, kunnen instaan, betekent dat je, waar nodig, niet meer over je heen laat lopen. In deze ik functie gaat het niet alleen om een nee kunnen zeggen tegen de ander, maar juist en vooral ook een kunnen nee zeggen tegen je zelf. Dat betekent dat de ik functie pas krachtig is als je ook een niet-ik bent. 

Een ego kan zichzelf niet opheffen, een ik wel. Een ik kan opstappen, zich distantiëren van wat niet aan de norm voldoet, maar hij kan ook zichzelf de wet stellen door niet in zee te gaan met malafide gedrag en of anderszins. Het authentiek zijn hangt samen met het je zelf geweldloos kunnen handhaven of van toneel te halen. Authentiek, ik sta voor mijzelf, ik sta voor mijzelf in, ik kom voor mij zelf en of voor een ander op, ik en mezelf zijn één geworden. Ik kan mezelf handhaven, gestand doen, maar nooit ten koste van de ander.

In het noord-punt situeren we de concentrische dynamiek, de dynamiek van het naar binnen gaan, je eigen centrum kunnen innemen en van daaruit begint alle zelfsturing. De ik-functie hebben we in deze gerelateerd aan de zelf sturing. Er staat geen ander ik achter of voor je zelf, dan alleen je eigen autonome ik in functie. Jezelf in de spiegel kunnen aankijken, te weten naar eer en geweten te hebben gehandeld of te gaan handelen. 

In de zoektocht naar mezelf, neemt het ikje een eerste wending en voltrekt een eerste tegen keer om te ontdekken wat niemand anders kan dan dit ikje. Dat betreft de unieke ik gerelateerde eigenheid, de egoïteit. In de persoonsontwikkeling is de ego functie van belang omdat je op zoek moet gaan naar het eigenste van je zelf en de enige die dat kan ben ik zelf. Ik leer mijn eigen uniciteit exploreren om uiteindelijk na de fase van de identiteitsvorming ook mijn authenticiteit gestand te doen en of te behouden, gesitueerd in de vierde zeven jaars periode, het 4e kwadrant. Niemand anders kan dat doen dan ik zelf. Wat heb ik wezenlijk vanuit mezelf te doen en te laten. Ik ben nu wie ik ben.

Je kan pas je plek in de groep, in de nieuw te vormen wij-ruimte innemen als je je ik positie hebt ingenomen. Pas als iedereen staat voor zichzelf, in zichzelf en op zichzelf dan kun je een nieuwe wij-dimensie betreden, een nieuwe groeps-individualiteit ontwikkelen. Zichzelf blijven in de wij-ruimte en tegelijkertijd deelgenoot worden van deze groeps-individualiteit. Het ontwikkelen van een nieuwe wij ruimte is van node om een halt toe te roepen aan het fenomeen van het ik-sisme en het atomisme, ieder voor zich en god wie dan ook voor ons allen en vooral na mij de zondvloed. 

In je eentje kom je er niet, zeker als het gaat om een algemeen goed of belang te realiseren, een vrije eendracht schept dan de benodigde kracht. Verantwoordelijkheid kunnen nemen voor wat er toe doet en dat met elkaar ook kunnen realiseren, impliceert een persoonsontwikkeling die alle fasen op een gezonde wijze heeft doorlopen..

Als je de ik-functie niet ontwikkelt, kun je ook niet vrijkomen van sympathie en antipathie, of die te boven komen. Vrij komen van sympathie en antipathie wordt in het 4e kwadrant gesitueerd. We spreken dan van het kunnen door-ikken van het astrale lichaam en of van de gewaarwordingsziel. Wanneer het ik in zijn functioneren getriggerd wordt door één of ander dan zegt dat niet zozeer iets over de ander, maar des temeer iets over mij zelf. Dat brengt huiswerk met zich mee om zichzelf opnieuw aan een onderzoek te onderwerpen. Daartoe kan alleen een ik die zichzelf weer op kan heffen om opnieuw te beginnen en er achter te komen wat er in hem schuilt aan onbegrepen dynamieken. Om vervolgens rondes verder weer 'In vrede met jezelf en met de ander' naar buiten te kunnen treden in plaats van de ander te betreden. 

De ik ontwikkeling situeren we als een tegen bewegende dynamiek in het diagram, de zelf ontwikkeling daarentegen als een mee bewegende dynamiek. Dit maakt dat we kunnen spreken van een object betrokken ik functie, hetgeen de wetenschapsbeoefening mogelijk heeft gemaakt. Daarentegen spreken we van een subject betrokken zelf functie, hetgeen een complementaire wetenschapsbeoefening mogelijk doet worden. Tezamen vormen deze twee dynamieken het functionele paradigma, zowel probleem gestuurd als proces gestuurd, zowel kwantitatief oorzakelijk analytisch denkend als kwalitatief analoog synthetisch denkend, geen van beiden heeft het primaat. 

De eeuwenlange strijd tussen deze twee benaderingen laat zien, dat de gemankeerde persoonsontwikkeling daar debet aan is. Nog erger wordt het, wanneer zogenaamde wetenschap zich corrumpeert door malafide onderzoekspraktijken, het verdraaien van feiten en of resultaten, daarmee haar belangeloze onbaatzuchtigheid verkwanselend aan de pecunia en de daarmee samenhangende macht. Waar de wetenschap zich ooit heeft moeten ontworstelen aan alle onterechte bevoogding, daar tiranniseert het meedogenloos alle humaniteit viervoudig en laat zien dat ze in haar ontwikkeling is blijven steken daar waar wetenschappers nog steeds egoïstische belangen nastreven in plaats van het algemene welzijn van alles en allen. Het wordt tijd dat het onbaatzuchtige en onbevangen vrij geworden subject weer aantreedt.



Later uitgewerkte notities, 01-04-2019, naar aanleiding van Lou Andreas-Salomé haar bevindingen over het verdwenen zelf uit de kindertijd. 'Terugblik op mijn leven', 'Narcisme als dubbele richting'.

Heimwee naar de kindertijd? Impliceert dat een terugkeer naar de geborgenheid van het eigenste zelf en of juist ook een afkeer van een doorstane ongeborgenheid? Wat raakt in de overgang van de eerste (0-7) naar de tweede 7jaars periode (7-14) verloren en dient in de derde (14-21) of vierde levensjaar periode (21-28) respectievelijk hernomen en of hervonden te worden. Eerste en derde 7jaars periode verlopen systeem dynamisch in het dynagram over de diagonale as waarop we de Zelf functie situeren, zich bewegend tussen autoïteit en identiteit, het gedeelde en het ongedeelde zelf (in-dividere). Tweede en vierde 7jaars periode zijn gesitueerd op de andere diagonale as, de ik-functie as, zich bewegend tussen egoïteit en authenticiteit. Hiermee hebben we van 1995 tot 2000 de persoonsontwikkeling vierledig gedifferentieerd en verder uitgewerkt.

Waar zelf en identiteit staan voor het verbindende vermogen, respectievelijk naar de ander (het andere) en naar je zelf, daar staan vooreerst ego en later ik functie voor het scheidende vermogen, respectievelijk naar je zelf en naar de ander. Dit scheidende vermogen bestaat o.a. uit het vermogen je af te grenzen van de ander en of het andere en of je zelf te begrenzen. Met het vermogen je af te grenzen, ontwaren we de antipathische dynamiek en met het vermogen je te verbinden de sympathische. Met het afgrenzen ontstaat het vermogen om je als subject tegenover het object te plaatsen. Deze afgescheidenheid kan worden ervaren als een verlies en of gevoel van verlatenheid, het achter je moeten laten en of het eruit geworpen worden als een verworpen worden van je eigenste zelf en daarmee van een gescheidenheid, die leidt naar een zich bewust worden van deze dualiteit tussen subject en object, zowel inter-subjectief als intra-subjectief.

Mijn aller-oorspronkelijkste notie van het eigenste innerlijke zelf ontstond in 1995, les gevend aan de HVNA. Deze notie vormde het vertrekpunt en werd de basis van de vier karakteristieken in de persoonlijke ontwikkeling en wel gesitueerd in het vuurkwadrant, autonoom discentrisch van aard en te verstaan als oor-spronkelijk, vanuit zichzelf bewegend en verschijnend, zie aldaar. Dit fenomeen wordt bevestigd door Lou Andreas-Salomé, wier gedachtegoed ik in 2019 mocht vinden.

In haar gedachtegoed bevat de notie van een innerlijk zelf, de al of niet te achterhalen herinneringen aan onze vroegste kindertijd. Dit nog onbewuste zelf herbergt de sensaties, indrukken en ervaringen van onze eerste levensjaren op een onmiddellijke pretalige wijze. Deze fase wordt gekarakteriseerd door een nog samenhangende verbondenheid waarin de rijkdom van het alomvattende (diesseits en jenseits) nog existentieel kon worden ervaren, zij het veelal onbewust. Hier situeren we het vanzelfsprekende opgaan in een omringende wereld en de daarmee gepaard gaande existentiële verbondenheid met al wat is.

In de tweede 7jaars periode situeren we de noodzaak van de antipathische, zich afscheidende dynamiek, zowel in relatie tot je zelf als tot de ander en het andere. Deze fase is van cruciaal belang voor een gezonde ik-functie, die in de latere volwassenheid zich al of niet kan manifesteren, om wederom op zoek te gaan naar het eigenste zelf in al haar authenticiteit, zij het op een bewuste wijze. Dit scheiden en of afscheiden, het je kunnen afgrenzen, onderscheiden, is een specifiek vermogen van het ontwakende bewustzijn. Evenwel kan dit afscheiden, verstaan worden als een verlies van de oorspronkelijke eenheid, als een verdreven worden uit het (kinderlijke) paradijs. Met dit zich afscheiden, treedt ook de doodservaring op, die in de wezensleden ontwikkeling ergens rond het 8-9e jaar gesitueerd wordt, maar zich kan vervroegen door een ontologisch georiënteerde drang of noodzaak tot begrijpen. Dit afscheiden werkt zowel naar buiten als naar binnen uit, ik ben niet de ander, maar ik ben ook niet meer mijn zelf, ik sta all-een en of alleen, het eerste moet nog hervonden worden, het laatste brengt rouw teweeg en dit rouwproces dient gehoed te worden in deze levensperiode, aangezien een onbewust verlangen naar de verborgen geborgenheid een onwil en onvermogen teweeg kan brengen, het leven aan te gaan. Er ontstaat dan een `heimsucht´ die het leven ondermijnt en ook ondermijnen wil en kan uitmonden in een `magersucht´.

Met het scheiden en onderscheiden ontstaat het vermogen dingen onder woorden te brengen en of met woorden te vangen, aan te duiden en daarmee het andere en de andere te objectiveren als niet-ik, ziehier de belangrijkste functie van de egoïteit. Met dit eerste ikje komen we afgezonderd tegenover of naast de ander en het andere te staan en treedt het ikje uit het tot dan toe vanzelfsprekende wij van de gemeenschap en of de omringende wereld. Onze eerste bewuste ervaring ontstaat dus uit de verdwijning van het onlosmakelijke verbonden zijn en het aantreden in het afgescheiden zijn van alles en allen, aldus Salomé (Terugblik op mijn leven). We situeren in de wezensleden ontwikkeling rond de zeven jaar een tweede geboorte en wel die van het etherische lichaam, evenwel kan deze tweede geboorte ook gerelateerd worden aan het vermogen zich te oriënteren op de ander en het andere als anders dan mijn zelf, daarmee ontstaat ook de mogelijkheid en de rijpheid om te leren. Verder wordt de ik-ontwikkeling drieledig gedifferentieerd in de achtereenvolgende 7 jaars perioden: 1e fase rond 4 jaar het ik bewustzijn, 2e fase rond 8 jaar de ik beleving en 3e fase rond 18 jaar de ik realisatie. Rond de 21 jaar wordt de geboorte van het fysieke ik gesitueerd.

Pedagogisch gezien, wordt het van cruciaal belang om in deze tweede zevenjaarsperiode te gaan werken met het beeldvermogen, de fantasie, het imaginaire, de verbeeldingskracht, de symbolische ordening (zie in deze de vrije school pedagogiek). Immers deze tweede zevenjaarsperiode vormt de cruciale brug, niet alleen tussen egoïteit en identiteit, maar evenzeer tussen het irreële en het reële, tussen het onbewust en het bewuste, tussen het thuis zijn en het niet thuis zijn, tussen heimweh en fernweh, tussen het subjectieve en het objectieve domein, slechts de verbeelding kan ons een weg doen vinden om deze dualiteit te transformeren.

De afgescheidenheid gaat gepaard met een gevoel van verlies, van verlatenheid, van sterfelijkheid, zowel van de ander als van het zelf. Deze angst voor het niet zijn, voor het sterven, voor de eindigheid initieert ofwel een vervreemding ofwel een verlangen. Beiden kunnen een eigen leven gaan leiden. De kunst is ze te verbinden door de kracht van de verbeelding, de beeldvorming, dat wat nog niet is, maar kan worden door eraan te gaan werken als een voortbouwen. Het `beelden´ wordt dan een `bouwen´ en het bouwen een beelden. Het toekomstloze bestaan wordt met dit beelden een toekomst scheppend ontstaan, dit alles in en vanuit het geleefde heden, het ware `tussen´, ingebed tussen verleden en toekomst.

Het verlies brengt in eerste instantie een zich bewust worden van eenzaamheid en vergankelijkheid, een op zichzelf staan, maar precies met deze afgescheidenheid kan ook het vermogen ontstaan tot re-flectie, tot re-flectere, tot een terug kunnen buigen naar hetgeen tegenover mij staat en of stond als in een spiegeling. Dit wordt pas mogelijk met het afstand nemen, de noodzakelijke distantie, die de spiegeling mogelijk maakt tussen een subject betrokken en een object betrokken benadering. Verdringing van dit verlies kan leiden tot vervreemding, verstrooiing, macht en onmacht, drang naar bezit of bezitsloosheid. Zowel het verbonden zijn als het afgescheiden zijn, dienen constructieve dynamieken teweeg te brengen, maar zijn evenzeer beiden onderhevig aan destructieve dynamieken die in de persoonsontwikkeling kunnen plaatsvinden.

Het `tegenover zijn´ kan zowel als noodlot ervaren worden alsook als een lotsbeschikking, teneinde je niet overgeleverd te voelen maar je ertoe te kunnen verhouden, opdat het hoe dan ook iets of iemand mag opleveren, dit kan evenwel alleen tot gestalte komen in een vrije hervonden verbondenheid met en tot het omringende. Deze her-verbinding ontstaat met de 'kunst', in liefde en wijsheid, daartoe te oefenen om het vervolgens te kunnen beoefenen, tot uitdrukking komend in het vinden van je ware professie, dat vervolgens vorm kan krijgen in een heilbrengende professionaliteit.

Pedagogisch gezien is het dus van eminent belang om de dialogische verhouding tussen de ik-functie en de zelf-functie, als een dubbele gelaagdheid in de menselijke subjectiviteit, te vormen en te voeden, hetgeen we in artesS verband met Bildung beogen. Immers de mens is altijd een subject in wording. Deze dialogische functie wordt geïnitieerd en gehoed door de liefde, als een midden tussen overgave en opgave. Deze kracht aldus Lou Salomé brengt de mens zowel dichter bij zichzelf als subject, als zelf, als ook bij de ander en het andere; dichter bij het leven en dichter bij de dood, dichter bij de eindigheid en dichter bij de oneindigheid van al wat is. Door de liefde ontstaat een nieuwe omgang tussen ik en zelf, tussen zelf en de ander, tussen subject en object, daarentegen scheidt en elimineert de haat deze verbondenheid en institueert het de afgescheidenheid op grond waarvan steeds de drang tot eliminatie ontstaat, in welke vorm dan ook, zowel van de ander als het andere, als ook van mij zelf.

Zowel in de overgave als in de opgave, krijgt het subject zichzelf terug geschonken via de omweg van de ander en het andere, ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, er is geen subject zonder object en vice versa en daarmee treedt in de liefdevolle aandacht het elkaar voortbrengende naar de voorgrond, in eerste instantie onbewust en in tweede instantie bewust. Met de liefde ontstaat de mogelijkheid dat het subject zowel zichzelf leert kennen en accepteren als wel ook het object, als het gans andere dan zichzelf. Het verloren nog onbewuste zelf keert weer terug langs een omweg via de ander en het andere om dan, middels de ik-functie, zelf bewust aan de slag te mogen, zowel met zichzelf als met het gans andere, ten behoeve van ieders heelwording. In en door het functionele paradigma keert het Zelf weer huiswaarts nadat het via het ontologische bereik in den vreemde vertoefde, versnipperd onder alle dingen (waaronder zichzelf als ding) en alle toevalligheden zonder zin en betekenis. Het onbegrensde en innerlijke zelf weet zijn begrensdheid mensmoedig en vrijmoedig te overschrijden en kan zijn wereld opnieuw doen ontwaken en doen smaken. Met de liefdevolle aandacht treedt in deemoed het scheppende vermogen onbaatzuchtig aan.

Gevoelens van bedreiging, gevaar en angst kunnen enerzijds het onbehagen voeden en anderzijds uitmonden in een staat van depressiviteit. Al of niet gevoed door gevoelens van onderdrukte woede of gevoelens van verlies en gebrek, kan de belaagde mede door gevoelens van onzekerheid en onmacht zijn verweer niet mobiliseren en wil op de vlucht slaan of zich terugtrekken uit zichzelf. De belaagde vervreemdt op deze wijze van zich zelf en ontwikkelt een vrees voor het onbestemde. Een zich onbekommerd verbinden met al het hem omringende staat op het spel. Daaruit kunnen (veelal onbewuste) reacties voortspruiten, zoals o.a. teleurstelling en verdriet, de zinloosheid van het bestaan, uitmondend in een algehele vervreemding, zowel van zichzelf als van de ander en het andere.

Anderzijds kan voor het gevoel van de belaagde iets of iemand ontbreken in zijn bestaan. Maar wat nu precies ontbreekt, kan niet goed benoemd worden, met als gevolg dat de belaagde ofwel alsnog op zoek gaat naar de vermeende belager om hem alsnog aan te klagen, dan wel juist op zoek wil gaan naar wat verloren is gegaan, in deze de verloren verbondenheid met het omringende, hetgeen hij nu zelf dient te herscheppen om daarmee zijn verlangen naar heelheid en harmonie te voeden. Een terug verlangen echter naar wat ooit was, voor de vervreemding toesloeg, bruuskeert het voort scheppende creatieve proces. Elke terugkeer is niet vruchtbaar, tenzij het appelleert om voorwaarts te schrijden.

De staat van depressiviteit kent vele vormen onder vele namen. In de wezensleden systematiek kan het globaal omschreven worden als een onvermogen van de ik-organisatie om onder te duiken in het etherlichaam of levenslichaam, dat zetelt in de lever-functie, de lever als het ether orgaan bij uitstek. Het etherlichaam ontwikkelt zich nog verder in de eerste 7jaars periode. Verstoringen in die periode werken niet alleen uit in het etherlichaam, maar evenzeer in het zelf en of de zelf-funktie. Oorlog, geweld, agressie, mishandeling, misbruik, onderdrukking, kleineren, negeren, etc. kunnen de persoonlijke ontwikkeling diep verstoren. De sporen of groeven die ze nalaten, dient elke mens vroeg of laat aan te kijken, te hernemen, te doorleven en te boven te komen. Wereldwijd lijden meer en meer mensen door het geweldsfenomeen aan angst en stemmingsstoornissen. Alle welvaart en vooruitgang ten spijt lijden meer en meer mensen aan depressiviteit, hetgeen biochemisch gezien, big business is, waarin triljoenen omgaan.

In plaats van deze verstoorde persoonlijke ontwikkeling liefdevol aandacht te schenken, wordt ze feitelijk opnieuw bestreden door een enorme toegenomen hoeveelheid antidepressiva. Mogelijke gevolgen van geweld in velerlei vormen worden bestreden alsof het een biochemische verstoring en dus een ziekte betreft. Geweld met geweld bestrijden initieert een destructieve vicieuze cirkel, wat we metaforisch kunnen benoemen met een alles vernietigend zwart gat, waaraan niet meer te ontsnappen valt, tenzij we weer oog krijgen voor de mateloze onverbondenheid, c.q. het uiteenvallen van de verbondenheid met het al ons omringende, ieder voor zich, op de vlucht, ontheemd, gestresseerd, gemedicaliseerd, gestigmatiseerd, kortom een geweldspiraal waarin de slachtoffers geslachtofferd worden. Een groeiende machtswellust enerzijds die eindigt in een toenemende machteloosheid anderzijds.

Gebrokenheid, tegenslagen, verlies, verdriet en teleurstelling behoren tot de menselijke conditie; daar een antwoord op kunnen vinden, vraagt meer dan het herstellen van een gebroken zelf, vandaar dat de zelf functie in de loop van de persoonlijke ontwikkeling noodzakelijk dialogisch aangevuld dient te worden met de ik functie. Herstel en restauratie van dit gebroken zelf vraagt een liefdevolle aandacht, waarin niet alleen oog en oor is voor het persoonlijke leed, maar juist ook voor het wekken en verzorgen van de noodzakelijke tegenkracht, de ik kracht. Maar hoe dat geestelijke ik te mobiliseren als het empirisch wordt afgedaan als een fantoom?

In de persoonlijke ontwikkeling gaat het verbindende vermogen van de zelf functie vooraf aan het scheidende vermogen van de ik functie en niet andersom, vandaar dat de ik functie pas ontwikkeld kan worden vanuit een gezonde zelf functie, zij het via de benodigde stadia. Wordt dit nog onbewuste verbindende vermogen in de vroege jeugd geschaad, dan vraagt dat therapeutisch gezien juist een bewust verbindend vermogen, want pas uit de verbinding, zowel in de vroege jeugd als in de latere ontwikkeling, kan dit zelf opnieuw een weg vinden een ik te worden, een ik die zijn leed in de reconstructie kan objectiveren, doorleven en inlossen.

Je los kunnen maken van het geleden leed is geen sinecure, aangezien de verbindende kracht daartoe groot genoemd mag worden, evenzeer vraagt dat een vergroten van de daarvoor benodigde ik kracht, je ervan af te grenzen, af te scheiden, te distantiëren en er zin en betekenis aan te geven voor de eigen persoonlijke ontwikkeling. Het ik dient dan zijn gebroken of verstoorde zelf, zelf ter hand te nemen, welk een paradox, je ik moeten sterken aan het verstoorde zelf.

Dit is enerzijds niet mogelijk zonder de stadia van het rouwproces te doorlopen, anderzijds vraagt het ook om een leren aanvaarden en accepteren van het persoonlijk aangedane leed en deze te bearbeiden en te doen transformeren tot een werktuigelijk eigenhandig instrumentarium. Dat vraagt niet alleen tijd en ruimte, maar evenzeer moed het aan te gaan, er zich toe te verhouden om in alle rust eraan te kunnen groeien. Het vraagt bedachtzaamheid zowel van en voor jezelf als van en voor de ander. De ander vormt de significante schakel in dit helingsproces, omdat het de ander in het subject kan wekken, zich als een ander ik uit zich zelf en tegenover zich zelf vorm te geven. Alle medicalisering negeert op flagrante en brute wijze dit helingsproces, het zwarte gat wordt slechts bestendigd om er goud geld aan te verdienen.

Het leren beoefenen van ataraxie, letterlijk, vrij zijn van onrust, is een ware kunst in de innerlijke en uiterlijke hectiek van het bestaan. Het kan beschreven worden als een vorm van gelatenheid, in het Duits Gelassenheit, zo treffend door Jakob Böhme geïntroduceerd begin 17e eeuw. Het betreft een stemming van gelijkmoedigheid waarin de mens ontvankelijk kan worden voor het haar toekomende. Een je er door laten be-roeren, laten raken, laten ont-roeren. Wie of wat kan dan in deze ontroerd worden?

Het ontvankelijke zelf, dat naar haar wezen zich wil verbinden met wat op haar toekomt. Het ontvankelijk kunnen worden, vraagt om een openheid en een toegewijde ledigheid. Precies deze toegewijde ledigheid maakt het mogelijk om open te staan voor het onvermoede, het ongekende, het onverwachte, het geestelijke, het spirituele.

Deze ongekende dimensie kunnen verkennen, vraagt een onderzoekende grondhouding, welke niet mogelijk is zonder deze ledigheid en of ontvankelijkheid. Het vraagt evenzeer het je kunnen laten inspireren om te kunnen creëren en zulks was niet mogelijk zonder daartoe het imaginatieve en intuïtieve vermogen te ontwikkelen. Kortom drie kardinale zielvermogens die met de ontwikkeling van het zelf kunnen aantreden als scheppende vermogens. Deze scheppende contemplatie vraagt om je open te stellen voor de wijsheid en vraagt zelfs om een liefde voor de wijsheid, een filo-Sophia.