Mandala

'Er was eens een mens, die voortdurend te weten probeerde te komen wat datgene was, wat zij niet wist en waarvan zij toch zeker wist, dat het steeds gebeurde. Deze mens begon te beseffen dat alsmaar denken over het niet-te-denken, haar niet verder bracht. Dus begon zij als een grafitica van het eerste uur overal tekeningen te maken, om er zo achter te komen hoe datgene eruit zou zien wat zij niet wist. Na vele pogingen kwam zij op de cirkel. Dat is juist, voelde zij. En nu nog een kruis erin en zo was het nog beter. Ha, twee kruisen, nog beter. Nu met een staand en liggend vierkant, en zo door in velerlei verhoudingen. Enthousiast voltooide ze haar zoektocht en kwam ze bij wat ze nu innerlijk in alles en allen kon terugzien als de 'kwadratuur van de cirkel'. Toen kwamen haar leerlingen en tekenden alles na, maar kwamen er maar niet achter hoe het werkte. Ongemerkt keerden ze de procedure om, door met het resultaat te beginnen en niet met het innerlijke oog op weg gaan en Zelf een weg te zoeken.' (Vrij naar C.G.Jung, 'Parabel van de mandala', blz 9-10, Jung, Symboliek van de Mandala, Beelden uit het onbewuste, 1993.)
https://sites.google.com/a/artes-sophiae.com/artes-sophiae/bibliotheek/functional-paradigm-echt/systemdynamic/systemlogic/symbols/mandala/system-dynamic-logic-symbols-mandala-jung-zevenjarige-jongen-geliefden.jpg








Links, foto van afbeelding 33, uit Jung, Symboliek van de Mandala, Beelden uit het onbewuste, 1993.

"Deze tekening werd door een zevenjarige jongen gemaakt, een kind uit een problematisch huwelijk. Hij tekende een hele serie van dit soort cirkels en hing ze op rond zijn bed. Hij noemde ze zijn 'geliefden' en wilde nooit zonder hen gaan slapen. Daaruit kon Jung opmaken, dat de magische tekeningen voor deze jongen nog functioneren in hun oorspronkelijke betekenis van een koesterende en beschermende tovercirkel." blz. 157.












De mandala mogen we wel duiden als een oer-symbool, zonder begin en zonder einde. Dat wil zeggen dat ze van alle tijden en alle ruimten is en beschouwd mag worden als een archetypisch fenomeen en op velerlei wijzen in verschijning wil treden. Dit symbool verschijnt onder vele namen en in vele culturen in heel specifieke uitwerkingen. Ons gaat het hier om het centrale motief van de cirkel in relatie tot het erin vervatte kruis, al of niet liggend en of staand.

Het woord mandala stamt uit het Sanskriet en betekent cirkel, wiel, mandje. Een cirkelvormig omhullend fenomeen dat het nodige kan onthullen. Het betreft een symmetrisch geometrisch patroon, in velerlei vormen, lijnen, vlakken en kleuren. Als symbool kan het naar vele betekenissen verwijzen en of verwijzen naar archetypische fenomenen, zoals de relatie tussen de macrokosmos en de microkosmos, de relatie tussen wereld en mens, de relatie tussen de zon en het hart van de mens, de relatie tussen hemel en aarde, respectievelijk de relatie tussen de cirkel en het vierkant. In artesS verband een vanuit het centrum in vieren gedeelde cirkel met een staand vierkant die een staand kruis omsluit en of een liggend vierkant die een liggend kruis omsluit. Respectievelijk een diagram en een dynagram.

In haar symbolische functie verwijst de mandala naar een andere dimensie, dan wel brengt ze deze dimensie hier en nu in beeld, middels een bouwwerk, een kunstwerk. Symbolisch gezien fungeert de mandala als een soort van brug tussen twee of meer werelden. Als een symmetrisch geometrisch grondpatroon vormt ze een dynamisch werkend veld. Dit veld werd veelal gebruikt voor rituele ceremonies en of wordt in haar ontstaan en wording, omgeven door rituele ceremonies. Gezien de dynamische werking van het veld, werd ze actueel ingezet om heling te bewerken, zowel preventief als curatief. De mandala werd dus van oudsher en tot op de dag van vandaag ingezet als een werkend veld, als een magisch werkend fenomeen. 

Oorsprong en aard van dit fenomeen werd weer op een originele wijze aan de orde gesteld door Carl Gustav Jung. Hij legde een relatie tussen het Zelf en de vorm van de mandala, zowel het zelf als de mandala verwijzen naar een innerlijke dimensie. Jung gebruikt het woord mandala om een structuur aan te duiden, die een symbolische voorstelling van het nucleaire atoom van de menselijke psyche formeert dan wel formatteert, waarin het wezenlijke zowel gekend kan worden als ongekend kan blijven. In dit verband is het interessant dat Jung meldt dat een Naskapi jager zijn Grote Man (en of Grote Vrouw?) niet in beeld brengt als een menselijk wezen, maar als een mandala.

De mandala representeert een innerlijke dimensie waarin de totaliteit, de samenhang weer aan de orde gesteld kan worden als te onderzoeken op haar innerlijke coherentie en consistentie. De relatie tussen het zelf en de mandala wordt binnen artesS verband geëxploreerd in actuele veld opstellingen: evenzovele dictogrammen in evenzovele contexten, met betrekking tot inhouden en processen, problemen en vragen, teams en organisaties, planten en bouwwerken. De structuur van de mandala vindt men terug in het grondpatroon; door honderden modellen uit onderscheiden disciplines coherent en consistent uit te werken in een systeem dynamisch verband ontstaat de mogelijkheid analoge dwarsverbanden hypothetisch te onderzoeken.

Op één of andere manier is het Zelf in staat een mandala en of een dictogram vorm te geven al naargelang de innerlijke beroering en of ontroering, die als vanzelf uitstroomt in één of andere mandala, dan wel dat de mandala het in werking tredende veld formeert waarin de Zelven, acteur en auteur worden van een magisch gebeuren, waarin zij zowel het script schrijven als een betekenisvolle rol spelen. Hoe ontstaat nu die actuele werking in de relatie tussen Zelf en Mandala en of in hoeverre spiegelt het actuele Zelf de actuele Mandala, dan wel zijn beiden te herleiden tot een dimensie waarin tijd en ruimte actueel ontstaan als een oorspronkelijk gebeuren.

In mythologische voorstellingen kan men veel afbeeldingen vinden waarin de vier hoeken van de wereld aan de orde komen of waarin de Grote Man en of de Grote Vrouw weergegeven worden in het centrum van een cirkel die door een staand of liggend kruis in vieren is gedeeld. Het is dit in werking tredende magische veld wat in tal van riten, mythen en symbolen is vastgelegd. Deels om hun werking in symbolen vast te leggen en in mythen door te kunnen vertellen, deels ook om die werking in riten weer te actualiseren om een verloren innerlijk evenwicht, psychische dissociatie en of desoriëntatie, op onderscheiden niveaus te herstellen. 

Zo trachten Navaho Indianen door middel van ritueel vermalen (ondertussen bijzondere liederen zingend) en voor dat doel gevonden, bijzondere kleurrijke zandstenen, specifieke zand-schilderingen te informeren met genezende krachten, waarin de zieke persoon ritueel werd geplaatst, teneinde hem weer in harmonie te brengen met zichzelf in relatie tot de hem omringende werkelijkheid. In het oude India en Tibet werden mandala's gebruikt om het innerlijk wezen te versterken of om iemand in staat te stellen in diepe meditatie te verzinken. Contemplatie met behulp van een mandala is bedoeld om een innerlijke vrede te bewerken waardoor het leven weer van binnen uit ordening en structuur kan krijgen met zin en betekenis.

Wie is nu dat Zelf dat al of niet in staat is mandala's te formatteren tot werkende veldpatronen? Of hoe en of onder welke uiterlijke en innerlijke omstandigheden produceert het Zelf zulke mandala's? Jung kwam tot de ontdekking dat waar de psyche zich een weg tracht te banen uit één of andere verstoring, het spontaan en geheel onbewust van dit fenomeen, mandala's ging produceren. Hij ontdekte dat niet alleen in zijn eigen innerlijke ontwikkeling en scholingsweg, die hij heeft beschreven in het Rode Boek, maar hij zag dat ook spontaan gebeuren bij zijn patiënten. 

Hij trachtte daartoe een methode te ontwikkelen waarin hij trachtte de imaginatie van de persoon in kwestie te activeren. Om te verhoeden dat er enige beïnvloeding zou ontstaan vanuit zijn publicaties of voordrachten, heeft hij vele jaren lang daarover niets willen melden. Sterker nog met betrekking tot hetgeen zijn patiënten in beeld brachten, moest hij zelf in het ongewisse blijven. Nieuwsgierig geworden door al dat onbewust geproduceerde beeldmateriaal, ging hij op zoek in oude symbolische beeld tradities, zoals die van de Hermetici en de Alchemisten. Ondanks zijn toenemende kennis van al deze symbolische tradities en dito archetypische beelden, heeft hij methodisch werkend getracht, dit strikt buiten de analyse te houden. Immers het gaat hier niet om het weten wat ze betekenen, maar om hetgeen ze, in het psychisch herstel van de persoon in kwestie, bewerken.

Je bewust worden van het onbewuste in zijn onderscheiden werkingen en dynamieken, behoeft een innerlijke scholingsweg, waarin de persoon van binnenuit feeling krijgt voor wat zich feitelijk in het schemergebied van het halfbewuste wil plaatsvinden dan wel aan het licht wil treden. Deze scholingsweg voltrekt zich vanuit een innerlijk gevoelde en geleefde dimensie en kan niet bewerkt worden door een weg van buiten naar binnen, waarin het nabootsen en navolgen alleen maar leidt tot inauthentieke manifestaties van het Zelf. Het heeft Jung altijd enorm verwonderd dat zelfs kinderen en volwassenen zonder enige symbolische voorkennis de meest archetypische symbolen wisten vorm te geven in hun dromen en of tekeningen. Ap Dijksterhuis spreekt inmiddels van het slimme onbewuste.

Van alle onbewust gegenereerde symbolische uitingen, achtte Jung de mandala als het archetype bij uitstek. En hij heeft dat ook uitgewerkt in een boek over de 'Symboliek van de mandala', met als ondertitel, 'Beelden uit het onbewuste'. In dat boek werkt hij, na een korte inleiding over mandala's, een individuatieproces uit, van een 55 jarige vrouw, uit zijn praktijk. Het staat vol met door hem achteraf verzamelde behartigenswaardige noties aangaande de beelden die aan de orde kwamen in dit proces van zelfwording. Het biedt ons een keur aan noties omtrent de aloude symbolische duiding van de mandala, zoals we dat een leven lang onbewust hebben uitgewerkt tot een integratief kennisinstrument. Ook hier komen we weer teksten tegen uit 'De Signatura Rerum'.

Voor ons werd duidelijk hoe de strenge ordening van een cirkelbeeld of mandala de betreffende chaos in de psyche, met betrekking tot denken, voelen en willen, weer kon herordenen. En wel door het scheppen van een middelpuntig veld, waarop alles betrekking heeft en of door de concentrische ordening van het chaotisch veelvoudige, het tegengestelde onverenigbare in hun tegendeligheid, de duale en polaire betrekkingen, enzovoort, ondergebracht kon worden in een verbindend grondpatroon. Elke ondernomen anamnese eindigde in een persoonlijke mandala, die een voortschrijdende objectivering beoogde van de ingebrachte problematiek. Niets ligt meer in het archief, ze zijn met de bewuste personen naar alle windstreken heilzaam uitgewaaid.

Volgens Jung is de 'kwadratuur van de cirkel' één van de vele archetypische motieven, die tot de functioneel belangrijkste grondslag gerekend mag worden van ons psychische functioneren (homo quadratus). Hij noemt dit symbool zelfs het archetype van de heelheid of totaliteit. Het betreft een gelijkmatig in vieren gedeeld symbool en werd van oudsher benoemd als een 'vierheid' in eenheid of een eenheid in vieren, kortom een 'quaterniteit', al of niet gedifferentieerd in een meerledig veld. Mede afhankelijk van wat er zich al of niet vanuit het onbewuste wil aandienen. Niet de ene of andere symbolische vorm is bepalend, maar datgene wat vanuit het onbewuste Zelf zich een weg zoekt zich te openbaren in één of andere vorm.

Jacob Böhme associeert de quaterniteit, de vierheid met de bliksem. Hij tekent dan ook in 'het wonderoog der eeuwigheid zijnde een spiegel der wijsheid' een kruis met een hart erin: Wanneer deze bliksem in de vier kwaliteiten (vier elementen, vier eigenschappen, vier smaken), de vier geesten gevangen en beteugeld is, dan 'bestaat de bliksem of het licht in het midden als een hart'. Viertzig Frage der Seele.

Böhme vervolgend. 'Wanneer nu hetzelfde licht, dat in het midden staat, in de vier geesten schijnt, dan stijgen de vier geestkrachten in het licht op, en worden levend, en beminnen het licht; dat wil zeggen, ze nemen het in zich op en zijn er zwanger van.' 'In zijn verrijzing vormt de bliksem een kruisvorm (quaterniteit), alle eigenschappen omvattend, want hier verrijst de geest in het wezen..(en toont het rijk van de glorie).' Aurora.

Martianus Capella bijvoorbeeld kent aan Hermes, de bode tussen hemel en aarde, de eigenschap van de vierheid toe. De vraag echter die we ons steeds opnieuw moeten stellen, is, in hoeverre we, ondanks een enorm rijke symbolische traditie, niet steeds opnieuw een gegeven symbool dienen te herijken? In hoeverre is het mogelijk het kaf van het koren te scheiden, ook in de symboliek. In hoeverre kunnen we door alle mogelijke verschijningsvormen heen, wel degelijk weer het archetype reconstrueren? Het beeld als verdacht van tafel vegen, getuigt dan eerder van een grove nalatigheid dit medium systematisch werkend te revaloriseren. Hoe exacter we het beeld als medium, als symbool, kunnen reconstrueren, des te exacter kunnen we er ook weer mee werken en of haar werking benutten.

Er zijn zoveel soorten mandala's als er zelven zijn die zich via deze weg willen manifesteren in hun individuatie proces. Individuele mandala's kenmerken zich enerzijds door hun onbeperkte variaties aan motieven, kleuren, beelden, tekens en symbolen. Anderzijds zijn ze echter in hun veelsoortige andersheid archetypisch gestructureerd. Het betreft een combinatie tussen een uiterst bijzondere concretie en een uiterst algemene abstractie. Het format is bij wijze van spreken gegeven, maar zaak en persoon bepalen vanuit de eigen specifieke aard, hun unieke verschijningsvorm, die evenwel naar gelang het verloop in de procesmatige en inhoudelijke ontwikkeling ook weer mag en kan veranderen. 

Met de totaliteit van het Zelf, verschijnt ook de totaliteit van de mandala, voor zover ze zowel de totaliteit van het individu in zijn innerlijke en uiterlijke roerselen als wel het essentiële innerlijke centrum waarop alles betrokken is, in verschijning doet treden als dàt wat nu in samenhang speelt. Het bijzondere blijkt altijd met het algemene in gesprek te blijven, zoals de innerlijke dialoog tussen het meer bewuste ik en het meer onbewuste zelf, centrum innemend en centrum verliezend, steeds de balans zoekt het midden te doen verhouden tot de periferie of vice versa.

Onze ervaring in het genereren van modellen, of het nu personen, zaken, processen en of inhouden betreft, is dat een vorm niet bedacht kan worden, maar dat de vorm, de wijze van modelleren zich al doende ontsluit, juist daar waar het gegevene zich ook laat insluiten als toebehorend tot die samenhang. Het kan soms een worsteling inhouden, maar die ook te kunnen uithouden, maakt, dat het vroeger of later als vanuit zichzelve wil verschijnen, mits de kwestie in al haar facetten tot leven wil komen. Dat vraagt een geduldig afstemmen en aftasten en zeer wel ook een methodische aanpak (zie dictogram). Niettemin kan het ook als in een flits in- en uitgelicht worden. In dergelijke gevallen, aldus Jung, is het voor het onbewuste gemakkelijk om haar beelden, die achter het bewustzijn liggen, inlichtend en invloeiend te etaleren.

Ondanks alle mogelijke vormen, tekens, kleuren, lijnen en vlakken blijken er ook grondtendenties aanwezig te zijn, zoals de wijze waarop licht en donker, het scherpe en het ronde, linksom en of rechtsom bewegend en of draaiend hun spel spelen in het geheel van de mandala. Ondanks alle variëteiten zijn er dus simpelweg ook een gelimiteerd aantal alternatieven. Wederom, het blijft een spel gebaseerd op een gegeven speelveld met een gegeven aantal spelregels in tegenstelling tot een gegeven aantal spelers en speelregels, die het bijzondere onderhouden in wisselwerking met de algemene spelregels.

Aangezien mandala's ook specifiek ingezet kunnen worden, blijft het zaak steeds acht te slaan op hoe het verbijzonderingsproces op een individuele wijze gestalte wil krijgen; al doende valt niets te voorzien, het ontstaat als bij verrassing uit het niets, uit het ongekende, het ongewilde. Daartoe kan men niets, noch de wegen en middelen, kunstmatig bedenken of van tevoren weten. Er zijn geen kant en klare oplossingen en of algemene waarheden, die telkens het proces van buitenaf bepalen. Het is zaak niets van tevoren af te weren en of te weten, maar het onbewuste haar werk te laten doen in het beelden en verwoorden van wat er nu werkelijk speelt. Hoe ongekunstelder het proces vorm vermag te krijgen, des te exacter en treffender kan de mandala in haar bijzondere verschijningsvorm een Gestalt vormen. Een in zich samenhangend geheel met heel bijzondere aspecten en of facetten, die voor zichzelf spreken.

Dat lijkt bijna vanzelfsprekend, maar dat is het allerminst. Ten eerste is het beeld slechts het voertuig van datgene wat zich wil laten zien; degene die het vormt, mag het niet eens bedenken en of willen, het ontstaat vanuit een kracht, die dwingt de beweging te volgen, van waaruit het beeld ontstaat en zich ook ontsluit. Degene die het beeld aan het vormen is, blijkt vaak genoeg zich te verwonderen over het feit dat er iets anders ontstaat dan wat men voor ogen had. Soms heeft men helemaal niet in de gaten wat er eigenlijk aan het ontstaan is. Aangezien het beelden nagenoeg in het halfbewuste schemer plaats vindt, kunnen er dus tekens en of symbolen uit het onbewuste opstijgen om zich in het gegeven veld te manifesteren.

Zo sprekend zijn de beelden dus op het eerste oog nog bij lange na niet. Dat houdt in, dat men methodisch de bal weer terug legt bij degene die het voortgebracht heeft. Interessant is nu haar of hem als eerste stap zelf vrij uit aan het woord te laten, wat haar / hem bewogen heeft dit te doen beelden. Als toehoorder krijg je dan de tijd en de ruimte om in die stroom mee te bewegen tot in het gestolde beeld. Je kunt hooguit informerend en of verduidelijkende vragen stellen; interpretaties zijn hier nog volkomen uit den boze. De tweede stap, vaak genoeg pas in een volgende sessie, is aan degene die het beeld gevormd heeft, de vraag stellen wat zij / hij zelf erin ziet, nu zij / hij zich er tegenover opstelt. Jung noemt dat het oefenen van de actieve imaginatie.

Stap 1 informeert je over wat er zoal heeft gespeeld innerlijk en uiterlijk, vooraf en achteraf, tijdens het creatieproces. Je kunt dan reeds zien in hoeverre beeld en woord elkaar al of niet completeren. Stap 2 informeert je wat de schepper(ster) zelf er nu in wil en of kan zien, met andere woorden, de creatrice is doende het voortgebrachte beeld op zich in te laten werken en tracht te ervaren en te verwoorden wat er in haar opkomt. Zonder dat de vertelster het vaak in de gaten heeft, werkt het beeld opnieuw in op het innerlijk van de creatrice. Die inwerking heeft vroeg of laat een uitwerking, ook al wordt er niks over verteld, maar als ze het ergens ophangt, bijvoorbeeld boven haar bureau, dan gaat het beeld als veld in werking treden. Innerlijke werking wordt zichtbaar in een uiterlijke werking en weer vice versa. Met andere woorden het beeld wordt enerzijds ter sprake gebracht, maar het gaat ook toespreken: inwerken, uitwerken en vooral doorwerken .

Het vraagt vooral rust en aandacht om dit proces in haar eigen tijd en ruimte ook te laten gebeuren en het niet te overhaasten, want ook hier, niet het doel maar de weg er naartoe is leidend. Het twee gesprek tussen creatrice en beeld, vanuit de stroom waarin het beeld werd gevormd en tegenover het beeld staand, dat reeds gevormd is, bewerkt een nieuwe wording, die tasttenderwijs aan het licht gebracht mag worden. Welnu het beeld staat in functie van het heelwordingsproces van de voortbrenger/ster van het beeld in zijn geheel. 

Vaak genoeg weet degene die beeldt niet waarom er iets of iemand is gevormd, is gebeeld. Voor de begeleider is het ook niet interessant of het gebeelde al of niet analoog gezien mag worden aan aloude archetypische tekens en of symbolen. Dus het nodige uitleggen en of er iets inleggen aangaande de betekenis van de betreffende symbolen, schaadt juist het individuatie proces. Toch is het interessant om wel degelijk ook kennis van zaken te krijgen en te hebben wat betreft de vaak voorkomende betekenis van vormen, kleuren, tekens en symbolen. Niet om ze uit de doeken te doen, maar juist en alleen om de juiste vragen te kunnen stellen aan degene die het beeld heeft voortgebracht. 

Stap 1, de these, stap 2, de antithese en stap 3 nu vormt de synthese, dat wil zeggen wat is uiteindelijk de tussentijdse vrucht van dit proces. Dat is dus niet: wat betekenen al die gevormde tekens, vormen en kleuren, maar juist en vooral wat kan de zin zijn of worden van dit beelden voor degene die dit proces ook daadwerkelijk bezielt en belichaamt. Wat krijgt de betreffende al of niet duidelijker en al of niet helderder voor ogen. De rol van de begeleider is dit proces zodanig viseren en preciseren, dat het vrucht dragen ook nieuw zaad voortbrengt, immers alleen door en met dit zaad kan de beeldster, uit zichzelf weer een nieuw leven voortbrengen, mits het zaad ook kiemkrachtig wordt.

De kiemkracht ontstaat uit een bevruchtingsproces velerlei aard en daarin speelt zowel de genius van de begeleider als de genius van de creatrice een hoogst beduidende rol. Het betreft een uniek interactie proces dat geenszins te ondervangen is in een protocol, zoals men hedendaags placht te denken. Immers zin en betekenis pendelen tussen concretie en abstractie, tussen het hoogst persoonlijke bijzondere en de diepst archetypische boven of onder persoonlijke dimensies. 
(De toebedeelde mannelijke en of vrouwelijke benamingen zijn geenszins specifiek, men kan ook spreken van een begeleidster en of creator, zie het als een spel van mogelijkheden.)

De taak van de begeleider en of begeleidster bestaat er nu juist in die pendel nauwlettend te viseren en ook te toetsen middels vragen, zodat zij zich terdege vergewist van de aard en hoedanigheid van het zich ontluikende individuatieproces. Om dat ook daadwerkelijk te kunnen, vereist zulks een nauwgezette studie van de geheel eigen logiek van het beeld, in haar onderscheiden tekens en symbolen. Wie dat niet kan verstaan noch begrijpen, vaart of vliegt in den blinde. Niet op de laatste plaats moet er ook een gedegen studie plaats vinden inzake de fysieke, psychische en geestelijke dynamieken in de persoonsontwikkeling, zowel qua Wezensleden en Chinese systematiek, als ook dieptepsychologische karakteristieken en wetmatigheden. Immers personen die hulp zoeken verkeren vaak in een kritische fase van hun leven. 

Doorgaans worden deze crisissen graag, zogenaamd 'gestabiliseerd' met biochemische medicatie, zonder überhaupt de tijd te nemen te achterhalen wat er aan de hand kan zijn om zo de angel in de crisis te ontwaren. DSM-5 classificaties (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) versimpelen en maskeren de ware aard van elke persoonlijke crises, ook al kan men de symptomen onderbrengen in de daartoe opgestelde classificaties. Men verzuimd acht te slaan op het echte handwerk teneinde het bijzondere van ieders hoogst persoonlijke ontwikkelingskans (geen stoornis) in kaart te brengen, dat wil zeggen uit de specifieke persoonseigen subject betrokken symptomen feitelijk empirisch te objectiveren. Daartoe ontbreekt ten ene male het vermogen zich er een adequaat beeld van te vormen. De betreffende object betrokken beeldvorming vormt in deze het grote manco. Anderzijds ontbreekt tot nu toe het inzicht specifieke bio-chemische psycho medicatie specifiek persoonsgerelateerd in te zetten.

Zolang het vigerende ontologische paradigma meent psychische dynamieken alleen op een kwantitatieve wijze te moeten benaderen en dito medicatie ontwikkelt, miskent ze de geheel eigen kwalitatieve dimensie van het fenomeen soma, psyche en pneuma. De wending die Jung en de psychoanalyse ooit inzette, wordt feitelijk gemarginaliseerd, want het valt (gelukkig) niet te kwantificeren en te protocolariseren en wel omdat haar object een particulier subject betreft, dat zich niet zomaar op een gestandaardiseerde manier laat behandelen. Niettemin zijn er wel degelijk kwalitatieve criteria te ontwikkelen om dit soort van kwalitatieve processen adequaat te kunnen hanteren. Daartoe dient naast het causaal analytische begripsvermogen ook het analoog synthetische beeldvermogen geheel en al weer gesauveerd te worden. Dat wil zeggen men zal het ontologische paradigma en de erin vervatte optiek zodanig moeten uitbouwen en verbreden (niet ideologisch verabsoluteren), dat er weer tijd en ruimte ontstaat voor het groeiende leger dropouts, die redeloos, radeloos en reddeloos verloren tussen wal en schip geraken.

Het instrument om binnen het kader van het functionele paradigma op een consistente en coherente wijze een kwalitatieve systematiek te kunnen ontwikkelen, vraagt een geheel eigen aanpak en dito scholing. Deze aanpak begint met het onderscheid tussen kwantiteit en kwaliteit, begrip en beeld, niet alleen opnieuw nauwgezet aan een onderzoek te onderwerpen, als wel ook deze beide vermogens adequaat te scholen. Het ene is niet beter dan het andere, ze zijn juist niet gelijkvormig maar wel gelijkwaardig. De niet gelijkvormigheid maakt het mogelijk de onderscheiden peilers van de toekomstige wetenschapsbeoefening te honoreren en niet af te serveren, teneinde een brug te bouwen naar een leefbare en menswaardige toekomst. 

De ontologie bracht welvaart, welzijn echter is nog ver te zoeken, dat vraagt een paradigmatische wending, een wending die onder andere Jung trachtte waar te maken door het mythische paradigma te hernemen. Precies hierin herontdekte hij o.a. het fenomeen van de mandala, een eeuwenoud instrumentarium dat men wel degelijk systeem dynamisch kan herwaarderen als een rationeel te onderbouwen systematiek. Net zo min als de wiskunde empirisch te bewijzen valt dan wel zeer toepasbaar blijkt voor empirisch onderzoek, zo ook moeten we systeem dynamisch weer zicht krijgen op een consistente en coherente waarheidsvatting.

Het groeiende aantal drop outs, burn outs, light outs, vormen de kritische symptomen voor een noodzakelijke wending van de wijze waarop we eenzijdig verabsoluteerd naar de werkelijkheid kijken. Helaas zijn velen het besef kwijt geraakt dat een optiek op de werkelijkheid van welke aard dan ook nooit het enig ware mag claimen en of afdwingen, juist in een tijd waarin de giganten het wetenschappelijk onderzoeksproces profijtelijk misbruiken om hun economische en politieke macht bot te consolideren, ten koste van alles en allen.

De wending die voltrokken moet worden, begint met een voor velen onooglijk eeuwenoud instrument, in nagenoeg alle tijden en culturen existent in werking gebracht om essentie op het spoor te komen. Dat ze in de vergetelheid is geraakt en of systematisch met de ketters werd afgebrand, zoals een Gordiano Bruno in 1600, wil nog niet zeggen dat aloude technieken en instrumenten niet opnieuw gerevaloriseerd kunnen worden met behoud van alle kritische waarheidsvindingen, die evenzeer in de loop der eeuwen zijn verworven. Vandaar dat het hier op zijn plaats is om de wijze waarop een mandala weer tot leven mag komen zeer wel dient te voldoen aan systeem dynamische criteria. Aan willekeur en subjectivisme gaat ook een reguliere wetenschap ten onder, het vraagt dus grote waakzaamheid openheid, onbevangenheid en onbaatzuchtigheid te blijven betrachten.

Het is juist de eenvoud, de simplex, die de nieuwe bouwsteen kan vormen voor een toekomstige wetenschapsbeoefening, door juist niet te beginnen met het object, maar juist en vooral het subject gedegen in al zijn gedragingen zodanig in het vizier te krijgen opdat vooreerst het subject zich vermag te ontwikkelen, alvorens zich te vergrijpen aan de weerloze objecten en subjecten.
Comments