De kunst van het niet doen

Niets moeten in het doen is niet, niet doen. Met aandacht dát doen wat door je heen geleefd wil worden in dit moment, maakt doen door niet te doen, in verstilling aangenaam doen.
De kunst van het niet doen.

Hoe verkrijg je meesterschap in het niet doen?

Meesterschap verkrijgen in het niet doen is het onderscheid leren verstaan tussen handelen en niet handelen.

Handelen komt voort uit iets willen en of wat we voelen of denken te willen. We komen dat handelen in verschillende vormen tegen: daar waar een wil is, is een weg; iets doen tegen wil en dank; wat in de kop zit, zit niet in de kont; een eigengereide of koppige wil.....

In welke vorm dan ook merk je dat het hier gaat over een vorm van handelen die je op een of andere wijze bewust bent geworden: willens en wetens. Waar dit bewuste handelen vandaan komt is zeer de vraag! Nog groter is de vraag of deze handelwijze ook echt bij je zelf past.

Vandaar dat we methodisch, middels een veldopstelling, een dictogram, op zoek gaan naar de onbewuste bronnen van ons handelen. Dat wat je je nog niet bewust bent, kan je niet willen noch denken. Vreemd genoeg blijkt dit niet willen en niet denken vaak dichter bij je zelf te liggen dan je denkt. In onze training starten we een onderzoek naar de arche, naar de bron van dit niet handelen door ruimte en tijd te scheppen voor wat ons werkelijk beweegt in leven en werken.


Het dictogram als veld, bron, arche uit een aloud mythisch weten. 

Waar en wanneer neem je de gelegenheid tijd en ruimte te nemen op zoek te gaan naar dat wat jou beweegt? En gek genoeg is dat niet te ‘handelen’: dat laat zich zien in hoe je leeft en werkt. Mogelijk meer in het mislukken dan in het lukken.

Ergens in jouw zelf als arche leeft in samenhang met het denken en voelen je echte wil. Een onbewuste wil die al of niet spoort met je werkelijke zelf. We spreken dan van een bezielde of mogelijk ontzielde wil. Wat bezielt je nu werkelijk ten diepste in dit leven? Of laat je je ontzield, letterlijk zonder eigen levensdoel, meeslepen door de waan van de dag?

Om dit onderzoek naar het niet handelen mogelijk te maken, benutten we het aloude mythische instrument van het dictogram. Om het werken in het dictogram mogelijk te maken, sensibiliseren we enerzijds het lichaam als voertuig van een onbewust willen en anderzijds de geest als het voertuig van een onbewust denken. Met lichaam en geest leren we ons te bewegen in het dictogram en op zoek te gaan naar de verborgen dimensies van ons zelf.

In contact met wat zich hier en nu in het dictogram laat zien, onderzoeken we met jou de mogelijke betekenissen van wat zich voordoet: het valt niet zomaar te bedenken noch te willen. Het vraagt om een onbevangen gewaarworden en waarnemen van wat zich in jou spelenderwijs wil oplichten. Dat vraagt om geduld en aandacht en vooral om de kunst van het niet doen.


Catharsis.

Het Griekse woord catharsis doelt op een zuivering die de gehele mens omvat. Een zuivering van lichaam, ziel en geest. Zoeken naar en onderzoeken van dat wat jou ten diepste beweegt, vraagt evenzeer om een proces van reinigen en loslaten. Afscheid nemen van al datgene wat in vele vormen en in vele lagen in jouw zelf is gaan vastkoeken, zowel op het niveau van het willen, voelen als denken. Methodisch gezien moet dit reinigingsproces op vele wijzen ondersteund worden om zowel de arche van je levenskracht als die van je geestkracht weer te doen stromen.

Methodisch gezien, dien je in een reinigingskuur, middels feestelijke maaltijden, je zelf te sensibiliseren in dat wat je wel en dat wat je niet past. Ze dienen zo samengesteld te worden dat je zelf op zoek kunt gaan naar de maat van je werkelijke behoefte om in je levenskracht te kunnen voorzien. Tegelijkertijd dienen ze zo samengesteld te worden, dat ze in het lichaam een grondige reiniging teweeg brengen.

Lichaamsoefeningen ondersteunen deze catharsis door de wijze waarop ze beleefd en uitgevoerd worden. Niet zomaar wat doen, maar vooral ook hier leren voelen wat in de fysieke beweging je werkelijk voortbeweegt.


Verveling: de moeder der muzen.

Je vervelen betekent, dat iets of iemand je niet kan boeien of dat iets of iemand je teveel wordt. Vervelen is een vermenigvuldiging van veel.

De grond van het je kapot vervelen, ligt nu misschien wel in het feit dat mensen niet in staat zijn om zin en betekenis te geven aan wat ze echt willen, voelen en denken. Om deze leegte op te vullen, is de moderne mens zowel in werk als in vrije tijd voortdurend op jacht naar nieuwe prikkels en sensaties. In de grote jacht naar het ultieme geluksgevoel, krijgt hij het razend druk met van ‘alles en niets’. Hoe drukker, hoe meer het gevoel kan ontstaan, dat je zelf er ook toe doet. In het belangrijk worden, staan dus grote belangen op het spel. Uiteindelijk kan de verveling omslaan in een enorme onrust, gejaagdheid en haast.

In onze tijd is de mens zelf verantwoordelijk geworden voor wat hij zinvol vindt. Zin en betekenis aan je werk en leven geven, is echter een enorme klus. Het is makkelijker om je te laten meeslepen in een enorme pretmachine vol activiteiten dan stil te vallen en niets te doen. Er staan vele knoppen binnen handbereik om je leven door te zappen. Marktaanbod en economie raken oververhit.

Durven stil vallen om niet te doen echter, wordt een noodzakelijke voorwaarde om je echte creatieve potentie te doen ontwaken. Verveling moet je dus niet verdrijven maar leren ondergaan. Maar leegheid ondergaan, blijkt nog iets geheel anders te zijn dan leegte te scheppen. Passieve leegheid kan het spreekwoordelijke kussen worden van de duivel, terwijl leegte eerder vraagt om een actieve bereid om niet te doen. Dit vermogen ontwikkelen, komt juist van pas, daar waar je in het creatieve proces de frustratie oploopt: ik kom er niet meer uit. Dat is juist het moment om niet door te duwen, maar afstand te nemen, te ont-focussen. Tijd en ruimte nemen om niet te doen. Diep in je zelf kunnen dan krachten opwellen, die verder broeden op het spreekwoordelijk ei. Op een onverwacht moment kan dan dat heldere idee oplichten. 


Revisie door retraite.

Retraite betekent terug-trekken. Een terugtrekken om een sprong voorwaarts te kunnen maken in het herscheppen van een nieuwe visie, een nieuwe kijk op de zaak. Laten we zeggen een periodieke onthouding om weer in contact te komen met het gevoel van niet doen. Doorgaans is niets doen een onbewust en tijdelijk gevoel van ongemak. Het verdwijnt zodra de geest weer door iets gegrepen wordt of iets onder handen wil nemen.

Blijkbaar is het de kunst om bewust het gevoel van niet doen in te gaan. Gek genoeg activeert niet doen dan juist de echte creatieve geest in je zelf en voorkomt hersenluiheid.

Gezonde stress vraagt op zijn tijd om een even gezonde wijze van ont-stressen. Je kunt als creatieve geest niet volcontinu in bedrijf zijn. Sterker nog, als je ongemerkt dwangmatig volcontinu in bedrijf blijft, negeer je alle gezonde signalen en impulsen van een ‘break out’. Wie blijft door malen dooft en doodt geleidelijk aan zijn vrije geestkracht. Menselijke machines die blijven door malen, worden vergeetachtig, minder accuraat en verliezen de creatieve dynamiek tussen inspanning en ontspanning. Met name ontspanning betekent niet iets anders doen, maar voor alles niet doen.

Je kunt bijvoorbeeld de oude techniek van het mediteren gaan oefenen, maar dat is voor velen nog een station te ver. Vooreerst gaat het om de kunst een gezonde modus te vinden tussen doen en niet doen. Vandaar dat je voor zelf een gelegenheid moet organiseren om het juiste midden weer te kunnen herontdekken. Overigens is de kunst van het juiste midden doel en meditatietechniek ineen.

Niets mogen doen botst altijd met weer van alles moeten doen. Met die botsingen blijf je de onbalans juist voeden. Het juiste midden tussen doen en niet doen is een vaardigheid die je niet kunt toe-eigenen, maar waar je je voor open moet stellen. Het blijkt uiteindelijk een cadans in je eigen systeem te zijn. 

Het gaat niet alleen om een dynamiek tussen volte en leegte, als wel om een dynamiek die ten grondslag ligt aan alle creatieprocessen. 

Als je een probleem wilt oplossen of een idee wilt ontwikkelen, begin je met je te focussen op je onderwerp. Je inventariseert welke oplossingen reeds voorhanden zijn en welke wellicht vragen om een actueel betere oplossing. Als dat niet lukt, voel je frustratie. Dat is het begin van het echte creatieproces. Je hebt het gevoel ik kom er niet uit, ik snap er niks van. Het beste is dan om niet door te duwen, maar eerst afstand te nemen door de deur uit te stappen en te gaan wandelen of te gaan tuinieren. Dit is echter nog een vorm van doen, welke vormen van niet doen kan je voor je zelf scheppen?

Na het focussen komt het ont-focussen: het niet doen, kan dan in beeld komen. Tijdens het niet doen, blijft ongedacht en onbewust je zoeksysteem toch aan de slag om op een onverwacht moment het licht te ontsteken. Zeker nog lang niet kant en klaar, veel eerder een nieuwe manier van benaderen, aanpakken of kijken. Wanneer het bewuste gaat ont-focussen, dan kan het onbewuste juist op haar manier gaan focussen. De wisselwerking tussen inspanning en ontspanning en de wisselwerking tussen het bewuste en het onbewuste scheppen het juiste midden: een arche van inventies en creaties met een potentiële toekomst.

Stress activeert slechts de frontale cortex, goed om routine te optimaliseren. Maar uiteindelijk verlamt stress en de angst om fouten te maken juist alle creativiteit. Ergens dien je een balans te vinden tussen buitenwereld en binnenwereld. Tussen de wereld van het reële en het noodzakelijke en de wereld van het irreële en het mogelijke.

De kunst om meester te worden in de dynamiek tussen doen en niet doen wordt door ons gestalte gegeven in een uniek instrument: het dictogram. Een instrument waarmee we veldopstellingen arrangeren. Het dictogram hanteren we letterlijk als een beeldvoertuig voor inventies en creaties. Het dictogram kan je opvatten als een grafisch en visueel ruimtelijke tijdmachine, waarin je je leert bewegen en waarmee je je leert voortbewegen. Met het dictogram, als instrument en voertuig, leer je de kunst van het pendelen tussen binnenwereld en buitenwereld, tussen focussen en ont-focussen, tussen doen en niet doen, tussen in bedrijf en uit bedrijf zijn, een gericht en ongericht oefenen.

Methodisch werken in het dictogram, wordt zo ingericht, dat je zelf en of met anderen de inventies en de creaties in je Zelf leert herbronnen. De logos van de Arche krijgt dan in je eigenste midden het logische vervolg. Bij je zelf op ‘herhaling’ komen, voorkomt in ‘herhaling’ te vervallen. Want dat wat zich herhaalt, wil aangekeken worden, opdat het ingelost mag worden.


De centrale concepten achter het niet doen.

Re-traite, je terug-trekken in de stilte en in de leegte van het actieve niet doen. Het niet doen impliceert meer dan het niet handelen, het betreft evenzeer het niet denken, het niet voelen en het niet willen. Het totale concept van het niet handelen, niet denken, niet voelen en niet willen is gebaseerd op het drie/vierledige mensbeeld. Met dit verschil dat de mens niet meer zelf handelt, denkt, voelt en wilt, maar dat het Handelen zich voltrekt in het menselijke handelen, het Denken zich voltrekt in het menselijke denken, zo ook wat betreft het voelen en willen. Blijkbaar is er iets groters, dat zich wil voltrekken in het menselijke alledaagse handelen, denken, voelen en willen. Dat vraagt van de mens om een actieve bereidheid, dat ook te leren toelaten, zich er voor open te stellen en zich er door te laten gezeggen.

Van oudsher heeft de mens voor dat grote Denken, Voelen en Willen ook andere begrippen: niet ik denk, maar het Denken denkt in mij en dat krijgt vorm in wat men imaginatie noemt. Niet ik voel, maar het Voelen voelt in mij en krijgt vorm in wat men inspiratie noemt en zo krijgt de intuïtie vorm doordat niet ik wil, maar het Willen in mij wilt. Met andere woorden het niet doen op zich is niet uitputtend vorm gegeven, wanneer men dat slechts betrekt op het niet handelen.

Het niet handelen kan men benutten als een voorwaarde om de interne en externe dynamiek van zichzelf in relatie tot de werkelijkheid op het spoor te komen. Immers waar het eigengereide handelen staakt, daar kan zich iets gaan manifesteren, wat de mens beweegt te handelen, anders dan hij of zij gewoon was. Het niet handelen is al nauwelijks voorstelbaar, laat staan het niet denken, het niet voelen en het niet willen. In die volgorde, achtte men dat de moeilijkheidsgraad ook exponentieel toenam. Het gaat er hier niet om daar verder over te speculeren.

Anderzijds vormt het een wereld van verschil als men niet handelt of bijvoorbeeld niet denkt. Niet handelen sluit nog niet in dat men bijvoorbeeld de kunst van het niet denken verstaat. Wat verschilt het niet denken dan van het niet handelen en is het zinvol zich daarmee bezig te houden? Waarom is het niet denken een stap verder dan het niet handelen? Zo de mens in zijn levensloop zijn zielsvermogens achtereenvolgens ontwikkelt, in deze het willen, voelen, denken, zo kan hij evenzeer deze vermogens in omgekeerde volgorde transformeren. Omvormen tot een hoger ken orgaan, vandaar het kiezen voor andere begrippen, zoals voornoemd: de imaginatie, de inspiratie en de intuïtie.

De methode van het niet doen, moet gegeven bovenstaande overwegingen dan ook nader gepreciseerd worden als een niet handelen. In deze methode wordt de ruimte en de tijd verkent die achter, in, of onder het handelen, de werkelijke grond vormt van waaruit het niet handelen gestalte kan krijgen in het hier en nu. Naast deze methode waarin het niet handelen als een werkzame bron verkend kan worden, zijn er ook methodes ontwikkeld waarin het imaginatieve, inspiratieve en intuïtieve vermogen aan de orde gesteld kunnen worden. In het leren werken met het diagram (mogelijke denkorde) en het dynagram (noodzakelijke wilsorde) kan je daartoe een eerste opstap vinden, het vraagt echter nog een hele weg je zelf daarin te scholen. 

Wat houdt dat niet denken en het niet willen dan in? Op zijn scherpst geformuleerd, een bewuste scholing van het imaginatieve en het intuïtieve vermogen. Immers het imaginatieve vermogen geeft te denken, daarin buigt het na-denken zich over het ongedachte als imaginatie. Zo dringt in het intuïtieve vermogen het ongewilde zich op als een onontkoombaar willen, waarmee het eigen willen nog in het reine dient te komen.

Het imaginatieve vermogen schoolt men o.a. in de dynamiek tussen begripsvorming en beeldvorming, tussen een object betrokken analyse en een subject betrokken synthese, tussen causaal denken en analoog denken. Tussen de impliciete orde van het diagram en de expliciete orde van het dynagram. Het vermogen om weer te kunnen schouwen op grond van feiten en fenomenen en dat als vermogen ook weer los te laten, schept de mogelijkheid dat het imaginatieve kan aantreden.

Het intuïtieve vermogen kan men o.a. scholen in de dynamiek tussen waarneming en gewaarwording. Tussen de expliciete, externe object betrokken orde van de perceptie als een zintuiglijk en feitelijk waar te nemen domein en de impliciete, interne subject betrokken orde van de apperceptie, evenzeer zintuiglijk en feitelijk gewaar te worden. Beide routes dienen complementair geoefend te worden in de dynamiek tussen feit en fenomeen. Deze en andere routes, zoals de dynamiek tussen beeldvorming en oordeelsvorming, vormen een methodisch onderdeel van de fenomenologische scholingsweg. De fenomenologie werkt met wat zich wil laat zien, te verstaan als een fenomeen. Een fenomeen kan men niet manipuleren, zij verschijnt uit de aard van haar eigen verschijningskracht. Elke manipulatie ontkracht het fenomeen tot een fantoom, tot een willekeurig detail, dat zo snel mogelijk verwijderd moet worden uit de plooien van het verschijnende bestaan. Daarentegen wordt in de fenomenologische grondhouding het niet willen geoefend voor zover men zich open stelt en wilt laten gezeggen door het fenomeen: dat uit zich zelve verschijnt en laat zien wat er werkelijk te zien en te beluisteren valt. Zie voor meer informatie over de fenomenologische scholing de website.

Management in organisaties bijvoorbeeld is een prachtig oefenterrein voor een praktische fenomenologische scholingsweg. In de dynamiek tussen rationeel management en volitioneel management, tussen top down en bottum up benaderingen, tussen stock management en flow management, kan de organisatie fenomenologisch onderzocht worden op cruciale fenomenen. Veelal onwelkome, onwelgevallige en zeer ongewillige fenomenen, die de organisatie ten diepste kunnen treffen en wel zodanig dat men er de spreekwoordelijke vinger niet op kan leggen. Dergelijke fantomen kunnen uitgroeien tot spookachtige proporties, alle manipulaties ten spijt. In een fenomenologische grondhouding wordt de weg gebaand om deze fenomenen grondig te onderzoeken. In dat verband verschijnt de organisatie als een organisme met haar eigen onvervreemdbare organiek en mechaniek, waar opnieuw naar geluisterd mag worden. Een meester manager weet in dit verband intuïtief waar de schoen wringt, deze intuïtie ook fenomenologisch onderbouwen en voor het voetlicht brengen, maakt inzichtelijk waar wilsprocessen elkaar destructief of constructief kunnen interfereren. Een training in intuïtief management bijvoorbeeld is gebaat bij een scholing van de fenomenologische grondhouding. De fenomenologie is niet mogelijk zonder het scholen van het niet willen.

Het inspiratieve vermogen schoolt men o.a. door in de dynamiek tussen sympathie en antipathie, de ruimte van de empathie te verkennen, die Edith Stein omschreef als de ruimte waarin je je kunt verplaatsen in de ander en het andere als anders en toch voelbaar. Wat valt er dan te voelen? Gaat het om een in- of aanvoelen van de andere en het andere, zonder dat je er mee samenvalt en of er emotioneel door wordt bewogen? Wat valt er nog te voelen voorbij de emotionele horizon aan tegenstrijdige gevoelens? Hoe kan nu juist het niet voelen als vermogen om te voelen zodanig ontwikkeld worden, dat zonder sympathie of antipathie het andere en de ander bevoeld kunnen worden? Ontwikkelt het niet voelen zich dan als een zintuig en als een vermogen om voelend te kennen?

Dit vermogen om kennend te voelen, situeert men veelal in het hart als zintuig en kennisorgaan. Blaise Pascal opperde al dat het hart de eigenlijke instantie is om te kennen: ‘Wij kennen de waarheid niet alleen door de rede, maar ook door het hart’. Het hart beschikt over een ‘esprit de finesse’, een fijngevoelige geest die zich richt op het kennen van de principes, die zowel het oneindig grote als het oneindig kleine reguleren. Met zijn hart is de mens als tussenwezen uitermate geschikt om in de dynamiek tussen geest en beest, tussen engel en bengel een nieuwe dimensie te ontwikkelen en wel die van de liefde.

De liefde die tussen hopen en geloven in koers weet te zetten naar een tussenwereld van het hart. Een harte wereld die het midden schept tussen denken en willen, ratio en volutio. Een uiteindelijk midden waarin de uitersten verzoend worden in de vrede des harten.

Met het niet handelen, zetten we een eerste stap om het handelen om te vormen tot een niet doen. Het vervolgtraject rond de vorming van het imaginatieve, inspiratieve en intuïtieve vermogen wordt in bovenstaande slechts geschetst om de contouren van het niet handelen nader te accentueren als mogelijke werelden van menselijk bestaan. 

Al met al vormen deze eerste contouren met betrekking tot een viertal vermogens de bedding waarin elk deel niet zonder het geheel kan. Zo impliceert het vermogen van het niet handelen niet zo maar een terugtrekken in de leegte of in de stilte, maar juist een uiterste inspanning het eigen handelen te doorgronden als bezet gebied van velerlei oneigenlijke handelingen, gedachten, gevoelens en gewillens. De kunst van het werkelijke managen bijvoorbeeld, ontstaat voor alles in de kunst en kunde van het niet handelen. Het niet handelen schept zo de werkelijke ruimte voor het authentieke handelen van eenieder in relatie tot het geheel van de organisatie.

Vasten, meditatie, vision quest zijn de aloude vormen van oost en west om in het onthouden ruimte te scheppen voor het niet handelen. Het niet handelen als bron van het verschijnen en verdwijnen van datgene wat aan het licht wil treden. Dat vraagt om een onthaasting, een tot rust komen, een tot vervelens toe ongeduld te doorleven.

Het vraagt om een vorm van bewegen, zoals dat van oudsher in Tai Chi en Chi Kung beoefend werd en nog, juist als een vorm van management, van niet handelen. Precies in het niet handelen, kan dat wat wil aantreden breed op het toneel haar dans dansen, alvorens de choreograaf vanachter de coulissen, de moed weet op te brengen noch in te grijpen, noch los te laten. 
Comments