Tabula rasa ♫

Schone lei, ongeschreven blad, blank slate, wax tablet - Thomas van Aquino

Hoe systeem dynamisch denken en werken te situeren.
 
Wie de dag van vandaag om zich heen kijkt, kan niet anders constateren dan dat het kennisbereik explosief  groeit. Zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin bouwt de mens aan een te denken werkelijkheid. Deze te denken werkelijkheid kan in tegenspraak geraken met diezelfde werkelijkheid. Wat is dan de aard van deze tegenspraak? Denkt de mens nog niet goed genoeg en of laat de werkelijkheid telkens zien hoe het toch radicaal anders is dan de mens dacht? Wie is dan die werkelijkheid? Een aan het subject onderworpen object of een aan het object onderworpen subject? Vormen subject en object elkaars tegendeel dan wel vormen ze elkanders tegenstelling? Wie is in dit rationele kennisbereik eigenlijk het subject en of het object? Is er wel sprake van onderwerping? In hoeverre kan co-existentie uitzicht bieden?
 
Hoe kan het subject dat deze werkelijkheid zo grondig tracht te doordenken in conflict komen met het object? Op welke wijzen kan het object het denkende subject weerstreven?  Ligt het primaat bij het denkende subject of bij het weerstrevende object? Hoe verhoudt het denkende subject zich tot het bedachte object? Hoe verhoudt het denkende object zich tot dit bedachte subject? Wie van die twee kan zich ergens beroepen op de schanddaden van de ander? Behoren beiden tot een en dezelfde werkelijkheid of vormen ze een tegengestelde, elkaar uitsluitende, werkelijkheid? Zijn subject en object op elkaar aangewezen en of tot elkaar veroordeeld?
 
Het zijn zo maar wat bespiegelingen in een tijd waarin er zoveel te weten en te doen valt, dat we dat in 1 mensenleven, laat staan in 1 hersenpan, kunnen overzien, noch doorzien. Naarmate het kennisbereik groeit, raken we wellicht in een paradoxale situatie. Enerzijds kan niemand het geheel overzien en anderzijds kan niemand  'sturing' geven aan de verdere uitgroei van dit kennisbereik. Kortom met zijn allen doen we maar wat, de wetenschap voorop. Toch kunnen we met onze kennis ongelooflijk diep ingrijpen in onze omringende werkelijkheid. Collectief gezien groeien onze ingrepen met de dag én evenzeer de voorziene en onvoorziene consequenties van onze ingrepen. Ingrepen die niemand meer kan overzien, laat staan de consequenties.
 
Betreedt de mensheid met deze explosieve groei van zijn kennisbereik, hoe rationeel elk handelen ook is onderbouwd, niet langzamerhand het irrationele en dientengevolge paradoxale domein van de spreekwoordelijke chaos. Paradoxaal? Hoe kan rationaliteit omslaan in irrationaliteit en of hoe kunnen rationaliteit en irrationaliteit de keerzijden zijn van dit kennisstreven? Werd kennis ooit omschreven als macht, wellicht wordt het een steeds groter wordende onmacht die op irrationele wijze macht proclameert.
 
Om welke wijze van kennen gaat het eigenlijk? Zijn er in de loop der eeuwen niet vele kenwijzen ontwikkeld? Wie bepaalt nu welke kenwijze de hegemonie mag voeren over alle andere? Over hoeveel kenwijzen beschikt de mens dan wel? Staan die verschillende kenwijzen met elkaar op goede voet of staan ze elkaar letterlijk en figuurlijk naar het leven? Welke kenwijze ligt ten grondslag aan de succesvolle en explosieve groei van ons kennisbereik ?  Is dat niet de empirische kenwijze, de enige ware, die de troon der wetenschap mag sieren? Waar zijn dan al die andere kenwijzen naar toe verbannen of zijn ze inmiddels al uitgeroeid? Kan die verbanning niet geleid hebben naar het paradoxale effect waarin rationaliteit, irrationaliteit is gaan voortbrengen?  Wie en Wat worden benoemd als rationeel en misschien nog belangwekkender wat en wie worden irrationeel genoemd?
 
Waar komt het woord ratio vandaan? In een beknopt Latijns woordenboek bijvoorbeeld uit de Aula reeks (1959), vind je onder het woord ratio al 35 betekenissen. Pas op nummer 22 staat rede, op 23 inzicht, 24 beweegreden, 25 grond, 26 regelmaat, 27 methode, 28 denkwijze, 29 principe, 31 systeem, 32 theorie, 33 zienswijze, 34 bewijsvoering en tot slot 35 verklaring. De andere nummers van praktischer aard zijn evenzeer lezenswaard. Zo te lezen, biedt een 'dode taal' nog een prachtige momentopname met vele interessante kiekjes. Het zou misschien de moeite lonen om al deze onderscheiden betekenissen in het wetenschappelijke domein weer tot leven te wekken. Ondanks alle, aan het empirische wetenschapsbedrijf verbonden, 'onzekere rijkdom' zou het ook de keerzijde, een 'zekere armoede', aan het licht kunnen brengen.

Op romantische flauwekul zit niemand meer te wachten, wat ooit ratio was, hebben we al lang te vuur en te zwaard omgezet in koene technologie. De empirische wetenschap claimt met recht alle technologische vooruitgang, haar dienaren schrijden onverdroten voort, de vaandeldragers markeren hun successen op nog nooit bereikte hoogten. Is de empirische wetenschap aan de ratio voorbij? Onttrekt ze met haar successen het zicht op andere dimensies van de werkelijkheid?
 
We hoeven niet meer zo lang te wachten, inmiddels is de welvaart in aanvaring gekomen met het welzijn van alle natuurrijken, inclusief die van de mens. Ondanks de niet meer te stuiten technologische voortgang worden er toch steeds meer vragen gesteld. Vragen van velerlei aard, met als kern de ecologische vraag. Echter de belangrijkste vraag, waartoe deze technologische wetenschap mag leiden, wordt niet meer zo graag gesteld. Is vooruitgang niet een van de vele dogma's geworden van hen die dit geloof delen? 
 
Waar de empirische wetenschap terecht de openheid claimt, alles, maar ook werkelijk alles aan haar onderzoeken te kunnen onderwerpen, kan ze niet meer om een nieuwe werkelijkheid heen, die ze als een gesloten systeem aan het ontwerpen is. Of de empirische wetenschap dat wel of niet wil is niet meer im Frage. Wie of wat niet meer wil meedoen, kan zich niet meer buiten sluiten. Dat wat ooit het onderscheid tussen natuur en cultuur markeerde is niet meer zomaar te denken. Want 'wie van de twee' zou nu tot een gesloten of een open systeem gerekend dienen te worden? Was het wel ooit een twee-eenheid? Wie heeft nu wie voort gebracht? Wie gaat nu wie naar het leven staan?
 
Geloof of werkelijkheid, de vooruitgang is niet meer om te buigen, noch recht te trekken. Is elke vooruitgang ipso facto niet ook een achteruitgang en vice versa. Achteruit of vooruit ten opzichte van wat? Is de biochemie een vooruitgang voor de een en een achteruitgang voor alle anderen die de rondzwemmende chemicaliën tegen wil en dank moeten slikken? Hoezo open systeem?
 
Gesloten systemen werden ooit toegedacht aan het irrationele domein, het rationele domein heette een open systeem te proclameren. Is het rationele domein in haar onstuitbare vooruitgang nu niet reeds een gesloten systeem aan het voortbrengen? Is ze daarmee irrationeel geworden?
 
Het woord systeem is afgeleid van het Griekse woord σύστημα en wordt vertaald als een op zichzelf staand geheel uit verscheidene leden of delen samengesteld. Bepalen de delen de openheid van het systeem en of bepalen de leden de geslotenheid van het systeem? Verwijzen de delen naar het mechanische karakter van de vervangbaarheid en of de leden naar het organische karakter van de onvervangbaarheid? Al deze vragen zijn niet zonder zin, ze echter te kunnen denken, vraagt om een herordening van onze kenwijzen, met in achtneming van het rationele en het irrationele bereik.

Daartoe werd door C.A. Van Peursen in zijn boek Cultuur in Stroomversnelling (1975) een prachtige poging ondernomen om meer zicht te krijgen op een drietal in zijn optiek nog steeds vigerende paradigma´s:  het mythische paradigma, het ontologische paradigma en het functionele paradigma. Het Griekse woord παράδειγμα / paradigma betekent letterlijk voorbeeld. Het kan omschreven worden als een vooraf gegeven, samenhangend denkraam van waaruit men de werkelijkheid zou kunnen onderzoeken. Het is een soort van bril, optiek van waaruit je op een bepaalde wijze naar de werkelijkheid wil kijken. Deze 3 wijzen van kijken hebben, ondanks hun historische situering, volgens van Peursen alle drie nog steeds recht van spreken en de een is niet beter of slechter dan de andere.

Uitgangspunt van systeemdynamiek is om zowel het mythische als het ontologische paradigma zodanig te integreren, dat ze binnen het functionele paradigma gehanteerd kunnen worden als twee elkaar aanvullende benaderingen van de werkelijkheid. Het functionele paradigma wordt pas dan mogelijk als deze 2 onderscheiden paradigma´s  ook met elkaar kunnen dialogeren, zulks is onder andere ook het doel van systeem dynamiek, daartoe dient ze dan als instrument ontwikkeld te worden. Zulks is het streven van artesS. In haar optiek is het vorm geven aan het functionele paradigma überhaupt niet mogelijk zonder systeem dynamiek, daartoe rekent ze zowel  de kwantitatieve als de kwalitatieve benadering. (quantitative system dynamics / qualitative system dynamics).

Aangezien de kwantitatieve tak zeer wel in alle opzichten is geoutilleerd, houdt artesS zich vooral bezig met de kwalitatieve tak, in de hoop tezijnertijd vorm te kunnen geven aan een synthese tussen beiden. Daartoe blijft ArtesS  eenieder uitnodigen die tussen deze twee disciplines een brug wil slaan.


Hoe model en werkelijkheid zich tot elkaar kunnen verhouden. 

Een model is niet de werkelijkheid, maar is een mogelijkheid, een optiek, waarlangs die werkelijkheid onderzocht kan worden. 

Van Albert Einstein is de volgende uitspraak: “Voor zover de uitspraken van de wiskunde naar de werkelijkheid verwijzen, zijn ze niet zeker, en voor zover ze zeker zijn, verwijzen ze niet naar de werkelijkheid”. 

Met het onderscheid tussen wiskunde en werkelijkheid, theoria en praxis, model en werkelijkheid doelen we op het gegeven van de ´sprong´. Deze sprong geeft aan, dat we niet kunnen spreken van een één op één relatie tussen idee en feit. Tussen theorie en praxis, tussen idealisme en empirisme bestaat een kloof, een scheiding. Zo ook tussen het grondpatroon en de werkelijkheid. 

Deze sprong wordt ook nader aangeduid met een deductieve sprong en of een inductieve sprong naar gelang de wijze waarop je van theorie naar empirie of vice versa wil bewegen. 

Het gegeven dat het denken over de werkelijkheid niet samen kan vallen met de werkelijkheid enerzijds, maar dat anderzijds in deze zelfde werkelijkheid een werkelijkheid kan opstaan die over die werkelijkheid kan denken is op zich al een opmerkelijk fenomeen. We spreken hier uitdrukkelijk over denken en niet over een na-denken en of voor-denken, dat alles is een gevolg van het denken op zich. De vraag is dan wel wat de aard van dit denken is of zou kunnen zijn. 

In ieder geval doet zich het volgende voor, wat eveneens terug gaat op Einstein: `het meest onbegrijpelijke van de wereld is dat ze begrijpelijk kan worden´. 

Hoe die twee hier geciteerde uitspraken zich tot elkaar kunnen verhouden, vormt al weer stof tot denken. 

In ieder geval moeten we ons bewust zijn en of worden van het verschil én van de overeenkomst tussen denken en werkelijkheid. Dit bewustzijn impliceert niet alleen een deemoedige houding, maar juist en vooral een onderzoekende houding. Het enige wat telt is niet zozeer het weten als wel het niet weten. 

Dat maakt dan ook het unieke uit van de wijze waarop wij vorm willen geven aan systeem dynamiek. Systeem dynamiek kunnen we dan ook kortheidshalve omschrijven als het zoeken naar hetgeen kan leiden tot een systeem en wel zo dat elk systeem zich op een dynamische wijze weer kan verhouden tot een ander systeem. Zo ook dient het systeem zich op een dynamische wijze te verhouden tot de werkelijkheid middels het opsporen van haar dynamieken. 

Het woord dynamiek verwijst in deze naar de  'werking' in de werkelijkheid. Daarmee samenhangend en daaruit voortspruitend een niet aflatende reeks 'wisselwerkingen', althans voor de duur van deze 'werkelijkheid', waarin deze zich verwerkelijkt en of ontwerkelijkt, in een cyclus van verschijnen en verdwijnen.

Op zich betekent systeem, het op zichzelf en in zichzelf staande, deels op te vatten als een gesloten systeem in de zin van op zich zelf staand en zichzelf in stand houdend en deels als een open systeem in relatie tot andere op zich zelf staande systemen. 

In hoeverre een systeem gesloten en of open kan zijn, is een vraag die vanuit onderscheiden optieken onderzocht kan worden. Binnen systeem dynamiek trachten we zowel het een als het andere in ogenschouw te nemen, voor zover een model op en in zichzelf staat en voor zover dat zelfde model in relatie kan treden met andere modellen. De wijze waarop die modellen met elkaar kunnen inter-acteren is juist het doel van systeem dynamiek, zoals wij dat trachten vorm te geven. 

Dit gegeven dat het ene model een licht kan werpen op het andere model en vice versa is op zich al een nastrevenswaardig doel als het gaat om het vormgeven aan kennis integratie. Kennis integratie kan nooit inhouden dat je alle kennis op een hoop gooit, dus wordt de vraag hoe breng je kennis zodanig bij elkaar dat we als mens dat enorme kennisdomein kunnen integreren. En met integreren doelen we niet op het ineenvloeien, maar op het zowel op zichzelf staan van elk stukje kennis als wel het in samenhang brengen van al die stukjes kennis. Met als doel om effectiever, efficiënter, flexibeler en creatiever met dit kennisdomein te kunnen denken en werken.

Dat stukje kennis moet dan wel zodanig vervat kunnen worden, dat we het kunnen vergelijken met andere stukjes kennis, want de grote vraag is altijd wat vergelijk je met wat (denk aan de appels en de peren, die je niet zomaar mag vergelijken, tenzij vanuit het gegeven dat ze beiden behoren tot de klasse van het fruit). 

Dat betekent dat het al een hele toer is om een stukje kennis te vervatten in een model, nog los van de vraag of dat altijd wel mogelijk/noodzakelijk en of wenselijk is. Hebben we een model ontwikkeld dan is nog altijd de vraag of dat model dat stukje kennis adequaat samenvat en of weergeeft, laat staan dat dit model wel of niet kan verwijzen naar dat stukje werkelijkheid waar dat stukje kennis weer naar verwijst. 

Al met al zien we vele mogelijke laagjes waarop kennis zich aan ons voordoet. Kennis met betrekking tot een stukje werkelijkheid al of niet bemiddeld door een model waarin die kennis wordt vervat en wel zo dat je daarmee een optiek hebt om die werkelijkheid te kunnen onderzoeken. 

Aangezien onze kennis over de werkelijkheid en de werkelijkheid zoals ze zich aan de kenner laat kennen, twee onderscheiden dimensies vormt, betreffende een kenbare werkelijkheid waaraan de kenner blijkbaar op een of andere wijze kan deelnemen, is het handig om de wijze waarop dat eventueel zou kunnen, modelmatig in beeld en tot begrip te brengen. In dier voege fungeert het model als de wijze waarop we de sprong (tussen theorie en praxis) in kaart kunnen brengen. Dat maakt dat het model zowel het begrip als het beeld tesamen kan brengen. De wijze waarop begrip en beeld in kaart gebracht, gemodelleerd kan worden, is nu juist binnen artesS onderwerp van onderzoek. 

Dat onderzoek kan zich richten op zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens. Het verschil tussen kwantiteit en kwaliteit is al een onderzoeksgegeven op zich. Vandaar dat we ons beperken tot de kwalitatieve gegevens. De wijze waarop een kwaliteit zich aan de kenner voordoet is eveneens voorwerp van onderzoek. Maar stel dat we kwaliteiten willen onderzoeken, wat onderzoeken we dan feitelijk? 

Waar we in het kwantitatieve domein zoeken naar nog vast te stellen feiten en de eventuele relatie tussen die feiten, die we deels kunnen denken en deels experimenteel kunnen toetsen, dienen we in het kwalitatieve domein evenzeer te zoeken naar feiten en hun onderlinge relaties, maar in hoeverre zijn die in hun samenhang te toetsen als we niet beschikken over meetbare gegevens? Wat zijn dan kwalitatieve gegevens en hoe dienen we die te denken? 

Wat zeggen we als we spreken van een kwalitatief, lekker, voedzaam, etc., stukje brood? Zijn de meetbare ingrediënten bepalend, de wijze waarop die ingrediënten bij elkaar gebracht worden, de wijze waarop het broodproces en of bakproces vorm dient te krijgen, de wijze waarop de broodeter zich dient te verhouden tot dit stukje brood, etc. 

Kort door de bocht zou je het onderscheid tussen kwantitatief en kwalitatief kunnen terugbrengen tot de wijze waarop het aan ons verschijnt, respectievelijk via de stof en of via de geest, het ene is ogenschijnlijk makkelijker pakbaar dan het andere. Van belang is om eerst te onderkennen dat ze twee dimensies kunnen betreffen van een en dezelfde werkelijkheid. 

Gaan we ervan uit dat het kwalitatieve zich eerder laat kennen via de geest, hoewel ze zich in en vanuit het stoffelijk aan ons voordoet, in dier voege is er geen sprake van een dualiteit, maar van een polariteit, het ene staat in relatie tot het andere, en niet zozeer via meetbare grootheden en of inhouden, dan rijst nog de vraag hoe je die kwaliteiten kan denken, laat staan vormgeven. 

Een mogelijke optie is een kwaliteit te onderzoeken op de erin vervatte dynamieken, daarin spelen meetbare grootheden eveneens een rol, maar blijkbaar niet alleen, althans dat is een te onderzoeken vooronderstelling. Wat is dan het meer wat maakt dat het kwalitatieve onderscheiden kan worden van het kwantitatieve? 

Heel deze vraagstelling is ongemerkt vanuit het primaat van het stoffelijk waarneembare gestart, voor zover de kenner de werkelijkheid onderzoekt op meetbare en kwantificeerbare gegevens. Hoe kan je de werkelijkheid anders onderzoeken? 

Bestaat de mogelijkheid om de werkelijkheid vanuit een kwalitatieve optiek te onderzoeken? Is het verschil tussen kwaliteit en kwantiteit niet al een product van het denken en als het een product is van het denken, is het dan een product van de stof, wij zijn onze hersenen en of is het een product van de geest? Hoe komen die hersenen aan zulke geestrijke producten? 

Zo is de wiskunde een product van de geest, want nergens in de werkelijkheid hebben we wiskundige formules kunnen vinden als kwantiteiten en of kwaliteiten, sterker nog op zich kan je de wiskunde niet bewijzen met behulp van de werkelijkheid, de wiskunde staat als geestelijke werkelijkheid op zich zelf, ze vormt een op zichzelf staand en in zichzelf staand systeem. 

Nochtans kan ook de wiskunde zichzelf niet bewijzen, althans volgens Gödel, die dat heeft uitgewerkt in zijn onvolledigheidstelling. Zo zien we dat in het kennisbereik niets zomaar iets is, we werken daarom altijd vanuit een onderzoekende houding waarin we uitgaan van hypotheses. Hetgeen we vinden is altijd voorlopig, voor zover het tegendeel zich nog niet laat kennen of gedacht kan worden. Wat we niet kunnen denken, kunnen we ook niet meten en of waarnemen. Vandaar dat we pas de werkelijkheid kunnen gaan onderzoeken als het denken zich gedachten gaat vormen. Blijkbaar staat het denken op zich zelf, hoewel empiristen dat betwijfelen, want er is niets zonder de werking van de stof. Dus laten we ook hier voorzichtig blijven. 

Niettemin hebben we al met al duidelijk gemaakt dat hetgeen we met systeem dynamiek beogen ergens tussen denken en werkelijkheid in beweegt, tussen geest en stof, evenwel is het goed om nog te preciseren hoe we dat vorm willen geven. Wellicht is het een dynamiek tussen stoffelijke geest en een geestelijke stof, in ieder geval houden we op deze wijze ruimte om op zoek te gaan naar dynamieken, zowel in het geestelijke bereik als in het stoffelijke bereik. 

Om de werkelijkheid systeem dynamisch te kunnen onderzoeken, zijn we uit gegaan van dynamieken, die in deze dus (voorlopig) kwalitatief van aard zijn, want je kunt ze als zodanig niet meten. Die dynamieken kun je deels denken en die dynamieken kan je deels ook terugvinden in de werkelijkheid. Of dat werkelijk ook zo is, kunnen we misschien niet alleen leren kennen, maar al doende ook mee leren werken. Net zoals je met de wiskunde in de werkelijkheid kan werken en de werkelijkheid kan be-werken, ook al zijn ze niet restloos tot elkaar te herleiden. 

Systeem dynamiek is in tegenstelling tot de wiskunde een heel simpele vorm van denken (het staat immers nog in haar kinderschoenen). Het denken spoort dynamieken op en tracht een gegeven aantal dynamieken zodanig met elkaar in verband te brengen dat je kunt spreken van een eerste model. Dat model brengt die dynamieken op een dusdanige wijze in kaart dat je met dat model ook weer soortgelijke dynamieken in de werkelijkheid kan opsporen. 

Juist omdat die dynamieken heel simpel zijn, kunnen ze werkzaam worden om een complexe werkelijkheid in kaart te brengen, meer beoogt systeem dynamiek dan ook niet. Het in kaart brengen en wel op een methodische wijze kan de onderzoeker helpen dynamieken op te sporen en wel voorlopig zich beperkend tot dynamieken van het kwalitatieve domein. 

Een setje van dynamieken kan op een bepaalde wijze ondergebracht worden in een model, de wijze waarop dat kan is al voorwerp van onderzoek, laat staan of alle mogelijke dynamieken vervat kunnen worden in een model dan dat we ze moeten onderbrengen in onderscheiden modellen. Wat we tot nu toe aan dynamieken bijeen gebracht hebben in een model noemen we een grondpatroon. Het woord grondpatroon wil alleen maar zeggen dat we een aantal dynamieken zodanig bijeengebracht hebben dat we dat beschouwen als voldoende grond om patronen in de werkelijkheid te kunnen onderzoeken.

Een grondpatroon is met dien verstande pas een grondpatroon als je hem ook consequent hanteert als een patroon waar je te onderzoeken dynamieken aan kunt relateren en of aan kunt refereren. Het woord toetsen is hier niet op zijn plaats, tenzij je met toetsen bedoelt of je ook met een zelfde soort van dynamiek te maken hebt in de te onderzoeken werkelijkheid.

Tussen het grondpatroon enerzijds en de werkelijkheid anderzijds onderscheiden we 3 lagen, totaal komen we op 5 lagen.

Al deze 5 lagen voorzien we van twee begrippen. Noodzakelijke structuur enerzijds en mogelijke ordening anderzijds. Wat we hiermee tot uitdrukking willen brengen is het gegeven dat we enerzijds dienen te werken met een noodzakelijke structuur, in deze het grondpatroon en dat we anderzijds dienen te werken met een mogelijke ordening, immers het betreft altijd hypothetisch onderzoek naar mogelijke dynamieken.

De wijze waarop je die dynamieken in kaart kunt brengen blijft altijd een mogelijke ordening, want wie bepaalt de juiste ordening, wij in ieder geval niet, het is ons daarom ook niet te doen. Niettemin dien je wel uit te gaan van een noodzakelijke structuur, hoe hypothetisch die ook van aard blijft, want het is niet de enige ware structuur.

Noodzakelijk staat hier dan ook in relatie tot mogelijk. Het mogelijke valt pas te ordenen tegen het licht van een denkraam, hier genoemd een grondpatroon. Nu je dat denkraam op een heldere wijze vastlegt, kan je het ook leren hanteren als een werkraam. Zo heb je enerzijds een noodzakelijke structuur, een denkraam en anderzijds een mogelijke ordening, een werkraam.

Dat maakt dat we de wijze waarop je kunt bewegen tussen grondpatroon en werkelijkheid, het hoe, voorzien van een aantal lagen; in totaal onderscheiden we 5 lagen. Dat maakt dat we naast de al twee besproken lagen, nog drie lagen aan de orde moeten stellen.

Vanuit de werkelijkheid gedacht, een laag met betrekking tot de te onderzoeken data, een laag waarin en waarop je de data wat betreft hun dynamieken grafisch in kaart kunt brengen in een zo genoemde dia of dynagram, de middelste laag. Vanuit het grondpatroon onderscheiden we nog de diverse grammen waarmee je de te onderzoeken data in kaart kan brengen, we noemen dat de onderscheiden bouwpatronen. Deze bouwpatronen modelleren ieder op een onderscheiden wijze bepaalde data en bepaalde dynamieken.

We onderscheiden 2 basis bouwpatronen, enerzijds het diagram, dat te denken geeft en anderzijds het dynagram wat een gedachtegang weergeeft. Deze twee basis bouw patronen kunnen we in de duogram zodanig bijeen brengen dat we de onderscheiden dynamieken van het diagram kunnen spiegelen aan die van het dynagram. De wijze waarop we ze spiegelen wordt bepaald door de bepalende coördinaten, die we de configuratieve componenten noemen. Zo kunnen we deze twee bouwpatronen ook op een andere wijze bij elkaar brengen, hetgeen we een hologram noemen. De wijze waarop de configuratieve componenten in het hologram worden gespiegeld, wordt bepaald door de wijze waarop enerzijds het noordpunt van het diagram samenvalt met het centrum van het zuidpunt van het dynagram, zo ook wat betreft de andere configuratieve componenten.

Naast diagram en dynagram, tezamen komend in een duogram en of hologram, afhankelijk van hoe je de gevonden data tussen het ene en het andere wilt relateren, spreken we ook van een dictogram. In wezen is het dictogram niets meer, maar ook niets minder dan het grondpatroon sec. Het grondpatroon wordt hier genut als een fysiek geordend veld in tijd en ruimte. Het dictogram kan als model op diverse wijzen en of met diverse symbolen in de ruimte gevisualiseerd worden, middels het bepalen van de configuratieve componenten aan de hand van een kompas. Binnen dit veld kan al onderzoekend iets tot leven komen, afhankelijk van de vraagstelling en van de betrokken onderzoekers. Hetgeen het veld laat zien en horen kan dan vervolgens stapsgewijs via het action research model aan het licht gebracht worden als te denken.

Ondanks het gegeven van een noodzakelijke structuur, een denkraam, onder te verdelen in verscheidene bouwpatronen, bestaat de mogelijkheid om de resultaten van elk onderzoek, deels naar de aard van het onderzoek en deels naar de aard van de te onderzoeken werkelijkheid, onder te brengen in een mogelijke ordening, zogenoemd een gram.

Met een gram bedoelen we een grafische weergave van een model, dat nog kan verkeren in diverse stadia van modelvorming. Vandaar dat we spreken van respectievelijk een schema of plaatje te relateren aan mindmapping, plaatje of model te relateren aan design mapping, model of patroon te relateren aan concept mapping, patroon of schema te relateren aan frame mapping.

Een gram kan getoetst worden aan een grondpatroon, in de mate dat ze die nabij komt, spreken we van een schema, plaatje, model en of patroon. Met patroon bedoelen we een geheel van modellen die middels het grondpatroon met elkaar een frame of mind vormen, een denkraam. Dat betekent dat de onderhavige kennis zo is gemodelleerd dat ze onderling uitwisselbaar kan worden. Deze uitwisselbaarheid en of wisselwerking kunnen we ook weergeven met het begrip compatibel.

De modellen zijn zodanig compatibel dat je ze kunt nutten als analoge optieken op de werkelijkheid. Geen van elk heeft het primaat, maar met elkaar kunnen ze een stukje werkelijkheid aardig in beeld en tot begrip brengen om van daaruit elk ander stukje werkelijkheid opnieuw aan een onderzoek te kunnen onderwerpen, incluis de onderzoekende onderzoeker in relatie tot de te onderzoeken werkelijkheid.

Immers een model is niet de werkelijkheid, maar een middel, een wijze waarop, een optiek van waaruit je werkelijkheid kunt onderzoeken op haar onderhavige dynamieken. Aangezien het hier om kwalitatieve dynamieken gaat, is het wat niet zozeer aan de orde als wel het wie. Met het wie bedoelen we de drager van welke soort van dynamiek dan ook. De wijze waarop die dynamieken zich tot elkaar kunnen verhouden, benoemen we als het hoe.

Met het hoe in kaart te brengen, wordt een model slechts de wijze waarop dynamieken zich tot elkaar kunnen verhouden, hoe hangt het een met het andere samen. Daartoe kan het model een dienst verlenen.

De wijze waarop dat model vorm kan krijgen, wordt enerzijds bepaald door de aanname van een grondpatroon en anderzijds vanuit de aanname dat de opgespoorde formele dynamieken in het grondpatroon ergens terug te vinden zijn in een werkelijkheid die haar dynamieken wil prijsgeven aan de onderzoeker. Zijn die dynamieken dan ook werkelijk of denkt de onderzoeker die dynamieken? Die vraag wordt door systeem dynamiek niet ingelost of opgelost, immers dat is haar doel niet.

Systeem dynamiek beoogt slechts mogelijke dynamieken op te sporen en ze zodanig via een grondpatroon c.q. bouwpatroon in kaart te brengen, dat hetgeen we hebben ontdekt een mogelijke grond kan vormen om zich te verhouden tot de werkelijkheid. Dat impliceert dat er wel degelijk gehandeld kan worden, naarmate het onderzoek daartoe ook bijdraagt, hoewel dat handelen altijd tastenderwijs gestalte dient te krijgen. Het voorlopigheids-karakter van elk handelen, maakt dat de onderzoeker zich in deemoed en in respect tot de werkelijkheid dient te blijven verhouden. Het handelen is niet te legitimeren noch vanuit het grondpatroon, noch vanuit een bouwpatroon, noch vanuit een of ander gram. De handelende stelt zich steeds onderzoekend en vragend op ten opzichte van het gedachte en ten opzichte van de te denken werkelijkheid.

Om de te onderzoeken data methodisch in beeld en tot begrip te brengen via een model, nutten we het action research model met haar onderscheiden fasen van open dating, axial dating, conceptual dating en functional dating. De wijze waarop we dat vorm kunnen geven is uitgewerkt in 16 mogelijke stappen.

Tussen werkelijkheid en grondpatroon kunnen we ook de polariteit teweeg brengen tussen werkelijkheid en waarschijnlijkheid. Waarschijnlijkheid gemodelleerd in en via een noodzakelijke structuur. Werkelijkheid gemodelleerd in en via een mogelijke ordening.

De waarschijnlijkheid van een noodzakelijke structuur verhoudt zich dan tot een mogelijke ordening van de werkelijkheid. Anderzijds zal een structuur mogelijkheden bieden waar de werkelijkheid noodzaak wil gebieden. Met systeem dynamiek beweegt de onderzoeker, al onderzoekend, zich tussen het rijk van de waarschijnlijkheid en die van de werkelijkheid, zich methodisch bewegend tussen een noodzakelijke structuur en een mogelijke ordening.

Systeem dynamiek vormt slechts het instrument waarop dat onderzoek mogelijk en noodzakelijk dient vorm te krijgen, mogelijk naar de aard van een noodzakelijke werkelijkheid en noodzakelijk naar de aard van een mogelijke waarschijnlijkheid, c.q. structuur, c.q. grondpatroon.


De systematiek, methodiek en logiek van een systeem dynamisch model.

De systematiek, methodiek en logiek van een systeem dynamisch model: in de loop van het onderzoek uitgewerkt in onderscheiden …grammen, respectievelijk diagram, dynagram, duogram, dictogram en hologram. De onderzoeksroute begon met het diagram te exploreren. 

In het navolgende wordt het diagram uitgewerkt, in deze exemplarisch voor de diverse bouwpatronen, allen afgeleid uit het grondpatroon. 

Het woord diagram komt van het griekse diagramma = schets, mathematische figuur en van diagraphein = schetsen, beschrijven; dia = door / uiteen en graphein = schrijven / tekenen.

Het diagram is een tekening waarin kan worden geschreven.

De combinatie van schrijven en tekenen ineen moeten we duiden als een belangrijke functie van het diagram. Immers met de tekening verschijnt een beeldveld in ruimte en tijd en met het schrijven verschijnt een begripsveld in tijd en ruimte. Het diagram bemiddelt beide velden in één model. 

Door de unieke combinatie van een begripsveld en een beeldveld in één model wordt het mogelijk dat beeldvorming en begripsvorming elkaar wederzijds gaan dragen in een diaforese, dia = door...heen, phoreo = telkens dragen, met zich meedragen. In de diaforese van begripsvorming en beeldvorming kan het diagram ontwikkeld worden tot een hypothetisch te denken model, ter ondersteuning en ter bevordering van een dynamisch denken. 

Deze diaforese maakt een diagenese = doorgaande wording mogelijk waarin beeld en begrip elkaar kunnen insluiten en ontsluiten. Immers beeldvoring en begripsvorming dienen in een voortdurende wording zich tot elkaar te blijven verhouden. 

Diagenese leidt zo doende tot een dialectiek, de dialectica, de redeneerkunde, het heen en weer spreken (legein) tussen beeld en begrip. Het uiteenleggen van begrip en beeld in één model maakt hun dialoog = tweespraak / samenspraak mogelijk. In en door deze dialectiek worden beeldvorming en begripsvorming gesitueerd in een rationeel te funderen systematiek. 

Het diagram als beeldveld en als begripsveld dient middels deze dialectiek uitgewerkt te worden tot een systeem dynamisch model. Zo doende kan men een rationeel instrument ontwikkelen voor een functionele strategie waarin begripsvorming en beeldvorming op een diakritische wijze complementair aan elkaar worden. Diakritisch = onderscheidend, ontleend aan diakritikos (grieks) van het onderscheiden, van diakrinein = scheiden, onderscheiden, van dia = in tweeën. 

De dialectiek tussen beeld en begrip op haar beurt voert tot de diagnose. Diagnosis komt van diagignoskein = het uit elkaar kennen, het uiteen leren kennen, te weten komen hoe begrip en beeld zich tot elkaar verhouden in een diagram. 

Deze tweespraak krijgt gestalte in een open systeem dynamisch model. Immers de uitkomst van deze tweespraak of samenspraak is zonder begin en zonder einde. 

Leren werken met het diagram als een systeem dynamisch model vraagt om een functionele diafanie en epifanie. Het woord epifanie komt van het griekse epiphaneia = verschijning, epiphanein = laten zien, reflexief: plotseling te voorschijn komen bij iets, epi = bij en phainein = schijnen, blijken, doen verschijnen, tonen. Diafanie komt van diaphanes en betekent doorzichtig, diaphainein = laten doorschijnen, doorschijnen, doorheen schijnen. De epifanie karakteriseert de beeldvorming en de diafanie karakteriseert de begripsvorming. 

Het diagram als een systeem dynamisch model dient in het functionele paradigma gesitueerd te worden. Het functionele paradigma wordt gekenmerkt door een nieuwe strategie in de cultuur naast het mythische en ontologische paradigma. Elk van deze drie paradigmata bedienen zich van een speciaal daartoe ontworpen onderzoekscyclus. Het mythische paradigma van de fenomenologische cyclus, het ontologische paradigma van de empirische cyclus, het functionele paradigma van de action research cyclus. Het functionele paradigma integreert deze drie onderzoeksmethoden in een open systeem model als te denken, te voelen en te willen.

Om deze drie onderzoeksmethoden te kunnen willen, voelen en denken wordt in deze het functionele paradigma respectievelijk drieledig uitgewerkt in de logiek van een fenomenologische cyclus, de methodiek van een action research cyclus en de systematiek van een empirische cyclus. Ieder op hun eigen wijze en toch in samenhang vormen zij het integrale onderzoeksveld binnen het functionele paradigma. 

Een belangrijke onderzoeksmethode binnen het functionele paradigma, in deze action research, wordt vierledig uitgewerkt: het zoeken naar de logiek zien we terug in de fase van open dating en 'mind mapping' (bijv. in dictogram / schema ~ plaatje), het zoeken naar de methodiek zien we terug in de fase van axial dating en 'design mapping' (bijv. in duogram / plaatje ~ model) en het zoeken naar de systematiek zien we terug in de fase van conceptual dating en 'concept mapping' (bijv. in diagram en of dynagram / model ~ patroon). Zij vormen tezamen met 'functional dating' en frame mapping het systeem dynamische speelveld. Dit speelveld is onderworpen aan bepaalde spelregels, te toetsen aan de hand van het 'grondpatroon' met haar 'configuratieve componenten'. 

Met bijvoorbeeld het diagram als systeem dynamisch model wordt het mogelijk om de systematiek onderscheiden van de methodiek en evenzeer weer te onderscheiden van de logiek in een dynamisch verband te denken (systematiek), te voelen (methodiek), te willen (logiek). Zodoende is het diagram meer dan een systeem dynamisch model, dat betreft ze voor zover ze de interferentie tussen compatibele diagrammen onderzoekt. Ze kan evenzeer gehanteerd worden als een methode dynamisch model en als een logiek dynamisch model. Anderzijds dient binnen het functionele paradigma het diagram nog aangevuld te worden met andere open systeem modellen, zoals het dynagram, het duogram, het dictogram en als midden het hologram. Alle grammetjes zijn systeem dynamisch met elkaar verbonden voor zover ze én onderscheiden én verbonden interfereren.

Met betrekking tot de onderscheiden onderzoeksmethoden kan het ene grammetje zich er beter toe lenen dan het andere. Zo heeft onder andere het dictogram een belangrijke functie in de fenomenologische cyclus, waarin het opsporen van de logiek van het fenomeen aan de orde komt. Zo kunnen diagrammen en dynagrammen een functie krijgen in de empirische cyclus, waarin het opsporen van de systematiek in de onderscheiden domeinen van geest en stof aan de orde dient te komen, alvorens ze te kunnen spiegelen in beeld en begrip. In de verdere ontwikkeling van de action research cyclus als onderzoeksmethode van het functionele paradigma kan bijvoorbeeld het hologram in functie komen.

Systeem is een stelsel. Het woord systeem is ontleend aan systema (latijn) en sustèma (grieks) en betekent organisch geheel, organisme, compositie, van sunistèmi dat betekent ik stel samen, ik verenig; van sun = samen en histèmi = ik doe staan, ik stel. Een grondpatroon als systeem dynamisch veld doet beeld en begrip samen stellen in een organisch geheel ( te onderscheiden van een mechanisch geheel). Vandaar dat men bijvoorbeeld in een hologram met behulp van  belangrijke sleutel diagrammen (concept mapping), systematisch, organische wetmatigheden kan onderzoeken in bijvoorbeeld personen en organisaties, op te vatten als open systemen (organiek) in tegenstelling tot gesloten systemen (mechaniek). 

Een organisch systeem is een geheel (holon) waarin de leden binnen een veld zich gedragen als constituerende leden van en vanuit dat geheel, zonder hetwelk het geheel niet kan functioneren als geheel, maar waarin de leden niet willekeurig vervangen kunnen worden door andere leden of delen zonder verregaande implicaties voor zowel de leden als het geheel. Het geheel is dan ook meer dan de som van haar leden aangezien het geheel, hiërarchisch gezien, boven de leden uit, zich weer kan verhouden tot andere leden en andere systemen, zonder haar eigenheid prijs te geven. De leden verhouden zich in hun functie tot elkaar en tot het geheel op een meerduidige wijze. 

Een mechanisch systeem is een geheel waarin de delen binnen een veld zich evenzeer gedragen als constituerende delen in dat geheel, zonder hetwelk het geheel niet kan functioneren als geheel, daarin zijn echter de delen overeenkomstig hun mechanische functie in het geheel wel te vervangen, zij het niet willekeurig, door andere delen zonder implicaties voor zowel de (andere) delen als het geheel. Dat geheel dient opgevat te worden als een gesloten systeem daar elk ander binnendringend deel het geheel danig kan verstoren in haar functie. De delen verhouden zich in hun functie tot elkaar en tot het geheel op een eenduidige wijze. 

Een organisch systeem dienen we waar mogelijk zowel beeldlogisch als begripslogisch te visualiseren in een van voornoemde diagrammen, te visualiseren als een veld, web en of een matrix. Een mechanisch systeem heeft zo haar geheel eigen visualisaties; men spreekt van een blauwdruk, een vork, visgraat of stroomdiagram, een boomdiagram, dit alles om deductieve en of inductieve causale betrekkingen tussen onderscheiden posities en dito variabelen in beeld en tot begrip te brengen.

Methode is een vaste manier van handelen. Afgeleid van methodus (latijn) en methodos (grieks) en betekent het naspeuren door een spoor te volgen; van meta = na, naar, achterna, veranderd, hoger en hodos = weg. Het ontwerpdiagram (design mapping) als methode dynamisch model schetst zowel de twee wegen waarop begripsvorming en beeldvorming ieder op eigen wijze gestalte krijgen als wel het veld waarop begrip en beeld zich tot elkaar dienen te verhouden als positie tot betrekking. De methode is een wetenschappelijke methode daar zij kan aantonen dat de bepalende stappen op die weg er toe doen. 

Model betekent voorbeeld. Ontleend aan modulus = maat, melodie, verkleiningsvorm van modus = omvang, maat, maatstaf, voorschrift, regel; het maathouden, de maat aangeven, wijze, manier. Het ontwerpdiagram (via design mapping) als model wijst ons de wijze waarop beeld en begrip in de ruimte (compositie) en in de tijd (configuratie) gedacht kunnen worden. In het ontwerpdiagram wordt de weg beschreven en die weg dient systematisch gegaan te worden als gesteld binnen en door het systeem. En het systeem vindt haar ordening en structuur in het sleuteldiagram (concept mapping) als een systeem dynamisch veld. Zodoende wordt duidelijk hoe de methode in het model zich een weg zoekt en vindt analoog aan de gevormde of nog vorm te geven systematiek, hypothetisch gefundeerd in het grondpatroon. 

Naast de systematiek (denken) te onderscheiden van de methodiek (voelen) voeren we een derde dimensie toe betreffende de logiek (willen). Logiek dienen we in deze te onderscheiden van logica. Logiek en logica verhouden zich tot elkaar als de dimensie van het beeld tot de dimensie van het begrip. De term logica betreft de leer van de wetten van het denken. Logica is ontleend aan logica (latijn) en logikè (grieks, vr. van logikos) = de taal betreffend, het disputeren betreffend, de rede betreffend, verkort uit logikè technè = vaardigheid, van logos = getal, verhaal, woord, gesprek, gedachte, filosofische begripsbepaling, rede, van legein = verzamelen, spreken, bespreken, noemen. 

De term logiek voeren we in om niet zozeer uitdrukking te willen geven aan de wetten van het denken als wel aan de wetten van het willen, van het bewegen, van het juiste bewegen. Dat bewegen vonden we terug in dialectiek als het heen en weer bewegende. Het redeneren informeert ons anders dan het argumenteren, over het juiste bewegen in het denken, en dat juiste bewegen in het denken is zonder het juiste willen niet mogelijk.

Onderzoekt de logica de juiste posities die de betrekkingen reguleren, zo onderzoekt de logiek de juiste betrekkingen die de posities reguleren.


Hoe systeem dynamiek de wisselwerking als wisselwerking in kaart kan brengen.

Systeemdynamiek opereert binnen het domein van het functionele paradigma. Het functionele paradigma herneemt en integreert het mythische en het ontologische paradigma. Het beoogt een synthese tussen beiden. (zie voor uitleg van deze drie paradigmata  onder andere lerend onderzoeken en onderzoekend leren). 

In het functionele paradigma dient de onmiddellijke verhouding tussen subject en object (mythisch paradigma) zich te verhouden tot de middellijke verhouding tussen object en subject (ontologisch paradigma).  Binnen het functionele paradigma staat de wisselwerking als wisselwerking centraal. Dat wil zeggen dat alles maar dan ook alles met elkaar in één of andere wisselwerking verkeert middels diverse onderling verbonden en of afgescheiden coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken. 

Bijvoorbeeld, wanneer bepaalde coördinaten in een permanent verband zich tot elkaar verhouden in een meerledige of meerdelige betrekking, vormen ze mogelijke  en of noodzakelijke raakvlakken waarin, waarmee en waardoor ze met elkaar in wisselwerking kunnen treden, met als gevolg dat we kunnen onderzoeken hoe het ene met het andere in een of ander proces kan samenhangen zodat er wel of niet een of andere inhoud kan ontstaan met een of andere positie, waardoor de onderlinge wisselwerkingen zowel in de tijd als in de ruimte voortduren dan wel ophouden.

Wanneer alles met alles in wisselwerking kan verkeren, kunnen we ipso facto daarmee dan ook aangeven dat niet alles met alles in wisselwerking hoeft te verkeren? Een vraag kan dan zijn wie of wat deze wisselwerking aanstuurt, veroorzaakt dan wel doet ophouden? Hoe werking en of non werking tot stand kan komen en daarmee het ontstaan en vergaan van wisselwerkingen? Welke wisselwerkingen wisselen  welke werkingen met elkaar uit en wat kan de aard zijn van die werkingen ieder op zich en in hun eventuele samenhang?  Op welke wijze kan een wisselwerking worden gekarakteriseerd door een meerledige ordening  en of in een meerdelige structuur? 

Binnen systeem dynamisch denken en werken staat het onderzoek naar deze wisselwerking als wisselwerking, een belangrijk grondbeginsel binnen het functionele paradigma, centraal. Bij gevolg kunnen we talloze vragen stellen. Wat is de aard van diverse onderscheiden wisselwerkingen? Hoe kan je ze enerzijds onder/scheiden en hoe kan je ze anderzijds ver/binden? Welke factoren spelen een rol als het gaat om het ontstaan en vergaan van wisselwerkingen, wat maakt ze stabiel en of onstabiel, hoe versterken en of verzwakken ze elkaar, hoe nemen ze toe  en of hoe nemen ze af, in welke mate zijn ze omkeerbaar en of onomkeerbaar, in welke mate zijn ze herhalend en of veranderendKortom verkeren wisselwerkingen al of niet in een zelf organiserend kritisch systeem, al of niet in een of andere kritische toestand waarin wisselwerkingen al of niet positief en of negatief met elkaar interfereren? Hoe wordt een zelf organiserende kritische systeem bepaald door  bijvoorbeeld grootte en vorm. In welke mate kan de kleinst mogelijke vorm met de grootst mogelijke gevolgen samenhangen?

Dit zijn niet zo maar een paar vragen om ze nu achtereenvolgens op te lossen, los van het feit of dat überhaupt kan, maar om wakker te worden aan het aloude mythische adagium dat alles met alles samenhangt. Aan het verstoren van de ecologie kunnen we aan den lijve ervaren hoe we eraan kunnen winnen systemische en of systeem dynamische samenhangen te onderzoeken en of te eerbiedigen alvorens ze onnadenkend terzijde te schuiven ten faveure van bijvoorbeeld een nog ondoordachte doelmatigheid. In ieder geval dienen we wakker te worden aan en of voor nog onvermoede samenhangen en dito wisselwerkingen. Aangezien we steeds maar een gegeven aantal wisselwerkingen kunnen onderzoeken, verliezen we maar al te gemakkelijk uit het oog hoe complex eigenlijk al die wisselwerkingen samenhangen en dat we eigenlijk pas kunnen handelen als we zoveel als mogelijk vermoede en nog onvermoede wisselwerkingen in een zoveel als mogelijke samenhang all round, in een 360 graden scope, hebben onderzocht en doordacht. 

In de wisselwerking als wisselwerking wordt met name het 'hoe' aan de orde gesteld. Met het hoe wordt bedoeld, hoe het ene met het andere kan samenhangen, dan wel zich tot elkaar dient te verhouden in een bepaalde samenhang. In de wisselwerking als wisselwerking gaat het principieel om de samenhang tussen delen en leden binnen een geheel, er is geen deel zonder een geheel en er is geen geheel zonder leden. Vandaar dat we op zoek zijn gegaan naar een kleinst mogelijke vorm met de grootst mogelijke wisselwerkingen, hetgeen we gaan onderzoeken is de mate waarin zo een grondpatroon al bestaat en of opnieuw tot stand kan komen. Hoe kan je enerzijds zo een grondpatroon construeren en visualiseren en hoe kan je daarmee systeem dynamisch denken en werken?

Bepaal het geheel en zoek de delen. Bepaal de leden en zoek het geheel. 

Geconcretiseerd in een systeem dynamisch verband. Bepaal het beeld en zoek de begrippen. Bepaal de begrippen en zoek het beeld. 

Een paar voorbeelden van 2 ledige wisselwerkingen.

Er is geen deel zonder geheel en geen geheel zonder deel.

Er is geen eenheid zonder veelheid en geen veelheid zonder eenheid.

Er is geen structuur zonder ordening en geen ordening zonder structuur.

Er is geen statiek zonder dynamiek en geen dynamiek zonder statiek.

Er is geen ruimte zonder tijd en geen tijd zonder ruimte. 

De aard van deze wisselwerking kan binnen systeem dynamiek uitgewerkt worden door middel van het in samenhang brengen van een gegeven aantal configuratieve componenten in een samenhangend grondpatroon, zoals daar onder andere zijn: coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken. 

Het systeem dynamisch veld treedt pas in functie als de coördinaten bepaald zijn en of worden zodat mogelijke verbanden kunnen worden opgespoord als nog te denken verhoudingen, uit te werken in te onderscheiden raakvlakken. 

In dier voege kunnen we bijvoorbeeld onbepaalde en bepaalde coördinaten, semipermanente en permanente verbanden, ledige en delige verhoudingen, etc. onderscheiden, waarbij de adjectieve specificaties onderling uitwisselbaar zijn naar gelang hetgeen zich voordoet in de werkelijkheid en naargelang het grondpatroon ze kan herbergen en visualiseren. 

Eén coördinaat echter brengt nog geen dynamiek teweeg. 2 coördinaten brengen slechts een halve dynamiek teweeg. Pas 3 coördinaten brengen een hele dynamiek teweeg. Vandaar dat we uiteindelijk kunnen spreken van meerledige en of meerdelige wisselwerkingen tussen 2 of meer coördinaten, die gestalte kunnen krijgen in diverse onderlinge verbanden, verhoudingen en raakvlakken.

Gegeven het aantal met elkaar in verband te brengen coördinaten, ontstaan mogelijke verbanden en daaruit voortspruitend mogelijke verhoudingen en raakvlakken. De termen coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken zijn nog meer algemeen. 

Naar gelang hun verdere specificatie in een hypothetisch grondpatroon kunnen we bijvoorbeeld spreken van bron of knooppunten, contouren, assen en resonanties. Al deze specificaties kunnen weer verder uitgewerkt worden. Wat betreft de contouren bijvoorbeeld in posities en betrekkingen (meer diagram), processen en inhouden (meer dynagram), dit alles bijvoorbeeld ruimte en tijd gerelateerd. Ter illustratie: in het dynagram kan het proces de inhoud nader bepalen, in het diagram kan de positie de betrekking nader bepalen. 

Men spreekt bijvoorbeeld over causale verbanden, daar waar het ene op een bepaalde wijze samenhangt met het andere. Dit op een bepaalde wijze moet dan nader gespecificeerd worden door de nog te bepalen coördinaten, waardoor we kunnen gaan spreken van bepaalde verhoudingen, die tot uitdrukking brengen hoe het verband vormgegeven moet worden. Of hoe dit verband verstaan en of begrepen dient te worden, willen we tussen het ene en het andere spreken van een bepaalde verhouding, mede afhankelijk van nog andere coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken. 

Een causaal verband moet als het kan eenduidig vastgesteld worden, het ene komt voort uit het andere of het ene veroorzaakt het andere. De werkelijkheid is echter vaak minder eenvoudig en of eenduidig en dat komt omdat er vaak sprake is van complexe samenhangen. Het ene staat in wisselwerking tot het andere waarin nog andere coördinaten, verbanden, verhoudingen, lees ook bronpunten, contouren, assen en resonanties, nader te bepalen grootheden, hun werking en of functie uitoefenen, naargelang hun plaats in de ruimte of hun impuls in de tijd om maar iets op te noemen. 

Om met name deze complexe samenhangen op een simplexe wijze in beeld te brengen, kan systeem dynamiek van betekenis worden, mits we systeem dynamiek verstaan als het zoeken naar een te bepalen samenhang van hetgeen nog onbepaald lijkt samen te hangen. Want wat bepaalt wat, is dat een na elkaar of juist een tegelijkertijd. 

Om die samenhang in kaart te brengen, maken we gebruik van coördinaten, verbanden, verhoudingen, raakvlakken en het moge duidelijk worden dat dit nog heel simpel is, want er zijn vele mogelijke coördinaten, verbanden, verhoudingen, raakvlakken en vele mogelijke soorten van elk. Want wat maakt een coördinaat tot coördinaat, een verband tot verband, een verhouding tot verhouding, een raakvlak tot raakvlak? Vandaar dat binnen systeem dynamiek deze begrippen nader omschreven moeten worden naar gelang hun functie binnen een systeem dynamisch veld. Zie daarvoor de uitwerking van het grondpatroon in het theorieboek systeem dynamiek.

Met het veld introduceren we het gegeven, dat er mogelijk een samenhang te bespeuren is, die het karakter krijgt van een veld, een invloedssfeer en of bereik. Dat veld kan immens groot zijn, maar niet hanteerbaar, noch in kwantitatieve, noch in kwalitatieve zin. Dus wordt het noodzakelijk naar de kleinst mogelijke eenheid/veelheid te zoeken en wel zo, dat de coördinaten van deze kleinst mogelijke eenheid/veelheid in feite zo structureel bepalend zijn, dat ze gezien mag worden als een soort `grondsteen´ van het bouwwerk. We noemen dat een 'grondpatroon', systeem dynamisch geordend en gestructureerd. 

Hoe simplexer dit grondpatroon des te hechter het systeem en des te dynamischer er gewerkt kan worden in en met dit systeem, vandaar de term systeem dynamisch en wellicht vorm te geven in de volgende vier basisregels (waarvan de eerste 2 voorlopig nader bepaald kunnen worden). 

Een kleinst mogelijke eenheid geeft een grootst mogelijke veelheid. (uit te werken in de begripsvorming)

Een kleinst mogelijke veelheid geeft een grootst mogelijke eenheid. (uit te werken in de beeldvorming)

Een grootst mogelijke eenheid geeft een kleinst mogelijke veelheid.

Een grootst mogelijke veelheid geeft een kleinst mogelijke eenheid. 

Hoe je het ook draait of keert, uiteindelijk kunnen coördinaten een samenhangend veld vormen, mits die coördinaten op zo een wijze in de ruimte `staan´ dat we kunnen gaan spreken van een bepaalde compositie en op zo een wijze in de tijd `lopen´ dat we kunnen spreken van een bepaalde configuratie. Compositie en configuratie van en tussen coördinaten doen een samenhangend veld vermoeden, zo mogelijk systematisch uit te werken, mits het dynamisch ingericht kan worden als een archetypisch veld. Gegeven de samenhang tussen compositie en configuratie zoeken we bijgevolg naar configuratieve componenten, waarmee we impliciet het primaat geven aan het dynamisch configureren in een statische compositie, een systeem dynamisch geordende structuur, te hanteren als een grondpatroon.

Het komt dus erop aan, uit te zoeken of coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken zodanig gespecificeerd kunnen worden tot bijvoorbeeld posities en betrekkingen in het diagram en of processen en inhouden in het dynagram en of mogelijk nog andere specificaties, zoals bronpunten, contouren en resonanties. 

De vraag is, hoe je deze specificaties enerzijds zo rudimentair mogelijk kan houden, om te vermijden dat je in een veelvoud geraakt, die onhanteerbaar kan worden. Maar anderzijds ook zo verdragend en of verreikend, dat je met heel weinig, heel veel kan doen. Of we daar in slagen, blijft hypothetisch, maar het is goed om daar gewoon een aanvang mee te nemen door te doen en al doende kan duidelijk worden of het ook werkt en vooral systeem dynamisch werkt. 

Spreken we van een mogelijke compositie, spreken we feitelijk van een mogelijke structuur, vorm gekregen in de ruimte: een structuur is, staat. In verband met een mogelijke configuratie spreken we van een mogelijke ordening, nog vorm te krijgen in de tijd: een ordening wordt, ontstaat. Binnen een compositie spreken we nog aanvankelijk van delen, binnen een configuratie van leden. Het spreekt delen kunnen leden worden en leden weer delen. Het hoe kan worden bepaald door de aard van de mechaniek en of organiek om maar een voorbeeld te noemen. 

Bij gevolg kunnen we coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken nader benoemen als configuratieve componenten of compositoire configuraties afhankelijk van hetgeen leidend is en of wordt, de compositie en of de configuratie. Uiteindelijk gaat het om een complexe wisselwerking van zowel compositie als configuratie, binnen een samenhangend nader te bepalen (systeem dynamisch geordend) veld en of geheel. 

Met betrekking tot de inrichting van het veld kunnen we bijvoorbeeld nog onderzoeken in hoeverre er sprake kan zijn van complementaire en of (a)-symmetrische wisselwerkingen, daar waar bijvoorbeeld eventueel sprake is van een tegenledigheid en of tegendeligheid, een polariteit en of dualiteit, een en en betrekking en of een of of betrekking. 

Bijvoorbeeld, een verband is mogelijk als een na elkaar (of of) of als een tegelijkertijd (en en) en of een combi van beiden. Kunnen we dan spreken van een wederkerig verband waarin het ene niet is zonder het andere? Komt het ene na het andere? Kunnen ze tegendelig en of tegenstellend functioneren? Als het ene tegelijkertijd aanwezig is met het andere, functioneren beiden dan in een wederkerige dynamiek? Kan die wederkerige dynamiek elkaar voortbrengend en of elkaar opheffend, uitwerken? 

Er zijn dus vele wisselwerkingen mogelijk. Uiteindelijk is er geen wisselwerking zonder een coördinaat,verband, verhouding en raakvlak. Binnen systeemdynamiek gaat het uiteindelijk om het geheel van nader te bepalen coördinaten, verbanden, verhoudingen, raakvlakken en wel zodanig gespecificeerd in bronpunten, contouren, assen en resonanties dat we spreekwoordelijk een soort grondpatroon zien ontstaan, een kleinst mogelijke eenheid, die kan functioneren binnen een grootst mogelijke veelheid en een kleinst mogelijke veelheid die kan functioneren binnen een grootst mogelijke eenheid. 

Los van dit alles kunnen we zeggen, dat het in systeemdynamiek au fond gaat om de wisselwerking als wisselwerking, in haar onderscheiden functies, aan de orde te stellen, aangezien alles in wisselwerking staat tot alles, mede afhankelijk van de benodigde condities en randvoorwaarden. 

In de wisselwerking als wisselwerking kan niet 'iets' uitgesloten worden en tegelijkertijd kunnen niet alle 'ietsen' omsloten worden. In de wisselwerking als wisselwerking ontstaat het ‘tussen’. In dit tussen kunnen bijvoorbeeld subject en object zich wederkerig tot elkaar gaan verhouden in een dynamisch ontwikkelingsproces, waarin ze elkaar dienen te verwerkelijken. Om dit ontwikkelingsproces in en vanuit een functioneel paradigma te kunnen beelden en begrijpen dienen we het systeem dynamisch in te richten.

Met het in ‘functie staan van subject en object’, als centrale notie, wordt het functionele paradigma ten diepste omschreven, aangezien haar optiek, waarin feitelijk alles met alles in wisselwerking staat, impliceert, dat niet zo maar iets of iemand uitgesloten kan worden op straffe van functie verlies ten dienste van het geheel en haar leden. Door middel van systeem dynamiek kan dit functionele paradigma voorzien worden van een instrument. 

Dit ‘tussen’ kunnen we op alle mogelijke manieren terug vinden binnen een systeem dynamisch geordend veld. Bijvoorbeeld als een tussen m.b.t. de posities, als een tussen van betrekkingen, als een tussen van processen en als een tussen m.b.t. inhouden enzovoorts en vooral als een tussen m.b.t. diagram en dynagram. Het ‘tussen’ is in feite het ontraceerbare en of onpakbare tussen al hetgeen wat wel valt te traceren. 

Denken in coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken is derhalve vormgeven aan wederkerige wisselwerkingen, die zich tot elkaar verhouden in een verbindend patroon. Dit verbindende patroon ontwaren en of kunnen vormgeven is de kern van systeem dynamisch denken. 

Dit verbindend patroon is op te bouwen uit 2 of meerledige structuren; in bijvoorbeeld het diagram en het dynagram zijn ze feitelijk 2 ledig/delig, 4 ledig/delig en 8 ledig/delig opgebouwd, met een uitstap naar 16 ledig en of 64 ledig. 

Een meerledige structuur die ook ruimte kan bieden aan bijvoorbeeld een drieledige dynamiek en ze bijgevolg aan de orde kan stellen, bijvoorbeeld, een 3 ledige dynamiek, van these, antithese en synthese.

Of een drieledige dynamiek met betrekking tot mythisch (onmiddellijke subject object verhouding), ontologisch (middellijke object subject verhouding) en functioneel (de polaire en duale dynamiek tussen subjecten enerzijds en tussen objecten anderzijds en tussen subjecten en objecten).

Of een drieledige dynamiek tussen denken, voelen en willen, enzovoorts. 

Binnen het functionele paradigma en bijgevolg binnen systeemdynamiek komt bijvoorbeeld de subject object verhouding aan de orde als een en en betrekking en of als een of of betrekking. 

Een en en betrekking kunnen we bijvoorbeeld omschrijven als een complementaire betrekking, als een elkaar wederkerig constituerende betrekking. Een wederkerig constituerende betrekking wil zeggen dat het ene niet gescheiden kan worden van het andere. Constituerend wil zeggen dat de een de ander voortbrengt en omgekeerd. De een is op de ander betrokken en voor een juist verstaan dienen beiden, onderscheiden, aan elkaar gerelateerd te worden. 

In een systeem dynamisch verband kunnen we deze wederkerige constituerende betrekking, bijvoorbeeld op de verticale as situeren en duiden haar als de polaire as, bestaande uit twee grootheden en hun relatieve ‘midden’. Deze as geeft de insluitende dynamiek weer, het ene is niet zonder het andere, het ene doet zich tegelijk voor met het andere en vice versa. Deze insluitende dynamiek wordt pas mogelijk door de verschilswerking, de een is niet de ander. Door de verschilswerking wordt de complementaire dynamiek pas mogelijk. 

Een of of betrekking kunnen we bijvoorbeeld omschrijven als een symmetrische betrekking. In een symmetrische betrekking kan er sprake zijn van een tegendelige en tegenstellende betrekking. Tegendelig wil zeggen, dat de een het tegendeel vormt van de ander, er is bijvoorbeeld geen subject zonder object en vice versa. De een kan zich ook tot de ander verhouden in een tegenstelling,  bijvoorbeeld het subject is niet het object en het object is niet het subject. Door die tegenstelling kunnen ze elkaar wederzijds uitsluiten. In een symmetrische betrekking kan er sprake zijn van een wederkerig eliminerende betrekking. Elimineren wil zeggen, de een kan de ander teniet doen. Waar een object is, is er geen subject en vice versa waar een subject is, is er geen object. Voor een juist begrip dienen beiden gescheiden te worden om een subject object relatie te definiëren. 

In een systeem dynamisch verband kunnen we deze wederkerige eliminerende betrekking bijvoorbeeld op de horizontale as situeren en duiden haar als de duale as, bestaande uit twee grootheden zonder hun midden. Deze as geeft de uitsluitende dynamiek weer, het ene komt na het andere aan de orde. Deze uitsluitende dynamiek wordt pas mogelijk door de overeenkomstwerking, de een is de ander. Door de overeenkomstwerking wordt de symmetrische dynamiek pas mogelijk, tot uiting komende in de dynamiek tussen tegendeel (de regel van de sympathie en de antipathie) en tegenstelling (de regel van de aemulatio, de twist tussen het ene en het andere). 

In een systeem dynamisch verband inter-acteren subject en object in twee onderscheiden routes, te weten een subjectbetrokken participerende route en een objectbetrokken opponerende route, de eerste leidend naar beeldvorming en de tweede leidend naar begripsvorming. Zulks kan bijvoorbeeld weergegeven worden in een diagram en als volgt uitgewerkt worden. 

In een subject betrokken route is het subject leidend en het object lijdend, dat wil zeggen dat het object zich moet richten naar het subject. In een object betrokken route is het object leidend en het subject lijdend, dat wil zeggen dat het subject zich moet richten naar het object. 

Beeldvorming komt tot stand op een subject betrokken route waarin het subject in relatie tot het object enerzijds participerend en verbindend en anderzijds analytisch te werk gaat. 

Begripsvorming komt tot stand op een object betrokken route waarin het subject in relatie tot het object enerzijds opponerend en onderscheidend en anderzijds synthetisch te werk gaat. 

Enigszins simplificerend verhouden beeldvorming en begripsvorming zich respectievelijk tot het wilsvermogen en het denkvermogen, anderzijds verhouden denkvermogen en wilsvermogen zich ook tot beeldvorming en begripsvorming. We zien hier de polaire insluitende dynamiek tussen denken en willen, begripsvorming en beeldvorming, het ene is niet zonder het andere, ze kunnen onderscheiden worden, maar niet gescheiden. Het tegendelige denken en willen ontvouwt zich in een dynamiek tussen polariteit en relativiteit en vormen in begripsvorming en beeldvorming elkaars tegenstelling. 

Begrip en beeld, beeld en begrip zijn de twee keerzijden van een en dezelfde werkelijkheid, ze kunnen zowel duaal als polair intermediëren. Duaal gezien zijn beeld en begrip elkaars tegendelen, een beeld is geen begrip en een begrip is geen beeld. Ze vormen beiden een keerzijde van één en dezelfde werkelijkheid. Als tegendelen van één en dezelfde werkelijkheid kunnen ze ook een tegenstelling vormen waarin de een de ander kan elimineren of uitsluiten. Dat maakt dat er tussen begrip en beeld duidelijk een onoverbrugbare kloof bestaat. Je kunt of een beeld of een begrip van de werkelijkheid vormen. In dat opzicht dient men de beeldvorming streng te scheiden van de begripsvorming. 

In en vanuit het functionele paradigma kunnen beeld en begrip zich echter ook tot elkaar verhouden in een polaire dynamiek waarin ze elkaar complementair kunnen aanvullen in een wederkerig constituerende betrekking. Beeld en begrip laten ieder op hun eigen wijze iets van diezelfde werkelijkheid zien. In dit opzicht is de strenge scheiding tussen beeld en begrip juist een voorwaarde teneinde ruimte te scheppen voor de weerspiegeling tussen de onderscheiden domeinen van theoria en praxis, idee en feit, concept en fenomeen, begrip en beeld. Deze weerspiegeling maakt het mogelijk om een glimp op te vangen van een werkelijkheid die noch begrip noch beeld is, maar een complementaire ´realiteit´ die evenzeer kan verschijnen als verdwijnen. 

Ondanks het verschil tussen begrip en beeld, dienen we ons wel te realiseren dat ze beiden, weliswaar op onderscheiden wijzen, deze ene werkelijkheid begrijpbaar dan wel  verstaanbaar kunnen maken. Door alle onderscheiden optieken en dito disciplines `vergeten´ we, dat het uiteindelijk maar over één werkelijkheid gaat, of we hem nu bijvoorbeeld mathematisch begripslogisch denken dan wel fenomenologisch beeldlogisch trachten in beeld te brengen. 

Anderzijds is de grens tussen beeld en begrip niet altijd zo scherp te trekken, aangezien 1 begrip wel meer betekenissen kan hebben en in dito beelden kan worden weergegeven, evenzo kan 1 beeld door meerdere begrippen omschreven worden. Blijkbaar zijn er vele gradaties en of overgangen mogelijk tussen het domein van het begrippelijke en het domein van het beeldelijke. Niettemin wordt het van belang om in een systeem dynamisch verband de begripsvorming deels strak te scheiden en of deels vloeiend te onderscheiden van de beeldvorming. Systeem dynamiek maakt nu juist mogelijk dat we ze als ken vermogens integraal leren hanteren. 

Even zovele begrippen en of beelden voor twee onderscheiden domeinen die een systeem dynamisch instrument behoeven om ze met elkaar in gesprek te brengen. Immers in en vanuit het niets tussen begrip en beeld verschijnt het diagram en het dynagram als twee onderscheiden dimensies van de ruimtetijd en de tijdruimte, ze behoren tot een en dezelfde werkelijkheid die wij dienen te onderscheiden en te verbinden. Tussen beeld en begrip zit een realiteit, die we slechts kunnen viseren via bijvoorbeeld een super positionele betrekking, cq het innemen van een metaperspectief, middels het grondpatroon als denkraam. Aangezien beeld en begrip de twee keerzijden vormen van deze ene en dezelfde werkelijkheid kunnen ze elkaar weerspiegelen en precies die weerspiegeling kan via een systeem dynamisch instrument in kaart gebracht worden. 

Aangezien begripsvorming en beeldvorming op een systeem dynamische wijze  zich tot elkaar dienen te verhouden, kunnen wij de subject object relatie nader omschrijven in een functioneel verband. 

Subject en object verhouden zich tot elkaar als delen en leden van een en dezelfde werkelijkheid.

Fotograaf en camera verhouden zich tot elkaar als twee delen en als twee leden wanneer fotograaf en camera een eenheid vormen. Die met elkaar meer kunnen dan elk afzonderlijk. 

Subject en object verhouden zich tot elkaar deels als objecten / delen en deels verhouden ze zich tot elkaar als subjecten / leden.

Camera en mens verhouden zich tot elkaar als objecten. Ze zijn 2 gescheiden delen.

Camera en fotograaf verhouden zich tot elkaar als subjecten.  Ze zijn 2 verbonden leden. 

Een subject benoemen we als een waarnemend systeem, anderzijds kan het object ook een waarnemend systeem worden.

Een mens wordt pas een fotograaf (waarnemend systeem), als hij met een camera (object) kan fotograferen (object wordt waarnemend systeem). Een camera kan iets zichtbaar maken wat de fotograaf zelf nog niet kan zien, maar wel kan vermoeden. 

Een object benoemen we als een waar te nemen systeem, anderzijds kan het subject ook een waar te nemen systeem worden.

Een camera kunnen we benoemen als een waar te nemen systeem. We kunnen zien hoe hij er uit ziet en wat hij kan. Anderzijds kan de fotograaf ook een waar te nemen systeem worden, hoe gaat hij te werk. 

Een waarnemend systeem verhoudt zich tot een waar te nemen systeem zoals een waar te nemen systeem zich ook weer kan verhouden tot een waarnemend systeem.

Een fotograaf (waarnemend) verhoudt zich tot een camera (waar te nemen) zoals een camera (waar te nemen systeem) zich weer kan verhouden tot een fotograaf (waar nemend systeem). 

Een object betrokken benadering poogt een waar te nemen systeem via begrippen en feiten in kaart te brengen, mogelijk uit te werken in een diagram. 

Een subject betrokken benadering poogt een waar genomen systeem via beelden en fenomenen in kaart te brengen, mogelijk uit te werken in een dynagram. 

Een diagram geeft te denken, brengt het nog onvermoede via bijvoorbeeld begrippen en posities in beeld. Een dynagram geeft een gedachtegang weer, brengt het reeds vermoede via bijvoorbeeld beelden en betrekkingen tot begrip. 

In het functionele paradigma verhoudt het diagram zich tot het denken als ken instrument en het dynagram zich tot het willen als ken instrument, bijgevolg kan het voelen als ken instrument zich pas verhouden tot het ‘tussen’ als het denken is uitgekristalliseerd tot een diagram en het willen is geboetseerd tot een dynagram. De kristallijne en vloeiende dynamieken in respectievelijk diagram en dynagram spreken respectievelijk het denken en het willen aan en of vice versa. 

Zonder een systeem dynamisch veld kan dit ‘tussen’ niet aan de orde gesteld worden en bijgevolg kan het voelen als ken instrument pas aantreden in het functionele paradigma en bijgevolg in een verhouding tussen diagram en dynagram als resultante van het denken en het willen. Denken en willen verhouden zich tot elkaar als twee vermogens waarin zowel duale symmetrische als polaire complementaire dynamieken aan de orde gesteld kunnen worden. Pas met het voelen als ken vermogen kunnen we het relatieve midden `behartigen´. Deze drie kenvermogens ofwel dit drieledige kenvermogen verhoudt zich weer tot het vierledige veld van kennen en kunnen, kennis en kunst. 

Begripsvorming en beeldvorming dienen zich, binnen het functionele paradigma, systeem dynamisch tot elkaar te verhouden in een complementair en symmetrisch werkend veld, in deze een duogram, waarin diagram en dynagram zich tot elkaar verhouden als een wederkerige constituerende dynamiek waarin denken en willen zich zodanig tot elkaar verhouden, dat ze beiden ruimte scheppen voor het voelen. Bijgevolg kan het een noch het andere ooit met elkaar samenvallen, vandaar dat dit ‘tussen’ hetgeen is, wat het functionele paradigma wil behartigen en viseren in een systeem dynamisch veld. 

Het begrip wordt nooit beeld en het beeld nooit begrip, het diagram wordt nooit dynagram en het dynagram nooit diagram, het denken wordt nooit een willen en het willen nooit een denken . Ze kunnen elkaar niet opheffen, noch samenvallen, ze kunnen als relatieve symmetrische en complementaire grootheden zich slechts tot elkaar verhouden. 

Deze tweeledigheid tussen begrip en beeld, tussen structuur en ordening, tussen tijd en ruimte behoeft een drieledigheid waarin de wisselwerking als wisselwerking als een ‘niets’ tussen de ietsen zowel kan verschijnen als verdwijnen. Een systeem dynamisch veld behartigt en visualiseert dit ‘tussen’ als een te denken, te voelen en te willen dimensie van de werkelijkheid. 

Alles staat in een tweeledige, drieledige en of meerledige betrekking tot alles. Het kunnen denken en willen van deze meerledige betrekkingen vraagt evenzeer om een fijnzinnig voelen. Binnen het functionele paradigma schept dit drieledige zielenvermogen van denken, voelen en willen als kenvermogen haar eigen instrument, een systeemdynamisch veld. Tussen iets en niets, verschijnen en verdwijnen, het zegbare en het onzegbare valt het nodige in beeld en tot begrip te brengen. Wat men niet kan pakken, wil zich wellicht laten vatten voor wie zich openstelt voor dit niet meer manipuleerbare tussen, in casu een systeem dynamisch veld. 

Een systeem dynamisch veld kenmerkt zich bijvoorbeeld door het volgende: 

Posities in de ruimte vertonen tendensen om te zijn.

Betrekkingen in de tijd vertonen tendensen om te worden. 

Een positie bestaat met een mate van waarschijnlijkheid op een bepaalde plaats in de ruimte.

Een betrekking voltrekt zich met een mate van waarschijnlijkheid op een bepaald moment in de tijd. 

Posities en betrekkingen vormen een onsamenhangend geheel, in bijvoorbeeld een diagram, gekenmerkt door een dynamisch kruis in een statisch veld. 

Processen voltrekken een ontstaan in de tijd.

Inhouden betrekken een staan in de ruimte. 

Een proces voltrekt zich met een mate van zekerheid door een tijdscontinuüm.

Een inhoud betrekt met een mate van zekerheid een ruimte discontinuüm. 

Processen en inhouden vormen een samenhangend geheel, in bijvoorbeeld een dynagram, gekenmerkt door een statisch kruis in een dynamisch veld. 

Beide grammetjes vormen een visueel model van mogelijke waarschijnlijkheidspatronen in respectievelijk een relatieve ruimtetijd / diagram en of een relatieve tijdruimte / dynagram. 

Beide grammetjes worden gekenmerkt door een mate van vorm (structuur) die beweging (ordening) mogelijk maakt (in een diagram) en een mate van beweging die de vorm constitueert (in een dynagram). Beweging en vorm zijn dan de meer algemene grootheden die bijvoorbeeld in positie en betrekking (meer diagram), proces en inhoud (meer dynagram) een nadere accentuering krijgen. 

Twee te onderscheiden systeem dynamische velden waarin de waarschijnlijkheidsfuncties tussen bijvoorbeeld posities en betrekkingen aan de orde gesteld kunnen worden (diagram) dan wel zich laten structureren (dynagram) als een samenhangend geheel van bijvoorbeeld processen en inhouden. 

Zekerheid en waarschijnlijkheid zijn twee fundamentele kenmerken van een systeem dynamische werkelijkheid, waarin complementaire en symmetrische grootheden zowel polair als duaal zich tot elkaar kunnen verhouden. Het systeem moet zekerheid verschaffen en de mate van waarschijnlijkheid houdt het systeem dynamisch. 

Zo vormen bijvoorbeeld posities en betrekkingen, inhouden en processen, volte en leegte, inwikkelen en ontwikkelen, verschijnen en verdwijnen, beweging en vorm, etc. ieder op hun wijze, en toch samen een mogelijk systeem; de wijze waarop dit systeem kan functioneren bepaalt haar dynamiek. 

Enerzijds kan iets op zich zelf staan, maar anderzijds kan het ook een nieuwe betekenis in een te exploreren samenhang krijgen. Op zich kan je uiteindelijk stellen dat niets op zichzelf staat binnen het mythologische paradigma, aangezien alles met alles samenhangt. 

Tot nu toe, zijn we deels uitgegaan van bijvoorbeeld posities en betrekkingen. Dit houdt verband met een ontologische denkwijze waarin het bepalen van posities, in welke vorm dan ook, in principe vooraf gaat aan het bepalen van de betrekkingen. Maar wat te doen met bijvoorbeeld processen en inhouden? Zo ook beweging en vorm? 

We zien dat een mythische denkwijze eerder uitgaat van dynamiek, beweging en proces om van daaruit vorm en inhoud te kunnen ontwaren. Vandaar dat we proces en inhoud vooreerst situeren in het dynagram, aangezien het dynagram vanuit het tijdsperspectief geordend wordt. 

Processen vinden primair hun aanvang in en vanuit een tijdsgerelateerde dynamiek. Een proces kan een dermate krachtige ‘entiteit’ vormen dat ze vergelijkbaar wordt met wat de ontologie positie noemt. Zo een proces heeft een eigenstandigheid en of beter ‘eigendurendheid’. Een positie is primair gerelateerd aan een ruimte gerelateerde dynamiek, vandaar dat we kunnen spreken van de ‘eigenstandigheid’ van een positie. 

Strikt genomen kan de verdeling tussen bijvoorbeeld positie en betrekking, gerelateerd aan het diagram, en bijvoorbeeld proces en inhoud, gerelateerd aan het dynagram een helder uitgangspunt vormen binnen systeem dynamiek. Het maakt helder of je vanuit een ruimte perspectief of vanuit een tijdsperspectief wil denken. Uiteindelijk echter is er geen ruimte zonder tijd en geen tijd zonder ruimte. Geen statiek zonder dynamiek en geen dynamiek zonder statiek. Vandaar dat we het diagram relateren aan de ‘ruimtetijd’ (ruimte impliceert tijd), het dynagram aan de ‘tijdruimte’ (tijd impliceert ruimte). 

Dat maakt dat enerzijds het vertrekpunt helder gesteld kan worden, maar laat anderzijds onverlet dat uiteindelijk het ruimteperspectief en het tijdsperspectief binnen het verband van een systeem, toch dynamisch interactief gehanteerd kan worden, zodat in beide grammen zowel met posities en betrekkingen, als met processen en inhouden gewerkt kan worden. Ondanks alle mogelijke wisselwerkingen, blijft het uitgangspunt als een kritische toetssteen staan. 

Om systeem dynamisch te kunnen denken, dient elk (voor) waar te nemen systeem geïsoleerd te worden om duidelijk gevisualiseerd te kunnen worden. 

Voorts moet een waar te nemen systeem ook in wisselwerking treden met andere waar te nemen systemen om duidelijk te kunnen worden waargenomen in bijvoorbeeld haar momentane posities en betrekkingen op zich en in relatie tot andere waar te nemen systemen. 

Verstoringen in en door het denken en waarnemen worden ingelost door de onderling te betrekken systeemvelden streng te isoleren, opdat mogelijke analoge spiegelingen kunnen oplichten (beeldend) en of inlichten (begrijpend). 

Voor een analogie dient die afgrenzing zo volledig als mogelijk gerealiseerd te worden, evenwel zijn alle mogelijke analogieën slechts benaderingen van mogelijke verschillen en mogelijke overeenkomsten. 

Een mogelijke analogie ontstaat uit de systeem dynamische wisselwerking en of interactie tussen 2 gescheiden systeemvelden die elk op zich zelf staan. 

Afzonderlijke systeemvelden zijn idealisaties, die alleen dan betekenis krijgen als hun onderlinge wisselwerking systeem dynamisch kan worden geoptimaliseerd. 

Systeem dynamiek zoekt een samenhangend geheel te bewerken van afzonderlijke waar te nemen systeem velden. 

Systeem dynamiek wil bloot leggen dat in alles een totale onderlinge verbondenheid en een onderlinge gescheidenheid werkzaam wil worden. 

De werkelijkheid is enerzijds op te splitsen in afzonderlijke bestaande systeem velden, maar anderzijds slechts voor zover zij in samenhang functioneren met andere bestaande systeem velden en voor zover ieder zich verhoudt tot een nog te denken samenhang, die zich wil inwikkelen en ontwikkelen als een pulserende dynamiek van verschijnen en verdwijnen in een kritisch zichzelf organiserende systematiek. 

Geïsoleerde systeem velden zijn abstracties: hun eigenschappen zijn alleen maar definieerbaar en denkbaar door middel van de betreffende wisselwerkingen met andere systeem velden. 

De onderlinge verbondenheid en of gescheidenheid van bijvoorbeeld noodzakelijke posities en mogelijke betrekkingen, noodzakelijke betrekkingen en mogelijke posities, zijn een fundamenteel kenmerk van systeem dynamiek en daarmee van alle werkelijkheid. Dit geldt evenzeer voor bijvoorbeeld de onderlinge verbondenheid en of gescheidenheid van noodzakelijke processen en mogelijke inhouden, noodzakelijke inhouden en mogelijke processen. 

Diverse systeem velden zijn noodzakelijke en mogelijke elementaire combinaties waardoor de werkelijkheid zich als een gebroken en een ongebroken geheel kan manifesteren. 

Systeem dynamische modellen beelden waarschijnlijkheidspatronen en wel de waarschijnlijkheid van mogelijke en of noodzakelijke wisselwerkingen binnen een, met mate, te stellen structurele zekerheid, voor zover deze waarschijnlijkheidspatronen binnen een twee ledige structuur (duogram) van bijvoorbeeld posities, betrekkingen, processen en inhouden gedacht en gelezen kunnen worden. 

De werkelijkheid is een gecompliceerd web van bijvoorbeeld betrekkingen tussen de verschillende posities in een samenhangend geheel van processen die haar inhouden vormt. 

Elk afzonderlijk systeem dynamisch veld neemt bijvoorbeeld een ‘positie’ in tussen andere systeem dynamische velden, waardoor ze een verband, een verhouding en of een raakvlak zichtbaar kunnen maken. 

Zoals in elk systeem dynamisch veld bijvoorbeeld noodzakelijke / mogelijke posities tot zijn en mogelijke / noodzakelijke betrekkingen tot worden een samenhangend geheel vormen, zo kunnen systeem dynamische velden onderling bevraagd worden op bijvoorbeeld mogelijke noodzakelijke posities en noodzakelijke mogelijke betrekkingen. 

Hun zijn en worden (hun ontstaan en vergaan) ontlenen de systeemvelden bijvoorbeeld aan hun wederzijdse posities en betrekkingen (processen en inhouden). Maar evenzeer ook afhankelijk van de betreffende onderlinge coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken. 

Op zich zelf betekenen ze nog niets, maar kunnen ze betekenis ontwikkelen en inwikkelen. 

Een systeem veld is een verzameling van bijvoorbeeld posities en betrekkingen (processen en inhouden) die naar elkaar verwijzen en naar alle andere posities en betrekkingen (processen en inhouden) in even zoveel separate systeem dynamische velden opdat ze hun verwijzingen aan het licht kunnen brengen. Evenzeer afhankelijk van de betreffende onderlinge coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken. 

Op deze wijze verschijnt een systeem dynamisch geordende werkelijkheid als een gecompliceerd weefsel van bijvoorbeeld posities en betrekkingen (processen en inhouden), waarin verbindingen en afscheidingen elkaar afwisselen, overlappen of met elkaar combineren teneinde het weven van het geheel, als een altijd voorlopige resultante van de dynamiek tussen leden en delen, in werking te zien treden. 

Het weefsel als kosmisch web dat weeft en leeft. 

Het mythisch beeld van het kosmische web komt terug in de werking van het dynagram, dat de werkelijkheid op een simplexe wijze wil weergeven als een netwerk van bijvoorbeeld onderling verweven processen en inhouden, waarbij alle inhouden en processen op een complexe wijze met elkaar in werking treden. Hier wil gelezen worden wat er aan wil leeft in de werkelijkheid, zowel tussen subjecten onderling als tussen objecten onderling, als specifiek tussen subject en object. Door deze wil te leren verstaan, kan ze ook geleefd en gerealiseerd worden. Het dynagram wil de 'wil' van deze werkelijkheid waarin het subject het primaat heeft in beeld brengen, vandaar de term subject betrokken. 

Het ontologische beeld van de matrix komt terug in de werking van het diagram, dat de werkelijkheid wil mani-puleren (naar haar hand zetten) door haar te denken en te berekenen op basis van bijvoorbeeld uit te zetten coördinaten in ruimte en tijd, posities en betrekkingen. Het diagram geeft dan ook te denken en met het denken komt er zicht op wat is en waaraan het subject zich heeft te houden wil het zich kunnen invoegen in een werkelijkheid waarin het object het primaat heeft, vandaar de term object betrokken. 

De vraag is, of juist een subject betrokken dynagram zich niet het beste leent voor een kwantitatief systeem dynamische uitwerking en een object betrokken diagram voor een kwalitatief systeem dynamische benadering? 

Het kosmische web kan vergeleken worden met het relativistische web (vgl. sommige filosofieën aangaande de moderne fysica). Hierin staan subject en object in functie van elkaar als relatieve grootheden, die zich tot elkaar dienen te verhouden omwille van een te realiseren harmonie. Want wie veroorzaakt wat en wat veroorzaakt wie, subject en object zijn binnen het functionele paradigma zowel onmiddellijk als middellijk. 

Weven betekent in het Sanskriet tantra, tantra wil zoveel zeggen als weven en verwijst naar de onderlinge verwevenheid van bijvoorbeeld gegeven posities en betrekkingen, processen en inhouden. 

Systeemdynamiek wil de wisselwerking tussen subject en object, tussen waarnemer en waargenomene, tussen waarnemend systeem en waar te nemen systeem aan de orde stellen in een structureel onherleidbaar verband. Systeemdynamiek wil en kan de onderlinge verwevenheid van bijvoorbeeld gegeven posities en betrekkingen zodanig aan de orde stellen dat ze rationeel denkbaar kan worden in en vanuit een functioneel paradigma als een synthese tussen mythos en logos. 

Subject en object zijn onmiddellijk verweven en dienen dat weefsel interactief te weven, systeemdynamiek biedt daartoe een dienstbaar instrument. 

Subject en object staan niet op zich en voor zich, ze ontsluiten betekenis in de samenhang van de wisselwerking tussen het waargenomene en de waarnemer. 

Wat we denken is niet alleen de werkelijkheid zelf, maar de werkelijkheid die wil verschijnen in en vanuit een systeem dynamische interactie tussen subject en object, subject en subject, object en object. 

Subject en object worden in een systeem dynamische wisselwerking deelnemers van en aan elkaars ontwikkeling en inwikkeling, subject en object werken complementair en zijn complementair symmetrisch werkende deelnemers. 

Subject en object zijn wel te onderscheiden, maar niet te scheiden, niet te onderscheiden maar wel te scheiden, zie hier hun paradoxale interactie, die vraagt om een systeem dynamisch geordend ont-moetings-veld. 

Elke ontwikkeling tendeert naar verbinding en of afscheiding, verdwijning en of verschijning. 

De dualiteit tussen verbinden en afscheiden verhoudt zich tot de polariteit van verdwijnen en verschijnen. 

Zo ook tussen bijvoorbeeld delen en leden, posities en betrekkingen, inhouden en processen, vorming en werking. 

Buitenwereld en binnenwereld, bovenwereld en onderwereld zijn slechts vier zijden van hetzelfde weefsel waarin de draden van alle krachten en machten, van bijvoorbeeld alle posities en betrekkingen verweven zijn in een deelbare matrix en een ondeelbaar web van eindige en eindeloze, elkaar wederkerig bepalende processen en inhouden. 

Een dynamische eenheid van polaire tegenstellingen ontvouwt zich uit de cirkelvormige beweging als een heen en weergaande oscillerende beweging tussen 2 uiterste punten in een dynamiek van vertragen rond de polen en een versnelling langs de opstijgende en indalende tendensen, de dynamische verhouding tussen tegendelen en tegenstellingen. 

Systeem dynamiek is bijvoorbeeld het kennen en kunnen denken (voelen en willen) in coherente betrekkingen tussen consistente posities van systeem dynamisch geordende structuren (diagram, dynagram en duogram). 

Een coherente betrekking bijvoorbeeld is een dynamiek op zich, dat evenzeer van zijn posities verschilt, als die posities van elkaar verschillen. 

Een consistente positie bijvoorbeeld is een dynamiek op zich, dat evenzeer van zijn betrekkingen verschilt als die betrekkingen van elkaar verschillen. 

Systeem dynamisch denken, voelen en willen is het leren opsporen van bijvoorbeeld mogelijke coherente betrekkingen tussen bijvoorbeeld noodzakelijke consistente posities en vice versa. 

Systeemdynamisch denken, voelen en willen is het leren bewegen tussen bijvoorbeeld consistente posities en coherente betrekkingen binnen één systeem dynamisch veld en bijvoorbeeld tussen twee of meer onderling te relateren systeem dynamisch geordende velden, casu quo, systeem dynamisch gemoduleerde en gemodelleerde concepten. 

Een achtledig veld is een kleinst mogelijke eenheid van bijvoorbeeld vier gedefinieerde posities en vier gedefinieerde betrekkingen en of een kleinst mogelijke eenheid van bijvoorbeeld vier bepaalde processen en 4 bepaalde inhouden (zo doende spiegelt een duogram een 16 ledig veld waarin diagram en dynagram elkaar wederkerig spiegelen als tegendeel en tegenstelling, vandaar haar positie op west en de regel van de aemulatio). 

Een mogelijk op te sporen dynamiek tussen twee systeem dynamisch geordende velden kan geactualiseerd worden in een ‘super positionele betrekking’, hetgeen we omschrijven als het kunnen innemen van een meta perspectief, middels een grondpatroon als denkraam. Waar we nu de functie super positionele betrekking uitwerken, kunnen we dat  ook nader onderzoeken op mogelijk coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken. Voor de eenvoud houden we het op een facet van de wijze waarop het grondpatroon kan functioneren.

Tussen 2 systeem dynamisch geordende velden kunnen achtereenvolgens bijvoorbeeld mogelijke super positionele betrekkingen in beeld en tot begrip gebracht worden. 

Een super positionele betrekking tussen twee mogelijke, systeem dynamisch geordende, velden moduleert coherente interferenties. 

Een coherente en of consistente super positionele betrekking schept een relatief midden; dit tussen wordt bijvoorbeeld gekarakteriseerd door een mogelijke en of noodzakelijke samenhang van betrekkingen en posities in elk van de te relateren systeem dynamisch geordende velden en tussen de wederzijds gerelateerde velden. Evenzeer door het in acht nemen van de betreffende coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken. 

Een coherente super positionele betrekking is een tussen dat evenzeer van zijn delen (velden en posities) verschilt als die leden (velden en betrekkingen) van elkaar verschillen. 

Een coherente super positionele betrekking kan gevisualiseerd worden middels een duogram, een samenhang tussen diagram en dynagram, een ruimtetijd in verhouding tot een tijdruimte. 

In systeem dynamiek is niets ofwel dit ofwel dat, zonder dat daar in het ‘tussen’ (in het ‘niets’) ‘iets’ bestaat. 

Tussen elk dit en of dat, tussen bijvoorbeeld positie en of betrekking, proces en of inhoud, diagram en of dynagram, veld 1 en of veld 2, concept 1 en of concept 2 ontstaan mogelijke (hypothetische) betrekkingen van primaire en of secundaire aard. 

Primaire betrekkingen kunnen zowel duaal als polair geactualiseerd worden in respectievelijk horizontale als verticale dynamieken als in diagonaal geordende dynamieken. 

Systeem dynamiek is de methode om ieder dit dusdanig aan elk dat te relateren, waardoor het resultaat noch het oorspronkelijke dit is, noch het oorspronkelijke dat, maar iets volkomen nieuws. 

Dit actuele nieuwe ‘midden’ wordt in het systeem dynamisch geordende kennen een coherente en of consistente ‘super positionele betrekking’, die op onderscheiden wijzen in samenhang valt te denken (diagram), te voelen (duogram) en te willen (dynagram). Deze ‘super positionele betrekking’ karakteriseert ten diepste het kunnen innemen van een metaperspectief waarin met behulp van een grondpatroon zulks gerealiseerd kan worden. 

Systeem dynamiek tracht waarschijnlijke (mogelijke en of noodzakelijke) coherente / consistente ‘super positionele betrekkingen’ zichtbaar te maken. Evenzeer is dit van toepassing op de betreffende coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken. 

Systeem dynamiek is uiteindelijk het creatief, flexibel, efficiënt en effectief leren denken in mogelijke en of noodzakelijke coherente en of consistente super positionele betrekkingen ( hierop volgend weergegeven c/c ~ SPB), waardoor het innemen van een mogelijk metaperspectief pas handen en voeten krijgt. 

Mogelijke coherente super positionele betrekkingen kunnen via systeem dynamische interferenties zich ontwikkelen tot momentane noodzakelijke consistente super positionele betrekkingen en vice versa. Het ene kan het andere insluiten en uitsluiten, het noodzakelijk consistente kan zich ompolen naar het mogelijke coherente. Want wat is noodzakelijk en of mogelijk, ieder op zich zijn ze non-sense (zonder zin en betekenis), pas in de wisselwerking wordt de een de keerzijde van de ander en daarmee worden het relatieve grootheden. 

Een systeem dynamisch geordend veld representeert een in samenhang gebracht systeem als een op zich zelf staande dynamische eenheid, zonder hetwelk het systeem dynamisch geordende veld niet existeert (ex-sistere), dat wil zeggen kan uitstaan naar andere systeem dynamisch geordende veld(en), evenzeer op zichzelf staand. 

Een systeem dynamisch geordend veld kan geviseerd worden als een te observeren systeem dynamische samenhang. 

Een observerend systeem dient zich dynamisch te verhouden tot een geobserveerd systeem. 

Ze verhouden zich functioneel tot elkaar als subject en object. 

Hun verhouding krijgt gestalte via een systeem dynamisch onderbouwde hypo – these. 

Elke systeem dynamische hypothese vertrekt vanuit te observeren en te relateren deelsystemen. 

In samenhang met een geobserveerd systeem worden specifieke interferenties tussen bijvoorbeeld gegeven posities en betrekkingen (al dan niet noodzakelijk en of mogelijk) in een systeem dynamisch geordend veld geconceptualiseerd. Ieder geobserveerd systeem heeft een karakteristieke interferentie. Deze karakteristieke interferentie kan oplichten en of inlichten in een c/c ~ SPB en daarmee ipso facto het kunnen innemen en hanteren van een metaperspectief. 

Systeem dynamiek als discipline excelleert in het scheppen van mogelijke / noodzakelijke,  coherente / consistente super positionele betrekkingen, tussen even zo mogelijke diagrammen (posities en betrekkingen) en of dynagrammen (processen en inhouden). 

De interferenties in een bepaald geobserveerd systeem (door middel van een dynamisch observerend systeem) kunnen interfereren met de interferenties van elk ander geobserveerd systeem en wel zodanig dat elke mogelijke interferentie een unieke super positionele betrekking vormt, die zich vervolgens kan weerspiegelen in een op ervaring gebaseerde casus. 

Deze super positionele betrekking, het kunnen innemen van een metaperspectief, is noch louter idee, noch louter feit, ze actualiseert slechts een mogelijke interferentie tussen 2 of meer geobserveerde systemen in 2 of meer systeem dynamisch geordende velden , die zich ontwikkelen tot tijdruimtelijke of ruimtijdelijke verhoudingen c.q. dimensies. 

Tussen deze RT en TR continua kunnen discontinue super positionele betrekkingen oplichten en of inlichten. 

Een coherente / consistente super positionele betrekking is een discontinue samentrekking van alle mogelijke resultaten van een interactie tussen observerend systeem en geobserveerd systeem, derhalve toont een c/c ~ SPB actuele mogelijkheden en of noodzakelijkheden. 

Een c/c SPB ontstaat in een driehoeks betrekking tussen 2 geobserveerde, systeem dynamisch geordende, systemen en een observerend, systeem dynamisch structurerend, systeem. 

Op ieder gegeven moment, wanneer de noodzaak zich voordoet kan een c/c SPB middels een observerend systeem het licht zien, evenwel slechts als een actuele mogelijkheid. 

Een c/c SPB is een functionele waarschijnlijkheid ofwel een waarschijnlijkheidsfunctie van de ervaring, daar ze noch louter idee, noch louter feit is, slechts het tussen kan weerspiegelen, dan wel dynagram en of diagram in beeld en tot begrip brengt. 

Een c/c ~ SPB weerspiegelt een EVENT. 

Een event karakteriseert zich veelal door tig mogelijkheden, elke conceptualisering vat slechts een bepaald aspect c.q. mogelijkheid van de ervaringswerkelijkheid. Dit vatten poogt iets tot inhoud te maken, daarentegen karakteriseert een event zich als een dynamisch proces in ontwikkeling en of inwikkeling. 

Systeemdynamiek nu, tracht bijvoorbeeld inhoud en proces, statiek en dynamiek, positie en betrekking, eenduidige en meerduidige dynamieken, en en / of of betrekkingen, etc. zodanig te verbinden dat deze events als c/c SPB ´s zichtbaar en denkbaar kunnen worden. 

Events vormen webben, tussen webben kunnen c/c SPB ´s gevormd worden die noch dit web noch dat web zijn, wellicht gaan events vooraf aan Ruimte en Tijd. 

Wellicht zijn ruimte en tijd, massa en energie, deeltjes en golven slechts secundaire eigenschappen, die afgeleid kunnen worden van het hele al en of de hele ongedeelde werkelijkheid, die wij slechts deels kennen als ruimte en tijd, etc. 

In dier voege kunnen denkprocessen restricties projecteren op de werkelijkheid, waar die niet zijn, maar wie kan zonder die restricties zien en of denken? 

Vandaar dat het wijs is om die restricties dan ook in beeld en tot begrip te brengen als systeem dynamisch geordende waarschijnlijkheidsvelden. 

In dier voege is er geen universele logica en of mathematica, laat staan een universele systeem dynamiek, het zijn allen slechts pogingen met hun specifieke restricties. Middels deze keurig in beeld en tot begrip gebrachte restricties, mits in systeem dynamisch geordende structuren, is het mogelijk van een nood een deugd te maken, met andere woorden niet de projecties afserveren, maar ze nutten om het projectiescherm middels systeem dynamiek zodanig in te richten dat het zien kan oplichten en of inlichten. 

Systeem dynamiek is een instrument van de geest, los van de vraag wat geest is en of geest wel bestaat, het hoeft niet aangetoond te worden om toch haar werkzaamheid te kunnen tonen. 

Geest kan de werkelijkheid denken en of zelfs vormen daar waar de werkelijkheid gewild kan worden door de geest en of beter daar waar de wil van de geest werkelijkheid bewerkt en of  doet zijn en worden. 

Geest en stof zijn zowel duale als polaire manifestaties van dat wat is en dat wat niet is, een paradoxale verbinding tussen zijn en niet zijn, zijn en worden. Manifestaties van verschijnen en verdwijnen. 

Alle afzonderlijke delen manifesteren zich als leden van een en dezelfde werkelijkheid, delen en leden, evenals posities en betrekkingen, zijn onverbrekelijk verbonden (als elkaars tegendelen). Daar waar ze verschijnen, vormen ze elkaars tegendeel, daar waar ze verdwijnen vormen ze elkaars tegenstelling in zowel de werkelijkheid als in het denken over de werkelijkheid als tussen kennen en de werkelijkheid. 

Vergelijken we het kennen met een metafoor als het licht, dan is licht én metafoor voor zichtbaar en denkbaar maken én fysische werkelijkheid en gedraagt licht zich als een grootheid die zich beweegt middels fotonen en of zich gedraagt als golven en of vice versa. 

Daarmee is licht het ultieme voorbeeld van een fenomeen waarin deeltjes en golven verschijnen als tegendelen en waarin deeltjes en golven verdwijnen in hun tegenstelling, want waar de een is, is de ander niet, een golf is geen deeltje en een deeltje is geen golf. Toch vormen ze als onverbrekelijke tegendelen het fenomeen licht. Maar wat is dan licht? 

Het midden tussen supra luminale en sub luminale grootheden en of het midden tussen deeltjes en golven, daar waar deeltjes zich kunnen verdichten tot massa en golven zich kunnen bundelen tot energie? 

Licht manifesteert zich in deze tweeledig, ze is deel en lid ineen, foton en golf, terwijl de een niet de ander is. In haar meerledigheid vormt ze interferentiepatronen. 

In hoeverre zijn deze interferentiepatronen in de vorm van denkbare diagrammen en of dynagrammen niet ook de inkomst en uitkomst van datzelfde licht. Zonder een vorm van denken kan immers geen licht geworpen worden op de werkelijkheid en of kan deze werkelijkheid niet oplichten in denkbare concepten en of beelden. Welke analogie speelt er tussen denken en licht? 

Wellicht kenmerkt licht als manifestatie van werkelijkheid en denkbare werkelijkheid zich door haar dynamische beweeglijkheid, tussen lichtheid en of dichtheid, tussen diagrammen en dynagrammen. 

Zo kan de dynamiek van ´het licht´ binnen systeemdynamiek als een metafoor functioneren voor een werkelijkheid waarin lichtheid en dichtheid, linksom en of rechtsom draaiend (spin), opwaarts en neerwaarts bewegend (up en down), tegengesteld en of tegendelig , polair en of duaal, enige karakteristieken en of functies zijn, die op een of andere wijze in het systeem dynamische veld zijn in te huizen. 

Wanneer er gesproken wordt van supra luminale verbindingen dan kunnen we er ontologisch gezien niets bij voorstellen, niettemin kunnen we al werkend in het dictogram wel het een en ander aan verbinden; maar hoe, hetgeen ervaren wordt in werking kan treden, vraagt toch een heel nieuw referentiekader en het supra luminale is in dat opzicht aan het dictogram niet vreemd. We dienen dan echter opnieuw aansluiting te vinden met het aloude veld van de sjamanen, die nog werkten binnen het mythische paradigma, waarin de onmiddellijke relatie tussen subject en object aan de orde gesteld werd. 

Het dictogram als veld is in en vanuit het mythische paradigma gebaseerd op het gegeven dat er niet alleen verbindingen sneller dan het licht bestaan, supra luminaal, tussen ruimteachtig afgezonderde gebeurtenissen, maar dat deze tevens gebruikt kunnen worden op een controleerbare wijze om te communiceren, maar evenwel communicatie tussen wat en wie? 

Je zou kunnen opperen dat in het dictogram een supra luminale overdracht van negentropie (orde) plaats vindt zonder signalen, zonder transport van massa en of energie. Er vindt een onmiddellijke en ogenblikkelijke verandering plaats in de hoedanigheid van het veld en de deelnemers zowel in ruimte als in tijd. Communicatie sneller dan licht is fysisch gezien nog deels speculatieve theorie, maar toch kan de realiteit in het dictogram soms de theorie vooruit zijn.


De dynamiek van het licht in het werk van Bard Sloven. 

De dynamiek van het licht kunnen we wellicht opsporen door de dynamiek van de lemniscaat nader te preciseren in de ruimte van het beeld. 

De dynamiek van de lemniscaat kunnen we aan een onderzoek onderwerpen, voorzover we hem in de ruimte kunnen plaatsen en wel als volgt, in de positie van de horizontaal en of verticaal en wellicht in de twee diagonalen van het veld verstaan als diagram. 

In de horizontaal dienen we hem te verstaan, ingespannen tussen verleden en toekomst, zij vormen beiden de keerzijde, waarin het ene deel, het verleden, is verschenen en het andere deel, de toekomst, nog moet verschijnen. Verleden en toekomst vormen elkaars keerzijde, zonder het snijpunt van deze twee bewegingen, zijn ze niet te verstaan. De vraag doet zich voor in hoeverre ze elkaar snijden en weerspiegelen in het snijpunt te verstaan als het heden, de momentane bron van het verdwijnen van het verleden en het verschijnen van de toekomst. 

Deze weerspiegeling in het heden is een nauwelijks te ervaren gebeuren, men kan hem slechts dan wel passief ondergaan, dan wel actief te boven gaan. In beide gevallen staat de mens op een halfbewuste wijze in dit brongebied van het moment hier en nu. Het is slechts een deelmoment in de voort stromende reeks van het worden. 

In de verticaal dienen we de lemniscaat te verstaan, ingespannen tussen boven en beneden, tussen geest en stof, zij vormen beiden de keerzijden van het bezielde bestaan, dat hier en nu communiceert tussen dat wat ontvangen mag worden en dat wat weg gegeven mag worden. 

Het unieke van het centrum waarin zowel de horizontale als de verticale lemniscaat elkaar snijden, mag dan ook gezien worden als het ultieme bronpunt van de creatie. Daar raken de zijnsas en de wordingsas elkaar op een fundamentele wijze en wel zo dat dit creatiepunt vernoemd moet worden naar het menselijke zijn en worden tout court. 

Dit creatiepunt, snijvlak van het verschijnen en verdwijnen, van het ontvangen en weggeven, is bij uitstek het gebied waarin de kunstenaar vertoefd. De wijze waarop, karakteriseert het ontstaan van het kunstwerk, zij ontstaat in het moment zonder voorspel en naspel, zonder voorwerk en nawerk. Dit proces van de creatie wordt gekarakteriseerd door een bewogen beweging. Het proces start ergens en het eindigt ergens en tussen die twee momenten materialiseert de creator het doek, het gedicht of de compositie. 

Dat heeft consequenties. Daar waar het subject het object voortbrengt vallen ze nog niet samen. In die zin ijlt het object de kunstenaar bij wijze van spreken vooruit in zijn ontstaan. Pas na een zekere tijd kan het object weer terugvloeien naar het subject en du moment dat het doek weer binnenstroom in het subject, ontstaat de samenkomst van subject en object. Deze samenkomst kan de kunstenaar behoorlijk raken, hier geschiedt een wijze van bewust worden, meer nog dan het creatiemoment wat we eerder kunnen benoemen als een onbewust worden.

De creatie voltrekt zich zowel aan het subject als aan het object, deze wederkerigheid is onmiddellijk. Daarentegen wordt de samenkomst bemiddeld door zowel het reeds bestaande subject als het eveneens in het bestaan geworpen object. 

Het ontstaansmoment wordt ervaren als een onthuizen en vervreemden van zowel het subject als het object, daarentegen wordt de samenkomst ervaren als een thuiskomst die de vreemdheid niet hoeft op te heffen, maar dragelijk maakt, immers de ontmoeting mag nog taal krijgen in de onderlinge uitwisseling van subject en object, kunstenaar en doek, musicus en compositie. 

In het ontstaansmoment kan ook niet scherp gesneden worden waar ergens het ontstaansproces is begonnen of zal eindigen. Hier vervagen de contouren in verleden en toekomst, daarentegen verduidelijkt in het worden het zijn van zowel subject als object, ze bemiddelen elkander in hun verschijnen en verdwijnen en in hun ontvangen en weggeven. 

Hoe het subject zich in dit proces ook weet te focussen in die mate kan het object deze focus weerstreven en in een geheel andere gedaante verschijnen dan bedoeld. Het onbedoelde verschijnen laat de macht zien van het creatiemoment waaraan zowel het subject als het object zich onderworpen hebben, wil dit creatiemoment zich ook kunnen materialiseren. 

In dit ongelooflijk hectische verschijn- en verdwijnpunt van de creatie kan echter ook een enorme stilte en rust ervaren worden, ofwel in het subject ofwel in het doek en of de compositie. De mate van verstilling hangt samen met de wijze waarop de dynamiek ofwel in het subject dan wel in het object gaat huizen of gehuisvest wil worden. Dit huisvesten van de dynamiek en of rustiek geeft een karakterisering aan het object en of het subject, die niet gelijkzijdig en gelijkvormig kan zijn, daarentegen wel gelijkwaardig, het een is niet meer of minder dan het andere. Het geeft slechts de mate aan waarin de posities elkaar kunnen weerspiegelen als hun niet te verbreken keerzijden. 

In het specifieke geval van het materiële uitgangspunt kan men de aanhechting vinden in de concrete vorm die echter allengs kan vervloeien en vervagen in het niet materiële domein van de dynamiek van de geest. De werkelijkheid deformeert op een subtiele wijze en wordt transparant voor dat wat de geest kan teweeg brengen dan wel kan verstaan. De vorm is verlaten terwijl de vorm zich nog manifesteert, zij het op een wijze die desintegreert, zowel naar het subject als naar het object toe. Het houvast van de materiële vorm wordt verlaten en het immateriële doet zijn intrede middels de beweging en of middels het licht. Dat wat beschenen wordt, kan nu schijnend worden en het licht voortbrengen opdat het materiële beschenen kan worden. 

De functie van het licht zowel in de ruimte als in de tijd, zowel in de verticaal als op de horizontaal, is een fenomeen dat slechts in het subtiele verschijnen en verdwijnen haar thuis heeft. Hier raken stof en geest elkander op een indringende en onnavolgbare wijze. Dat licht schept in de tijd haar ruimte en in de ruimte haar tijd. Deze wederkerigheid van tijd en ruimte doet evenzeer het object ofwel verschijnen in haar markante uitdrukking en vorm dan wel verdwijnen in haar nog markantere vorm en uitdrukking. 

Daar waar het object zich in het verdwijnen/ontvangen materialiseert daar treedt een vertraging op die zich omgekeerd evenredig verhoudt tot het verschijnen/weggeven van het subject of vice versa. Immers waar de intentie vooruit ijlt en het doek na-ijlt, daar verdwijnt de intentie en verschijnt het doek. Omgekeerd kan men ook zeggen, daar waar de intentie verschijnt daar kan het doek of de compositie verdwijnen. Deze markante wisselwerking tussen verdwijnen en verschijnen en tussen ontvangen en weggeven brengt de dynamiek en de statiek voort waartussen het gebeelde of het gecomponeerde, als het ultieme tussen, zich beweegt. Deze beweging kan wederom verschijnen op het doek / compositie dan wel verdwijnen in de realisatie van het doek, ofwel deze beweging kan op het doek verdwijnen en verschijnen in de realisatie van het zelfde doek /compositie. 

Daar waar de beweging zowel op het doek als in de compositie verschijnt, 'verwart' ze de waarnemer zoals ze in een eerder stadium de kunstenaar / componist heeft 'ontknoopt' teneinde dit object te bewerken.

Dit alles zag ik gebeuren in de doeken van Bard Sloven. In de wijze waarop hij als kunstenaar werkt. In de wijze waarop hij zijn doeken verbeeldt in de ruimte tussen statiek en dynamiek, tussen vorm en beweging, tussen kenbaarheid en onkenbaarheid, tussen belicht worden en lichtbron worden, tussen verleden en toekomst en tussen boven en beneden, tussen inspiratie en expiratie. Slechts de geest kan zich in dat verschijn en verdwijnpunt ophouden, de stof daarentegen verschijnt of verdwijnt aan de periferie van haar ontstaan en vergaan. 

Op zijn doeken wordt de enorme dynamiek verstild en deze verstilling vormt de poort naar een grenzeloze dynamiek. De ruimte wordt verlicht en het licht krijgt de ruimte. Het donker schept licht en het licht schept het donker. Enerzijds is het schilderij de momentane ontmoeting van de instromende en de uitstromende geest en anderzijds is het schilderij het eeuwigdurende moment geworden waarin het ontmoeten tussen subject en object eindeloos gestalte mag krijgen. Het schilderij verbeeldt deze momentane ontmoeting of ze verbeeldt de durende ontmoeting voor zover het object geduldig wacht totdat het subject wil binnentreden in de heilige ruimte van het zijn als beeld. Het beeld nodigt en doet de innerlijke reis aanvangen die de kunstenaar heeft veruiterlijkt. 

Dit complexe gebeuren tussen beeld en beelder brengt hij op een klassieke wijze tot uiting. Daar waar het ambacht pas in de vertraging wordt geleerd, daar wordt, in de mate van de beheersing, de versnelling ingezet en wel in de creatie van het momentane proces van het beelden. Hoe trager het leerproces wordt ingebeeld in die mate kan er versnelling plaats vinden in het uitbeelden.

 

Enkele karakteristieke fenomenen die een licht kunnen werpen op een systeem dynamisch geordend denkraam en/of werkraam.

Het fenomeen horizon 

Het fenomeen van een viergelede horizon als werkraam en/of als denkraam teneinde de werking van de vier windrichtingen en de werking van de vier elementen te kunnen situeren en met elkaar al denkend in verband te brengen. 

Het werken met de vier elementen in een systeem dynamisch veld geeft aan de werker, cq denker, een zekere oriëntatie als het erop aan komt de vier kwadranten qua dynamiek te kunnen onderscheiden en of te kunnen relateren. Wat houden deze vier kwadranten in en waar verschijnen ze aan `de horizon´? Van oudsher worden deze vier kwadranten verbonden met de vier elementen, met in hun midden de werking van de ether. 

Wat is de herkomst van deze vier elementen? 

Van oudsher werden de vier elementen, van de oudheid tot ongeveer late middeleeuwen, gehanteerd om onderscheiden dynamieken in beeld te brengen. Een element werd omschreven als een primaire kwaliteit, zijnde an sich niet empirisch zintuigelijk waarneembaar, echter had en heeft ze een zeer bepaalde te denken werking en of dynamiek die pas aan het licht kan treden door het bezigen van een fenomenologische onderzoeksmethode. 

Men onderscheidde vier elementen. Zo sprak men van het aarde element, het water element, het lucht element en het vuur element.  Deze vier primaire kwaliteiten hadden een specifieke werking die samenhing met de vier secundaire kwaliteiten, in tegenstelling tot de primaire kwaliteiten waren de secundaire kwaliteiten wel zintuiglijk waarneembaar. 

Men onderscheidde 4 secundaire kwaliteiten. Zo sprak men van koud, warm, droog en nat. In combinatie met elkaar werden ze als volgt uitgewerkt. Tussen koud en droog kon je de werking van het aarde element denken, tussen koud en nat het water element, tussen nat en warm het lucht element, tussen warm en droog het vuurelement. 

Je kon het ook omkeren. Waar aarde en vuur werken ontstaat het droge, waar water en aarde werken ontstaat het koude, waar lucht en water werken ontstaat het natte, waar vuur en lucht werken ontstaat het warme. In de middeleeuwen wist men nog hoe de werking van de primaire en secundaire kwaliteiten verbonden waren met het menselijke organisme. 

Men sprak bijvoorbeeld van: het warme en droge trekt aan zich (neemt met zich mee), het droge en het koude behoudt zijn eigen (houdt in zich vast), het koude en natte drijft uit, het natte en warme digereert (verteert). Zie R.Steiner GA 233 blz 60-61) Zie aldaar voor een verder verstaan van deze aloude dynamiek en of werking. 

Tot nu toe hebben we dus 4 niet waarneembare primaire kwaliteiten en 4 waarneembare secundaire kwaliteiten. De secundaire kwaliteiten werden in de ruimte geplaatst en wel als volgt. Koud op noord, nat op west, warm op zuid en droog op oost. Met de 2 x 4 primaire en secundaire kwaliteiten kon je een verticaal en een horizontaal tekenen, tezamen een kruis vormend. Met deze 2 x 4 kwaliteiten heb je een eenvoudige indeling, daarmee kun je in een diagram en/of dynagram werken en denken. 

Tot nu toe hebben we beschreven hoe de secundaire kwaliteiten zich verhouden tot de primaire kwaliteiten, maar wat zijn nu elementen? In ieder geval niet de in de fysica gehanteerde elementen, die in feite een aanduiding vormen voor de onderscheiden empirisch waarneembare stoffen met ieder hun aantal protonen, neutronen en elektronen. 

Blijkbaar had men in de oudheid iets anders op het oog. Er is nog een tekst bewaard gebleven waarin Aristoteles aan Alexander, zijn leerling, onderricht gaf over de werking van de vier elementen. Daarbij heeft Aristoteles naar de vier windrichtingen gewezen als 2 x vier werkzame entiteiten. 

De vier elementen zijn geen krachten en ook geen stoffen, je kunt ze verstaan als een soort van oer ideeën. Oer-ideeën die ten grondslag liggen aan de waarneembare werkelijkheid. De primaire kwaliteiten zijn niet waarneembaar, maar hun werking kan analoog verstaan worden in bijvoorbeeld de vier aggregaat toestanden: het vaste, vloeibare, gasvormige, warme en of in de vier rijken: het minerale, plantaardige, dierlijke en menselijke rijk. De elementen liggen ´ten grondslag´ aan de fenomenale werkelijkheid, je kunt de werking van het water element en het lucht element zien ‘verschijnen´ in bijvoorbeeld het vloeibare en gasvormige. (fenomenon betekent het uit zichzelf verschijnende) 

Vier centrale oer-ideeën, begrippen, wezens, die ten grondslag liggen aan de fenomenale werkelijkheid in al haar te onderscheiden fenomenen. Ze werken daarin samen met de vier ether krachten: warmte ether, licht ether, klank ether en levens ether en met de vier fysisch gerelateerde krachten warmte, verdichting, zwaarte en deling (te verbinden met o.a. elektriciteit, magnetisme, zwaartekracht en grote/kleine kernkracht). (Wat etherkrachten en fysische krachten zijn en hoe ze inwerken en uitwerken in relatie tot de vier elementen zie Ernst Marti, Das Aetherische.) 

Met dit alles hebben we echter nog geen begrip en of beeld van de elementen, laat staan van hun werking en of herkomst. Ze waren zo vanzelfsprekend dat men ze hanteerde, maar niet beargumenteerde in de zin zoals we dat nu in de fysica doen. Dus moeten we terug naar de tijd tussen het mythische paradigma en het ontologische paradigma. In die tijd vertoefde onder andere Aristoteles die bij zijn onderricht over de vier elementen naar de vier hemelrichtingen verwees. Maar ook uit de tijd van het mythische paradigma zijn teksten bewaard gebleven die iets vertellen over de in ´vieren` gedeelde horizon. Met betrekking tot het begrip horizon nutten we ter illustratie een studie van Vincent Ongkowidjojo, zie de cursief aangehaalde citaten. 

Wat zijn hemelrichtingen? 

Hemelrichtingen hangen samen met hoe we de aardse ruimte indelen in een horizontaal en een verticaal. Te beginnen met de horizontaal. Horizon betekent het begrenzende, immers over de horizon heen kan je niet kijken, je kunt kijken tot zover de horizon reikt, tot aan de gezichtseinder. 

"De eerste betekenis van het woord horizon is volgens van Dale in astronomische zin, omdat dit de ware, wetenschappelijk verantwoorde horizon is. Dit is het cirkelvormige vlak dat door het middelpunt van de aarde snijdt. Pas op de tweede plaats komt de zichtbare horizon, die ook wel schijnbaar genoemd wordt, omdat die afhankelijk is van een gezichtspunt op aarde. Deze horizon is de cirkel die gevormd wordt door de aanraking van het uitspansel van de hemel en de oppervlakte van de aarde. Deze definitie komt overeen met die van de gezichtseinder en is de betekenis die wij doorgaans aan het woord “horizon” toekennen. De einder loopt met andere woorden rondom het aardoppervlak. In de Nederlandse taal wordt dit woord ook in een figuurlijke zin gebruikt of om de grens van een gebied of veld mee aan te geven."

"De herkomst van het woord horizon stamt van het Griekse werkwoord horizein dat “begrenzen” betekent, maar is via het Latijn onze taal binnengeslopen. De horizon is met andere woorden letterlijk dat wat de wereld begrenst. Hoewel deze betekenis in de Nederlandse taal niet meer doorzichtig was en is, wijst niettemin ons woord einder hierop. De einder is waar alles eindigt en de horizon is de uiterste grens van de wereld. Deze visie gaat echter uit van de eindpunten en de grenzen van de aarde of het aardoppervlak, hoewel de horizon meer inhoudt dan dat." http://www.ethesis.net/ De horizon in het licht van het Mesopotamische wereldbeeld, Vincent Ongkowidjojo.

Wat is de horizon? 

Men kan de horizon noch meten, noch wegen, niettemin is het toch een fenomeen die we zintuiglijk kunnen waarnemen en die wel degelijk invloed heeft op onze waarneembare subjectbetrokken werkelijkheid. De horizon scheidt boven en onder, dag en nacht, licht en donker, niet zozeer als een oppervlak als wel een lijn. 

Alleszins verwijzen Sumerische en Akkadische begrippen voor horizon naar het laagste deel van de hemel. Dit is in enge zin de lijn tussen hemel en aarde, maar net zoals de horizon bij ons, is in ruime zin ook een smalle band boven die scheidingslijn inbegrepen. Net omdat dit een deel van de hemel vormt, is in de uitdrukkingen expliciet het woord voor hemel aanwezig. Dat de voorstelling van de horizon breder is dan alleen de lijn tussen hemel en aarde, komt omdat juist de horizon een plaats is waar hemelse fenomenen waargenomen worden. Dit maakt het althans zinvol om een fenomeen “aan” de horizon te situeren.

In lexicaal opzicht kunnen alle verschillende begrippen zowel naar de scheidingslijn als naar de onderste hemelsband verwijzen. Het grote verschil in de twee categorieën is dat bij het ene begrip de eigenlijke rand van de hemel een rol speelt en bij het andere het fundament, waar de hemel wordt verondersteld op te steunen. De horizon is de plaats waar de hemel begint en waar de hemel eindigt, omdat een einde onvermijdelijk verbonden is met een begin. De dood is het eindpunt van het proces dat gekoppeld is aan de geboorte.

Naast het zichtbare deel van de horizon aan de hemel verwijzen de begrippen ook naar de rand van de aarde, want de horizon is als het ware de grens tussen hemel en aarde. Dit is minstens op mythologisch vlak belangrijk. De horizon is het einde van de aarde. Met andere woorden, de horizon is ook met de aarde verbonden en bevindt zich daarbij helemaal aan het uiteinde van het aardoppervlak. Omdat deze locatie de plaats is waar de uitersten van hemel en aarde elkaar ontmoeten, is dit ook de plaats waar de zon voorbijkomt en in de ochtend uit de hemel naar de aarde tevoorschijn komt. Het is de loop van de zon die de grenzen van de aarde definieert.

Al het tekstmateriaal is het ermee eens dat het aardoppervlak eindigt met de horizon, of het midden tussen hemel en aarde. http://www.ethesis.net/ Vincent Ongkowidjojo 

Loodrecht op de horizontaal staat zowel naar boven als naar beneden de verticaal, naar boven stijgend, naar beneden dalend. Deze verticaal is in zoverre van belang dat je die kunt benutten om de horizon te kunnen zien. Het kunnen zien van de horizon is mede afhankelijk vanuit welke hoogte je er naar kunt kijken, hoe hoger hoe meer horizon je kunt overzien. Horizontaal en verticaal snijden elkaar in een gemeenschappelijk punt, ze hebben een gemeenschappelijk middelpunt, waar je ook staat. 

Om deze horizon in zijn geheel waar te nemen, dien je vanuit dit middelpunt rond te gaan kijken en alsmaar je te oriënteren op de horizon. Je merkt dan dat de horizon een cirkel om je heen vormt, die geen begin en of einde kent in de ruimte, het is een beweging die samenhangt met het fenomeen van de tijd. Met het fenomeen van de horizon verschijnt op aarde het direct waarneembare fenomeen van de tijd en de daaraan gerelateerde overgangen in de dagloop. 

Daarmee hangt ook samen dat door de horizon de werking van de tijd verschijnt, de zon komt op, ergens aan de horizon en de zon gaat onder, ergens aan die zelfde horizon. Ontstaan, verschijnen, vergaan en verdwijnen ontstaan als fenomenen in een zintuiglijk waarneembare fenomenale werkelijkheid. Met de werking van het licht verschijnt de horizon die aan de dag treedt en met de nacht terug treedt. 

Het is deze in vieren gedeelde horizon (ochtend – middag – avond – midnacht), gerelateerd aan de vier windrichtingen, noord en zuid op de verticaal en oost en west op de horizontaal, die van oudsher beschouwd werden als samenhangend met de 4 secundaire en 4 primaire kwaliteiten, de vier elementen, met in hun midden de quinta essentia, de ether werking (zie Ernst Marti, Das Aetherische). 

De horizon is als fenomeen gerelateerd aan onze aardse fenomenale werkelijkheid. De horizon kan an sich verschijnen en verdwijnen; als een ongeboren fenomeen kan ze geboren worden zodra ze letterlijk en figuurlijk boven komt drijven. Daartoe dien je binnen de aardse verhoudingen je loodrecht tot de horizon te verhouden. Vanuit een bepaalde hoogte kan je de horizon waarnemen als een al omvattende cirkel. Steeds omvat deze cirkel het middelpunt en zonder dit middelpunt verschijnt er ook geen horizon. 

Hier zie je de wijze waarop je een diagram of dynagram kan beelden, het kan op een tweevoudige wijze deze horizon visualiseren. Enerzijds door de horizontale lijn midden door het diagram, een lijn van de ene kant van de cirkel naar de andere kant en anderzijds middels de cirkel zelf in het dynagram. Deze cirkel beeldt de omvattende horizon vanuit het middelpunt alwaar de waarnemer de horizon kan waarnemen als een eindeloos herhalend zich aaneenvoegend geheel van de tijd, die zich een ruimte schept. 

De cirkel met de horizontaal door het midden kunnen we ook lezen als de cirkel die de zonneboog beschrijft, boven de horizon stijgend en onder de horizon dalend, de verticaal geeft dan het zuidpunt weer (daar waar de verticaal de cirkel snijdt) alwaar de zon op het hoogste punt, tijdens de dagloop in de middag komt te staan, het noordpunt op de andere kant van de verticaal beeldt dan de midnacht. Een meervoudige fenomenale dynamiek kan op deze wijze, zij het wat geabstraheerd, met een minimum aan lijn in kaart gebracht worden. 

Deze cirkel met horizontaal en verticaal kunnen verstaan, impliceert dat je het getekende kan waarnemen als beeld van hetgeen in woorden valt te begrijpen omtrent het afgebeelde. Dat vraagt om oefening en gewenning, overigens dien je waakzaam te blijven, want het kan als beeld nog op andere wijzen uitgewerkt worden, afhankelijk van de te positioneren begrippen, dito gedachtegang en of concept. Je kunt ook zeggen het afgebeelde is een wijze waarop werkelijkheid al conceptualiserend gemodelleerd kan worden. Het model is dan in deze geen werkelijkheid, maar een wijze waarop je iets in beeld en tot begrip kan brengen. 

Het diagram en dynagram kan je dan zien als een instrument, een denkraam, om hetgeen je wilt denken in beeld te brengen zodat je het ook als een werkraam kunt hanteren bij verder onderzoek van een of ander. Vandaar dat het al van oudsher werd genut in symbolen en afbeeldingen (zie bijvoorbeeld onze achtvoudige uitwerking in het kosmogram van het ontstaan van een dynagram/diagram). 

Kosmologisch is de horizon de plaats in de verte waar hemel en aarde samen lijken te komen. Deze plaats is altijd zichtbaar, maar blijft steeds onbereikbaar. Het is de plaats waar elke ochtend de zon opkomt, en elke avond terug ondergaat. Deze plaats was volgens de oude Mesopotamiërs de poort naar de onzichtbare wereld, waar de goden zich ophouden. In analogie met de zon is de horizon de plaats waar alles vandaan komt en alles naartoe gaat. De geboorte van de mensheid heeft zich in het oosten afgespeeld en elke overledene zal naar de westelijke horizon reizen om het dodenrijk te betreden. http://www.ethesis.net/ Vincent Ongkowidjojo

De in vieren gedeelde horizon werd van oudsher ook nog eens in achten verdeeld en voorzien van acht kenmerken alwaar de term at mal en of acht vorm (mal = vorm) op van toepassing was, waar weer later etymologisch ons woord etmaal van afstamt (een etmaal is een achtvorm van 8 x 3 uur, een niet te ontachten symbolisch verankerde fenomenale werkelijkheid). 

Deze in vieren gedeelde horizon zien we ook exemplarisch terug in de vier gelede dagloop en in de viergelede jaarloop, met respectievelijk ochtend, middag, avond, midnacht en lente, zomer, herfst en winter, de vier jaargetijden (evenzeer uit te breiden met de vier temperamenten, de vier beginnen van Aristoteles, de vier kleuren, de vier kardinale deugden, etc.). 

Zonder middelpunt geen horizontale omtrek, maar eigenlijk ook niet zonder een verticale omtrek. Met andere woorden het middelpunt had een eindig en een oneindig bereik, het verbond de dimensie van de aarde met die van de hemel en zo ontstond de benaming van het wereldkruis, het dynamische kruis, het substantiële kruis, onder en boven, links en rechts verbindend. 

Het enige waardevolle aan kosmologische informatie dat uit deze begrippen kan gedestilleerd worden, is dat de horizon de verbinding vormt tussen an “de hemel” en ki “de aarde”. Op die manier vormt de horizon precies het midden van het Mesopotamische universum. De horizon scheidt beide werelden.

De observatie van de zonnecyclus is hierin essentieel. Het waarnemen van de zon aan de hemel, doet beseffen dat de zon verschijnt en verdwijnt. Deze observatie impliceert echter dat er nog een andere wereld bestaat achter de horizon. 

 

In onderstaand schema neemt de horizon een sleutelpositie in. De horizon ligt op de kruising van de as tussen hemel en aarde en de as tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld:


 

De functie van de horizon lijkt waarlijk het scheiden te zijn van twee tegengestelde werelden. Aan de ene kant verbindt de horizon twee werelden, aan de andere kant houdt de horizon beide werelden uit elkaar. De metafoor van de deur of de poort weerspiegelt deze functie. Deze deur vormt voor de mens de drempel naar de zichtbare en of  onzichtbare wereld. http://www.ethesis.net/ Vincent Ongkowidjojo 

Feitelijk voert dit wereldkruis terug naar een geocentrisch wereldbeeld, waarin het mythisch paradigma zich een subject betrokken werkelijkheid schiep, als fenomeen niet minder waar dan een heliocentrisch of object betrokken werkelijkheid in en vanuit een ontologisch paradigma. In het functionele paradigma komen ze nu samen in een systeem dynamisch te denken werkraam en of denkraam met haar specifieke coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken. 

De horizontaal verdeelt de werkelijkheid in een onderwereld en een bovenwereld, in een zichtbare en in een onzichtbare werkelijkheid (en de nader uit te werken dimensies). Verticaal op de horizontaal staat het hemelgewelf en vanuit het middelpunt reikt die tot in de oneindige verte van de periferie. Deze periferie vinden we zowel in het nabije aardse als in het verre hemelse bereik. 

Symbolisch gezien staat de cirkel dan ook voor het hemelse bereik en het vierkant, de vier windrichtingen verbeeldend, voor het aardse bereik. Het vierkant vinden we in twee variaties symbolisch verbeeld in de cirkel, met het rechte vlak evenwijdig aan de horizontaal en de verticaal en een vierkant met de hoekpunten op zowel de horizontaal als de verticaal, staande op 1 van zijn vier hoekpunten. Het liggende vierkant hangt samen met het diagonale of statische kruis en het op een punt staande vierkant hangt samen met het substantiële of dynamische kruis. Voor een verdere uitwerking zie het web boek, theorie systeem dynamiek. 

Horizontaal en verticaal vormen met elkaar een midden of omgekeerd vanuit de werking van het midden kan een horizontaal zich verhouden tot een verticaal, in feite vormen ze twee assen die elkaar in het middelpunt snijden dan wel vanuit het midden kunnen verschijnen en verdwijnen. Op deze wijze ontstaat er een middenruimte waarin de elementen kunnen verschijnen ( de elementen vormen een midden tussen etherkrachten en fysische krachten) als werkzame oer-ideeën met betrekking tot een fenomenale werkelijkheid. 

Gezien de verbinding en samenhang tussen secundaire en primaire kwaliteiten kunnen we deze oerideeën ook nader bepalen in hun specifieke kwalitatieve werkingen. Verbinden we oost en west respectievelijk met droog en nat, dan kan de aard van een positie respectievelijk aangeduid worden als autonoom en heteronoom, op zich zelf staand en onafhankelijk of niet op zichzelf staand en afhankelijk. 

Verbinden we noord en zuid respectievelijk met koud en warm, dan kan de aard van een richting respectievelijk aangeduid worden als concentrisch en discentrisch, respectievelijk een centripetale en centrifugale dynamiek. (naar Max Lüscher, De vierkleuren mens) 

De elementen kunnen dan als volgt gekarakteriseerd worden. Het aarde element als een autonoom concentrische dynamiek, het water element als een heteronoom concentrische dynamiek, het lucht element als een heteronoom discentrische dynamiek en het vuur element als een autonoom discentrische dynamiek. Aangezien de elementen beschouwd kunnen worden als grondvormen van vier te onderscheiden elementaire dynamieken, kun je deze vier onderscheiden dynamieken in principe ook terug vinden in de fenomenale werkelijkheid ( de werkelijkheid van waarneembare kwalitatieve verschijnselen, deze zelfde waarneembare werkelijkheid wordt in de empirische cyclus echter op een causaal kwantitatieve wijze uitgewerkt). 

Het onderscheid tussen zowel een waarneembare fenomenale kwalitatieve als een waarneembare empirische kwantitatieve werkelijkheid is gestoeld op de te onderscheiden paradigma´s van het mythische en het ontologische denk- en werkraam. (kwaliteit en kwantiteit vormen na de ousia en of substantie de 2 meest wezenlijke categorieën van Aristoteles´ metafysica) 

R.Steiner en in navolging E. Marti hebben de werking van de elementen uitgebreid met de werking van de vier ether krachten (de perifere krachten die vanuit de periferie werken naar het relatieve middelpunt) en de vier fysische krachten (de centrale krachten die vanuit het relatieve middelpunt werken naar de periferie). Perifere krachten en centrale krachten vormen met de elementen in hun midden een drieledige dynamiek van waaruit de fenomenale werkelijkheid onderzocht kan worden met betrekking tot hun specifieke dynamieken. 

Voor een verdere uiteenzetting van de vier etherkrachten en de vier fysische krachten zie zowel Ernst Marti, Die vier ether kräfte als E. Marti, Das Aetherische. 

De horizon is een verafgelegen plaats aan het einde van de aarde, waar zich kosmische bergen en kosmische zeeën bevinden. De horizon is een concrete plaats van mythologisch en kosmologisch belang.

In het Sumerisch en het Akkadisch bestaan verschillende begrippen voor het woord horizon. Sommige begrippen lijken slechts in een bepaald type van tekst aangewend te worden, maar doorgaans lijkt er inhoudelijk weinig nuance in te zitten. In hoofdzaak komen twee uitdrukkingen naar voor, waarmee de Mesopotamiërs de horizon mee aanduiden. Dit zijn “het fundament van de hemel” (an.úr = išid šamê) en “de rand van de hemel” (an.zag = t šamê). Niettemin blijkt an.úr = išid šamê de standaard uitdrukking voor de Mesopotamische horizon.

Uit het bronnenmateriaal blijkt dat de horizon aan het einde van het aardoppervlak ligt, en bestaat uit een strook hemel boven de denkbeeldige lijn, waaraan zich zowel meteorologische als astronomische fenomenen voordoen.

Enerzijds benadrukt het begrip an.zag = t šamê het feit dat de horizon de grens van het universum is, anderzijds benadrukt het begrip an.úr = išid šamê het feit dat de horizon ook de strook hemel is boven deze grens. Deze beschrijving stemt overeen met het Nederlandse “horizon” of “gezichtseinder”. Alleen beperkt de definitie zich in van Dale tot de lijn waar hemel en aarde elkaar schijnbaar raken. Niettemin bevat ook ons concept van horizon de band aan de hemel.

Het valt op dat deze einder veelvuldiger beschouwd wordt als een berg of gebergte dan als een kosmische zee. Daarom is het niet verwonderlijk dat het concept horizon veel weg heeft van de connotaties die kur het gebergte in zich sluit. Op die manier is de einder een kosmische plaats, die onbereikbaar is voor mensen en bewoond wordt door mengwezens en goden.

De zon speelt hierin een sleutelrol, aangezien zijn dagelijkse geboorte aan de oostelijke horizon verwijst naar het principe leven en zijn ondergaan aan de westelijke horizon naar het principe van de dood. Daarnaast is de horizon letterlijk een poort tussen de wereld der goden en de wereld der mensen en figuurlijk een overgangsplaats tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld. Dit idee is gebaseerd op het verschijnen en verdwijnen aan de horizon van zon, sterren of wolken.

De zonnegod wordt daarom herhaaldelijk met de horizon geassocieerd en heel de symboliek van deze kosmische plaats lijkt op de hemelse zonnereis gebaseerd te zijn. Niettemin wordt ook Enlil met deze plaats geassocieerd. Hij is namelijk de god die verantwoordelijk is voor het verkeer tussen de beide werelden die de horizon verbindt.

http://www.ethesis.net/  Vincent Ongkowidjojo


Het fenomeen ritme 

De in vieren gedeelde  horizon staat ook in relatie tot het ritme van de dagdelen en het ritme van de seizoenen en is daarmee een belangrijk principe voor al wat leeft op aarde. 

Het levensritme op aarde hangt naast vele andere factoren voornamelijk af van de zon, voor zover zij onder invloed staat van de dagloop en de jaarloop, maar ook maan en planeten spelen in dit ritme van oudsher een `fenomenale´ functie. De wijze waarop dit ritme gestalte krijgt, laat namelijk heel veel zien in de wijze waarop het leven op aarde verschijnt en verdwijnt. 

Ook hier vinden we zoals bij de elementen een viergeleed principe, aangezien we daar al kennis gemaakt hebben met de ritmen van de dagloop en de jaarloop. Op een of andere nader te onderzoeken wijze blijkt het viergelede principe iets met het leven op aarde van doen te hebben. 

Dit ritme in kaart brengen, is, voor wat betreft de uitwerking van het dynagram, in zoverre van belang daar waar we het dynagram nutten om processen en inhouden in kaart te brengen en te verbeelden, zoals daar zijn de ritmen van de organen door de dagcyclus (dagloop) heen, de zogenaamde orgaanklok, met een 12 x 2 uur ritme. Maar bijvoorbeeld ook andere ritmen in het fysieke lichaam, zoals de verhouding tussen ademhaling en polsslag, een gemiddelde van 1: 4 verhouding. Je hebt ook het slaap en waak ritme, het ritme van de bloedsuiker spiegel en andere stoffen in het bloed, het ritme van de lichaamstemperatuur, het ritme van de gal bestanddelen, het ritme van de celdeling, het ritme van de groeifasen, kortom vele zogenoemde circadiane ritmen, niet alleen in het menselijk lichaam, maar evenzeer in het vitale en animale leven en wellicht ook in het `aardse leven´ met zijn cyclische ritmen. 

Maar wat is nu ritme op zich? Hoe is het fenomeen in zijn verschijningsvormen nader te onderzoeken? Kijken we naar de viergelede horizon in relatie tot de zon en de zonnebaan (als fenomeen, want de zon heeft heliocentrisch gezien geen baan ten opzichte van de aarde, wel haar eigen baan in het melkwegstelsel) dan zien we twee kenmerkende eigenschappen van ritme. (Overigens bepaalt de draaiing van de aarde om haar as deze viergelede dynamiek van de dagloop.) 

Wanneer we ritmische fenomenen onderzoeken, zien we enerzijds herhaling en anderzijds zien we ook verandering, met andere woorden in een ritme verhoudt herhaling zich tot verandering. Herhaling kunnen we relateren aan een kwantitatief element en verandering aan een kwalitatief element.  Herhaling kenmerkt zich door een gelijkmatige opeenvolgende dynamiek. Verandering als een ongelijkmatige opeenvolgende dynamiek. 

Wat opvalt, is dat zowel herhaling als verandering een opeenvolgende dynamiek laat zien, wat ons brengt op het gegeven dat ritme blijkbaar samenhangt met een voortgaande beweging in de tijd. Ritme als fenomeen van de tijd doet de vraag rijzen hoe herhaling en verandering zich tot elkaar verhouden in de stroom van de tijd. Blijkbaar horen ze op een of andere wijze bij elkaar, de wijze waarop is dan de vraag. 

Kijken we opnieuw naar het fenomeen van de herhaling, dan zien we een gelijkmatige verdeling tussen de gelijke delen die elkaar opvolgen. Daarentegen kenmerkt de verandering zich als een ongelijkmatige verdeling tussen ongelijke leden die elkaar opvolgen (anders kunnen we niet spreken van verandering, hoe simplex die ook kan zijn). Moeten we in deze spreken van delen en of leden? Kwantitatief spreken we van delen, kwalitatief van leden, dat wil zeggen een lid vormt een onlosmakelijk deel van een geheel. Maar als we spreken van delen en leden hoe verhouden herhaling en verandering zich dan tot elkaar, als delen en of als leden? Zijn het slechts delen dan is de vraag of er ook herhaling bestaat zonder verandering en of verandering zonder herhaling? 

Dit hangt mede af waar we dat trachten waar te nemen? Mogelijk bestaat herhaling zonder verandering in het mechanische bereik, maar of dat werkelijk zo is, mag als vraag nog open gehouden worden. In het organische bereik zien we nagenoeg juist een samengaan van herhaling én verandering. Blijkbaar vormen herhaling en verandering in het organische bereik een onlosmakelijk verband. Dat verband tussen herhaling en verandering kunnen we dan ook weergeven met het volgende. 

Herhaling en verandering vormen met elkaar een tegendeel, ze vormen twee zijden van een zelfde werkelijkheid, anderzijds zien we ook dat herhaling en verandering zich ook kenmerken als een tegenstelling, immers het ene is het andere niet, ze verhouden zich in die tegenstelling op een bepaalde wijze tot elkaar. 

De verhouding tussen herhaling en verandering kunnen we dan ook omschrijven als een ongelijkmatige polaire tegenstelling tussen twee tegendelen binnen een overstijgende kwalitatieve eenheid. Tegendelen horen enerzijds innerlijk samen zodat ze anderzijds een tegenstelling kunnen vormen. In een tegenstelling zijn de tegendelen ondanks hun verschil op elkaar betrokken (niet onverschillig en zelfs mogelijk overeenkomstig). Blijkbaar ´bewerken` de tegendelen herhaling en verandering, als elkaars keerzijden, elkaar in een tegenstelling. Als we spreken van bewerken kunnen we ook zeggen dat ze elkaar bevragen, uitdagen en bevorderen. 

Het ene roept het andere op in de tegenstelling, daar waar ze in hun tegendeligheid de keerzijden vormen van een en dezelfde werkelijkheid en dat is in deze het fenomeen van het ritme. Blijkbaar vormt het ritme in haar continue (herhalend) en discontinue (veranderend) verhouding tussen herhaling en verandering een geheel, zonder die twee is er geen ritme. Maar wat in het ritme komt dan bij elkaar als polaire tegenstelling van de tegendelen? 

Kijken we naar de herhaling dan zien we in principe gelijkmatig te ´scheiden` delen. Kijken we naar de verandering dan zien we in principe ongelijkmatig te ´verbinden` leden. De verhouding tussen het scheiden en het verbinden vormt in het ritme blijkbaar een hogere eenheid, daarin complementeren herhaling en verandering elkaar in een verhouding die ritmisch van aard wordt. 

Het gelijkmatige kunnen we opsporen als we bijvoorbeeld luisteren naar een metronoom, die gelijkmatig tikt en die een leerling kan nutten om maat te leren houden in het musiceren. De maat houden, kenmerkt zich door een exacte hoeveelheid delen in een bepaalde maat van bijvoorbeeld drie, vier of vijf. Luisteren we naar de metronoom dan kunnen we aanvankelijk gelijkmatige tikken horen, maar na verloop kunnen we ongemerkt vaak merken dat we die gelijkmatige tikken kunnen onderverdelen in ongelijkmatige groepen, meestal en het makkelijkst in tweeën. 

Enerzijds tik – tik – tik - tik, etc. en anderzijds tik – tak, hard –zacht, kort – lang, etc. Wat gebeurt er nu als we eerst luisterend naar gelijke delen ineens merken dat we overgeschakeld zijn en of hebben naar ongelijke leden? Wanneer we de overschakeling van gelijke delen naar ongelijke leden gemaakt hebben, is het niet zo gemakkelijk om weer terug te schakelen van ongelijke leden naar gelijke delen; het vraagt de nodige oefening om zo van het ene naar het andere terug te schakelen. In deze oefening bemerken we, dat we onze wil moeten mobiliseren. Zonder het inschakelen van de wil blijken we echter moeiteloos van een herhaling in gelijke delen te kunnen verschuiven naar een verandering van ongelijke leden. 

Blijkbaar werkt er iets in de dynamiek tussen herhaling en verandering en dat ´iets` neemt blijkbaar ons moeiteloos mee, probeer het zelf maar met talloze andere gelijkmatige delen die elkaar herhalen. Tellen we kwantitatief dan kunnen we netjes herhalend het tikken van de metronoom volgen, in de vorm van 1, 2, 3, 4, en zo herhalend. Maar wanneer we overstappen naar hard - zacht of kort – lang dan bemerken we een verschil, een tegenstelling tussen kort en lang. Op een of andere wijze horen kort en lang dus op een of andere wijze bij elkaar, ze vormen een eenheid, net als hard en zacht, hoog en laag, snel en langzaam. 

Hard, hoog en snel, afzonderlijk, kunnen weliswaar zich in een bepaalde samenhang voordoen, maar ze vormen ten opzichte van elkaar geen werkelijke tegenstelling, dat doen hard en zacht wel, evenals kort en lang, hoog en laag, etc. Blijkbaar vormen ze een overstijgende kwalitatieve eenheid waarin ze elkaar oproepen, het ene roept als bijna noodzakelijk de andere op, in zoverre vormen ze als tegendelen een tegenstelling waarin het ene niet mogelijk is zonder het andere. De wijze waarop ze elkaar oproepen, bijvoorbeeld kort en lang, kunnen we enerzijds ontleden in een herhaling en in een verandering, maar anderzijds zowel tussen kort en lang als tussen herhaling en verandering merken we een kleine pauze, alsof het ene wacht op het andere alvorens in verschijning te treden. 

Het lijkt alsof het ene eerst moet klinken en uitklinken, verdwijnen, alvorens haar tegendeel kan verschijnen, ook hier zien we dat er eerst iets wordt gescheiden alvorens er iets zich wil verbinden. Tussen scheiden en verbinden zit een moment, een midden tussen het ene en het andere, wat is nu dit midden, hoe laat zich dat karakteriseren? 

Dit moment, midden, kunnen we ook beleven als een nu moment in het voort stromen van het ene naar het andere, het is nagenoeg onwaarneembaar en toch werkend, maar wat werkt er dan? Kunnen we ervaren, gewaarworden, in hoeverre het nu, het midden, het tussen het verenigende principe is tussen de polaire dynamiek van het scheiden en het verbinden, van het herhalen en veranderen. Werkt er een kracht in dat tussen, dat nu, dat heden tussen verleden en toekomst? Welke kracht werkt er dan in de tijd, in de beweging, in de overgang van het ene naar het andere? 

In welke orde van grootte is het nu, het moment, het midden, het tussen een geheim? Is er maar 1 onherleidbaar nu? Of vele nu momenten? Zien we de tijd als Chronos en of als Chairos? Twee tijdsbegrippen uit het oude Griekenland. Chrono-logisch zijn alle nu momenten herhalend en gelijkmatig. Chairo-logisch  zijn alle nu momenten veranderend en ongelijkmatig, wat maakt dat er in de oudheid gesproken werd over twee soorten van tijd? In de voortschrijdende gevulde tijd zien we chronos werkzaam, in de plots optredende vervulde tijd zien we chairos werkzaam. Hoe werken die twee tijdsstromen nu op elkaar in of hoe verhouden ze zich tot elkaar in het ritme van herhaling in verandering? Hoe kunnen we dat visualiseren? 

Enerzijds kunnen we de voortschrijdende tijd in een diagram visualiseren als de horizontaal en de plots invallende tijd als de verticaal. In de horizontaal zien we het gelijkmatig voortschrijdende van de gelijkmatige tijdsdelen naar hun kwantitatieve, wellicht meer stoffelijke aard, in de verticaal zien we de ongelijkmatige interval van de ongelijkmatige tijdsleden naar hun kwalitatieve, wellicht meer geestelijke aard. Blijkbaar kunnen die beide te onderscheiden tijden bijeen komen of zich tot elkaar verhouden in het nu moment. Is dat nu moment, het tussen moment, een interval daar waar het kwantitatieve en het kwalitatieve voor een ondeelbaar moment samen komen in hun polaire elkaar insluitende dynamiek en of juist in hun duale elkaar uitsluitende dynamiek? 

Blijkbaar herbergt het nu een geheim, wie het weet mag het zeggen. Wat we wel kunnen zeggen is, dat, op een of andere wijze, de kracht van dat nu moment leeft in het ritme, aangezien tussen de ongelijkmatige leden altijd dat nu moment optreedt, de aard van dat nu moment bepaalt of in en door het ritme iets tot leven komt, dan wel in het nu iets tot leven komt. Op een of andere wijze is het nu moment wezenlijk in het fenomeen van het ritme. In elk ritme komt iets tot leven of wordt elk leven in ieder geval gekenmerkt door ritme. Hoe dan ook hangen ze samen en wel zo dat we merken hoe ritmen zich op elkaar kunnen afstemmen in een onderling verband waarin, gerelateerd aan het fenomeen van de vrijheid, zowel het samengaan van noodzaak als mogelijkheid verondersteld kan worden. 

In het nu moment tussen kort en lang, in de pauze tussen het ene en het andere ervaren we enerzijds een verwachtingsvolle mogelijkheid als evenzeer een te verwachten bijna dwingende noodzakelijkheid. 

Kijken we naar de dynamiek tussen herhaling en verandering, dan zien we dat herhaling zich verhoudt tot verandering, zoals het ene zich verhoudt tot het andere. In deze verhouding spreekt dat tussen, dat nu moment als een kleine pauze, als een onderbreking of als een inbreken. In ieder geval kunnen we tussen herhaling en onderbreking een drieledige dynamiek ontwaren, van hetgeen geklonken heeft in het naklinken, vervolgens een tussen moment omtrent de verwachting ten aanzien van hetgeen nog gaat klinken, en vervolgens de vervulling van die verwachting. Wat deze drieledige dynamiek in ieder geval laat zien, is dat een duale verhouding van de een of het andere kan verschijnen als een polaire verhouding van de een en het andere. Deels volgen ze elkaar op in de duale dynamiek, het herhalende en deels vullen ze elkaar aan in de polaire dynamiek, het veranderende. Het is deze polaire dynamiek die we drieledig zien werken in de dynamiek van het ritme, we kunnen ook zeggen ritme is een ritmische verhouding tussen het kwantitatieve en het kwalitatieve, en doorgetrokken wellicht ook tussen het stoffelijke en het geestelijke. Of dichter bij huis in al het vitale en animale leven. 

Kortom is leven te denken zonder ritme? Of is ritme als verandering in herhaling en of herhaling in verandering een soort van oerprincipe van het leven, een oer gegeven? Maar wat is dan dat oer, te verstaan als bron of archè? 

In het leven zien we mogelijk meer kwantitatieve en/of kwalitatieve ritmen, enerzijds respectievelijk in het aantal polsslagen, stof gehalten, temperatuur hoogten, het voedingsritme en in het slaap waak ritme en het ademhalingsritme, maar anderzijds kunnen we in het kwantitatieve polsritme ook kwalitatieve tendensen opsporen, ze zijn misschien wel te onderscheiden, maar nauwelijks te scheiden, want zouden we dan nog van ritmen kunnen spreken? Wel zit in elk ritme zowel een kwantitatief herhalend gelijkmatig aspect als wel een kwalitatief veranderend ongelijkmatig aspect, kortom ritme herbergt de scheiding en de verbinding, het verschijnen en het verdwijnen als een hoger geheel, dat hen bijeenhoudt in een onnavolgbaar midden. In ieder geval huist in dit midden een kracht die uit het niets iets doet leven. 

Dat maakt dat we in het ritmische leven nog iets anders kunnen waarnemen, geheel tegengesteld aan wat we tot nu toe aan de orde hadden gesteld: kwalitatief veranderend en kwantitatief herhalend. Wanneer we bijvoorbeeld naar het ritmisch ademhalingssysteem kijken, misschien wel een oerbeeld van ritme in de mens, dan kunnen we dit ritme van verandering in herhaling terugvinden. Maar tegelijkertijd zien we dat het niet alleen verandering in herhaling is of herhaling in verandering, maar dat je ook kunt spreken van herhaling én verandering. Want ook de kwalitatieve ritmen kunnen zich herhalen en de kwantitatieve ritmen kunnen in de loop van de tijd veranderen. 

Dat maakt dat we ritme uiteindelijk kunnen definiëren als de verhouding van verandering tot herhaling of de verhouding tussen herhaling en verandering, waarmee je uiteindelijk het ritme kan omschrijven als een drieledige dynamiek waarin zowel verandering op zich staat, als herhaling en dat tussen, het scheidende en of het verbindende tot elkaar verhouden. In ieder geval speelt het ritme als een oerfenomeen in al wat leeft een belangrijke rol, je kunt ook zeggen al wat leeft voltrekt zich langs het proces van verandering en herhaling. 

Het leven is onherroepelijk gebonden aan de tijd, er is een tijd van komen en een tijd van gaan, een ritmisch geheel waarin de tijd werkt. In de tijd zien we het fenomeen van herhaling en verandering, van verjonging en van veroudering, van komen en gaan, van leven en dood. In de tijd zien we naast een tweeledig principe van komen en gaan ook een drieledige dynamiek van verleden, heden en toekomst. 

Ritme kan je met ritme rythmiseren, ritmische verhoudingen werken op elkaar in zoals ritme inwerkt op al wat leeft en of al wat leeft werkt in ritmen, ritmen zijn au fond verhoudingen, drieledige polaire dynamieken. Mogelijk verdwijnt in het ritme het fysieke of verdwijnt het fysieke in een ritmisch verloop, in ieder geval geeft het ritme ons te denken en of is het denken, als de ultieme act van het bewuste zelf reflectieve leven, niet zoveel anders dan een voortspruitend ritme? (wat maakt dat ritmiek zowel het geheugen als het denken ondersteunt?) 

Ritme als het scheppende principe in de schepping? Als ritme leven karakteriseert en vice versa het leven gekarakteriseerd wordt door ritme en op haar beurt het leven niet mogelijk is zonder de zon als oorsprong van al het aardse leven, dan heeft het ritme zeer wel met de zon van doen en binnen onze aardse verhoudingen met de horizon, als een even geocentrisch fenomeen waarop al het leven blijkbaar en blijkens vanuit de kosmische periferie wordt ingestraald. 

Alles wat tot leven komt, vanaf het vitale tot het animale en van het stoffelijke tot het geestelijke wordt drager van dit kosmische ritme, zij het dat het ene zich minder en het andere zich meer kan emanciperen van dit kosmische ritme. 

De vraag is werkelijk in hoeverre ritme een behartenswaardige notie dient te worden als het gaat om ziekte en gezondheid, of het nu gaat om stoffen, planten, dieren en of mensen. Wie behartigt nu dit ritme in deze moderne tijd, gedomineerd door chronos, klokketijd, waarin geld tijd symboliseert, zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin? Wie gaat nu in kwalitatieve zin dit midden bemensen? Wie laat zich niet robotiseren? 

Wat maakt dat we kunnen ontstijgen aan het kwantitatieve domein van de onvervulbare aan de materie gerelateerde behoefte? Wat maakt dat er weer ruimte komt voor het verlangen waarin de onvervulbaarheid een wezenlijke dimensie van de vrijheid blijft, door niets op te vullen, maar wellicht kwalitatief te vervullen in een chairotisch moment? 

Komt het dan er niet op aan, het ritme te hernemen en te herintroduceren  als het grondprincipe van alle leven en van de mens in het bijzonder, gegeven de van oudsher ingerichte jaarfeesten? Schuilt in het ritme niet een kracht die harmoniserend werkt in de verhouding tussen herhaling en verandering, verandering in herhaling, herhaling dankzij verandering en vice versa? 

Kortom hoe kunnen we anders dit ritme als bijvoorbeeld een gang door de jaargetijden heen met haar jaarfeesten in kaart brengen dan juist in en via een dynagram, om dan nog eens tot de ontdekking te komen hoe deze van oudsher achtledige dynamiek de grond dynamieken vormen in het ontwikkelen van een `archetypische´ systeem dynamiek, analoog aan even zovele andere systeem dynamisch uitgewerkte dynamieken en dito concepten. 

Blijkbaar zijn we met een systeem dynamisch model een grondpatroon op het spoor. Grondpatroon wil dan zeggen, een oer ordening die een oerstructuur bewerkt. Een grondpatroon waarin zowel de verschillen als de overeenkomsten zich op een harmoniërende wijze tot elkaar dienen te verhouden. Geraken we met de uitwerking van dit grondpatroon niet aan de fundamenten van het `bouwwerk´ an sich? 

Wanneer we spreken van het viergelede ritme in de verhouding van horizontaal en verticaal, chronos en chairos, kwantiteit en kwaliteit, herhaling in verandering, dan wordt hun verhouding niet alleen zichtbaar in de werking van deze twee assen, maar vormt elke as een verhouding met een tussen (horizontaal) en een midden (verticaal). Met deze twee assen kunnen we dan experimenteren in hoeverre melodie, maat en ritme, harmonie en timbre uitgewerkt kunnen worden in bijvoorbeeld een dynagram. 

Positioneren we maat op oost / autonoom / droog / tegendelig dan kunnen we ritme positioneren op west / heteronoom / nat / tegenstellend. Zo kunnen we timbre positioneren op zuid / discentrisch / warm / relatief en harmonie op noord, concentrisch / koud / polair en melodie in het midden / nu / tussen / negatie. Overigens is dit niet dwingend maar hypothetisch en vraagt het meer dan alleen het plaatsen van wat begrippen op onderscheiden posities. Het vraagt op zijn minst om een uitwerking van de begrippen, het muzikale concept in relatie tot de dynamieken van het grondpatroon. (we laten dat hier liggen aangezien het ons in eerste instantie te doen is om het uitwerken van een 2/4/8 ledige structuur en dito ordening in een archetypisch gerelateerde systeem dynamiek) 

Voor een verdere uitwerking van de etmalen, te verstaan als een atmal / achtvorm (acht ledige structuur), zie het artikel van Folkert Brugman (te vinden bij publicaties), waarin de diverse etmalen onderzocht worden op hun, aan systeem dynamiek te relateren, analoge, ordeningen. Zoals die daar zijn de dagloop, de jaarloop, respectievelijk het etmaal van de mens en die van de aarde en tot slot ook het etmaal van de siderische en synodische maanfasen. 

Als we spreken van grond dynamieken te relateren aan een grondpatroon doet zich de vraag voor in hoeverre bijvoorbeeld hersenen zich zo gedragen en als we dit gedrag in kaart kunnen brengen, kan zij dan behulpzaam worden in het revalideren van hersengedrag middels ritmen, elementen, ethers en andere fysische krachten. Daartoe dienen we ook de wezensleden analoog systeem dynamisch uit te werken, hetgeen deels al is geschied in relatie tot de chinese orgaan dynamieken en deels nog wachten op hun systeem dynamische visualisaties. 

Niettemin moet het spoor vervolgd worden teneinde op grond van een onderzoek naar een aantal wezenlijke dynamieken te kunnen besluiten te mogen spreken van een grondpatroon in de werkelijkheid, in ieder geval hebben we methodisch een grondpatroon gerealiseerd en gevisualiseerd in het theorieboek systeemdynamiek, zie aldaar voor de verdere uitwerking en onderbouwing. Deze staat op zich als een functioneel paradigmatisch model waarin en waardoor te denken valt en nodigt uit om verder op onderzoek te gaan in de empirische en fenomenale werkelijkheid. Uiteindelijk dient het functionele paradigma ze te verenigen tot een vruchtbaar samengaan van logos en pneuma, het mannelijke en het vrouwelijk princiep. Het is deze samenkomst die artesS beoogt in het licht van de Sophia.


Het fenomeen netwerk 

Een netwerk van netwerken. 

Wat is een netwerk?

Een netwerk is een verzameling van objecten, begrippen, concepten, modellen, grammen die onderling gekoppeld zijn. De koppeling kan bestaan (om er een aantal te vernoemen) uit fysieke, mechanische, chemische, organische, energetische en logische verbindingen tussen objecten, subjecten, subjecten en objecten, organismen, begrippen en concepten, concepten en diagrammen, dia en dynagrammen, etc. 

De verbindingen en of koppelingen kunnen ook verstaan worden als het onderling uitwisselen van kwanta, frequenties, boodschappen en betekenissen. 

In een …gram kan een verbinding en of koppeling ook de eigenschap hebben dat begrippen / beelden elkaar aanvullen, completeren tot een betekenis geheel. 

Voorbeelden van netwerken kunnen zijn begrippen en woorden, neuronen en axonen, concepten en modellen, diagrammen en dynagrammen. 

Wat is de structuur van een netwerk? 

Een netwerk (fysiek / logisch) vormt een samengesteld geheel, bestaande uit knooppunten (vertices) en (gerichte of ongerichte) verbindingen (edges) / relaties. 

Hoeveel knopen en verbindingen heeft een netwerk? Hoe ver zijn de knooppunten verwijderd van elkaar? Hoe groot is de doorsnede van het netwerk? Hoe complex is een netwerk, etc. 

Er zijn 2 eigenschappen die een netwerk bepalen: De padlengte in een netwerk en het cluster coëfficiënt. 

Padlengte is de lengte van de kortste verbinding tussen twee knooppunten. 

Een padlengte wordt bepaald door de gemiddelde afstand tussen 2 knopen te bepalen.

Neem een gegeven netwerk, pak 2 willekeurige knopen en tel hoeveel connecties je moet doorlopen om van de ene knoop naar de andere knoop te komen. Doe dit voor alle combinaties van knopen en neem het gemiddelde. 

Een clustering of clustercoëfficiënt is de waarschijnlijkheid dat 2 knooppunten die gekoppeld zijn aan een gemeenschappelijk knooppunt ook onderling gekoppeld zijn. Hoe meer gemeenschappelijke knooppunten, hoe hoger het clustercoëfficiënt. 

Connectivity, de mate waarin verbindingen zich voordoen: met hoeveel knooppunten is een knooppunt gemiddeld verbonden. 

Je hebt netwerken met veel knooppunten en veel verbindingen.

Je hebt netwerken met weinig knooppunten en weinig verbindingen. 

Je hebt netwerken met veel knooppunten en weinig verbindingen.

Je hebt netwerken met weinig knooppunten en veel verbindingen. 

Juist deze laatste mogelijkheid is het meest interessant, met name in een systeem dynamisch model, want ondanks grote en complexe netwerken dient de gemiddelde afstand tussen 2 knopen relatief laag te zijn, evenwel met het hoogste aantal mogelijke verbindingen. 

Vergelijk een gezegde van Stanley Milgram: `You are only six handshakes separated from every other person on this planet.´ 

Misschien wat al te boud, maar onderzoek in onderscheiden netwerken laat zien dat de gemiddelde afstand tussen 2 knopen vaak laag is en dat in een dergelijk netwerk de clustering vaak hoog is. 

In de natuur komen we zulke netwerken steeds tegen, van micro tot macro niveau: inter-acterende proteïnen in een cel, inter-acterende neuronen en hun neurale connecties, inter-acterende woorden in taalnetwerken, inter-acterende personen in sociale netwerken, digitale inter-netwerken, interplanetaire, interstellaire en inter-galactische netwerken. 

Wat verhoogt in een willekeurig netwerk de kans op een hoge clustering en een lage padlengte? Wat bepaalt hun architectonische blueprint? Waarom vinden we deze structuur nagenoeg overal? Hoe ontstaat zo een structuur met een hoge clustering (veel verbindingen) en een lage padlengte (weinig knooppunten)? 

Al deze netwerken kenmerken zich door het feit dat ze zichzelf organiseren door middel van een vormende kracht die werkzaam is in het te vormen netwerk, ze zijn zelforganiserend. 

Netwerken groeien en organiseren zichzelf door middel van een vormende kracht die we kunnen omschrijven als resonantie. Eenvoudig geformuleerd is resonantie gebaseerd op wisselwerking (frequenties, trillingen). De vormende kracht is per netwerk verschillend, afhankelijk van de aard van het netwerk. De vormende kracht is de bewerker van dit resonantie effect. 

Resonantie is de onderlinge constructieve afstemming tussen de verscheidene delen van het netwerk die ieder op zich, in relatie tot elkaar, vorm geven aan de connectieve structuur van een netwerk. 

Studie van de relaties tussen de verschillende componenten in een netwerk, kan aan het licht brengen dat er overeenkomsten (en verschillen) zijn tussen de verschillende netwerken. Overeenkomsten tussen netwerken kunnen ons op het spoor brengen hoe netwerken zich op een universele wijze structureren, immers er doen zich fenomenologisch gezien specifieke structuren voor, die een bepaalde mate van verdikking en verdunning laten zien. Verdunning met betrekking tot het aantal knopen en verdikking met betrekking tot het clustercoëfficiënt van elk van deze knopen.  Wat of wie bewerkt deze verdikking en of verdunning? 

Laten we eerst een aantal bevindingen op een rijtje zetten. 

Netwerken functioneren in tijd en ruimte, in het ene of andere netwerk kan of de tijd of de ruimte meer primair zijn, evenwel zijn tijd en ruimte noodzakelijke voorwaarden opdat een netwerk functioneert. 

Netwerken brengen afzonderlijke componenten zodanig bij elkaar dat deze afzonderlijke componenten zich enerzijds groeperen en anderzijds zich afzonderen zodat er patronen ontstaan met verdikkingen en verdunningen, verdichtingen en verwijdingen, volle en lege ruimten. 

Netwerken beschrijven de relaties tussen de componenten binnen het systeem als geheel. Dat maakt dat een netwerk niet zomaar een netwerk is, maar functioneert als een dynamisch systeem waarin interacties, wisselwerkingen plaatsvinden tussen de onderling verbonden componenten. 

Vandaar dat het onderzoeken van netwerken ook een ander soort denken vereist waarin het gaat om zowel analyse van de voorhanden componenten als synthese van de voorhanden relaties, verbanden, betrekkingen. 

Denken in netwerken vereist een holistische benadering, aangezien het geheel meer is dan de som der delen. Denken in netwerken integreert de analytische intellectuele verzuiling, verkokering, specialisering, opsplitsing in steeds kleinere componenten met een meer synthetische rationele ontzuiling, ontkokering, transsectorale, transdisciplinaire samenvoeging van steeds ruimere verbanden. 

Er zijn vele soorten netwerken. Een mooi voorbeeld is het bestaan van taalnetwerken, binnen een taal verwijzen woorden meer naar elkaar dan dat die woorden verwijzen naar vergelijkbare woorden in een andere taal. Zo kan je in taalnetwerken zoeken naar clusteringen en dan blijkt dat in syntactische netwerken meer of minder sterke clusteringen optreden. Bij die clusteringen kan je letten op de nagenoeg gelijkluidende woorden en of op de naar elkaar verwijzende betekenissen tussen bepaalde begrippen. Het zoeken naar deze verwijzende dynamieken tussen begrippen maakt het mogelijk een conceptueel verband te verbeelden in een …grammetje. 

Hersenwerken en neurale connecties vormen ook clusters. Als 1 hersencel met 2 andere hersencellen is verbonden, hebben die twee hersencellen vaak ook een verbinding met elkaar. Dit is bijzonder omdat de connectie dichtheid van hersenen relatief laag is. Iedere cel verbindt zich met 10.000 andere cellen, maar op een schaal van achthonderd miljard cellen is dit toch relatief laag. Vandaar dat je de hypothese mag oefenen in hoeverre je met systeem dynamisch denken en werken die connectieve dichtheid kan vergroten, juist vanwege een andere hypothese in hoeverre taalnetwerken hersennetwerken kunnen beïnvloeden. In hoeverre komt de structuur van taalnetwerken, zoals we die vorm geven in …grammetjes, systeem dynamische netwerken overeen met de structuur van neurale netwerken, kortom hoe krijgen we zicht op het fenomeen kennismanagement als het kunnen organiseren van een talig, neuraal en systeem dynamisch onderbouwd netwerk? 

Uit onderzoek blijkt dat hersenbeschadigingen niet alleen leiden tot locale reorganisatie, maar ook tot non-locale reorganisatie, door het hele brein heen tot aan andere, zelfs verwijderde gebieden in het brein. Wat doet dan het bewust reorganiseren van kennis in zinvolle betekenisgehelen en of systeem dynamisch georganiseerde concepten middels iteratief geordende modellen in patronen dan wel niet met het brein? Omdat in het brein alles met elkaar verbonden is, moeten we het systeemdynamisch reorganiseren en managen van kennis om het op een adequate wijze te kunnen delen, lees communiceren, wel adequaat oefenen willen we binnen complexe verbanden optimaal blijven functioneren. De vraag is dan ook in hoeverre de aard van het bewustzijn samenhangt met het niveau van bewustzijn, in casu het aantal neuronen dat in de hersenen is samengebundeld en gesynchroniseerd. Interessant blijft de vraag in hoeverre bewustzijn zich verhoudt tot bijvoorbeeld het neocorticale systeem en of het thalamocorticale systeem? In hoeverre dit systeem bewustzijn schept dan wel dat het bewustzijn zich zulke systemen schept? 

In ieder geval bezitten netwerken een vormende kracht, te omschrijven als resonantie bestaande uit wisselwerkingen met een constructieve en een destructieve interferentie, kortom de basis voor het ontstaan van patronen en mogelijk dus ook adequate denk patronen op basis van nauwgezette conceptuele, empirisch en fenomenologisch getoetste, functionele kennispatronen. Door resonantie kunnen inter-acterende …grammen met elkaar een nieuw denkveld vormen en omgekeerd bewerkt resonantie zinvolle conceptuele betekenisgehelen, geordend in even zovele …grammen, systeem dynamisch geordende subveldjes. 

De wijze waarop eiwitten, neuronen, begrippen, concepten en …grammen met elkaar communiceren is gebaseerd op resonantie. Resonantie binnen systeem dynamiek is de onderlinge afstemming tussen de verschillende begrippen van het diagram als sub netwerk, die gezamenlijk, door hun onderlinge specifieke verwevenheid, vorm geven aan een connectieve betekenis structuur van conceptuele aard. Data verwerken in een connectieve betekenis structuur leidt tot informatie. Door data te ordenen en te structureren in simplexe patronen ontstaat zinvolle en betekenisvolle informatie op grond waarvan een professional intelligent en competent kan handelen naar gelang de situatie. 

Om dit te illustreren, is het heelal, waarin clustering op basis van resonantie plaats kan vinden een mooi voorbeeld. Het heelal bestaat uit grote ruimten `niets´ met daarbinnen kleine geconcentreerde clusters `materie´. Deze structuur vindt men op alle schalen, inter-planetair, inter-stellair, inter-galactisch. Vormende kracht is daarin de zwaartekracht, dat objecten naar elkaar doet bewegen. Alle objecten geven elkaar iedere zoveel omwentelingen een gravitationeel zetje, leidend tot een planetair resonantie effect. Dit resonantie effect brengt stof, gas en water bij elkaar in kleine ruimtes om uiteindelijk sterren en planeten te vormen. Dit proces gaat steeds maar door, zo vegen planeten iedere seconde stof en puin uit de omliggende ruimte op. De lege ruimte wordt steeds leger en het planetaire cluster steeds voller. 

Dit proces kunnen we ook analoog toepassen op het verwerken van data tot zinvolle clusters informatie, daartoe dient het kaf van het koren gescheiden te worden, dat wil zeggen dient op basis van resonantie betekenisvolle gehelen geclusterd te worden, wat past bij wat en datgene wat bij elkaar kan passen dient zodanig geordend te worden dat het ook een hoge clusteringcoëfficiënt bewerkt waarin zinvolle betekenis tot leven komt. De kunst van systeem dynamiek is met recht het oefenen van een vorm van kennismanagement, hoe kennis zodanig te ordenen dat we niet alleen beschikken over betekenisvolle kenstructuren waarmee we de werkelijkheid kunnen begrijpen, verstaan en verbeelden, maar vooral ook dat we interdisciplinair en multidisciplinair, transsectoraal kunnen blijven communiceren, willen we niet stranden in een Babylonische begrippenchaos. Gezien de beperktheid van de taal in relatie tot wat we kunnen denken, doet zich vroeg of laat het probleem voor, dat we met behulp van 1 begrip, meervoudig kunnen duiden. Dus wordt het van belang de benodigde begrippen zodanig te verbijzonderen én te relateren in het netwerk van een systeem dynamisch verband dat ze betekenisvol kunnen resoneren, opdat het licht en inzicht kan brengen.


Het fenomeen resonantie 

Resonantie als universeel verbindend principe in systeem dynamiek. 

Vanuit een eenvoudig netwerk als een viergelede horizon zagen we dat het ritme een onlosmakelijk deel kan vormen van een netwerk, in een netwerk van netwerken zagen we hoe resonantie als een samenhangend geheel van wisselwerkingen en frequenties een netwerk kan ordenen en structureren. Alles in de werkelijkheid is georganiseerd in even zovele netwerken. Alles in de werkelijkheid resoneert in meerdere of mindere mate met elkaar. 

Daarmee komen we uit bij een belangrijk gegeven, voor zover de werkelijkheid hypothetisch opgevat kan worden als een creatief zelfgenererend web. Dit zelf genererende web moet dan ook in verhouding gedacht worden met de werkelijkheid als infrastructuur, voor zover het subject de werkelijkheid kan uitwerken als een object betrokken matrix. Het web kunnen we dan eerder omschrijven als een subject betrokken werkelijkheid. 

Zowel in een matrix als in een web doet zich een werkelijkheid voor waarin alles onderling verbonden is binnen een netwerk en of raamwerk. Dientengevolge is het dan ook van groot belang om een gepast systeem dynamisch denkraam te ontwikkelen waarin web-denken en matrix-denken met elkaar verbonden kunnen worden, subject betrokken denken en object betrokken denken. 

Of we nu kwantum onderzoek en of hersenonderzoek raadplegen om meer licht te werpen op ons onderzoek naar de functie van het bewustzijn en in engere zin naar het denken in systeem dynamische gehelen, telkens komen we uit bij het fenomeen netwerk, raamwerk, web en matrix. De vraag is hoe zo een denkraam of raamwerk respectievelijk zich organiseert of te organiseren valt. Met organiseren doelen we op het fenomeen van het kunnen ordenen en structureren van te denken netwerken, in casu de onderscheiden …grammen in systeem dynamiek. 

Alles in de werkelijkheid is steeds in beweging, beweging manifesteert zich onder andere in trilling. Trillingen kunnen met elkaar interfereren, deze wisselwerking kan constructief en of destructief zijn, respectievelijk kunnen ze elkaar versterken en of verzwakken. In ieder geval is alles met alles in wisselwerking door middel van beweging en of trilling, lineair en of circulair. 

Er is sprake van resonantie als de trillingen die door een bepaald object en of kracht worden gegenereerd zich gaan verhouden tot die van een ander object/kracht. Resonantie is een object dat, of een kracht die, zich afstemt op een ander object of een andere kracht. Deze afstemming vonden we al in het fenomeen van het ritme. Los daarvan blijft de vraag wie of wat de aard van deze afstemming is. In ieder geval hebben veel verschijnselen in de werkelijkheid te maken met resonantie. Resonantie is mogelijk de grote verbindende voorwaarde van en voor alle werkelijkheid, immers alles in de werkelijkheid is gebaseerd op trilling en wisselwerking. Uiteindelijk culmineert deze wisselwerking in een zich zelf genererende en voortbrengende resonantie, leidend tot harmonische verhoudingen van kortere of langere duur. 

Alles in de werkelijkheid zendt een vorm van energie uit en communiceert met elkaar via frequenties, trillingen en dynamieken. Wanneer al deze dynamieken zich synchroniseren ontstaat resonantie. In en door de resonantie weven al die elkaar aantrekkende en afstotende dynamieken een werkelijkheid in wording, teneinde dat wat niet eerder bestond mogelijk te maken en of te doen verschijnen; hypothetisch zijn resonanties mogelijke manifestaties van voortbrengende krachten. 

De werkelijkheid kunnen we dan opvatten als een holo-grafisch raster/netwerk en of een holo-tropische dynamiek dat zich zelf voortbrengt, in stand houdt en ook weer opheft in een voortgaande cyclus van verschijnen en verdwijnen net zo als ons denken werkelijkheid kan voortbrengen. De vraag is dan ook of de werkelijkheid ons denken schept dan wel dat wij de werkelijkheid al denkend voortbrengen, hoe dan ook staan denken en werkelijkheid blijkbaar met elkaar in wisselwerking en doet zich de vraag voor hoe zij zich verhouden en of dienen te verhouden. 

Werkelijkheid en denken, als een onlosmakelijk deel van deze werkelijkheid, vormen wellicht met elkaar een heel bijzonder netwerk. In ieder geval vormen bestaande en te denken netwerken (grids) even zovele matrices van `golffrequenties´ waardoor werkelijkheid een nooit eindigend proces is van verandering: ontwikkeling, groei, uitbreiding, etc. en al hun tegendelen. In een notendop, het universum als een gesynchroniseerde dynamische werkelijkheid met een samenhangende ordening en structuur van tijd en ruimte, web en matrix, weer te geven naar haar oerstructuur in een simplex patroon. 

Alles in de werkelijkheid trilt, zowel materie als energie. Alles in de werkelijkheid heeft een eigen trilling, frequentie bestaande uit trillende deeltjes en golven (tweeledig en duaal). Frequenties kunnen elkaar versterken en verzwakken, synchroon of a-synchroon verlopen. Synchrone frequenties resoneren.  Resonerende frequenties kunnen verstoord worden door dynamieken die harder of zachter, sneller of langzamer bewegen. Pas als de dynamiek, kracht, in fase is met de betreffende oscillatie tijdens de herhaling (maat én ritme) van de beweging, ontstaat resonantie. Resonantie is een tendens van een systeem dat bij bepaalde frequenties met een maximale amplitudo oscilleert. Resonantie kan op vele manieren worden uitgewerkt, naar gelang de onderhavige discipline (licht, geluid, energie, kracht). 

De cymatiek (grieks: kyma is golf) is het onderzoeksterrein van golfverschijnselen die samenhangen met de fysieke patronen die worden geproduceerd door de interactie van frequenties zoals bijvoorbeeld geluidsgolven in een bepaald medium (Hans Jenny, Chladni, Lauterwasser, Emoto).  Cymatiek is onderzoek naar de manier waarop trillingen in de breedste zin van het woord, bewegingen, vormen, processen en inhouden, posities en betrekkingen, kortom patronen genereren en of beïnvloeden. 

In deze cymatiek zien we een ondeelbare drie eenheid functioneren (een drieledige polariteit): trilling/periodiciteit, beweging/dynamiek/proces, vorm/figuratie/compositie/patroon. Hypothetisch dienen we de overeenkomsten tussen patronen/grammen te relateren aan talloze cymatische/chladnische afbeeldingen al of niet te relateren aan bijvoorbeeld het fenomeen zand, water, lucht en of kwantumdeeltjes. Al deze afbeeldingen worden geschapen en georganiseerd door het principe van de dynamiek/puls/trilling/frequentie. Vorm ontstaat uit beweging. 

Werkelijkheid is een trillend veld in wisselwerking van deeltjes en golven, vorm en beweging, vorm en deeltjes, golf en beweging. Reflecterende golven met dezelfde golflengte interfereren, dat wil zeggen toppen en dalen van de ene golf vallen samen met toppen en dalen van de andere golf. Deze pieken en dalen scheppen een patroon van knopen en antiknopen/buiken, rustpunten en hoogte/diepte punten, toppen/dalen (een drieledige ordening?). 

Golven die in fase interfereren ontstaan bij resonantiefrequenties van het object waarin en waartussen zij optreden. Gesynchroniseerde golven die in fase zijn met hun resonantiefrequenties scheppen grotere golven/trillingen totdat demping/verzwakking optreedt die het proces stopt. 

Resonantie houdt in dat een systeem meer energie kan opnemen wanneer de trillingsfrequentie meer overeenkomt met de eigen trillingsfrequentie van het systeem. Sommige objecten hebben meer dan 1 resonantiefrequentie, in het bijzonder boventonen, die meerdere frequenties omvatten. 

Mensen, bruggen, gebouwen hebben allemaal hun eigen resonantiefrequentie, die bepaalt of ze al niet interfereren, opbouwen en of afbreken, samenwerken en of tegenwerken. Ook de aarde heeft haar eigen resonantiefrequenties (bijv. 7.83 herz) die vreemd of wonderlijk genoeg kunnen overeenstemmen met die van onze hersenen. Resonantie heeft dus een helende en een brekende kracht, een lichtzijde en een schaduwzijde. 

In menselijk gedrag bijvoorbeeld is resonantie de synchronisatie van hetgeen mensen delen in denken, voelen, willen en handelen. Als krachten worden gesynchroniseerd dan komen ze wat betreft dit menselijke handelen in een resonantie, dan ontstaat pas flow, performing, transactie. Resonantie ontstaat met een exact passende en of aansluitende dynamiek, anders ontstaat verstoring van de resonantie, stagnatie, storming, reactie. 

Alles heeft haar/zijn eigen frequentie. Het op elkaar afstemmen van frequenties bewerkt resonantie, resonantie bewerkt veranderingen, veranderingen resulteren in patronen, kortom als resonantie zich voordoet ontstaan patronen. Heen en weer, op en neer gaande bewegingen in tijd en ruimte kan je weergeven in resonantiepatronen. Resonantiepatronen kan je vormgeven in te denken …grammen, al die …grammen vormen een systeem dynamisch netwerk, denkraam en of werkraam. 

Resonantie houdt in dat 2 autonome entiteiten verbonden worden tot een functioneel geheel. Twee mensen bijvoorbeeld, verkeren in een toestand van resonantie als beiden afstemmen op de ander en beiden een verandering ondergaan, doordat ze elkaars interne toestand in zichzelf toelaten. Wanneer deze resonantie met een positieve aandacht wordt voltrokken, ontstaat een diep gevoel van verbondenheid, met de subject betrokken gewaarwording van harmonie. 

Wanneer twee diagrammen met elkaar resoneren worden ze beiden veranderd door de werking van het andere diagram. Als A in werking treedt door toedoen van B, dan treedt B verder in werking doordat de wisselwerkingen in A weer nieuwe inwerkingen veroorzaken in B. Dit is de dynamische en interactieve toestand van resonantie. Twee worden letterlijk samen Een. Het geheel wordt op deze wijze groter dan de som van de afzonderlijke delen. Het systeem als geheel genereert meer energie dan haar afzonderlijke delen genereren. 

Resonantie ontstaat door aanwezigheid en afstemming. Het openstaan van het ene voor het andere en vice versa, in relatie bijvoorbeeld tot je zelf als zender en als ontvanger in relatie tot de ander en het andere als ontvanger en zender. Afstemmen houdt in dat het ene zich afstemt op het andere na elkaar en in wisselwerking. De ene mens kan zich afstemmen op de andere mens en vice versa, het ene diagram kan op het andere diagram afgestemd worden en vice versa. We kunnen ons al denkend afstemmen op het ene en het andere diagram (na elkaar en in wisselwerking) en vice versa. In deze inter-persoonlijke afstemming kunnen we ons bewust worden van de interne toestand van de ander of het andere of van jezelf (intra-persoonlijke afstemming). 

Wanneer we bewust of onbewust deze afstemming zelf waarnemen en of gewaarworden, zowel extra als intra, dan kan onze eigen toestand veranderen. Degene die waargenomen wordt, neemt in zich op dat de waarnemer hem of haar in zich heeft opgenomen en de twee worden verenigd (zo ook kan het subject een diagram waarnemen en in zichzelf gewaarworden en vice versa). Deze vereniging kan dan benoemd worden als resonantie. Een positieve inter-actie die begint met een gerichte nauwlettende aandacht voor zowel je zelf als de ander en het andere (het ene als het andere diagram), wordt door resonantie uitgebreid tot een ruimere dimensie, waarbij zowel de ander en het andere als je zelf (het subject en het diagram) worden veranderd door wie of wat wij zijn. Zo voelen mensen zich gevoeld en zo worden 2 individuen een wij (zo kan het subject een diagram doorvoelen en zich ermee verenigen en vereenzelvigen). 

Resonantie maakt twee entiteiten tot onderdeel van één systeem, althans tijdelijk. Zonder nieuwsgierigheid, openheid en kritische acceptatie ontstaat geen aanwezigheid en afstemming. Wanneer we ons afstemmen op de ander en het andere, stellen we ons open voor het ingrijpende avontuur waarbij twee entiteiten onderdeel worden van één interactief geheel. Deze eenmaking is een intieme verbintenis op grond van wie of wat de entiteiten in de kern van hun wezen zijn, afzonderlijke entiteiten, individuen die tegelijkertijd werkelijk met elkaar verbonden zijn. 

Het fenomeen van de resonantie in relatie tot de ander en het andere vereist kwetsbaarheid en bescheidenheid. Geen van de entiteiten, individuen weet waar de interactie naar toe zal leiden en of wat het gaat brengen en op de uitkomst heeft geen van de entiteiten, individuen greep. Resonantie dompelt beide entiteiten, individuen onder in het onbekende en confronteert beiden met onzekerheid, de fundamentele onzekerheidsrelatie van en in alle werkelijkheid. Deze existentiële (uit staan naar en zich uiteenzettend met) gegevenheid kan zeer wel onaangenaam zijn voor een kenhouding, die ernaar streeft greep te houden en zich te verzekeren van afgrenzing en afsluiting. 

Systeem dynamiek is een optiek op de fundamentele manier waarop we informatie stromen en informatiegehelen waarnemen en vormgeven om ons voortdurend veranderende breinfunctie te kunnen begrijpen en aansturen in haar bewustzijnswording. Innerlijke helderheid en uiterlijke duidelijkheid kan ons helpen deze informatiestromen en informatiegehelen in ons eigen leven: denken, voelend en willend en in onze interactie met anderen op een bijzondere specifieke wijze vorm te geven. Daarmee kunnen we doelbewust neurale integratie oefenen en trainen. 

Als we alle terreinen van ons brein en lichaam met elkaar in verbinding brengen, ervaren we de kracht om ons leven en ons bestaan een wending te geven van een niet geïntegreerde toestand van starheid of chaos naar het meer flexibele en harmonieuze stromen van een geïntegreerd systeem dynamisch geheel. 

Systeem dynamiek bevordert neurale integratie. Dit creatieve proces laat zien hoe we ons doelbewust kunnen richten op het stimuleren van verschillen van onderdelen in en van onze kennis om vervolgens al deze verschillende elementen met elkaar te verbinden, ter bevordering van een integrerende holotropische systeem dynamiek. 

Ons brein blijft zich het hele leven ontwikkelen en met de juiste gerichtheid van onze psyche (denken, voelen en willen) kunnen we ons brein wel degelijk op een functionele manier strategisch veranderen. Het conceptuele raamwerk en denkraam dient respectievelijk breinfeiten en systeem dynamische vaardigheden aan te reiken, om eenieder een kans te geven zijn eigen leven en bestaan te verbeteren. Systeemdynamiek kan helpen de aandacht te intensiveren en de inventiviteit te stimuleren zodat de mens in al zijn denken, voelen en willen meer veerkracht ontwikkelt. De voorwaarden daartoe zijn aanwezigheid en afstemming, empathie en compassie, allen leidend naar resonantie. Resonantie is het medium van een systeem dynamisch werkend en denkend mens. 

Systeemdynamiek traint tegenwoordigheid van geest door de aandacht doelbewust te richten op wat je van moment tot moment ervaart zonder je te laten meeslepen door oordelen en of vooropgezette ideeën en verwachtingen. Immers door de geïntegreerde systeem dynamisch ingerichte denkramen beschik je over een werkelijke aanwezigheid en afstemming om vorm te geven aan een onbevangen waarneming en gewaarwording in de fase van open dating, het begin van alle research. Systeem dynamiek oefent een bewuste, consciëntieuze, betrokken, creatieve en contemplatieve ervaringswijze. Systeem dynamiek kan voorkomen dat er een voortijdige blokkering van mogelijkheden ontstaat, die vaak optreedt bij een verharding van categorieën waarmee we onze perceptie van de werkelijkheid filtreren en inperken. 

Je psychè openhouden, bevordert een creatieve, zorgvuldige, attente, betrokken en oplettende houding in denken, voelen en willen. Je te focussen en te concentreren op de dingen zoals ze zijn, aanwezig te zijn in het besef van wat er precies op dat moment gebeurt, bijvoorbeeld werkend in het onderzoeksveld zoals het dictogram. 

Systeem dynamiek als een vorm van aanwezigheid en afstemming die neurale integratie bevordert in relatie tot kennisintegratie en andere domeinen van integratie. Het bevordert de gerichtheid van de psychè om het brein gezond te ontkokeren en om te buigen naar een flexibel en creatief denken zonder verlies van een efficiënte en effectieve grondstructuur. 

Systeem dynamiek kan dan ook opgevat worden als een innerlijke scholing, bildung in de strikte en ware zin en betekenis, die een samenhangende combinatie vormt van belangrijke denkprincipes en een dienstbaar denkinstrumentarium. Het biedt een instrumentarium voor een subjectbetrokken denken in relatie tot heel concrete ervaringen en gebeurtenissen, met het specifieke oogmerk het zelf inzicht, de persoonlijke groei en de professionele effectiviteit van de professional van binnenuit te bevorderen. Het bevordert het afstemmen van input en output, van waarneming en gewaarwording, van subject betrokken en object betrokken denken, van ik functie en zelf functie, etc. in plaats van dat de denker zich mee laat meeslepen door ongegronde ideeën, vooroordelen en vertekende waarnemingen en of gewaarwordingen. 

Systeem dynamiek is gebaseerd op een driepoot van brein, psyche en werkelijkheid (geest, ziel en lichaam) en al hun onderlinge verwevenheid qua wisselwerkingen. Ieder op zich vormen ze onherleidbare soevereine domeinen. Deze driepoot bevordert ook een triceptie: een drieledig denken, voelen en willen. Systeemdynamiek oefent in het integreren van onderling onderscheiden delen van een systeem tot een geheel van samenhangende leden en vice versa. 

Resonantie, integratie en harmonie vormen het drieluik van systeemdynamiek, uiteindelijk bevordert het de neurale plasticiteit en daarmee opent het poorten naar humaniteit.


Het fenomeen tijd en ruimte

Tijd en ruimte zijn enerzijds heel simpele en alledaagse begrippen waarin we verkeren en waartoe we ons praktisch verhouden, maar anderzijds zijn het ook uiterst complexe, nauwelijks te doorgronden, onalledaagse, soms theoretische begrippen waardoor het denken zich laat stuwen naar mysterieuze einders alwaar we weer mythologische symbolen kunnen ontwaren.

Binnen het geheel van een grondpatroon en in het vorm geven aan het grondpatroon, zijn het evenwel zeer bepalende grootheden. Dermate bepalend voor de wijze waarop we een grondpatroon al of niet kunnen uitwerken tot een ruimte tijd en of een tijd ruimte, respectievelijk een diagram en of een dynagram. Daartoe dienen dan ook vooreerst twee begrippen geïntroduceerd te worden, die dit onderscheid nader bepalen. Enerzijds het begrip homeo-stase en anderzijds het begrip homeo-rhese, twee systeem begrippen.

Onder het begrip homeostase wordt verstaan het fluctueren rond een vast punt (stase). Onder homeorhese wordt verstaan het fluctueren rond een beweeglijke lijn (rhese). Het eerste kunnen we verbinden met de dimensie van de ruimte en het tweede met de dimensie van de tijd. Bijgevolg verbinden we dan ook het begrip homeostase met het diagram, op te vatten als een ruimtetijd. Het begrip homeorhese verbinden we met het dynagram op te vatten als een tijdruimte. In het grondpatroon verbinden we de diagonale plaats-as aan de homeostase en de diagonale impuls-as aan de homeorhese. Evenwel ontstaat dan terecht de vraag wat wordt dan verstaan onder tijd en wat onder ruimte, wie van hen bepaalt wie, als we al mogen spreken van een wie.

Van oudsher werd de tijd dan ook gepersonifieerd en vinden we twee heel belangrijke namen en dus ook twee onderscheiden wezenlijke functies van de tijd. De eerste ons meest bekende personificatie van de tijd werd aangeduid als Chronos. Als woord vinden we chronos bijvoorbeeld terug in chronologie, chronometer, etc. Chronos wordt in deze betekenis verbonden met wat we noemen de klokkentijd. Een klok waarin de tijd exact wordt verdeeld in en weergegeven door kwantitatief te onderscheiden grootheden en ruimten, van oudsher in een ronde vorm analoog aan de dagloop (het etmaal) en de jaarloop (de vier jaargetijden), maar allengs ook digitaal in cijfers.

Chronos werd vaak afgebeeld als een menselijke figuur, die zijn kinderen letterlijk tracht op te vreten, we herkennen dit beeld in ons gezegde, deze klus vreet al mijn tijd en als ik mijn tijd niet beheer, dreig ook ik verslonden te worden door de tijd die ik aan deze klus blijf besteden. Wie vreet nu wie op? Een vader die kinderen kan verwekken en ook onherroepelijk weer wil opvreten. Dat kan je je afvragen en is zeker niet zonder zin en betekenis, maar wat voor nu in het oog springt, is het gegeven dat de tijd je als zand door de vingers kan glijden, verwijzend naar een van de eerste pogingen om de tijd te meten, de zandloper. Kunnen we de tijd meten? En als we die meten wat meten we dan eigenlijk? 

Mogelijk meten we iets wat te maken heeft met het verschijnsel van de tijdpijl. De tijd die onherroepelijk voortschrijdt en die niet weer terugkomt, een tijd waarin we de vergankelijkheid van al wat is paradoxaal genoeg toch willen meten en op deze wijze trachten te controleren en te behouden? Een tijd, die ontstaat en die vergaat, die komt en die verdwijnt, alsof we een trein voorbij zien rijden, maar tegelijkertijd nagenoeg ons ook bevinden in diezelfde trein. In welke zinsbegoocheling kunnen we dan geraken, bestaat de tijd wel als een aparte grootheid en als die bestaat wat is dan de aard van die grootheid? Precies hier kan het beeld van chronos, het onbegrijpelijke enigszins benaderen, de mannelijke tijd die zijn kinderen letterlijk opvreet. De dag van vandaag wordt dan ook in onze moderne tijd, een door de klok gedomineerde tijd, deze klokketijd steeds meer ervaren als een genadeloze moloch waarin al wat existeert dreigt verslonden te worden, daarover wordt meer dan genoeg gefilosofeerd. Zeker in het licht van een masculiene dominantie die alles en iedereen opvreet.

De tweede, heden ten dage een minder voorkomend beeld, maar wel duidelijk weer in opmars, stamt ook uit vervlogen tijden en wel een andere personificatie van de tijd, Chairos. Wie is nu in hemelsnaam Chairos. Laten we kijken naar de wijze waarop die meestal werd afgebeeld, soms een vrouwelijke, soms ook een mannelijke gestalte die gebiologeerd naar een weegschaal staat te staren, op een been staande, op gevleugelde voeten, wachtend om op het juiste ogenblik aan te kunnen treden, tenminste als de mens in staat was hem bij haar/zijn lange lok op het voorhoofd te grijpen. Voor je het in de gaten had was de kans voorbij om op het juiste ogenblik te kunnen handelen, dat vraagt een opperste alertheid waarin je je tijd niet moet verdromen. 

Waar chronos staat voor de kwantitatief meetbare tijd, staat chairos voor de kwalitatief onmeetbare tijd, ze verhouden zich tot elkaar als leegte bewerkend en volheid bewerkend, vergetelheid versus vervulling, een dynamiek tussen verdwijnen en verschijnen. Representeren deze twee niet precies twee onderscheiden dimensies in de tijd en of van het verschijnsel tijd, een gaan en komen van al wat is, het vergankelijke versus het onvergankelijke? Wat is de aard van deze vergankelijke tijd enerzijds en wat is de aard van deze onvergankelijke tijd anderzijds? Representeert het kwantitatief meetbare juist de vergankelijkheid en het kwalitatief onmeetbare de onvergankelijkheid, ogenschijnlijk paradoxaal, maar wellicht geenszins zo vreemd als we ons nader verdiepen in de relatie tussen het stoffelijk meetbare en het onstoffelijk onmeetbare?

Hoe gaf Aristoteles ooit in zijn Organon vorm aan zijn 10 categorieën? Daar was het begrip ousia, wezen, de eerste bepalende categorie, daaruit voortspruitend, de tweede categorie kwantiteit en de derde kwalititeit, de vierde pros ti , relatie en de vijfde en de zesde, ruimte en tijd, om het hier even bij te houden. In deze opsomming gaan kwantiteit en ruimte respectievelijk vooraf aan kwaliteit en tijd; klopt dit met wat Aristoteles uit oude bronnen doorkreeg of heeft hij hier een omkering aangebracht, samenhangend met het primaat aan het to ov, het zijnde van het zijn, de aanvang van het ontologische paradigma? Waarom stellen we die vraag aan de orde en wat hopen we ermee te bereiken?

Bij het inrichten van het grondpatroon zijn we te rade gegaan bij onder andere de 10 categorieën van Aristoteles om een mogelijke en of noodzakelijke indeling van het grondpatroon te kunnen formatteren. Met name in dit verband onder andere de begrippen kwantiteit en kwaliteit, hoe ze te plaatsen op mogelijke posities in het grondpatroon? Welke is dan de kwantitatieve en welke de kwalitatieve positie, cq as? Maar wat te doen, als we ook tijd en ruimte een plaats dienen te geven in het grondpatroon? Hoe dienen kwantiteit en kwaliteit niet alleen ten opzichte van elkaar, maar ook ten opzichte van ruimte en tijd gepositioneerd te worden in het grondpatroon? Maar nog complexer wordt het als er in de geschiedenis (Griekse oudheid) twee begrippen van tijd opduiken, in deze chronos en chairos? Zijn er dan ook twee ruimten? Komt dat ergens dan voor? Al zoekend stootten we op de positieve en de negatieve ruimte; verhouden die zich op een of andere wijze tot wat we zijn gaan invoeren de negatieve tijd (chronos) en de positieve tijd (chairos)? Zijn ze te verdelen over de vier beschikbare assen en eventuele benodigde coördinaten?

Je kunt dus letterlijk dwalen en verdwalen als het aankomt op het inrichten van een grondpatroon, maar niettemin moet je klaarheid verschaffen over mogelijke plaatsen voor mogelijke begrippen en dat niet ad random en bij toeval, maar als het kan ook streng, logisch, methodisch en systematisch.  Maar voordat je enigerlei begrip ergens kunnen plaatsen in een gram en of in een grondpatroon, dien je vooreerst klaarheid te brengen in de wijze waarop het begrip verstaan en begrepen wordt, welke betekenissen eraan verbonden kunnen worden en op welke wijze dat begrip doorgaans functioneert teneinde de interne en externe dynamiek van dat begrip te kunnen opsporen. Dus terug naar de twee begrippen, cq beelden van  het fenomeen tijd. Het gaat hier niet meteen om een uitputtende analyse van dit verschijnsel, maar om een mogelijke dynamiek tussen chronos en chairos op te sporen. Want pas als we zicht krijgen op die onderlinge dynamiek van chairos en chronos afzonderlijk en in hun samenhang, kan je gaan onderzoeken welke analoge dynamieken in het grondpatroon daaraan eventueel beantwoorden.

Al rond lezend kan je van alles vergaren aangaande de karakteristieken van chronos en chairos, tot nu toe hebben we het volgende verzameld:

Chronos kan samenhangen met seculiere / profane tijd, kwantitatief en lineair van aard, meetbaar en berekenbaar, een 'gewone' non-specifieke discursieve tijd met steeds herhalende 'onderdelen', gelijke tijdsdelen, vervagend, sleur teweegbrengend, vretend en verterend, wegdragend en uitmergelend, stuk makend, vernietend, oplossend, al met al een meer horizontale voort stromende dynamiek die altijd wel at random ingepland kan worden, een vervlakkende tijd.

Chairos kan samenhangen met sacrale / heilge tijd, kwalitatief en non-lineair van aard, onmeetbaar en onberekenbaar, een 'buitengewone' specifieke recursieve tijd met af en toe verrassende 'bovenleden', ongelijke tijdsleden, aanscherpend, bevlogenheid teweegbrengend, doorbrekend en kansen biedend, aandragend en voedend, heel makend, scheppend, inlossend, al met al een meer verticale in stromende dynamiek die om de juiste timing vraagt, een verdiepende tijd.

De eerste meer samenhangend met het fenomeen van de logos, het universele, het objectieve en discursieve, te benutten en te manipuleren (tijd is geld).

De tweede meer samenhangend met het fenomeen van de mythos, het particuliere, het subjectieve en recursieve, slechts nog te recipiëren door je er alert voor open te stellen. 

Het gaat hier niet zozeer om klare definities, als wel om schakeringen op te sporen, die de betreffende interne dynamieken kunnen helpen ontsluiten. Het is een lastige klus, want beide begrippen worden op zulke verschillende wijzen met andere begrippen omschreven en beschreven, dat je moet gaan aftasten welk begrip zich nu tot welk begrip kan verhouden dan wel tegenoverliggende karakteristieken kunnen vertonen die elkaar spiegelen en of aanvullen. Een tijd die onrust met zich meebrengt en of een tijd die vraagt om rust.

Chronos en chairos kun je dan langzamerhand opvatten als twee onderscheiden dimensies van de tijd, de wijze waarop twee elkaar kruisende strategieën zich mogelijk kunnen voordoen. Chronos meer structuur representerend, objectiverend, continuïteit bewerkend, homogeen versnellend en chairos meer ordening representerend, subjectiverend, discontinuïteit bewerkend, heterogeen vertragend. 

Je kunt naar nog meer karakteristieken zoeken, maar op een gegeven moment ontstaat meer van hetzelfde met slechts nog partiële kenmerken en nauwelijks meer volledige karakteristieken. Toch dien je een reis te ondernemen langs alle pogingen om zowel chairos als chronos op een originele wijze voor het voetlicht te brengen, alvorens je enig zicht en gevoel kunt ontwikkelen voor de meest relevante nuancen. Of we daarin slagen is evenwel secundair, primair gaat het om de aleigen dynamiek van die onderscheiden begrippen op te sporen. Pas dan kun je een poging ondernemen ze te ordenen in een gram analoog aan het grondpatroon, altijd in relatie tot andere daarbij passende begrippen. Je formeert een taalspel in een taalveld binnen een gegeven logische klasse waardoor je de onderlinge dynamieken kan ordenen conform een daartoe passende structuur, die zich ertoe kan lenen, zoals een grondpatroon.

Binnen dat grondpatroon hebben we vier belangrijke assen, de verticaal, de horizontaal en de twee diagonale assen. Aan deze assen kun je verschillende begrippen en of functies koppelen. In de loop van de tijd hebben we al doende en al werkend met het grondpatroon, de desbetreffende assen een steeds preciezere functie kunnen toekennen. Het is hier niet aan de orde om een exact verloop van  deze ontwikkeling te schetsen.

Van belang is om hier te vernoemen, dat we er niet zozeer in hoeven te slagen, definitief te bepalen functies en begrippen aan de assen toe te kennen, als wel dat het onderzoek naar mogelijke begrippen en functies van de diverse assen, ons meer en meer zicht hebben gegeven op het inrichten van en het functioneren van een mogelijk grondpatroon. Uiteindelijk zullen er meer alternatieve opties gerealiseerd kunnen worden, voor nu hebben we hetgeen we gevonden hebben als een werkbaar grondpatroon aangeduid en voorzien van cruciale begrippen en functies, daartoe kan men het grondpatroon in het theorieboek systeem dynamiek raadplegen, met name waar we de configuratieve componenten van een grondpatroon aan de orde stellen.

In het verband van tijd en ruimte hernemen we slechts de meest essentiële opties. De verticale as duiden we als de polaire as, met een en en betrekking, de horizontale as duiden we als een duale as, met een of of betrekking. Ooit benoemden we ze respectievelijk als de ruimte as en de tijd as, maar aangezien tijd en ruimte heel wezenlijke noties vormen in het grondpatroon, dienden we dat te nuanceren. Daarmee hing de vraag samen, hoe we de twee diagonale assen moesten karakteriseren? Van meet aan was duidelijk en dat is ook zo gebleven dat de lb-ro diagonale as een andere functie had dan de rb-lo diagonale as. Ze kregen respectievelijk de vorm van een golvend lijntje en een gestippeld lijntje, en noemden ze respectievelijk de zelf as en de ik as, later de zelf functie as en de ik functie as (verticaal / ik as en horizontaal / zelf as). Het waren begrippen voortkomend uit de diagrammen en dynagrammen aangaande human dynamics, je kunt ze daar alsnog vinden. 

Naarmate we meer zicht kregen op een mogelijk te vormen grondpatroon hebben we de aanvankelijke begrippen verlaten en zijn de lb-ro diagonale as gaan aanduiden als de impuls as en de rb-lo diagonale as als de plaats as. Deze twee diagonale assen staan zowel in het diagram als in het dynagram op de zelfde plaats in het grondpatroon, cq bouwpatroon. Zie voor hun exacte omschrijvingen het theorieboek systeem dynamiek. De impuls as heeft meer een tijd karakter en de plaats as heeft meer een ruimte karakter. Maar ja als je de tijd en ruimte functie hypothetisch al vergeven had aan respectievelijk de horizontale duale as en de verticale polaire as, hoe valt dat dan te rijmen met de twee andere diagonale assen, evenzeer met een tijd en ruimte functie?

Resumerend kwamen we op het paradoxale gegeven, dat we mogelijk rekening dienden te houden met twee tijd assen en twee ruimte assen, maar over wat voor een soort tijd en over wat voor een soort ruimte hebben we het hier in het te vormen grondpatroon? Gegeven bovenstaande schets over de twee tijdsopvattingen, chronos en chairos, ontstond de vraag aan welke assen die twee toegekend konden worden. Hier samenvattend was onze slotsom dat we chronos verbonden aan de horizontale as, de duale as, met een of of betrekking en meer toegespitst de negatieve tijd. Chairos verbonden we aan de lb-ro diagonale as, de zelf as, de impuls as, met een en en betrekking, de positieve tijd. Vervolgens werd de verticale as, de polaire as, met een en en betrekking,  gekarakteriseerd als de negatieve ruimte en de diagonale rb-lo diagonale as,  met een of of betrekking, de ik functie as, de plaats as als een positieve ruimte.

Op deze wijze konden twee tijdsopvattingen en twee ruimte opvattingen in het grondpatroon gesitueerd worden. Daaruit spruiten een aantal fenomenen voort, die we nog op een rijtje dienen te zetten en hypothetisch te bevragen. Een positieve tijdruimte verbinden we aan het statische kruis in het dynagram, bestaande uit twee diagonalen: een kwalitatieve positieve tijd en een kwantitatieve positieve ruimte. Een negatieve ruimtetijd verbinden we aan het dynamische kruis in het diagram, bestaande uit een verticaal en een horizontaal, respectievelijk een kwalitatieve negatieve ruimte en een kwantitatieve negatieve tijd.

Het dynamische kruis werd gekenmerkt door een verticale en een horizontale as, respectievelijk de polaire en duale as met een negatieve ruimte en een negatieve tijd. Wat laat deze functie toekenning aan de assen zien als het gaat om tijd en ruimte en als het gaat om het dynamische kruis in het diagram? Het statische kruis daarentegen met de twee diagonale assen, respectievelijk de lb-ro diagonale as, de zelf functie as, de impuls as, de positieve tijd en de rb-lo diagonale as, de ik functie as, de plaats as, de positieve ruimte. Op deze wijze krijgt het diagonale kruis, het statische kruis in het dynagram met de positieve tijd en de positieve ruimte een heel andere tijdruimte functie dan de ruimtetijd functie in het diagram met een negatieve tijd en een negatieve ruimte functie.

We moeten ons de vraag stellen, op welke wijze de termen, kwantitatief versus kwalitatief, positief versus negatief, met betrekking tot ruimte versus tijd en vice versa, qua wisselwerking zich dienen te verhouden. 

De horizontaal, de duale as verbinden we aan de kwantitatieve tijd en als chronos interpreteerden we deze tijd als een negatieve tijd. De verticaal, de polaire as verbinden we aan de kwalitatieve onmeetbare ruimte en daarmee duiden we deze as als een negatieve ruimte. We verbinden zowel een kwantitatieve tijd als wel een kwalitatieve ruimte, samenkomend in het dynamische kruis, en duiden die als een negatieve ruimtetijd. 

Zo ook hebben we beide diagonalen samenkomend in een positieve tijdruimte deels geduid als een kwalitatieve positieve tijd (impulsas) en als een kwantitatieve positieve ruimte (plaatsas). 

Blijkbaar hebben we de begrippen kwantitatief, kwalitatief, positief, negatief (at random?) verdeeld over de begrippen tijd en ruimte, zodat zowel in het dynamische kruis als in het statische kruis ze gelijkelijk zijn verdeeld. 

Een kwantitatieve negatieve tijd en een kwantitatieve positieve ruimte. Daarmee wordt aan het kwantitatieve zowel een negatieve tijd als een positieve ruimte toegekend, met andere woorden mbt het kwantitatieve heeft de positieve ruimte het primaat; beiden zijn in deze meetbaar.

Een kwalitatieve negatieve ruimte en een kwalitatieve positieve tijd. Daarmee wordt aan het kwalitatieve zowel een positieve tijd als een negatieve ruimte toegekend, met andere woorden mbt het kwalitatieve heeft de positieve tijd het primaat; beiden zijn in deze onmeetbaar.

In het dynamische kruis verbinden we gevoegelijk een meetbare negatieve tijd aan een onmeetbare negatieve ruimte en in het statische kruis verbinden we een meetbare positieve ruimte aan een onmeetbare positieve tijd. Met als gevolg dat, zowel het dynamische als het statische kruis, zowel een meetbaar als een onmeetbaar aspect heeft. In het dynamische kruis als ruimtetijd is de tijd meetbaar en de ruimte onmeetbaar en in het statische kruis als tijdruimte is de ruimte meetbaar en de tijd onmeetbaar.

De vraag is nu wat dit laat zien en hoe valt dit te denken?  Het diagram als ruimtetijd waarin de kwalitatieve ruimte primair is maar onmeetbaar en het dynagram als tijdruimte waarin de kwalitatieve tijd primair is, maar evenzeer onmeetbaar. Dus zowel in het diagram als in het dynagram is het onmeetbare primair en het meetbare secundair. Diagram en dynagram zijn in deze kwalitatief van aard en dus beiden onmeetbaar, in tegenstelling tot kwantitatief meetbare diagrammen en dynagrammen,

Bij een eerste oriëntatie, lijkt het misschien een spel met woorden, maar dat is het geenszins. Het valt hier alleen niet zomaar een twee drie met elkaar te rijmen, vandaar dat we ons eerst beperken tot een mogelijk te denken tijdruimte en of ruimtetijd, tijd/ruimte functies in relatie tot mogelijke assen in een grondpatroon, mede bepalend voor het functioneren van twee bouwpatronen, in deze het diagram als een  negatieve ruimtetijd en het dynagram als een positieve tijdruimte. 

In het begrip tijdruimte veronderstellen we de kwalitatieve tijd als primair met als gevolg dat er ruimte ontstaat als deel van de tijd. In het begrip ruimtetijd veronderstellen we de kwalitatieve ruimte als primair met als gevolg dat er tijd ontstaat als lid van de ruimte. Je kunt heel lang puzzelen op wie van de twee het primaat heeft, eerder geven we er de voorkeur aan om de wisselwerking tussen twee relevante grootheden (uit de 10 categorieën) zodanig in beeld te brengen dat ze aan ons iets willen laten zien als te denken.

Vandaar dat we het begrip tijdruimte hypothetisch verbinden aan het dynagram, alwaar de voortgaande tijd zich recursief metamorfoseert tot een alom staande ruimte. Het begrip ruimtetijd verbinden we hypothetisch aan het diagram, alwaar de alom staande ruimte zich discursief transmuteert tot een voortgaande tijd. Of in een ezels bruggetje: een dynagram geeft een gedachtegang weer en een diagram geeft te denken.

Aan het begrip tijdruimte verbinden we hypothetisch het functioneel mythische paradigma en aan het begrip ruimtetijd het functioneel ontologische paradigma. Binnen het functionele paradigma dienen zowel het mythische als het ontologische paradigma, met behoud van al hun specifieke karakteristieken, met elkaar in wisselwerking gedacht te worden, zodat ze in functie van elkaar gaan staan en of komen te verkeren, teneinde subject betrokken en of object betrokken te kunnen denken, dit met het oog op het recht doen aan een complex samenhangende werkelijkheid.

Keren we terug naar het dynagram als een positieve tijdruimte en het diagram als een negatieve ruimtetijd, dan zien we respectievelijk dat in het dynagram de kwalitatieve positieve tijd de dragende grond wordt voor al wat is en dat in het diagram de kwalitatieve negatieve ruimte de dragende grond is voor al wordt. Zijn en worden zijn in deze onlosmakelijk verbonden aan respectievelijk ruimte en tijd. Daarmee kunnen we terugkomen op onze vraag in hoeverre Aristoteles in het benoemen van de 10 categorieën kwantiteit en ruimte vooraf liet gaan aan kwaliteit en tijd, hij noemde ze in de volgorde kwantiteit en kwaliteit, ruimte en tijd en geeft daarmee het primaat aan het zijn van het zijnde. Binnen de ontologie (de logos van het to ov) is dat dus zeer wel passend, maar wat dan te zeggen van het adagium van Herakleitos, dat alles in stroming verkeert en of het adagium van Parmenides, waarin het zijn onveranderlijk is? 

Wordt er een synthese tussen hen beoogd door Aristoteles? Of vangt met Aristoteles terecht het ontologische paradigma aan? En wordt het nu 'tijd' in en vanuit het functionele paradigma werkelijk een synthese te bewerken tussen een mythisch en een ontologisch paradigma, tussen kwantiteit en kwaliteit en tussen ruimte en tijd? Vandaar de gelijkwaardige positie van zowel het fenomeen van de tijdruimte in het dynagram als het fenomeen van de ruimtetijd in het diagram. We plaatsen diagram en dynagram in het grondpatroon op de polaire as, het diagram op noord en het dynagram op zuid. Binnen de Chinese systematiek wordt zuid (discentrisch) verbeeld in rood en noord (concentrisch) in blauw, heel passend voor wie zich verdiept in hun kleurendynamiek, niettemin hebben we, aanvankelijk onbewust, het diagram in een rood en het dynagram in een blauw jasje gestoken, later ontdekten we in deze wisselwerking de reciproque dynamiek van de polaire as van het grondpatroon. 

In deze polaire dynamiek kunnen we nader onderzoeken in hoeverre ze met elkaar een tegendeel vormen en in hoeverre ze ook als tegenstelling functioneren. Daartoe kunnen we dynagram en diagram complementair en symmetrisch uitwerken in een duogram. Het dynagram plaatsen we aan de periferie van het duogram en het diagram in het midden van het dynagram. Daarmee geven we uitdrukking aan het feit dat de mens zichzelf aantreft in een omringende werkelijkheid, die hem te denken geeft en tracht hij de 'gedachtegang' op te sporen, die vorm heeft gegeven aan deze hem omringende werkelijkheid, die op haar beurt de mens heeft voortgebracht. De wisselwerking tussen mens en werkelijkheid, subject en object en vice versa, krijgen in het duogram op west hun platform, alwaar we ook de regel van de aemulatio plaatsen, conform de regels van de analogie, zie M.Foucault, Les Mots et les Choses, Lárcheologie du savoir, 1969. De andere regels krijgen evenzeer hun positie in het grondpatroon, zie aldaar.

Tijd en ruimte als fenomeen en als functie inhuizen in het grondpatroon, is geen alledaagse exercitie, het blijft een hypothetisch discursief en recursief aftasten. Het is niet zo maar te bedenken, al doende kan het te denken geven en uitnodigen tot verder onderzoek. Zo dienen we nog een poging te wagen het begrip positieve tijdruimte (dynagram) en het begrip negatieve ruimtetijd (diagram) nader te preciseren. 

Doorgaans wordt het woord positief genut om aanwezigheid aan te duiden en negatief afwezigheid.  Een positieve tijdruimte zou dan kunnen duiden op bijvoorbeeld een fysieke tijdruimte mogelijk gemaakt door niet fysieke krachten, daarentegen zou een negatieve ruimtetijd kunnen duiden op een niet fysieke ruimtetijd mogelijk gemaakt door fysieke krachten. Ervan uitgaande dat fysieke en niet fysieke krachten, in een aloude terminologie, respectievelijk van meer stoffelijke en of meer van niet stoffelijke aard zijn en of worden. Wat stof, materie, substantie, inhoud zou kunnen inhouden is eenieder genoegzaam bekend, gegeven de aanwezigheid van onder andere kwantiteit en ruimte. Zo zouden kwaliteit en tijd eerder van niet stoffelijke aard kunnen zijn, non materie, non substantie? Teruggaande op twee van de vier causa´s van Aristoteles mogelijk het verschil tussen de causa materialis het causaal stoffelijke in het aanwijsbare en de causa formalis, het analoog onstoffelijke in het niet aanwijsbare? Wat en of wie is dat onstoffelijke, welke mogelijke machten spelen zich daar af in wisselwerking met al of niet noodzakelijke krachten in het stoffelijke bereik?

Doorgaans wordt entropie verstaan als toenemende wanorde en negatieve entropie als een toenemende orde, maar wat maakt dat in het stoffelijke bereik uiteindelijk wanorde of verval kan plaatsvinden of juist het tegendeel? Is dat vanwege afwezigheid of aanwezigheid van negatieve entropie, die krachten die nu juist ordening bewerken? Is de fysieke positieve tijdruimte onderhevig aan wanorde en de negatieve ruimtetijd onderhevig aan toenemende orde? Welke niet stoffelijke krachten bewerken nu feitelijk een toenemende orde, blijkbaar niet alleen de stoffelijke fysische krachten, want zij zijn mede onderhevig aan entropie. Anders geformuleerd, hoe ontstaat uit het niet fysische het fysische of omgekeerd hoe ontstaat uit het fysische het niet fysische, bijvoorbeeld hoe ontstaat leven uit het stoffelijke, materiële en minerale bereik? Nog nooit hebben we dat kunstje kunnen overdoen; spelen mogelijke krachten, waar we nog geen zicht op hebben, een rol, althans empirisch feitelijk gezien? Maar moeten we die eventuele, nog te vinden, 'krachten' daar dan ook zoeken? Of dient het aloude onderscheid tussen stoffelijke krachten en geestelijke machten weer aan de orde te komen?

In toenemende mate kan misschien voortschrijdend onderzoek (in onderscheiden disciplines) laten zien, dat we in een heel ander bereik op zoek moeten gaan dan het stoffelijke domein; van oudsher werden bijvoorbeeld deze niet stoffelijke 'krachten' onder andere aangeduid als 'etherische' en of 'astrale krachten'. Wat zijn dat voor 'krachten' of 'machten'? Hoe moeten we die niet stoffelijke krachten in en vanuit het functioneel mythische paradigma fenomenologisch onderzoekend aan het licht brengen of wellicht voorbij het licht, voor de goede verstaander. Blijkbaar is het fysieke onderhevig aan de ultieme snelheid van het licht en het niet fysieke mogelijk onderhevig aan snelheden groter dan het licht? Speculatie? Minder dan je zou vermoeden, als je tenminste de implicaties uit de kwantum mechanische onderzoekingen serieus wil nemen. W.Tiller o.a. probeert dat mathematisch te onderbouwen, maar de mathematica gaat toch niet over de werkelijkheid aldus Einstein, waarover dan wel? Of dienen we ook hier binnen het bereik van de empirische wetenschap te blijven, aangezien TU Delft recentelijk de volledigheid van de Kwantumtheorie (betreffende deeltjes) experimenteel heeft aangetoond.  

We laten het vervolg graag over aan een ander wetenschapsbereik, voor ons is van belang dat we zicht krijgen op het diagram als een mogelijk kwalitatief fenomeen. We benoemden het negatieve ruimtetijd diagram al als een te denken bouwpatroon, hoe komen we er achter dat daar kwalitatieve krachten een rol spelen en wat zijn dan kwalitatieve krachten? Mogelijk geen fysieke stoffelijke krachten en dus als zodanig ook niet waarneembaar, we moeten ze dus op een andere wijze leren waarnemen, daartoe leent zich mogelijk de fenomenologie als methode. Bij deze dienen we ook de positieve tijdruimte te betrekken, blijkbaar spelen daar gelijke of andersoortige krachten een rol die de positieve tijdruimte bewerken. Wellicht spelen, hypothetisch gezien, in zowel de positieve tijdruimte als in de negatieve ruimtetijd niet fysieke krachten een rol; we dienen in ieder geval omzichtig te werk te gaan. Mogelijk dienen we fenomenologisch eerst op zoek te gaan naar bijvoorbeeld een polaire spiegeling tussen twee niet fysieke krachten, enerzijds van meer centripetale aard en anderzijds van meer centrifugale aard. Waar kunnen we die krachten bijvoorbeeld aan het werk zien? 

Voor het opsporen van mogelijke niet fysieke krachten in relatie tot een negatieve ruimtetijd en een positieve tijdruimte, dienen we gevoeglijk dicht bij huis blijven, door bijvoorbeeld aandacht te schenken aan heel verschillende wijzen waarop patronen ontstaan en in beeld worden gebracht, te beginnen in het fysieke bereik, zoals bijvoorbeeld in de cymatiek, de studie van golfverschijnselen die samenhangen met de fysieke patronen, die worden geproduceerd door de interactie van bijvoorbeeld geluidsgolven in een bepaald medium en vervolgens ook in het niet fysieke bereik, de wijze waarop bijvoorbeeld symbolen, composities en concepten ontstaan. Samen gevoegd in één vraag: hoe ontstaat een patroon en wat laat een patroon zien? Meer concreet in de wijze waarop iets of iemand groeit en bloeit en meer abstract in de wijze waarop een configuratie en of compositie gestalte krijgt?

(wordt vervolgd)