Tabula repertorium ☼

- under construction -
alfons vandeursen Nijmegen, 14-03-2004, 1e redactie; medio maart 2016 2e redactie.

SYSTEEM DYNAMISCH DENKEN EN WERKEN DOOR MIDDEL VAN EEN GRONDPATROON 

Het grondpatroon wordt gezien als een mogelijke `sluitsteen´ van het systeem dynamische bouwwerk.  Bouwtechnisch intermedieert de sluitsteen de onderscheiden bogen van het bouwwerk. Systeem dynamisch gezien dient het grondpatroon de onderscheiden bouwpatronen zodanig te verbinden dat ze kunnen functioneren dan wel gehanteerd kunnen worden als een aaneensluitend hermeneutisch instrument. Het grondpatroon vormt de basisstructuur op grond waarvan de tot nu toe gevormde grammen verder uitgewerkt kunnen worden. Tot op heden is het grondpatroon uitgewerkt in een vijftal grammen, in hun volgorde van ontstaan: het diagram, het dynagram, het duogram, het dictogram en het hologram. We noemen ze de bouwpatronen en ze worden verder uitgelegd en uitgewerkt in het theorieboek, zie aldaar. Je vindt ook een korte introductie betreffende deze 5 bouwpatronen op de desbetreffende webpagina´s waar de modellen staan van de desbetreffende bouwpatronen.

Gezien de lange ontwikkelingslijn van deze loot aan de tak van de kwalitatieve systeem dynamiek, die weer voortsproot uit de stam van de kwantitatieve systeem dynamiek, zijn de desbetreffende begrippen niet allemaal tegelijkertijd ontstaan en in het hierna volgende wordt een poging ondernomen om één en ander in een 2e redactie met elkaar in samenhang te brengen opdat er coherentie en consistentie moge ontstaan.

De 1e redactie werkte nog met het diagram als enig beeldveld, dat hield in dat in de navolgende teksten opnieuw bekeken moest worden in hoeverre het hier een diagram betreft en of een dynagram, daar waar de tekst aanleiding gaf het meer overkoepelende van een onderscheiden beeldveld, diagram en of dynagram, in beeld te brengen, wordt het  begrip grondpatroon genut. Bovendien moest deze tekst nog in lijn gebracht worden met de laatste inzichten, zoals tot nu toe in het theorieboek verwoord. Deze 2e redactie noopte tot herbezinning op de reeds ontwikkelde begrippen en gaf weer nieuwe inzichten en of onderbouwing betreffende het tot nu toe ontwikkelde bouwmateriaal. 

In het hiernavolgende gebruiken we voor het gemak het diagram en of dynagram als pars pro toto voor alle andere grammen, tenzij het, met naam en toenaam genoemde, andere grammen betreft.


De introductie van het diagram en het dynagram als een werktuig om te denken.

Waarom willen we het diagram en of dynagram introduceren als een werktuig om te denken? 

De waarom vraag is de vraag waarin de verwondering nog mag schuilen, hoewel de waaromvraag veelal benut wil worden om die verwondering ook te vernieten. Noodzaakt het waarom een vraagstuk of een probleem op te lossen, een dilemma of een mysterie nodigt misschien meer uit het waarom te leren loslaten (zie posities in het diagram: N probleem, O vraagstuk, Z mysterie, W dilemma) en je als lezer open te stellen voor de vraag in hoeverre een werktuig gezien kan worden als een verwijding van de mens? In hoeverre bestaat er een wederkerige in- en uitwerking tussen mens en werktuig, die niet zozeer alleen causaal gedacht moet worden maar ook analoog. Vanuit die antropomorfe optiek kan een fenomenologie van ‘het werktuigelijke’ mogelijk een nieuw licht werpen op de relatie tussen mens en werktuig. In hoeverre wordt het werktuig een handvat voor heilzaam menselijk handelen en in hoeverre 'verwordt' het werktuig in een manipulatief vervreemdend handelen waarin zowel de mens als het werktuig gereduceerd kunnen worden tot een lijdend voorwerp. 

Een fenomenologie van de werktuigelijke werking tussen mens en werktuig vindt haar start en beperking in ons onderzoek naar het diagram en of dynagram als werktuig en voertuig voor het denken. Het denken dat zich bedient van denkinhouden en denkbewegingen. Voor de denkbewegingen schept het denken een analoog voertuig en voor de denkinhouden schept het denken een oorzakelijk werktuig. Het is deze wisselwerking tussen denkwerktuig / denkvoertuig en denkinhouden / denkbewegingen, die wij dienen te onderzoeken op haar constituerende regels, zowel methodisch, systematisch als logisch. In dat onderzoek dient het denken weer gerelateerd te worden aan het voelen en willen en vice versa; ziehier drie onderling samenhangende faculteiten van de menselijke psyche. Oog leren krijgen voor al deze wisselwerkingen kan ons helpen het zicht te ontwikkelen op een systeem dynamisch veld: het grondpatroon met zijn onderscheiden grammen, waaronder diagram en dynagram. De noodzaak een creatief ‘speelveld’ te ontwerpen dringt zich in toenemende mate aan ons op door de dynamiek en complexiteit van het menselijke bestaan (zie elders…). Dreigt de mens al denkend ten onder te gaan in een veelheid van denkwerktuigen / denkmodellen / denkinstrumenten en / of is hij in staat om zowel op Meta niveau (systeemwereld) als op persoonlijk niveau (leefwereld) het zicht te bewaren op zijn vrije scheppende positie in en vanuit het centrum van zijn denken, voelen en willen (zie elders…).

We starten deze introductie van het diagram met de waarom vraag, niet omdat we daar in ons jarenlange onderzoek mee begonnen zijn, maar omdat hier ons onderzoek haar altijd voorlopige einde kan vinden, immers werken met het diagram en of dynagram is nog iets anders als het diagram ook introduceren als een denkwerktuig. Nu dienen we het onderzoek niet subject betrokken uit te voeren, maar dienen we het diagram object betrokken in te voeren. Bij deze introductie maken we gebruik van een eenvoudige vraagcirkel waarin we de dynamieken van de verschillende mogelijke vragen hypothetisch kunnen positioneren. De positionering van deze vragen in het diagram roept al vele vragen op, ze kunnen echter pas beantwoord worden nadat het diagram als een denkwerktuig is geïntroduceerd. (zie concept in diagram) (Zie voor de posities van de vragen het diagram van de vraagcirkel) 

Bij de introductie van het grondpatroon als overkoepelende term voor alle vijf bouwpatronen, waaronder diagram en of dynagram, maken we gebruik van deze vraagcirkel. Met de desbetreffende vragen: wie, wat, waar, wanneer, hoe en waarom, willen we vooraf het diagram en of dynagram als denkwerktuig en denkvoertuig introduceren. Voor een verdere uitwerking en onderbouwing moeten we verwijzen naar de navolgende hoofdstukken en of elders geplaatste uitwerkingen betreffende systeem dynamiek.

 

Waarom een diagram en of dynagram?

In een tijd waarin wetenschap en techniek meer en meer domineren, valt het op dat in het leren leren het veelal ontbreekt aan een werktuig om te denken, in deze een denkwerktuig! Evenzeer ontbreekt het aan een denkvoertuig! Hoe verhoudt, binnen een epistemologisch verband, een werktuig zich tot een voertuig? 

Wanneer wij het leerproces, de leervraag, de leerinhoud en het leerdoel in het diagram willen positioneren dan kunnen wij het verschil tussen het diagram en of dynagram als denkwerktuig en of als denkvoertuig illustreren aan de mogelijke posities in het diagram en of in het dynagram, zie de betreffende posities.

Werktuig: leerinhoud oost, leerproces west, leerdoel noord, leervraag zuid)☼(denkinhouden in relatie tot het wat, het diagram geeft object betrokken te denken.

Voertuig: leerproces 1e kwadrant / zuidpositie, leervraag 2e kwadrant / westpositie, leerinhoud 3e kwadrant / noordpositie, leerdoel 4e kwadrant / oostpositie)☼(denkbewegingen in relatie tot het wie, het dynagram geeft subject betrokken een gedachtegang weer.

Zie voor de verdere uitwerking van het leerproces het duogram mbt de leer aspecten.

Wat moeten we ons bij een werktuig voorstellen? Met tuig wordt gereedschap, gerei aangeduid waarmee men kan werken en waarmee men iets kan bewerken. Elk gereedschap vormt als het ware een voertuig voor de handeling. De handeling krijgt gestalte in een 'toestel', een ertoe gesteld zijn (gesteldheid / toestand / tot stand gekomen) de handeling mogelijk te maken, de handeling in staat stellen zich te kunnen voltrekken. Het toestel ligt gereed om de handeling te ontvangen, te huisvesten, in die zin vormt het een schap waarop het handelen kan landen alvorens scheppend te worden middels het gerei, afgeleid van gereed: klaar voor een handeling om uit rijden te gaan, je op weg te begeven. Het toestel en het tuig verhouden zich tot elkaar als mogelijkheid tot vervoer en mogelijkheid tot sturing. Het tuig vormt de toerusting, benodigd voor het kunnen sturen in het handelen. Het handelen wordt pas mogelijk door het kunnen (ver)voeren van de beweging, het toestel kan die beweging adequaat vervoeren en wel op een aangepaste wijze zodat het bewegen , het varen, zich kan voltooien in het doel van elk handelen: iets in handen te hebben waarmee men weer kan gaan handelen. En zo zien we hoe de gereedschappen op toerbeurt serieel gezien klaar liggen om alle benodigde handelingen te vervoeren en wel zodanig dat ze weer een voertuig of werktuig teweeg kunnen brengen. Men kan er mee werken zolang het de handeling kan vervoeren en aansturen. 

Het werktuig komt voort uit het werken en kan als voertuig ingezet worden om in het werken de gevoerde beweging werkzaam te maken door te sturen. Een werktuig wordt niet zo maar een voertuig en een voertuig wordt niet zomaar een werktuig, dat vraagt om een persoonlijke bemiddeling. In die bemiddeling wordt in het heen en weer een tussen gevormd, precies in dat tussen kan iets opstijgen uit de stof middels het werktuig en iets indalen uit de geest middels het voertuig. In de persoonlijke bemiddeling wordt de dimensie van de stof in relatie gebracht met de dimensie van de geest, hun wisselwerking getuigt van het humaniseringsprojekt waarin geest en stof bemiddeld worden. Voertuig en werktuig vinden in de werking van het symbool hun oudste vertegenwoordiger en vertegenwoordiging. In dat opzicht blijft het medium de boodschap, hoe geavanceerd de instrumentale technologie ook vordert. 

De noodzaak van een persoonlijke bemiddeling tussen werktuig en voertuig vraagt om een willen leren werken met het werktuig en wel zo danig dat de beweging op een door het werktuig bepaalde wijze gevoerd dient te worden, wil de beweging zich kunnen intensiveren tot het tevoorschijn brengen van een voortgebracht voortbrengsel. In het bewegen wordt het werktuig omgevormd tot een voertuig om uiteindelijk de beweging zo te kunnen voeren dat ze uitmondt in een geleid voortbewegen: de voortbeweging heeft in het voortbrengsel haar doel en zin voortgebracht en gevonden. De voortbeweging is overgedragen op het product en is in het product tot ‘stand’ gekomen. Het omgekeerde is evenzeer aan de orde, het geleide voortbewegen middels het voertuig werkt ook in op de voerder van de beweging, de voerder wordt er evenzeer door omgevormd en wel zodanig dat én zijn kunnen een kunst genoemd kan worden én dat hij als mens en persoon adelt. In de bewerking worden de bewerker en het bewerkte uit hun oude staat ontheven, zij vinden elkaar terug in een nieuwe staat van zijn waarin zij en meer zichzelf zijn geworden en toch aan elkaar gehouden er te zijn voor de ander en het andere. Het vreemd zijn aan elkaar vindt zijn omslag in het bereiden van een gezamenlijk huis, waarin allen en alles zich thuis gaan voelen als elkaar dragend. Wie voert wat en wat voert wie? 

Ziehier grond voor de positionering van het wie en het wat op het oostpunt in het diagram als elkaars tegendeel. Subject en object vormen daarin een onmiddellijke eenheid van tegendelen die in de tegenstelling tussen werktuig en voertuig hun bemiddelaars vinden in de uitwerking van het  object betrokken begrijpen in en vanuit het subject en het subject betrokken beelden in en vanuit het object. Het beelden verstaan als het in en uit bouwen van de geest in en uit de stof, het begrijpen als het uit en inbouwen van de stof in de geest. Een object betrokken leerweg relateert zich aan het wat en een subject betrokken leerweg relateert zich aan het wie. In een object betrokken leerweg is het wie geboeid en in een subject betrokken leerweg is het wat gemoeid.

Ambachtelijk gezien, wordt dit bewegen geoefend en dit bewegen is niet mogelijk zonder een geschoolde wil, aangezien de wil het bewegen pas kan aansturen als zij geestelijk tot leven is gekomen in het ordenen middels het gestructureerde bewegen. Vandaar dat het leren voeren van de beweging aan strenge tuchtregels onderworpen werd, vrucht van levenslang oefenen in generaties meesterschap. Het werktuig moest in het gestructureerde bewegen nog voertuig worden voor de werking die in en door de beweging op gang kwam als een cadans tussen actie en reactie, vorm krijgend in een interactie om uiteindelijk de transactie mogelijk te maken in het tuig. Het tuig bevat dan ook de daarin opgeslagen werking: het tuig wordt opgetuigd, het kan de werking opslaan in en afstaan aan het betuigde. En het betuigde kan slechts in handen van de meester weer tot leven komen. Deze principiële gelijkwaardigheid tussen subject en object tendeert de niet gelijkvormigheid te humaniseren. De feitelijke ongelijkwaardigheid desintegreert tot vervreemding, het bestendigen van hun ongelijkvormigheid in een heilloze staat van elkaar naar het leven staan. 

Het werktuig vormt in wezen een voertuig in het vorm geven aan andere werktuigen. Hier zien we noch begin noch einde. Elk werktuig vormt slechts een schakel in een keten van in zich zelf afgeronde handelingen. Handelingen om het handelen weer te doen voortbewegen. Het handelen stoelt in feite op het gevoerde bewegen. Het is precies dit bewegen in het handelen wat het denken evenzeer karakteriseert en wel zodanig dat het denken niet mogelijk is zonder een gevoerd bewegen. Dit karakter van het gevoerde bewegen in het denken is evenzeer te voorzien van een werktuig en of voertuig. Zij het dat we dan niet zozeer moeten denken aan reken en telmachines, etc. alleen, maar ook aan het aloude dynagram en diagram, zoals dat van oudsher als een voertuig van en voor het ‘denken’ en van en voor het ‘willen’ werd benut. Het dynagram en diagram werd in vele vormen afgebeeld, waaronder het zonnerad of zonnewiel. Met dit wiel ontstaat een voertuig en een werktuig aangezien men in en door het rad op en neer kon klimmen, zodoende sprak men van een leerrad, een leer of ladder om al denkend op en neer te klimmen, maar met dit wiel of rad kon men zich ook al denkend voortbewegen al of niet zich verwijderend van een centrum of dit trachten te naderen. Dit op en neer klimmen zien we in het denken nog steeds terugkomen: men spreekt dan echter van deductie en inductie, respectievelijk van het algemene naar het bijzondere afdalend en of van het bijzondere naar het algemene opstijgend. Veelal laten we het bij deze twee denkbewegingen, maar kijken we in het aloude leerrad waarmee het denken zich kan voortbewegen dan moeten we er nog twee vernoemen: de reductie, het terugleiden naar een centrum en abductie, het zich verwijderen van een centrum. (zie diagram: reductie op oost, inductie op zuid, abductie op west en deductie op noord) 

Denkbewegingen kunnen blijkbaar omgezet worden in een voertuig, tevens werktuig van en voor het denken en daarmee schept het denken zijn eigen werktuigen, evenzeer te verstaan als een handelen, zij het een mentaal handelen, afgeleid van mentis, te verstaan als een geestelijk handelen, te onderscheiden van een stoffelijk handelen. Het instrument, het voertuig en of werktuig is er niet minder om. Het is zaak om dit voertuig opnieuw voor de geest te halen en wel in een tijd waarin het denken wel van alles kan bedenken, maar niet meer in staat is het gedachte terug te leiden naar o.a. haar bewegingen en of inhouden. Zo het stoffelijke handelen zich bedient van werktuigen, zo bedient het geestelijke handelen zich ook van werktuigen: deze werktuigen zijn dan niet zozeer van inhoudelijke of substantiële aard maar veel meer van formele en procesmatige aard. Met andere woorden in het diagram zijn de bewegingen zichtbaar geworden, middels mogelijke posities en mogelijke betrekkingen (in het dynagram middels mogelijke processen en mogelijke inhouden), geheel en al gerelateerd aan de aard van de beweging, voor zover ze uiteenvalt in een vierledige dynamiek: even zovele graden van intensivering. Het is deze beweging die zich kan intensiveren en middels het denken zichtbaar gemaakt kan worden in een voorstelling, in een beeld en of concept, in een diagram en of dynagram, in een verbindend patroon en of grondpatroon, in een web en of matrix. 

De aard van de voorstelling laat al zien hoe het denken zich verdicht tot een wijze van waarnemen, het voor waar genomene is slechts product van het denken, voor zover het denken vormt en dat wat het denken vormt is niet mogelijk zonder de aard van de beweging te herleiden tot een denkbeweging die ook zichtbaar kan worden in een vorm. Wat bewerkt nu wat? Bewerkt het denken een vorm waarin het denken gevoerd kan worden in haar denkbewegingen?  Het zijn deze denkbewegingen die van oudsher zichtbaar gemaakt werden in talloze afbeeldingen: we kunnen ze vernoemen als even zovele dimensies van het beeld, te weten plaatjes, symbolen, modellen en metaforen. (zie diagram metaforen op oost, plaatjes op zuid, symbolen op west en modellen op noord). Binnen systeem dynamiek in relatie tot action research spreken we van niveaus en of stappen: open dating zich bewegend tussen schema (oost) en plaatje (zuid), axial dating tussen plaatje en model (west), conceptual dating tussen model en patroon (noord) en functional dating tussen patroon en schema. 

Wanneer werktuigen met elkaar een context vormen, waarin het werktuig zijn positie kan innemen als gereed liggend op het schap, alvorens het opgenomen kan worden in de beweging van het maken, zo moeten we ook zoeken naar de verschillende mogelijke denkbewegingen, in het dynagram en diagram vorm krijgend als betreffende gereedschappen. Deze gereedschappen zijn dan niet feitelijk los verkrijgbaar, maar moeten gezien worden in de context van het denkproces als het produceren van een tekst, van een verhaal. Het denkproces taalt de werkelijkheid om naar een verhaal en het is dit verhaal wat voor zijn betekenis moet terug verwijzen naar de context van het verhaal zelf: de volvoerde in zichzelf afgeronde handeling die verhaal is geworden. En zo schept de mens verhaal na verhaal, beeld na beeld, handeling na handeling als even zovele werktuigen om de werkelijkheid te denken en weer zien we hier de wederkerigheid zonder een uiteindelijke oorzakelijkheid vast te kunnen stellen, slechts de wederkerigheid weet de beslissende schakels van het denkproces te scheiden en te verbinden. Schept de mens het verhaal als werkelijkheid, c.q. kan de werkelijkheid slechts verstaan worden als een verhaal en of brengt de werkelijkheid in en door de mens heen een verhaal tot leven? Deze wederkerige dynamiek zien we zeer wel terug in dynagram en of diagram.

Het verhaal als werkelijkheid en de werkelijkheid als verhaal laat de ambiguïteit zien van de beweging. De beweging in het denken uiteenvallend in de beweging van de taal / het woord / het begrip en in de beweging van het beeld, het symbool, de metafoor. Het verhaal vormt een beeld en het beeld vertelt een verhaal in begrippen. Uiteindelijk is alles beweging en de som van alle mogelijke (denk)bewegingen kan men in het grondpatroon terugvinden in een veld van 8 maal 8: een gegeven optimum aan bewegingsmogelijkheden. Het is dit patroon wat we van oudsher kennen in vele symbolen, zij het dat we ze niet meer konden verstaan als denkvoertuigen (hooguit het schaakspel en het diagram van de I TJING), bemiddelend tussen stof en geest. In het symbool werd ‘iets’ samen geworpen: sym baleo. Dat iets stamt vreemd genoeg uit twee werelden en vormt met elkaar een geheel eigen nieuwe wereld waar het symbool van weet te getuigen: de wereld van de geest en de wereld van de stof, de wereld van het bepaalde en de wereld van het onbepaalde. Het denken zoekt geest te worden in het woord en via het begrip zoekt de geest de stof te be-grijpen, anderzijds zoekt het denken vlees te worden in het teken en via het beeld zoekt de stof de geest te bereiken, te verstaan in een voorstelling, metafoor, zichtbaar geworden matrix (moedergrond) en of web (weefraam), diagram (grafisch doorkijkje) en of dynagram (grafisch beeldscherm). Zo het symbool een grafisch doorkijkje vormde en of een beeldscherm waarop het denken haar dynamieken projecteert, zo vermag zowel het diagram (meer matrix) als het dynagram (meer web) gezien worden als een beeldveld. Het diagram geeft te denken en het dynagram geeft een gedachtegang weer. 

In het grondpatroon als grafisch doorkijkje kan men het nodige onderbrengen voor de tocht van het denken, voor zover het diagram en of dynagram, denkwerktuig en of denkvoertuig werd van en voor de denkbewegingen. Het zijn deze denkbewegingen die de lerende op het spoor moet komen, teneinde zijn eigen leerproces te kunnen sturen. En het geheel van mogelijke denkbewegingen dienen met elkaar een consistent en coherent denkpatroon te vormen: een verbindend patroon (te ijken aan een grondpatroon) waarin het nodige onderscheiden kan worden door het positioneren van verschillende denkinhouden en het vormgeven aan onderscheiden denkbewegingen. Het zichtbaar kunnen maken van denkinhouden in een diagram, roept evenzeer de vraag op naar het zichtbaar kunnen maken van denkbewegingen in een dynagram en vice versa. Het zichtbaar kunnen maken van denkinhouden en denkbewegingen in een diagram en of een dynagram is niet mogelijk zonder een overzichtelijk denkveld te construeren, waarop de denkbewegingen en denkinhouden actueel intermediëren met een hypothetisch patroon van en voor het denken, voelen en willen: au fond het grondpatroon. Dit grondpatroon als denkveld (analoog uitgewerkt in het diagram en of dynagram), brengt mogelijke bewegingen van het denken in kaart, zonder dat men deze kaart, dit grondpatroon (of elk ander gram) kan verwisselen met de aard van het denkproces zelve, immers dit grondpatroon of elk andere gram is niet de denkwerkelijkheid voor zich en of de werkelijkheid op zich, ze poogt slechts werkelijkheid, dat wat werkt, zowel in de stof als in de geest, te representeren middels het in kaart brengen van denkbewegingen. Elke gram is niet de werkelijkheid, die wordt bedacht en het begrip / beeld is respectievelijk niet het benoemde / afgebeelde. 

Elke ervaring is subject betrokken en vraagt om een subject die deze ervaring conceptualiseert tot denkervaring. Begrip en beeld worden bemiddeld door het denkende, voelende, willende subject in het geheel van waarnemen enerzijds en gewaarworden anderzijds. Pas in het handelen zijn we in staat deze denkbewegingen (gevoelsbewegingen, wilsbewegingen) ook objectief te traceren in een te reconstrueren denkveld: diagram en of dynagram. Het zijn deze denkbewegingen die uiteindelijk hun eigen grondpatroon scheppen en in die mate zij zichzelf afgrenzen en afscheiden zich ook weer weten te verbinden en aan te grenzen. Dit denkveld mag zowel gezien worden als een landingsplaats dan wel als een plaats waarvan het denken kan opstijgen naar hogere regionen. Dit denkveld vormt het relatieve midden in welke gram dan ook en kan in principe in alle richtingen vorm krijgen, zij het dat ze het denkveld zelf niet weet te overschrijden aangezien de denkbewegingen daar hun begin en einde vinden. De som van alle mogelijke denkbewegingen vormen met elkaar een verbindend patroon en het is dit patroon wat het denken weer mogelijk maakt voor zover het ordening en structuur in beeld en tot begrip brengt. In die zin sluit en opent het grondpatroon een verbindend patroon waarin het denken zichzelf zichtbaar kan maken middels een dynamisch midden.

Het web onderscheidt zich van een matrix in dier voege dat de matrix meer functioneert in het opstijgen, de begripsvorming en het web meer functioneert in het landen, de beeldvorming. 

De matrix vormt een moedergrond voor zover ze de oervorm representeert waarin de 'verticaal' en de 'horizontaal' met elkaar een 'heilig huwelijk' (Mondriaan) aangaan in een dynamisch kruis van waaruit het denken kan opstijgen, een vlucht kan nemen. De ordinaat en de abscis vormen met elkaar een soort van cartesiaans rooster waarin het centrum ontbreekt, het virtuele centrum kan slechts het subject zijn wat buiten de matrix zijn positie heeft betrokken in een object betrokken strategie, die de begripsvorming kan dienen. Hier functioneert de matrix eerst als een landen om de feiten, c.q. ideeën positioneel in kaart te brengen om vervolgens hetgeen het diagram te denken geeft te exploreren. 

Het diagram, meer antropomorf, vormt een matrix waarin het object zichtbaar wordt middels zijn posities, teneinde in een object betrokken strategie vanuit zijn vlieghaven op te kunnen stijgen om de werking, dat wat werkt in de geestelijke werkelijkheid, via de begripsvorming hanteerbaar te maken in een begrip, het begrijpen ontstolt zijn onbeweeglijkheid in het diagram.

Het web vormt een weefgetouw, een weefraam waarin het op en neer van de 'kettingdraden' en het heen en weer van de 'spoeldraden' met elkaar een 'vliegend tapijt' vormen, stevig genoeg om het denken na haar vogelvlucht behouden te laten landen, opdat een huis en thuis gevonden kan worden in de werkelijkheid. Een thuis, een werkelijkheid die geschraagd wordt door de twee diagonalen van het statische kruis, waar het denken zich kan huisvesten en zijn gedachtegang kan vastleggen, zich kan concretiseren in de substantie. Het dynagram meer kosmomorf, vormt een web waarin het subject haar mogelijke positie kenbaar dient te maken, teneinde in een subject betrokken strategie vanuit haar vogelvlucht te kunnen landen om de 'werking', dat wat werkt in de werkelijkheid, via de beeldvorming zichtbaar te maken in een beeld, het beelden stolt haar beweeglijkheid in het dynagram. 

Diagram en dynagram vormen de twee polaire keerzijden van het grondpatroon, teneinde de begripsvorming en de beeldvorming zichtbaar te kunnen maken en dat is niet mogelijk zonder de aard van de beweging te her introduceren in het denken (voelen en willen). De cirkel omsluit in die zin als ruimte niet alleen het synchrone denkveld waarop gedacht kan worden, maar ze ontsluit ook de functie van de tijd waarin het denken zich diachroon kan voortbewegen al dan niet in het heen en weer van het mee- bewegen en het tegen-bewegen. Het diagram representeert het tegelijkertijd en het dynagram representeert het na elkaar voltrekken in de tijd: beiden zijn onderhevig aan compositie en figuratie. De compositie als een ruimte tijd (diagram) en de configuratie als een tijdruimte (dynagram). Daarmee is het grondpatroon (en bijgevolg elk grammetje) terug gekeerd in het domein van het beeld, ze neemt deel aan de werkingen van het beeld. En de werkingen in het beeld scheppen zich een tuig waarmee gewerkt kan worden: werktuig en voertuig in een. Vormt de matrix het rooster van de te denken inhouden, zo vormt het web het patroon van de te denken bewegingen. Dit onderscheid is wezenlijk aan het denken en op haar beurt schept het denken matrix en web als tegenstelling enerzijds, maar worden beiden in het grondpatroon als tegendeel zichtbaar. De matrix functioneert deformatief en het web functioneert informatief. In het grondpatroon worden matrix werking en web werking respectievelijk zichtbaar in het dynamische kruis (diagram) en in het statische kruis (dynagram). (zie wat is een diagram) 

Het denken schept zich in diagram en dynagram een tweeledig werktuig waarin het tweeledig kan denken, bewegen, varen, voeren: een voertuig, het grondpatroon. Het grondpatroon is werktuig en voertuig ineen, ze analyseert en synthetiseert respectievelijk matrix (diagram) en web (dynagram) als haar tegendeel. Het denken vormt echter ook een tegenstelling voor zover haar analytisch vermogen zich ook kan spiegelen in een noodzakelijk tegendeel: het synthetisch vermogen. Het een is niet zonder het ander en omgekeerd, ze vooronderstellen elkaar in de wederkerigheid van het denkproces zelve, die haar inhouden genereert en omgekeerd via de denkinhouden concepten genereert, het begrijpen functioneert niet zonder het beelden en het beelden functioneert niet zonder het begrijpen. Zonder het beeld kunnen de begrippen niet inlichten en zonder de begrippen kan het beeld niet oplichten. 

Epistemologisch gezien vormen beeld en begrip elkaars tegendeel in de begripsvorming, in de beeldvorming vormen begrip en beeld elkaars tegenstelling. Begrip en beeld, tegendeel en tegenstelling vormen in die zin elkaars negatie. Deze negatie kan slechts bemiddeld worden door twee andere relevante verschilsbetrekkingen: die van de polariteit en die van de relativiteit. De polariteit functioneert als beeldwerking in de begripsvorming die object betrokken tegen-bewegend van aard is. De relativiteit functioneert als begripswerking in de beeldvorming die subject betrokken mee-bewegend van aard is. Polariteit en relativiteit vormen op hun beurt weer elkaars negatie. Alle verschilsbetrekkingen kunnen slechts door de overeenkomstbetrekkingen bemiddeld worden en omgekeerd: het ene is niet zonder het andere. Vandaar dat de vijf verschilsbetrekkingen hun tegendeel, tegenstelling, polariteit, relativiteit en negatie vinden in de vijf overeenkomstbetrekkingen (respectievelijk geduid) van de antipathie en de sympathie, de aemulatio, de analogie en de conveniëntia. (zie voor hun posities het betreffende diagram) 

Echter om de verschilsbetrekkingen en de overeenkomstbetrekkingen te kunnen denken moet de beweging als vorm van bemiddeling evenzeer gesitueerd worden, niet zozeer op het substantiële of dynamische kruis als wel op het diagonale of statische kruis: vier graden van bewegingsintensivering: actie, reactie, interactie en transactie. Vergelijk daartoe de aristotelische begrippen van kinesis, dynamis, energeia, entelecheia (zie elders…). (zie voor hun posities het diagram). 

Deze posities markeren ook de relatieve stadia van de begripsvorming enerzijds en de beeldvorming anderzijds. Als tegendeel positioneren we de begripsvorming linksomgaand tegenbewegend in het diagram via de noordpool en de beeldvorming als rechtsomgaand meebewegend in het diagram via de zuidpool. Het vormt voor de lezer een interessante denkoefening dit te doordenken aangezien een meebewegende subject betrokken beeldvorming geheel en al de relativiteit en de conveniëntia moeten betrekken, waar een tegen bewegende object betrokken begripsvorming zich geheel en al aan de polariteit en analogie dienen te onttrekken. Waar de begripsvorming onmiddellijk en nog niet bemiddeld ingang kan vinden, dient de beeldvorming van meet af aan bemiddeld te worden in de opgang van het denkproces. 

Maar dat is niet altijd zo geweest, voorafgaand aan de begripsvorming was ook de beeldvorming in het mythisch denken direct en onmiddellijk wat nog tot uitdrukking komt in het woord schouwen: een onmiddellijk zien. In het ontologisch denken echter vormen ze voor het eerst elkaars onmiddellijke tegendeel, in het functionele denken daarentegen kunnen begripsvorming en beeldvorming pas als tegenstelling bemiddeld worden in het denken. Dat impliceert een radicale paradigmawisseling in onze wetenschapsbeoefening. 

Vandaar dat we in en via het grondpatroon daar rekenschap van willen geven: enerzijds lijdt begripsvorming aan een doodstendens: kwantificering en atomisering van denkinhouden tot een gedesintegreerde chaos waar ogenschijnlijk de willekeur gaat heersen (het infomane denken). Nu dient de tegenkeer ingezet te worden en dat is niet mogelijk zonder de wilsvorming in het denken ter hand te nemen om de willekeur uit te sluiten. Denktucht impliceert het uitsluiten van de willekeur, ipso facto echter niet het uitsluiten van het subject. Daar waar het subject uitgesloten wordt ontstaat niet zo maar objectiviteit. 

Het objectiviteitsstreven heeft de willekeur willen uitsluiten, voor zover die met het subject kan binnen sluipen, in die zin moest er geleerd worden, middels begripsvorming recht te doen aan het object middels de feiten, maar daar moet het objectiviteitsstreven niet eindigen, aangezien daar waar het subject radicaal buiten spel is gezet juist de willekeur buiten het subject om kan binnen sluipen. De willekeur moet bestreden worden niet door het subject uit te sluiten maar door het subject in te sluiten en om te vormen tot een onbaatzuchtige en onbevangen openheid voor het wat: dat vraagt niet om het uitleven van willekeur maar om het ‘Uw wil geschiedde’. 

Het niet vorm geven aan willekeur impliceert echter juist een wilsvorming zich in te zetten voor de goede zaak: wat wil geschieden, wat vorm wil krijgen in dienstbaarheid. Daartoe moet niet alleen het denken geschoold worden, maar evenzeer de wil. Zonder wilsscholing geen denktucht, zonder denkscholing geen wilstucht. Ziehier de vergeten implicatie van denken en willen als elkaars tegendeel. Daarmee is niet gezegd dat de tegenstelling geen interpretatiearbeid, geen hermeneutiek meer vergt, integendeel. Hier begint pas de strijd om het ware, goede en schone gestalte te geven. En dat is niet mogelijk zonder het inzetten van zin en gezindheid, van eros en thanathos, van willen en denken. Behoefte en verlangen dienen elkaar uit te zuiveren omwille van verwezenlijking en verwerkelijking van object en subject, lees hier het zoeken naar een ethisch gefundeerde onderzoekshouding. 

In die zin dient de ethiek niet de metafysiek uit te sluiten maar in te sluiten en zelfs vooraf te gaan met het stellen van de vraag naar zinvolheid en vervulling van de relatie tussen subject en object. De wederkerigheid wil door het grondpatroon bemiddeld worden tot een hernieuwd schouwtoneel waarop nu drama zich omvormt tot opera in de betekenis van moeite, bemoeiing, werk, schepping en kunstwerk hetgeen niet mogelijk is zonder een subject betrokken bemiddeling. 

Hedendaags dreigt drama te verworden tot melodrama: de handeling wordt een verhandeling en eindigt op een ‘stuk’ toneel: fata morgana van een catastrofale tot een in het atoom losgeslagen dynamiek. De handeling als onderdeel van het heilige ritueel dat hier en nu schept, dreigt te ontaarden in een treurspel van terreur en willekeur: ontketend geweld dat blijft ontketenen omwille van het geweld dat naar de macht wil grijpen en slechts haat weet te zaaien (het infowane denken) in plaats van liefde en vrijheid. (zie diagram uitwerking van Bellavista) (zie voor infomaan en infowaan denken elders…) 

In en met het grondpatroon leren werken is niet mogelijk zonder het ter hand nemen van de persoonsvorming. Een scholing van de wil maakt een gedisciplineerd denken pas mogelijk en dat is niet mogelijk zonder het fysieke lichamelijke inzetten van het subject, betrokken op het ware, goede en schone. Dat is wat in het ambacht ten aanzien van het kunnen pas tot kunst doet leiden. Een scholing van het denken maakt een getuchtigd willen pas mogelijk en dat is weer niet mogelijk zonder het geestelijke afzetten in een object betrokken gang op zoek naar de feiten. Dat is wat in het ambacht van het kennen pas tot kennis doet leiden. Zo vraagt het getuchtigd willen de onbaatzuchtige inzet van de juiste kennis en zo vraagt een gedisciplineerd denken de baatzuchtige uitkomst van de juiste kunst aangaande de verwerkelijking en verwezenlijking van subject en object. (zie diagram kennen kennis, kunnen, kunst.)


Waar en wanneer verscheen het diagram en of het dynagram? 

Onder vele namen is het grondpatroon in de loop van haar wording in de geschiedenis aan de orde geweest. Met name C.G. Jung heeft deze structuur opnieuw onder de aandacht gebracht en uitgewerkt als een instrument. Met dit instrument kon Jung psychische processen en (dis)functies in beeld  brengen en als beeld van de psyche ook interpreteren, lezen. Hij gaf aan dit instrument een aloude naam: mandala. Wat zoveel wil zeggen als mand, cirkel, veelhoekige figuur. Dit instrument werd van oudsher op vele wijzen gebruikt, o.a. tijdens de meditatie, tijdens het raadplegen, in een ritueel, om te genezen, om te bouwen. In één woord om te kunnen leven raadpleegde de mythische mens tot op de dag van vandaag een diagram: een grafisch verbeeld doorkijkje. 

Om dit doorkijken mogelijk te maken moest het instrument wel ‘energetisch’ geladen worden in een ritueel, een handeling. Zonder dit herladen via het handelen kon het niet als energetisch werkend voertuig door de sjamaan benut worden. Om het herladen van energie mogelijk te maken, werden dezelfde regels benut als in het aloude ambacht van de instrumentenmaker. De magische werking vooronderstelde de integratie van mogelijke en noodzakelijke werkingen, onderscheiden naar lichaam, ziel en geest. Deze drie-eenheid van werking is in haar drieledige dynamiek verloren gegaan door de opkomst van het ontologische denken. Nu de omslag van ontologisch denken naar functioneel denken sinds 1900 is ingezet ontstaat weer ruimte om deze dynamiek om te zetten in een methodiek die systematisch is door te denken op haar geheel eigen logiek. 

Benutte Jung de mandala om psychische processen te relateren, zo heb ik vele jaren onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om mentale processen in het diagram te relateren. Dit onderzoek heb ik pas in een later stadium kunnen vergelijken met het werk van Jung. De wijze waarop het diagram in mijn functioneren verscheen is echter geheel en al beschreven en onderbouwd door Jung. Ik was mij geheel en al onbewust van het feit dat deze structuur precies daar verscheen daar waar de persoon psychische disfuncties trachtte te boven te komen. Ik zag mij in toenemende mate in deze structuur denken, zonder dat ik me bewust was van het feit wat ik nu exact aan het doen was. Ik zag het in aanvang als een vruchtbare wijze om ingewikkelde denkoperaties in beeld te brengen, met name tijdens voordrachten en trainingen. 

In feite bracht ik een lineair in de tijd gedacht diachroon denkproces in een synchroon geordende ruimte: een denkveld en of beeldveld. Als beelddenker schoolde ik mij in een geheel eigen didactiek om een analytisch begrippelijk denkproces om te zetten in een beeldelijk synthetisch denkproces. Hoe dit leerproces ook anderen kan helpen, vormt het uitgangspunt van een nieuwe didactiek waarin het leren denken in begrippen en het leren denken in beelden middels diagram en dynagram opnieuw aan elkaar gerelateerd dient te worden. In dit opzicht functioneert het diagram en of dynagram als een systeem dynamisch veld dat de vele bestaande modellen op een interactieve wijze kan bemiddelen, teneinde een functionele coherentie en consistentie en een in- / uitwisselbaarheid te bevorderen tussen even zovele modellen en concepten.

Met betrekking tot het fenomeen diagram en of dynagram kunnen we dus een evolutie constateren van diverse modellen en benamingen: van schema tot denkraam (quaternitair denkraam, Razenberg/Bosch), van mindmap (T.Buzan) tot brainmap (N.Herrmann), van matrix tot web, van diagram tot dynagram (zie ook Concept in diagram, A.Vandeursen), van systeem-dynamisch model (open systeem model, R.Quinn) tot bewustzijnssturing model (J.Ruis). Allen komen hierin overeen dat men geheel en al op zoek was naar een werktuig / voertuig om denkinhouden en denkbewegingen in beeld te brengen. 

Het is goed om hier van al deze pogingen expliciet melding te maken. Niet om de werking van het diagram te illustreren, maar om aan te tonen dat er naar gezocht werd en wordt, zij het dat de uiteindelijke formulering en toepassing veelal bleef steken in een statisch model, een plaatje. Men bleef veelal op het niveau van de inhouden steken en kon de overstap niet maken naar de bewegingen van het denken zelf. De aan het denken inherent ten grondslag liggende systematiek van de beweging komt nu pas op een methodische wijze in diagram en of dynagram aan de orde. Daartoe moeten de formele regels van het verschil en van de overeenkomst inzake de betrekking geformuleerd worden. Zie voor de verdere uitwerking het grondpatroon, c.q. de uitgewerkte diagrammen en dynagrammen met hun onderscheiden functies.

Een veel interessantere bemerking is, dat niet zozeer het zoeken naar dit model tot nu toe vrucht heeft opgeleverd, als wel het systematisch onderzoeken van bepaalde processen in het leren (D.Kolb), in het organiseren (R.Quinn), in het functioneren (M. Belbin), in het communiceren (T. Leary), in het samenwerken (groepsdynamica van zelfsturende groepen), etc.  Allen leiden naar het in gebruik nemen van een daartoe geëigend model: een soort van diagram in één of andere vorm. Zij het dat ze veelal nog gebruikt werden als een schema, een willekeurig model die de structuur zichtbaar maakt en nog geenszins in staat om ook de daaraan ten grondslag liggende ordening in beeld te brengen op grond waarvan het inzicht kon groeien dat ze in principe herleid konden worden tot een zelfde bewegingssystematiek. 

Dit werk nu vormt de inhoud van mijn onderzoek. Daarin worden pogingen ondernomen om de ordeningswetmatigheden van het denken op te sporen en systematisch te verbinden met de werking van het diagram en of dynagram als een systeem dynamisch veld. Dit betrekkingsveld is niet mogelijk zonder de categorie van de ruimte en van de tijd geheel en al opnieuw te denken en te betrekken op de visuele ruimte waarin zowel het begrip als het beeld op een systematische wijze methodisch verbonden kunnen worden in de analytische en synthetische functie van het denken. 

Om de beweging van en in het denken op een juiste wijze te kunnen verstaan is het van belang om deze geheel en al te koppelen aan de door Plato in de Phaedrus verwoorde beweging van de ziel als het door zich zelf bewogene als intrinsieke bron en beginsel van alle zielenbeweging. Alleen dat wat zichzelf beweegt – daar het nooit in gebreke blijft tegenover zichzelf – houdt bijgevolg nooit op in beweging te zijn: de beweging is en niet ontstaan en niet vergankelijk. Plato markeert de wezenheid en het begrip van de ziel in de zelf-beweging. Deze zelf-beweging van de ziel manifesteert zich in alle zielsvermogens en wel die van het willen, voelen en denken. Daar waar Jung op deze zelf-beweging stuit in het te boven komen van psychisch disfunctioneren, daar kan deze zelf-beweging geheel en al toegekend worden aan het aloude zielenbegrip van Plato. 

Vandaar dat Jung niet geheel onbekend was met de gedachte dat niet alleen gevoelsmatige zelf-bewegingen ruimtelijk traceerbaar zouden kunnen worden in vorm en kleur, maar evenzeer die van het willen en het denken. Hij is echter er niet meer toegekomen om de mandala uit te werken als een werktuig / voertuig voor het denken: het door ons beoogde diagram. (zie Aniëlla Jaffé met haar vraag aan Jung in hoeverre de mandala ook te denken is…) 

Drie zichzelf bewegende zielsvermogens tot uiting komend in het willen, voelen en denken. Zie hier de basis voor de mogelijke extrapolatie van de mandala naar het diagram als eerste experiment, uiteindelijk werkt zowel in het denken op zich, als in het voelen op zich, als in het willen op zich dezelfde systematiek van alle zelf-beweging van de ziel. Het is deze zelf-beweging die we nu moeten transponeren, zowel in de analogie als in de polariteit tussen denken en willen, met het voelen als hun beider middenveld, een in wezen lege ruimte: klankkast voor wat de zelf-beweging ontlokt aan het lichamelijke, zielmatige en geestelijke bevinden: emotie, de beweging van het gemoed voortgekomen uit de ontroering. Dat wat ontroerd is, is opnieuw in beweging gebracht en kan leiden tot het uiten van emoties als doel en zin van zelf-beweging zowel op lichamelijk, zielmatig en geestelijk niveau. 

Het diagram en of dynagram is voor haar functioneren ten diepste afhankelijk van deze drieledige systematiek van de zielsvermogens en op haar beurt brengen deze zielsvermogens deze systematiek aan het licht in de vorm van levende patronen: symbolen, beelden, modellen, plaatjes en metaforen. Willen we deze zelf-bewegingssystematiek als een integrale drieledige ziele-systematiek opnieuw leren verstaan dan is het niet mogelijk om lichaam, ziel en geest in hun onderlinge bewegingsdynamiek buiten beschouwing te laten. Dat vraagt om een hernieuwde ambachtelijke benadering van het willen, voelen en denken via lichaam, ziel en geest. Kern vormt dan de wijze waarop het subject in zijn zelf-bewegingssystematiek als persoon vierledig kan uitgroeien en op welke wijze hij in deze gevormd dient te worden. Zie daarvoor de uitwerkingen inzake Bildung en de persoonsontwikkeling via de stadia van zelf functie, ego functie, identiteit functie en ik functie; zelf f en identiteit f op de zelf as en ego f en ik f op de ik as, c.q. impuls as en plaats as (zie voor uitleg theorie boek systeem dynamiek).

Immers de ontwikkeling van een zelf-beweging is niet mogelijk zonder het verbinden van groei en vorming, van genieten en vernieten, van een subject betrokken strategie en een object betrokken strategie, zonder een subject betrokken meebewegen en zonder een object betrokken tegenbewegen, zonder willen en denken. De omslag naar het functionele denken moeten we paradigmatisch dan ook verstaan als een herintreden van het subject. Immers met het uitsluiten van het subject is ook een einde gekomen aan alle zelf-beweging: hier sterft de ziel en met haar lichaam en geest. Hier sterft de humaniteit, bron en beginsel van cultuur, zin en doel van het bouwen en bebouwen van subject en object in wederkerige gelijkwaardigheid. 

De mogelijkheid van het diagram en of dynagram verschijnt met de heropleving van het subject als persoon. Persoon verstaan als per-sonnare, dat wat er doorheen kan klinken, verstaan als zelf-beweging. Het zelf vormt bron en beginsel van de persoonsvorming, uitgroeiend tot het vormen van een zelfbeeld en het in werking zetten van het ego in het kleine ik, het verwerven van identiteit (in de tegenstelling van idem en ipse) als ondeelbaar met zichzelf samen vallend: individu, uitmondend in het tot stand brengen van authenticiteit in een autonome ik-positie waarin het zichzelf kan stellen en zichzelf tevens kan opgeven: het grote IK. (zie voor verder uitwerking elders …) (diagram van de persoonsontwikkeling) 

Langzaam maar zeker zien we de omslag van het ontologische denken naar het functionele denken vorm krijgen in het hernemen van het mythische denken. In die zin herontdekken we dan ook het diagram en of dynagram als werktuig en voertuig bij de sjamanen, in velerlei vorm waaronder het medicijnwiel van de indianen uit Noord-Amerika. Herontdekt Jung het geheim van de Gouden Bloem en de werking van de mandala. Herontdekt Alfons Rosenberg de werking van het diagram als Christogram. Herontdek ik het symbool als een cd-rommetje uit de oudheid en kan ik de werking van het beeld transponeren naar het diagram als een systeem dynamisch veld, te benutten als een voertuig en werktuig van en voor het denken en willen. 

Deze ontdekkingen verlopen niet lineair en accumulatief, ze vinden hun bron en beginsel in de zelf-beweging, voor zover betreffende personen hun persoonlijke ontwikkeling hebben weten te transformeren tot een in-formatief handelen. Deze persoonlijke ontwikkeling moet opnieuw in de systematiek, methodiek en logiek van het diagram en of dynagram bron en beginsel van werking krijgen. Deze werking kunnen we op het spoor komen door opnieuw de vorm van het beeld op ons te laten inwerken. Deze inwerking is psychologisch gezien genoegzaam bekend en vormt het uitgangspunt van elk reclameren. 

Specifiek zien we hier een poging tot manipulatie. En manipulatie kunnen we verstaan als zich een hand willen laten vullen, als een reactief zich in beweging willen zetten op een getoonde impuls. In het reactieve bewegen kan het proactieve bewegen geïmpulseerd worden, in die zin zien we dan ook rond 1900 een omslag in het beeldende denken hand in hand gaan met een veranderen in het denken zelf voorafgegaan door de destructie van het teken en of plaatje ten faveure van het beeld en de beeldvorming. Het subject werd gedwongen met betrekking tot de waarneming van de abstracte voorstelling zijn eigen subject-zijn in te brengen om er zin en betekenis aan te kunnen gewaarworden en waarnemen. 

Het is het werk van Rudolf Arnheim in zijn Macht der Mitte waarin hij ons wijst op de werking van het beeld voor zover het beeld werkt door de compositie van de grootte, zwaarte en kleur van de delen die allen op hun beurt inwerken in de waarneming van het subject. Altijd is met betrekking tot de waarneming de verkeerde vraag gesteld: in hoeverre is datgene wat de waarnemer waarneemt onafhankelijk van de waarneming waar? Geenszins is er een object te definiëren buiten de waarneming van de waarnemer om, het waargenome constitueert zich in de relatie tussen waarnemer en het waargenome en wel voorzover waarneming geschiedt, vorm krijgt en zich kan ontwikkelen in en door het waarnemen zelf. 

Het waarnemen moet dan ook gedefinieerd worden als het leren voor waar te nemen wat zich aan mij als subject voor doet. Dat betekent niet een willekeur van het subject naar het object, dat betekent dat het subject nog moet realiseren wat tussen hen in zich voor doet en nog doende is te verschijnen: het waarnemen is een voor waar nemen van wat er tussen subject en object gaande is zich te manifesteren. Te verstaan als een aan het licht brengen, als een zich kunnen vertonen van het fenomeen dat zich wil verduidelijken in zijn verschijnen en die het subject slechts feitelijk op heterdaad zou willen betrappen om het object zo bij de hand te kunnen grijpen, niet om het naar zijn hand te zetten, maar om zich aan elkaar bekend te maken: in een open baren van het object aan het subject en andersom (zie elders…). 

Dit in openheid elkaar doen baren, is het doen worden van het fenomeen in de waarneming als act tussen waarnemer en waargenome, waarin beiden naar hun aard en wezen passief en actief hun inbreng verdisconteren. Daar is dan ook werkelijk moed voor nodig om de waarneming in alle onbaatzuchtigheid te doen uitgroeien tot een fenomeen zodat het uit zichzelf verschijnende mij kan toespreken, mij kan toeschijnen, mij kan gezeggen wat en wie het in relatie tot mij wil zijn en worden. De moed om zich dan ook terug te houden om de waarneming niet te vangen in het illusoire net van de feiten, kan niet aantreden zonder de zelf-beweging en wel in de vorm van de ik-functie als bron en beginsel in te zetten van de waarneming.  Pas in en vanuit de onbaatzuchtige waarneming kan het subject zich gaan verhouden tot het waargenome in een dynamische beeldvorming. 

Heel de ontwikkeling van de fenomenologie kan niet begrepen worden zonder de omslag in het denken en waarnemen te betrekken. Zo komt met de fenomenologie ook de hermeneutiek in beeld als de kunst en kunde van het lezen. Het interpreteren is dan niet alleen meer een zaak van de oordeelsvorming maar evenzeer een zaak van de beeldvorming geworden waardoor het functionele denken haar tegenstelling schept tussen begrip en beeld. En het is deze tegenstelling die creatief werkzaam wordt in het diagram en of in het dynagram, aangezien ze zowel analytisch, begrippen haar plaats toewijst dan wel verzoekt te vinden als synthetisch tracht de posities op elkaar te betrekken in een te conceptualiseren kader. Daar waar in het diagram beeld en begrip te samen op elkaar betrokken kunnen worden, ontstaan vele vormen van zicht: aanzicht, uitzicht, inzicht, doorzicht (zie het diagram voor hun relatieve posities). 

Fenomenologie en hermeneutiek verhouden zich tot elkaar als beeldvorming en begripsvorming om in de tegenstelling van het beelden te kunnen bouwen. Het humaniseringsproces is zonder deze wetenschappelijke arbeid niet meer voort te zetten (zie elders…). 

Dia- en dyna- grammatisch gezien doet de compositie en de configuratie het synchrone taalveld ontspringen in gerelateerde betekenisverhoudingen. Op zich zijn ruimte en tijd daarin de constituerende factoren. Het is dan ook Paul Ricoeur geweest die ons gewezen heeft op de verschillende dimensies van de figuratie: zie elders voor de uitwerking van de prefiguratieve, refiguratieve, configuratieve en defiguratieve (alfons vandeursen) dimensies van het verhaal en het concept. (zie voor hun posities het diagram) 

Zo moeten we ook zoeken naar de dimensies van de compositie. Dat brengt ons bij de vraag wat is een diagram en of dynagram?


Wat is een diagram en of dynagram? 

Van meet af aan moeten wij stellen dat het diagram en of dynagram een antropomorf medium is. Een verwijding van het menselijke ordenen, vorm gekregen in een onmiddellijke structuur die door alle fasen van de menselijke denkontwikkeling het zelfde is gebleven. En dat is niet vreemd aangezien dat wat de mens, mens doet worden nog geheel in werking is. En dat wat in de mens in werking is, schept zich een verwijding om aan zichzelve kenbaar te maken als het scheppende in de wereld en ipso facto in de mens als haar onlosmakelijke tegendeel. In dier voege medieert het diagram en of dynagram tussen mens en werkelijkheid en vormt zij het oer-midden waarin en waarop subject en object hun grondstructuur hervinden om hun neergang en opgang te herordenen in een scheppend proces. Het diagram en of dynagram als grondpatroon functioneert in een levend oer-weten.

Het diagram en of dynagram functioneert als een midden tussen mens en werkelijkheid. Grond hiervoor is niet zozeer de werking van het causaliteitsbeginsel in het fysieke domein maar de werking van het analogiebeginsel in het domein van al wat leeft. In de werking van de analogie worden alle dimensies in de schepping tegelijk verbonden en gescheiden gehouden in vele reeksen van gespiegelde en transparante lagen van bestaan. 

Op deze wijze herleeft in het diagram en of dynagram het oude mythische weten:

Alles hangt met alles samen,  zo boven zo beneden en vice versa, in elk deel weerspiegelt zich het geheel (het pars pro toto princiep), en tot slot het geheel is meer dan de som der delen. Vier grondbeginselen die in het diagram en of dynagram, c.q. het grondpatroon op een rationele wijze opnieuw tot leven komen. 

De mens is zo wijd als alle werkelijkheid en alle werkelijkheid vindt in de mens haar bekroning en fundering. Deze al eenheid van mens en werkelijkheid wordt in het diagram en of dynagram tastbaar en zichtbaar gemaakt. Zo doende manifesteert het diagram de levende wisselwerking tussen mens en werkelijkheid. Tussen innerlijke werkelijkheid en uiterlijke werkelijkheid, tussen boven en onder (verticaal), tussen links en rechts (horizontaal), tussen voor en achter (sagittaal). Tussen geest en lichaam, tussen denken en willen, tussen antipathie en sympathie. Er bestaat een wezenlijke tegendelige betrekking tussen subject en object en het diagram en of dynagram verschijnt in hun midden als deelhebbend aan deze tegendelige betrekking om tegelijkertijd de tegenstellingen zichtbaar te maken als in een transparante spiegel. Zij geeft zicht en tegelijkertijd doorzicht, inzicht en tegelijkertijd uitzicht. In het diagram en of dynagram wordt de werking van het symbool in al haar rijkdom aan vormen weer rationeel, emotioneel en volutioneel hanteerbaar. Het diagram en of dynagram verschijnt zo als een levende gestalte: zowel in evenbeeld als tegenbeeld, op het aambeeld en in het voorbeeld. 

Als een antropomorf te denken medium is het diagram en of dynagram van alle tijden en daar waar mensen handelen, verschijnt ipso facto het grondpatroon. In het handelen als een ik gerelateerd of zelf gerelateerd handelen dienen nog de zielenfuncties van denken, voelen en willen in hun onderscheiden dynamiek drieledig gepositioneerd te worden. Dat is echter niet voldoende, aangezien het dynagram en of diagram menselijkerwijze respectievelijk indaalt en opstijgt in het drieledige domein van de geest, de ziel en het lichaam. En zo het lichaam als object participeert aan de fysieke werkelijkheid zo participeert het bewustzijn aan de geestelijke werkelijkheid. Ondanks en/of dankzij hun fundamentele dualiteit schept een derde grootheid dit instrument bij uitstek om haar weg te kunnen vinden en gaande de weg begaanbaar te houden. 

Om deze derde grootheid op te kunnen sporen als een te denken, te voelen en te willen zielenwerkelijkheid dienen wij slechts het grondpatroon in ogenschouw te nemen als het beeldveld met haar constituerende grootheden: punt, cirkel, horizontaal, verticaal, rechtopstaande dynamische kruis / diagram, liggende statische kruis / dynagram. Te samen vormen zij het labyrint waarin de mens kan verdwijnen (doolhof) of verschijnen (zonnerad, rad van fortuin) op zijn/haar levensweg tussen hemel en aarde. Eindigt het sterven in de dood of wordt in het sterven het leven bekrachtigd? 

Enerzijds het grondpatroon voor te stellen als werktuig voor het denken en anderzijds het grondpatroon in te stellen als voertuig voor het willen. Het ene vraagt om een opponerende en het andere om een participerende strategie. Enerzijds is het buiten mij te vinden en anderzijds is het grondpatroon in mij zelf te hervinden. Je ik te leren reflecteren op het grondpatroon (~het diagram mbt je ik functie) en je zelf te leren situeren in het grondpatroon (~ het dynagram mbt je zelf functie). Heel het menselijke functioneren vormt een analogie in het grondpatroon als het beeld-veld in functie van zijn en worden, ruimte en tijd, mannelijke en vrouwelijke ziele dynamiek. 

Deze duale dynamiek vinden wij terug in de betrekking tussen punt en cirkel (deel ~ geheel), verticaal en horizontaal (polariteit ~ dualiteit) , rechtopstaand dynamisch kruis (dynamisch ruit) en liggend statisch kruis (statisch vierkant), links omdraaiende en rechts omdraaiende dynamiek (swastika), regressieve en progressieve tendentie, afdalende links omgaande en opstijgende rechts omgaande beweging, latijns ongelijkbenige kruis en grieks gelijkbenige kruis, etc. Even zovele analogie reeksen die elkaar verhelderen en duiden in hun veelzijdige betrekkingen en die evenzeer in hun gestalten hun getalsmatige aard laten oplichten in de  respectievelijke verhoudingen tussen 1 en 0, 3 en 2, 4 en 5 en nog talloze andere getalsverhoudingen zoals 3 : 4, etc. Het getal medieert op een heimelijke wijze tussen woord (begrip) en verhaal (beeld), tussen betekenisverlening en zinduiding. 

Het grondpatroon als com-positie van tekens manifesteert in hun onderscheiden betrekkingen een con-figuratie van symbolen. Deze symbolen kennen een mensenlange traditie van gedateerde en ruimtelijk gesitueerde tekens. De com-positie in het veld markeert hun con-figurerende werking in betekenis en duiding. De configuratie in de tijd is afhankelijk van de compositie in de ruimte en vice versa. Vandaar dat het grondpatroon begrijpen zijn aanvang neemt in de beeldwerking van de compositie teneinde de begrippen te kunnen positioneren en het grondpatroon verstaan, zijn omvang krijgt in de begripswerking van de configuratie teneinde de concepten te kunnen beelden. 

Door haar compositie is het grondpatroon enerzijds een gesloten structuur en door haar configuratie mogelijkheden vormt het grondpatroon anderzijds een open veld om te ordenen. Zo laten zich ook haar constituerende grootheden beelden en lezen in fenomenologie en hermeneutiek. Er is geen dit of dat, definitorisch scherp te slijpen in hun overeenkomsten en verschillen. Veeleer is de betrekking tussen het een en het andere die het dit is dat (insluitende) en het dat is niet dit (uitsluitende) in tegenstelling houdt als een eeuwige strijd tussen beeld en begrip, zinsduiding en betekenisverlening. Zo laat zich ook de geschiedenis van het grondpatroon lezen in al haar beelden zowel met betrekking tot haar compositie als met betrekking tot haar configuratie. Het grondpatroon is in al haar constituerende delen / tekens op talloze wijzen gesymboliseerd als een veld in werking. 

Om deze werking in al haar dynamiek en complexiteit te kunnen ondergaan is het geboden ze lijfelijk na te speuren en invoelbaar te maken als geestelijke grootheden. Als teken verstoffelijkt tot in de vorm, blijven ze inwerken op de menselijke zielendynamiek en pas na die inwerking kan de mens gaande de weg hun uitwerking via lichaam en geest bemeesteren teneinde er scheppend mee om te gaan. Een werkelijke omgang in en met het grondpatroon schept een werkende voortgang van het humaniseringsproces. 

In die zin werkt het grondpatroon zowel in-formerend als trans-formerend, ze brengt de mens in vorm om zich om te vormen. Om de werking van de vorm toe te laten, dient men zich in aanvang open te stellen. De vorm van het grondpatroon in al haar tekens wekt de herinnering als een opnieuw te binnen brengen van wat in de mens onbewust al besloten ligt aan werking om zo te herontdekken hoe de cultuur in al haar gestalten een rijkdom etaleert zonder einde. Vandaar dat slechts een marginale expositie de revue kan passeren om enigszins voelbaar te maken wat in essentie in en rond de tekens leeft aan symboliek. 

Punt en cirkel.

Beiden constitueren elkaar in hun betrekking, zonder punt geen cirkel en zonder cirkel geen punt. Het deel is omringd door het geheel en het geheel wordt ingeringd tot een deel. Eenheid in heelheid vormen een ongedifferentieerd onmiddellijk heilig midden dat innerlijk pulseert, uitstralend en instralend. Dit symbool van het midden behoort tot het meest oorspronkelijke erfgoed van de mensheid en is op talloze wijzen verhaald en verbeeld in mythen en symbolen.

De heilige berg, de heilige stad, de heilige tempel, het heilige altaar: allen gesitueerd in het midden van de wereld en dit midden voortdurend ook tegenwoordig stellend als een eeuwige oerbron van waaruit alles voortdurend stroomt in alles. Dit exploderende en imploderende middelpunt is het heilige domein van het verschijnen en het verdwijnen, van het iets en het niets: dimensie van een relatieve en absolute werkelijkheid, eindig en oneindig ineen. 

Aan dit heilige midden participeert op analoge wijze elk punt, elk deel, elk object, elk subject in deze werkelijkheid. Dit deel kunnen zijn van en worden aan dit heilige midden karakteriseert zelfs iedere heilige zoektocht hier op aarde naar het present stellen van de goddelijke zielenvonk. In het verlangen schuilt dit heilige midden als een onbewogen beweging, als een gestalteloos gestalten van het mysterie. Onuitputtelijk geheim dat het verlangen beweegt naar een altijd voorlopig heim. 

Punt van verschijnen en van verdwijnen, van manifestatie en van negatie tegelijkertijd, oerstructuur van alle werkelijkheid: rust in de onrust en onrust in de rust, ruimte in de tijd en tijd in de ruimte, veelvoud in eenvoud en eenvoud in veelvoud. 

Een punt stelt zich of wordt gesteld door het kruisen van twee tegenkrachten fenomenaal in beeld gebracht in de werking van de Lemniscaat. Resultante van beweging of beweging resulterend. 

bij gelegenheid verder uit te werken: horizontaal / verticaal / diagonaal etc! 


Hoe werkt het diagram en of het dynagram? 

De werking van het grondpatroon in diagram en of dynagram kan in feite niet meer uitgelegd worden zonder het diagram en of dynagram in deze als systeem dynamisch beeldveld te introduceren. De introductie van deze werking vraagt bijvoorbeeld om het zich realiseren van meerledige betrekkingen, in deze bijvoorbeeld een 2ledige, 4ledige en of 8 ledige systematiek en die te doen situeren in een diagram en of dynagram, al of niet op een dynamisch of statisch kruis. (zie diagram: het zelf leren oriënteren op het diagram op oost, het zelf leren reflecteren in/op het diagram op noord, het zelf leren situeren in het diagram op zuid, het zelf leren hanteren van het diagram op west) 

Uiteindelijk wordt de werking van het diagram en of dynagram pas zichtbaar in het kunnen hanteren van het diagram en of dynagram. Buiten dit hanteren is er geen toegang, aangezien het diagram en of dynagram pas kracht van werking krijgt in een subject betrokken leerroute. Aangezien het subject binnen een ontologisch denkhouding terug gehouden werd om een object betrokken strategie mogelijk te maken, moet het subject opnieuw aangesproken worden als drager van de denkbewegingen in het diagram en of dynagram. Dit aanspreken geschiedt in de wederkerigheid van het toegesproken worden. In het toespreken wendt de aangesprokene zich tot dat wat op hem/haar afkomt, dat wat op hem/haar toekomt kan helpen zich te oriënteren op wat hem/haar daarin aanspreekt. Deze strategie luidt dan ook de object betrokken oriëntatie in op het diagram en of dynagram. Het diagram en of dynagram vertoeft voor het subject waarneembaar in de buitenwereld, het subject echter weet nog niet wat het diagram en of dynagram in hem/haar doet gewaarworden. Het diagram en of dynagram is als fenomeen echter zowel in de buitenwereld als in de binnenwereld aanwezig, aangezien het diagram en of het dynagram, structuur en ordening als haar tegendelen weet te bemiddelen in een tegenstelling. 

Vandaar dat het subject ook genodigd wordt tot een andere strategie: een subject betrokken oriëntatie op het diagram en of dynagram. Voor het subject nog onwaarneembaar vertoeft het diagram en of dynagram in zijn/haar binnenwereld en wel op een antropomorfe wijze, zijn/haar lichamelijkheid betreffende. Middels simpele oefeningen wordt gevraagd op zoek te gaan naar bepaalde te traceren en te lokaliseren gewaarwordingen en die uit te bouwen tot valide waarnemingen. Waarneembaar voor waar te houden en als zodanig te objectiveren in de ruimte van zijn lichamelijkheid. Het is de kunst om die ruimte ook te doorvoelen op haar constituerende assen: te weten de verticaal, de horizontaal en de sagittaal en daarop al of niet favoriete posities. Door deze posities te verbinden, ontstaan de desbetreffende kwadranten van het bijdragen en het misdragen. Hiermee ontstaat diagonaal gezien een spanningsveld aangezien een voorkeur per as ook polair de afkeer laat zien. Dit spanningsveld vraagt om het instellen van een hulpfunctie op de andere diagonaal: opponerend kan die geformuleerd worden als wat zie jij als je opdracht en participerend kan die geformuleerd worden als wat is je afdracht. Zo ontstaat er een draagcirkel rond het andreaskruis, het liggende kruis, het statische kruis, wat wij in wezen nu kunnen benoemen als wat heb je werkzaam te maken in je leerproces. Het diagram en of dynagram situationeel in je zelf opsporen, leidt tot een je zelf situeren in het diagram en of dynagram: dat vraagt om een participerende subject betrokken beeldvorming die uiteindelijk de object betrokken begripsvorming zal initiëren met levenskracht. 

In de buitenwereld wordt de trainee geconfronteerd met de grote verhalen, de grote beelden, de grote handelingen die de mensheid van oudsher heeft veruitwendigd. Zij manifesteren de werking van het diagram en of dynagram als systeem dynamisch veld in de gestolde structuren van begrip en beeld. Deze confrontatie geschiedt in een opponerende strategie die object betrokken van aard is: het kenbaar maken van het verschijnsel diagram en of dynagram in al haar verschijningsvormen. Deze verschijningsvormen zijn niet zonder werking, aangezien het zich oriënteren overgaat in een reflecteren op het diagram en of dynagram. Reflecteren wil zoveel zeggen als weerspiegelen. Al deze grondpatronen wekken, met de geheel eigen kracht van de werking van het gestructureerde beeld, in de waarnemer precies die ordende krachten op, die geleid hebben tot deze structurering. Dit wekken vindt onbewust plaats, aangezien de werking van het beeld nog niet gedacht maar wel primair gewild kan worden, dat wil zeggen die werking wordt voelbaar in het wilsproces als zodanig en dat onttrekt zich vooralsnog aan het bewustzijn. Wij tonen in wezen het getoonde omdat het getoonde niet zonder werking is, het is aan het subject om gewaar te worden, wat er in hem bewogen wordt, wakker te worden. Reflecteren is het zich bewust worden wat er onbewust heeft plaats gevonden in zake de beeldvorming. Je zelf reflecteren in en op het diagram en of dynagram vraagt om een object betrokken begripsvorming die uiteindelijk de subject betrokken beeldvorming zal initiëren met doodskracht. 

Met betrekking tot de binnenwereld dienen wij niet zozeer ons te oriënteren op de grote verhalen, - beelden, - handelingen, maar dienen wij ons te oriënteren op het kleine verhaal, beeld, handeling die in iedere mens schuilen. Deze oriëntatie richt zich naar binnen, stapsgewijs, conform de structuur van het diagram en of dynagram, zich innerlijk te vergewissen wat, waar en wanneer en hoe zich iets voordoet in het lichamelijke domein. Dat vraagt veeleer om in een participerende strategie, die subject betrokken van aard is, de kracht van de waarneming in te zetten. Immers dat wat zich aan kan dienen als onbevangen gewaarwording, opgedaan in de onderscheiden lichaamsoefeningen, dient in een onbaatzuchtige waarneming geobjectiveerd te worden. Dat wat binnen slaapt, dient wakker buiten gezet te kunnen worden als dat wat in dit subject leeft, en dat wat leeft wil zich verwerkelijken. Deze participerende subject-betrokken strategie nodigt het subject feitelijk uit zich in het dynagram en of diagram te situeren. Dit zich situeren bemiddelt feitelijk de nog onbewuste lichamelijke binnenwereld met de bewust geworden buitenwereld. Dat wat in het subject leeft, wordt zichtbaar in de mate zij/hij haar/zijn eigen processen weet te situeren in het dynagram en of diagram. Dat wekt niet zozeer zijn/haar wilsvermogen als wel zijn/haar denkvermogen. 

Zo de beeldvorming onbewust appelleert aan het denkvermogen, zo appelleert de begripsvorming onbewust aan het wilsvermogen. Dit appèl gaat respectievelijk uit van het gestolde en gestructureerde beeld en van het gefixeerde en gedefinieerde begrip.Het denkvermogen wordt wakker daar waar een beeld verschijnt, het wilsvermogen wordt wakker daar waar een begrip inschijnt. Je situeren in het dynagram en of diagram is aanvankelijk een participerende subject betrokken leerroute om je een beeld te vormen van je feitelijk bevinden in een feitelijk beleefde en te beleven lichamelijkheid in en aan werkelijkheid. Reflecteren op het dynagram en of diagram is aanvankelijk een opponerende object betrokken strategie om je een begrip te vormen van je geestelijk bevinden in een ideëel beleefde en te beleven geestelijkheid in en aan de werkelijkheid. Zowel het situeren als het reflecteren, leiden ieder op zich naar het leren hanteren van het diagram en of dynagram als een systeem dynamisch veld waarop beeldvorming leidt naar het inzetten van het te ontwikkelen begripsvermogen en waarop begripsvorming leidt naar het inzetten van het te ontwikkelen beeldvermogen. Het begrip kan niet functioneren zonder beeldvorming en het beeld kan niet functioneren zonder begripsvorming. Deze polaire dynamiek wordt bemiddeld door lichamelijk op zoek te gaan naar het innerlijk te beleven dynagram via de participerende zuid-route en door geestelijk op zoek te gaan naar het uiterlijk te beleven diagram via de opponerende noord-route. Deze twee routes dienen in de persoonsvorming onderscheiden ingezet te worden, om juist in hun polariteitswerking als kracht van existentie en als macht van essentie bewust gemaakt te worden in het eigen willen en het eigen denken van iedere persoon in kwestie. Zo de essentie het denken aanspreekt en het willen onbewust in werking doet treden, zo kan de existentie het willen aanspreken en het denken onbewust in werking doen treden. Deze wisselwerking situeren wij in het veld van het zelf bewegende: de zielenwerkelijkheid die tussen geest en stof, tussen verlangen en behoefte, tussen eros en thanatos, tussen levensdrift en doodsdrift, op weg is zich te verwerkelijken in het herverbinden van stof aan geest en van geest aan stof.

Zin voor zin schrijvend, ontworstel ik mij zelf aan het niet-weten, om zo al voortbewegend aan het licht te brengen al wat in het dynagram en of diagram, lees in mijn zelf, aan bewegingen valt te lezen omtrent het wezen en het zijn der dingen. Ingespannen tussen essentie en existentie, tussen zijn en worden van al die wezens die zich aan en met elkaar verwezenlijken. Uit zich zelfve te voorschijn tredend langs de omweg van de ander, het andere en De Ander. 

Existentie ontsluit essentie door de wilsbetrekking tot inzet van persoonlijke groei te maken, essentie ontsluit existentie door de denkbetrekking tot inzet van persoonlijke vorming te maken. Reflecteren op het uiterlijke diagram in de onderscheiden essenties van haar verschijningsvormen weerspiegelt het situeren in het innerlijke dynagram in de onderscheiden existenties van persoonlijke trajecten en projecten. Omgekeerd kunnen in alle unieke existentieel geleefde verhoudingen tot zowel de innerlijke als de uiterlijke leefwerelden precies die patronen verschijnen die essenties doen oplichten, zoals de essenties op hun beurt die existenties kunnen doen inlichten omtrent de intentionaliteit van hun uitstaan naar zichzelf, de medemens en de wereld in hun evenzovele dimensies van lichaam, ziel en geest. 

Essentie en existentie verhouden zich tot elkaar als het grote verhaal, het grote beeld, de grote handeling tot het kleine verhaal, het kleine beeld, de kleine handeling. Het grote is ooit uit het kleine geworden en het kleine zal nooit eindigend het grote willen voortbrengen. Het grote weerspiegelt het kleine als uiterlijk waarneembare structuren en als innerlijk waarneembare ordeningen. Structuren appelleren, evoceren, deze ordeningskrachten, omgekeerd invoceren ordeningskrachten weer nieuwe structuren. Deze wisselwerking tussen buiten en binnen, beneden en boven, deel en geheel, moet weer aan het licht gebracht worden en vooral werkzaam worden in de subject object relatie. Evenzeer moeten de grote verhalen, beelden en handelingen weer tot leven gewekt worden, willen ze mensen kunnen evoceren weer op zoek te gaan naar hun eigen innerlijke kleine verhalen, beelden en handelingen. Het is dit gesprek wat gerevitaliseerd dient te worden zowel naar haar structuur (inwerkend op groei) als naar haar ordening (uitwerkend op vorming). Structuurkrachten en ordeningsmachten zijn versluierd geraakt, in vergetelheid verlaten en leiden een slapend bestaan in de relatie tussen subject en object. Het  dynagram en of diagram bemiddelt deze opwekking en wederopstanding van structuur en ordening om te komen tot een bewust hanteren, handelen, in het functioneren tussen subject en object en andersom. Dit is de essentie van bildung zoals we dat in artesS verband vormgeven. 

Dat is niet mogelijk zonder het opnieuw koppelen van persoonlijke ontwikkeling aan instrumentale ontwikkeling, van persoonlijke vorming en groei aan diagram c.q. dynagram. Het dynagram als kosmomorfe werkelijkheid en of het diagram als antropomorfe werkelijkheid weerspiegelt in subject en in object de geestelijk vitale en mortale krachten in elk van hen. De persoon als dyna- of diagrammatische realiteit verstoffelijkt in zijn handelen de hem beschikbare zielsvermogens van het willen, voelen en denken in de subject object relatie. 

Het subject staat in functie van het object en het object staat in functie van het subject: deze wisselwerking kan nu helder denkend, voelend en willend bemiddeld worden middels het dynagram en of diagram. Het dynagram en of diagram als zodanig, is een gestructureerd grondpatroon, vorm gekregen in en vanuit het vitale en het mortale, levensprocessen en doodsprocessen. Als structuur is zij nog naakt en dood, maar als structuur kunnen het dynagram en of diagram het dode denken weer revitaliseren, aangezien haar structuur niet zonder inwerking is op de vorming van het subject. Omgekeerd kan een hernomen subjectvorming een stervende en dode wereld weer hervitaliseren, aangezien haar ordening niet zonder uitwerking is op de objectvorming.

Subject en object constitueren elkaar als tegendeel in het spanningsveld van de tegenstellingen; in het domein van begrip en beeld als een systeem dynamisch veld van betrekkingen. Zij staan radicaal in functie van hun sterven en hun geboren worden aan elkaar. 

Het subject pendelt tussen mogelijkheid van ontwerp en noodzakelijkheid van geworpenheid, respectievelijk tussen de wereld van het beeld en de wereld van het begrip. Het beeld laat zien wat nog niet is en nog kan worden (middels de fenomenen), het begrip laat zien wat al is en wat vastgelegd kan worden (middels de feiten). 

Je zelf situeren vraagt om een aanvankelijke beeldvorming uitmondend in een begripsbepaling. Je ik reflecteren vraagt om een aanvankelijke begripsvorming uitmondend in een beeldbepaling. Deze wisselwerking tussen het 'inzetten' van de grote verhalen, beelden en handelingen en het 'uitzetten', te verstaan als het te berde brengen, van de kleine verhalen, beelden en handelingen is niet mogelijk zonder de centrale assen, enerzijds de verticaal, tussen geestelijke werkelijkheid (ooit buitenwereld nu binnenwereld) en stoffelijke werkelijkheid (ooit binnenwereld nu buitenwereld) en anderzijds de horizontaal tussen doodsboom en levensboom (beiden oer-symbolen) te vooronderstellen en successievelijk ook te betrekken. De levensboom symboliseert de opstijgende vitale tendens (vorm krijgend in het levende denken en vraagt om een lijdende wil), de doodsboom symboliseert de dalende  mortale tendens (vorm krijgend in het dode denken en vraagt om een leidende wil). Zo kunnen wij in het dynagram het skelet zien van deze doodsboom (mortale tendens, het dynagram geeft een gedachtegang weer) en in het diagram het skelet van deze levensboom (vitale tendens, het diagram geeft te denken). 

In deze uitwerking zien we een wisselwerking tussen het diagram en het dynagram in relatie tot de posities van levensboom en doodsboom. In het dynagram, meer kosmomorf, zien we de doodsboom, de indalende mortale stroom uit de hemel (op west) en de levensboom, de opstijgende vitale stroom uit de aarde (op oost). Daarentegen zien we in het diagram, meer antropomorf, de doodsboom, de mortale tendens in relatie tot het denken, op oost en de levensboom, de vitale tendens in relatie tot het willen, op west. Deze wisselwerking kan in het duogram nader uitgewerkt worden met betrekking tot hun wederzijdse implicaties, het ene is niet zonder het andere, zowel met betrekking tot het denken en het willen als met betrekking tot het vitale en het mortale, men moet in deze zich rekenschap geven van een polaire dynamiek tussen twee tegendelen. 

De doodsboom zien we bijvoorbeeld terug in de paasboom en de levensboom in de kerstboom. Met betrekking tot de paasboom, heeft er blijkbaar een cruciale ontwikkeling plaats gevonden waarin dit afsterven als een doorgang gezien kan worden naar opstanding, een transformeren, als een optimistisch door het sterven heen gaan. In plaats van het kruis op zich te nemen, om het einde van het eigenzinnige ego in te luiden, heeft de mens daarentegen de werkelijkheid (incluis zichzelf en de ander) aan het kruis genageld. In hun gelaat tonen mens en wereld dit hen aangedane lijden. 

Keer en tegenkeer vragen om een bewust hernemen van deze teloorgang van de symboliek, in deze bijvoorbeeld de levensboom en de doodsboom via de grote verhalen, beelden en handelingen. Deze teloorgang is beschreven als een stervensproces van alle grote verhalen, beelden en handelingen. Als zodanig heeft het dan ook geen zin ze te restaureren, veeleer komt het erop aan de daaraan ten grondslag liggende regels van de beeldlogiek te expliciteren teneinde op het grondpatroon als skelet, als patroon, van deze vitale en mortale stroom, weer een nieuw kleed van betekenissen te weven en wel vanuit het gerevitaliseerde vermogen om in beelden en begrippen te denken. Deze revitalisering vraagt om een rationeel, emotioneel en volitioneel doorgronden van de bewustzijnsontwikkeling van mens en wereld. In dit proces is het van belang om de gang van een onmiddellijke beeldvorming in het mythische denken naar een bemiddelde beeldvorming in het functionele denken te hervoltrekken; deze bemiddeling is niet mogelijk zonder de begripsvorming te relateren aan de feiten en zich rekenschap te geven van een te ver doorgevoerde mortalisering van de begripsvorming. Deze revitalisering is niet mogelijk zonder het hernemen van de grote verhalen, beelden en handelingen in de buitenwereld teneinde de menselijke binnenwereld te wekken en vitaal in werking te stellen. Anderzijds is dit proces ook niet mogelijk zonder de kleine verhalen, beelden, handelingen in iedere menswording te traceren en voor waar te nemen in hun functie om vorm te geven aan een humane buitenwereld. 

Het komt er op aan om op een juiste wijze je zelf als instrument operationeel te maken in een persoonlijk handelen. Dit handelen bemiddelt subject en object tussen ontwerp en geworpenheid als subject en als object in hun onherleidbare wederkerigheid en tegendeligheid. In een persoonlijk handelen kan geen verhandelen noch een verhandeling geduld worden, aangezien de wederkerige betrokkenheid tussen subject en object elke ontaarding moet weerstreven als een noodlottige vervreemding waarin noch het subject noch het object kunnen overleven. Subject en object zijn op elkaar aangewezen en daar waar en het subject en het object gereduceerd dreigen te worden tot een lijdend voorwerp, een ding onder de dingen, tot een getal al of niet statistisch significant, tot een rekensom zonder oriëntatie, daar wordt de subject object relatie, ontaard, ontzield, ontgeestelijkt. Zonder centrum en zonder periferie, zonder verleden en zonder toekomst, zonder ruimte en zonder tijd wordt de werkelijkheid speelbal van machten en krachten die elkaar naar het leven staan in een voortdurende staat van oorlog. En deze oorlog telt alleen nog haar slachtoffers in al haar vier rijken: mineraal – plant – dier – mens. Uiteindelijk ontwerkelijkt zich de werkelijkheid in plaats van zich te verwerkelijken. Deze verwerkelijking vraagt om een herintegratie van de geest in de subject object relatie, om een herbezieling van de subject object relatie en tot slot om een herbelichaming van de subject object relatie. Herbelichaming, herbezieling en hergeestelijking van de werkelijkheid waartoe en waarbinnen het subject zich te verhouden heeft tot het object als een stoffelijk bepaalde werkelijkheid. Elk dualisme tussen stof en geest ontlichamelijkt, ontzielt en ontgeestelijkt de al-ene werkelijkheid van subject én object en reduceert hun kwalitatieve relatie tot een kwantitatieve: daarmee wordt het operationalisme een feit. Een ijzeren kooi waaraan en waarin noch subject noch object kunnen ontsnappen aan het gevecht waartoe ze veroordeeld worden zolang macht en haat regeren in plaats van vrijheid en liefde. 

Alles gaat met alles aan de haal, alles gaat met alles op de loop in een niet meer te stuiten decentralisatie en desintegratie. Geest, ziel en lichaam verdampen in een niet aflatend deconstructivisme, niets mag meer samenhang hebben, de verbinding werd en wordt voortdurend verbroken, elke zin en elk doel in de menselijke ontwikkeling werd en wordt ontkend, alle werkelijkheid niet meer dan een bizar en absurd toeval. Alles is relatief, betrekkelijk geworden, met andere woorden elke betrekking is mogelijk en omdat alle betrekkingen in principe mogelijk zijn, is er zogenaamd geen richting meer te bepalen, men kan zogenaamd alle kanten op in deze losgekoppelde en losgeslagen werkelijkheid en dus kan men feitelijk geen kant meer op dan slechts de status quo te definiëren van een doelloze dynamiek. Hier kan slechts nog een laatste stap gezet worden en wel die van een absolute negatie van al wat is en wel in de vorm van al wat nog niet is te ontwrichten door het te richten. 

Ipso facto het bestaan van alle objectiviteit in weerwil van het bestaan van alle relativiteit. Paradoxaal komen ze wel in één en dezelfde werkelijkheid voor en daaruit voortkomend heeft die werkelijkheid een zogenaamd niet te kennen ontwikkeling door gemaakt. Die ontwikkeling in de werkelijkheid ontkennen impliceert het ontkennen van elke werkelijkheidsgrond van het nu bestaande, aangezien ze niet was zonder verleden waarin en waaruit het nu bestaande is voortgekomen. Dit wordende kan het subject niet meer bemensen, ligt dat aan het subject of aan het object? Aan geen van beiden, want ze hebben elkaar noodzakelijk voortgebracht in het ontsluiten van werkelijkheid als verwerkelijking: hoe zou de werkelijkheid subject, voortgebracht door die zelfde werkelijkheid object, nu over die werkelijkheid object en werkelijkheid subject kunnen na-denken en zelfs voor-denken opdat subject en object zich verwerkelijken in het beeld dat zij van en met elkaar scheppen als mogelijkheid vanuit het verwerkelijkt zijn in het begrip waartoe zij feitelijk geschapen zijn binnen een en dezelfde onherleidbare werkelijkheid waartoe beiden noodzakelijk zijn om elkaar te verwerkelijken. Het is deze verwerkelijking waarin het grondpatroon middels haar bouwpatronen opnieuw orde op zaken kan stellen door begrip en beeld te bemiddelen in het veld van hun constituerende posities versus betrekkingen, processen versus inhouden, etc., subject en object eigen. 

Daartoe moeten mogelijkheid en noodzakelijkheid in een dynamisch veld interactief hun kracht van werking kunnen stellen, zowel naar de mogelijke betrekkingen als naar de mogelijke posities (c.q. processen en inhouden) van alle relevante variabelen die in kaart gebracht kunnen worden en zo doende systeem dynamisch onderzocht kunnen worden op hun dieptestructuren. Immers het beeld kan niet meer zonder het begrip gedacht worden, evenmin kan het begrip zonder beeld in het denken enige rol van betekenis spelen. 

 

Intermezzo, betekenissen van het woord diagram en matrix (dynagram en web zijn binnen artesS verband afgeleide connotaties, ze worden nader uitgewerkt in het theorieboek).

Het woord diagram komt uit het Grieks. In het Grieks woordenboek staat:

to diagramma:

1. schets, plan.

2. mathematische figuur.

3. schaal (muzikaal), noot.

4.  lijst, register, inventaris.

5. edict, dagorder.

Diagrafei:

1. het schetsmatig ontwerp(en), schets, figuur.

2. indeling.

3. edict.

Diagrafo:

1. een schets, ontwerp maken, schetsen, beschrijven, ook met woorden.

2. ‘uitschrijven’.

3. verdelen.

4. doorschrappen, etc.

 Het woord dia betekent:

1. in tweeën: uiteen, ook in meer dan twee groepen: stukken.

2. uiteen, van de voortstuwende beweging, die uiteen ziet gaan, waar hij zelf midden door heen drijft: door (heen) en eruit.

3. de weg waarlangs men van bedoeling tot doel voortgaat, i.h.a datgene, waar-door men tot dit doel komt, midden tussen begin en einde der handeling in, staat met dia aangeduid ter opgave van middel of werktuig of bij personen sprekend van bemiddeling. 


In de Vreemde Woordentolk van Kramers staat diagram omschreven als:

schets, schema.

Plantkundig wordt het toegepast als schema voor de plaatsing van de bloemdelen in een bloem.

Een andere betekenis luidt: een voorstelling van de verschillende bereikte waarden in een coördinatensysteem (grafische voorstelling).

 

Het woord matrix komt uit het Latijn en wordt geschreven als matrix, matrices.

In het Latijns woordenboek staat:

1.boomstam;

2 stammoeder;

3 register;

4 bron;

5 oorzaak.

Later krijgt het ook de betekenis van moederdier, baarmoeder, oorsprong en register.

Vgl. het woord matrijs, gietvorm.

 

In de Vreemde Woordentolk wordt het omschreven als:

stam en moederbodem; nagelbed, geordend schema van waarden.

Het wordt onder andere in de matrixtest gebruikt als een psychotechnische test waarbij een ontbrekende gedeelte moet worden aangevuld in een gegeven logisch patroon.

 

Kijkend naar de grondstructuur van al deze betekenissen dan valt op dat de mens op zoek is naar samenhang tussen de verschillende posities op een overzichtelijk veld. Blijkbaar is het niet om het even waar wat staat: de posities van de verschillende delen bepalen het geheel: te samen vormen ze een patroon. 

In elk patroon zit een bepaalde structuur en komt een bepaalde ordening tot uiting in een te denken coördinatensysteem. Blijkbaar ligt er een bepaalde systematiek, logiek en methodiek aan ten grondslag die kernachtig tot uitdrukking komt in de woorden stam en moederbodem. 

Bij het woord stam denken we aan iets verticaals en bij het woord moederbodem kunnen we denken aan iets horizontaals. Verbinden we verticaal en horizontaal met elkaar dan ontstaat er afhankelijk van het snijpunt een T kruis, een grieks of latijns kruis met een snijpunt in het midden of hoger dan het midden. Dat snijpunt tussen een horizontaal en een verticaal wordt een coördinaat genoemd. 

In een geheel van meerdere verticalen en horizontalen ontstaat nu een coördinatensysteem op grond waarvan we ons kunnen positioneren. Je positie kunnen bepalen staat nooit op zich maar is blijkbaar altijd gerelateerd aan andere mogelijke posities. 

Spreken we van een coördinatensysteem dan suggereren we ogenblikkelijk een afgebakende ruimte die we kunnen afgrenzen en overzien; we kunnen dat weergeven met het woord veld. Een veld is een vlakte die je kan overzien, echter deze vlakte is nog zonder oriëntatie punten, men kan zich daardoor nog niet oriënteren. Dankzij het aangeven van bepaalde posities op de onderlinge coördinaties ontstaat een veld als een bepaalde afgebakende ruimte. Nu pas kunnen we bepalen hoe we dat veld kunnen doorkruisen.

Met het woord doorkruisen komen we dan op de bepalende routes in het veld, gerelateerd aan bepalende posities: punten en lijnen. In het grondpatroon benoemen we dat met de verticaal en de horizontaal in het staande  dynamische kruis en de twee diagonalen in het liggende statische kruis. Men kan bijvoorbeeld in de verticaal van boven naar beneden of vice versa, in de horizontaal kan men van links naar rechts of vice versa. Men kan echter ook een andere route afbakenen, bijvoorbeeld door een cirkel te trekken, kan men zowel linksom als rechtsom door een veld wandelen. Men kan dan bijvoorbeeld van boven verticaal naar rechts horizontaal en vice versa. Tot zover een nadere begripsbepaling van de vele routes die men in een grondpatroon kan lopen. 

Nu is het van belang om je te realiseren, dat het niet om het even is, hoe je je door het grondpatroon wil bewegen of een route wil uitzetten. Zoals het niet om het even is welke weg je kiest op een plattegrond, tenminste als je niet wil dwalen of verdwalen. Zoals we op aarde een coördinatensysteem hebben, zo vinden wij in het grondpatroon in wezen niets anders. Dit coördinatensysteem is in wezen het oudste en bekendste patroon waarop de mens heeft leren denken: een denkraam! 

Je kunt in het grondpatroon alle mogelijke routes uitzetten, maar elke route in het grondpatroon wordt bepaald door de bepalende posities in het grondpatroon als coördinatensysteem. Alle posities en bewegingsrichtingen in het grondpatroon zijn niet willekeurig ten opzichte van elkaar: in feite zijn ze gecodeerd, o.a. in ruimte en tijd. Deze coderingen hebben we uiteengerafeld en herleid tot een aantal basisposities en basisbewegingen en met elkaar verbonden in een betekenisstructuur op grond waarvan je, middels functies, betekenissen kunt gaan ordenen, conform strenge beeldlogische spelregels. 

Dit ordenen is niet mogelijk als je je niet realiseert dat al het ordenen enerzijds subjectbetrokken (het wie) en anderzijds objectbetrokken (het wat) van aard is. Het grondpatroon bemiddelt in dit ordenen, doordat ze een midden vormt tussen subject (wie) en object (wat). In dit midden verschijnt het grondpatroon als een in zich lege en formele structuur, een patroon, een beeldveld, een coördinatensysteem, een systeem dynamisch veld dat voor altijd vast ligt. Maar omdat dit speelveld vast ligt, kan je er pas op gaan spelen! Lees denken, werken, leren, etc. Het grondpatroon is dan ook geen willekeurige structuur: in haar structuur representeert ze alle ordeningswetmatigheden in microkosmos en in macrokosmos. Over het hoe en waarom later als we de spelregels gaan behandelen. Zie ook de dynamiek tussen spelers, speelveld, spelregels en speelregels in het betreffende grondpatroon. Zie ook in het theorieboek het grondpatroon als het speelveld op grond waarvan de bouwpatronen, diagram, dynagram, duogram, dictogram en hologram als compatibele speelveldjes uitgewerkt kunnen worden.


Diagram en of dynagram als didactisch instrument inzake kennismanagement.

Wat betekent dat nu voor de praktijk in onderwijs, therapie en management?

Globaal gezien kunnen we constateren dat onze kennis accumuleert en evolueert.

We weten niet alleen steeds meer, maar tegelijkertijd is deze kennis ook onderhevig aan verandering.

Het verwerven en toepassen van kennis blijkt dan ook steeds ingewikkelder te worden.

Op het juiste moment over de juiste informatie beschikken en die ook op de juiste wijze kunnen hanteren, leidt tot de noodzaak om kennis handelbaar te maken. We spreken dan ook in dit verband over kennismanagement. Om deze kennis handelbaar te maken, ontwerpen mensen van oudsher schetsen, schema’s, modellen, diagrammen, matrixen, blauwdrukken. 

In een samenleving waarin kennis zo ongelooflijk snel kan accumuleren en evolueren, wordt een alsmaar groter beroep gedaan op het vermogen van mensen om op zelfstandige wijze deze kennisvloed eigen te maken en in te zetten. 

Dat vraagt om een geschoold en flexibel vermogen om te denken, voelen en willen. Deze drie vermogens kunnen niet ontwikkeld worden zonder hun onderlinge samenhang in ogenschouw te nemen. Uiteindelijk wordt adequaat handelen bepaald door een innerlijke consistentie en coherentie. Als handelen weergegeven kan worden als zelfstandig een route uitzetten om je doel te kunnen bereiken, hoe moet je dan een route bepalen door kennisland als alle topografie, lees alle modellen, etc. willekeurig gestructureerd zijn? Al deze willekeurig gestructureerde modellen zijn in zich wel ordelijk, maar in al hun ordelijkheid niet analoog gestructureerd, zodat ze onvergelijkbaar worden en hoe dan je leerroute te bepalen en of al je kennis structureel compatibel te ordenen? 

In een dynamische en complexe samenleving is het niet meer voldoende dat mensen zich kunnen aanpassen; in toenemende mate dienen ze een actieve rol te spelen in deze kennisontwikkeling. Immers iedere leerroute is situationeel bepaald door het subject betrokken vertrekpunt en het object betrokken doel. Je kunt wel braaf leren, maar dat is aanpassen. Hoe kan je nu leren leren? Dat wil zeggen hoe leer je nu concreet in deze situationeel te lopen leerroute en wat heb je daarvoor nodig? Dit roept voor de leersituatie al een paar vragen op:

Hoe kun je nu in deze dynamische en complexe stroomversnelling van leerinhouden, kennis, het hoofd boven water houden.

Hoe in het handelen overzicht aan beschikbare kennis te koppelen aan het (in)zicht op deze concrete situatie? Met andere woorden hoe moet kennis bemiddeld worden van het abstracte naar het concrete niveau en omgekeerd?

Langs welke strategieën kun je nu deze kennis operabel maken? 

Al deze en andere mogelijke vragen maken ons er van bewust, dat leren een steeds complexer proces wordt, temeer als de noodzaak tot ‘veranderen’ ons dwingt om dit leren ook te leren. Leren leren drukt de overgang uit van een statische naar een dynamische kennishantering. Bovendien leer je niet alléén, maar juist en vooral door en met anderen. 

Hoe moet je nu met elkaar leren leren?

Het veld aan beschikbare en nog te ontwikkelen kennis is zo groot en alomvattend geworden dat in toenemende mate de noodzaak gevoeld wordt om dat leerproces als zodanig ook in kaart te brengen juist met het oog op de al of niet beschikbare en uit te wisselen kennisinhouden.

Wie leert wie wat?

Wie beschikt over welke kennis, wat is er aan kennis voor handen, waar kun je die kennis vinden en wanneer kun je hem al of niet inzetten, hoe moet je die kennis nu hanteren wil ze ook effectief, efficiënt, flexibel en creatief ingezet kunnen worden, waarom wordt deze kennis nu ingezet en toegepast en niet andere kennis? 

Hoe ga je om met die kennis?

In het leren leren is kennis niet alleen meer een verticale activiteit maar evenzeer een horizontale activiteit geworden. Dat vraagt om naast het leren omgaan met kennis ook het kennen en het kunnen in ogenschouw te nemen om uiteindelijk de ‘kunst’ te verstaan kennis adequaat in te zetten.

We zullen in toenemende mate de ‘kunst’ moeten verstaan kennis niet alleen te coördineren maar vooral ook te integreren. 

Om al deze nu beschikbare kennis overzichtelijk, samenhangend en flexibel in kaart te brengen hebben we een diagram en of dynagram ontwikkeld om dat proces al denkend te kunnen visualiseren. En wel zo dat vele mogelijke schema’s, modellen uit ons kennisarsenaal, onderverdeeld in talloze disciplines, toch interactief op elkaar betrokken kunnen worden in even zovele ‘velden’. Dat betekent wel dat je al deze willekeurig gestructureerde velden, modellen moet hercoderen. Door eerst hun innerlijke consistentie en coherentie te toetsen aan de tot nu toe gevonden spelregels in het grondpatroon. Vervolgens kunnen ze bij gebleken en getoetste consistentie en coherentie omgezet worden in een dynagram en of diagram, mogelijk analoog aan bepaalde sleuteldiagrammen, maar altijd te toetsen middels het grondpatroon. Door middel van het grondpatroon kan je nu uiteenlopende modellen toch compatibel maken. Dat verhoogt het leerrendement aanzienlijk, zowel kwantitatief als kwalitatief. 

Al deze velden, hergecodeerd tot diagrammen en of dynagrammen, leveren uiteindelijk plaatjes op, die je als dia’s denkend achter elkaar kunt projecteren. Vandaar het woord dia-gram, dia-gram betekent door een grafisch plaatje heen kunnen kijken. Al doende hebben we een systeem ontwikkeld, waarin, uitgedrukt in oude taal, moederbodems in een stamverband (anders dan een boomdiagram) geplaatst kunnen worden.

Simpel gesteld, is het mogelijk om vele schema’s en modellen zodanig te relateren, dat ze doorzicht-gelijk worden met betrekking tot hun onderlinge systematiek. Je kunt ze als dia’s over elkaar projecteren. Daarmee vergroot je in feite je vermogen om zowel te kunnen analyseren als te synthetiseren. Daarmee wordt in het leren leren zowel het leervermogen als de leerhouding aangesproken en ontwikkeld. 

Kunnen kennen en het kennen ook kunnen is de wisselwerking die kennisverwerving en kennistoepassing maken tot een kunst om vaardig met kennis om te gaan. Kortom kennismanagement is niet mogelijk zonder het expliciteren van de daartoe benodigde systematiek, methodiek en logiek. 

Langs welke weg (methode) kun je logisch verantwoord bouwen aan een (kennis)systeem?

Het tot nu toe ontwikkelde grondpatroon biedt daartoe een methodische weg om zowel therapeuten, pedagogen als managers op te leiden en te trainen in de systematiek, methodiek en logiek van hun (inter)disciplinaire arbeid. 

Door enerzijds de beeldlogische spelregels en anderzijds de concrete werkvelden aan elkaar te koppelen, middels analyse van begrippen en synthese van concepten. 

Op zich is het niet nieuw om systematisch, methodisch en logisch te leren werken. Dat is de bestaansgrond van elke praktische en theoretische discipline. Nieuw is het feit dat al deze beschikbare kennisvelden op een eenvoudige en meerduidige wijze aan elkaar gerelateerd kunnen worden. Deze interactieve koppeling kan alleen tot stand komen als in het leren leren de structuur en de ordening van het denken, voelen, willen tot grondslag verheven wordt. 

Dat bereik je, door het leerproces zowel op inhoudsniveau als op procesniveau aan de orde te stellen vanuit de lerende zelf als persoon. Zijn/haar intrinsieke motivatie (komt van het Latijnse woord movere = bewegen) is de voorwaarde om letterlijk te leren bewegen.

Het denken bijvoorbeeld is niet mogelijk zonder dit denkende bewegen en het bewegende denken op het spoor te komen en ter sprake te brengen, maar dat geldt evenzeer voor het voelen en willen. De grondslag van dit leerproces is het herontdekken van de innerlijke beweging die je willend, voelend en denkend op het spoor kan komen door eigen leven en werk te onderzoeken. 

De systematische, methodische en logische scholing van deze vermogens is de inzet geworden van een nieuwe kennisstrategie die binnen artesS verband is uitgewerkt tot een consistent en coherent leertraject. Zowel vakinhoudelijk als leerprocesmatig dienen dan wel de nodige didactische vaardigheden op elkaar afgestemd te worden. 

We denken in dit verband aan de door ons uitgewerkte leerroutes: participerend en opponerend, subject betrokken en object betrokken. Anderzijds haken we aan bij de bekende leerstijlen van Kolb en de denkstijlen van Dudley Linch. Bovendien hebben we Bildung als discipline systematisch en methodisch uitgewerkt.

Dit ontwikkelingsproces is nog volop gaande en krijgt uiteindelijk vorm in een theorieboek, leerboek en praktijkboek. 

Niettemin kunnen hieruit reeds de theoretische en praktische implicaties gedestilleerd worden die ook toepasbaar worden voor andere opleidingen en trainingen. Vandaar dat we spreken van het ontwikkelen van een integraal concept voor kennismanagement. Dit concept is in aanzet reeds beschikbaar op deze website.  Daar kunt U zich verder oriënteren op de praktische en theoretische implicaties van het grondpatroon als instrument in kennismanagement.


De grondslag van het grondpatroon als leer instrument. 

Kijken we naar het woord leren, dan betekent leren oorspronkelijk zoiets als een je een ‘leer’ verwerven. Leer representeert dan de inhoud van het geleerde. Maar leren betekent ook zoiets als het beklimmen van een leer of ladder. Het geeft duidelijk de weg aan waarlangs je kunt leren en die ‘leer’ kan verwerven. Het woord ladder houdt in dat je blijkbaar kunt opklimmen en kunt afdalen. Dat opklimmen en afdalen in het leren werd vroeger niet alleen figuurlijk verstaan maar ook letterlijk. Om dat in beeld te brengen hanteerde men van oudsher het grondpatroon. Onder vele benamingen: Rad van fortuin, zonnerad, levensrad, medicijnwiel, labyrint, werd dit grondpatroon in de loop der eeuwen afgebeeld. In deze context werd leren verstaan als inherent aan leven. Leren leven of levensleer was het doel van het beklimmen en afdalen langs het grondpatroon. 

Wanneer we nu kijken naar de grondbetekenis van leren in ( van – door) het leven dan moeten we twee zaken goed onderscheiden. Enerzijds verwerf je in en door het leren bepaalde leerinhouden en anderzijds moet je ook leren om te leren. Door de oude betekenis van leren als ladder komen we op het spoor van leren als een je leren bewegen in en door het leven. Goed leren is letterlijk goed leren bewegen, daarbij kan je ook ten val komen. Fouten maken betekent dan ook dat je letterlijk op je snufferd terecht kan komen. Het is dan ook de kunst om zo te leren bewegen dat je in het klimmen en dalen zowel het ene als het andere kunt verbinden. Met het ene werd bedoeld de bovenwereld en met het andere de onderwereld. Een mens moest op deze wereld leren om in het leven de gulden middenweg te bewandelen. En om dat te kunnen moest hij zowel rekening houden met daar boven als daar beneden. Zo boven - zo beneden, zo beneden - zo boven luidde dan ook een oude stelregel. 

Kijken we nu naar deze leerweg dan zien we dat deze leerweg verbeeld kan worden in bijvoorbeeld een dynagram en of diagram, afhankelijk van het al of niet positioneren van het leerproces in de tijd meer dynagram (statisch kruis) en of in de ruimte, meer diagram (dynamisch kruis). Je zoekt respectievelijk naar belangrijke processen en of inhouden, posities en of betrekkingen. Bijvoorbeeld in het diagram op de verticaal de ruimtelijke positie beneden en boven, op de horizontaal de twee posities in de tijd, oorzaak en gevolg, eerder later, binnen buiten, leerproces leerinhoud als tijdsfenomeen en of leervraag leerdoel, het leren bewegen door vragen te leren stellen en of het leren als het verwerven van een leerinhoud. Afhankelijk van de wijze waarop je de te hanteren begrippen positioneert, kan je het leerproces op meerdere wijzen vormgeven in een veld of gram. Bijvoorbeeld op de verticaal leerproces en leerinhoud en op de horizontaal leervraag en leerdoel of vice versa. Om dit verder te kunnen onderzoeken kun je analoog denkend 4 andere begrippen trachten te plaatsen in het zelfde dynagram en of diagram. Bijvoorbeeld als we dit leren leren respectievelijk ook kunnen benoemen als kunnen en kennen op de verticaal, kunst en kennis op de horizontaal. 

Het hypothetisch positioneren van diverse begrippen uit het leren leren kan ons helpen te verstaan, dat leren niet alleen het verwerven van leerinhouden, kennis betreft, maar evenzeer het leren bewegen, de kunst betreffende het leren leren. Vandaar dat leren leren uitdrukkelijk het leerproces opvat als een dynamisch gebeuren in tegenstelling tot kennis als een statisch gegeven al of niet te verwerven. Dat wat je in het leven nodig hebt, is niet alleen kennis, maar vooral ook de vaardigheid, de kunst om te leren. Dit vierledig te differentiëren leren leren, spreekt dan ook zowel het onderscheiden vermogen van het kennen als het kunnen aan. Kennen richt zich op het vermogen om iets te leren kennen en zodoende kennis te verwerven; kunnen richt zich op het vermogen om deze kennis ook vaardig toe te passen en zo de kunst te verwerven dat kunnen te optimaliseren. Daarmee verschijnt een ander product dan kennis, namelijk ‘kunst’. Het kunnen leidt tot een tastbaar subject betrokken vaardigheid, evenzeer een product van het kunnen maar toch anders dan kennis, voortgekomen uit het kennen, wat evenzeer tastbaar is, maar op een abstracter niveau dan kunst. Dat ze tastbaar is, kunnen we aflezen aan de hoeveelheid object betrokken kennis die je kan opstapelen al of niet in boeken of bestanden. Enerzijds kan kennis verwerven er toe leiden, dat we ons kenvermogen wakker maken en scholen, anderzijds kan het afkijken en nadoen van kunst er toe leiden dat we de vaardigheid van het kunnen ontwikkelen. Zo kan je de kunst van het kunnen eerder verstaan op een subject betrokken wijze, daar waar de kennis als resultaat van het kennen meer op een object betrokken wijze tot stand komt. 

Leren is niet mogelijk zonder onze zielenvermogens in te zetten, we noemen ze de oude zielenvermogens naar aanleiding van een heel oude indeling. Plato noemde dat het vermogen om te denken, te voelen en te willen. Daar kunnen drie woorden van afgeleid worden: rationeel, emotioneel, volitioneel. Al deze onderscheiden vermogens dienen in het leerproces betrokken te worden. Kijken we naar het denken, dan moeten we dit denken dan niet reduceren tot denkinhouden. Evenals we het leren leren kunnen onderzoeken op de daarin vervatte bewegingen zo kunnen we het denken ook onderzoeken op haar denkbewegingen. In die denkbeweging kunnen dan bepaalde denkinhouden gepositioneerd worden al of niet als uitgangspunt of als resultaat. Enerzijds gaat het dus om het denken te onderzoeken op haar denkbewegingen en anderzijds kunnen we het denken bestuderen dat zich bedient van denkinhouden en zo doende op een bepaalde wijze in beweging dient te komen of te blijven. We zien dan ook dat een onbepaalde denkbeweging nu vast gelegd kan worden in een bepaalde denkbeweging. Deze bepaalde denkbeweging legt het denkproces vast in een structuur. Onbepaalde denkbewegingen kunnen we opsporen door het ordeningsprincipe te achterhalen. Leren leren betekent dan ook dat je oog moet krijgen voor dit onbepaalde beweeglijke denken wat haar ordeningswetmatigheden alleen in en vanuit de denkbewegingen kan expliciteren. 

De grondslag van het grondpatroon wordt feitelijk bepaald door de ordeningswetmatigheden van al deze denkbewegingen te samen. Te samen vormen al die onbepaalde denkbewegingen toch een ordelijk veld: een patroon. Het is dit bewegingspatroon dat we via het grondpatroon kunnen visualiseren. Nu kan je de vraag stellen waarom het grondpatroon heel specifiek dit bewegingspatroon van het denken kan representeren? We moeten deze constatering echter meteen ook uitbouwen naar het voelen en willen. Aangezien ze de drie vermogens vormen van de menselijke ziel. Nu is het van belang om de analogie van dit drieledig veld zodanig uit te werken dat de vierledige geleding van elk onderscheiden veld enerzijds haar karakteristieke structuur behoudt en anderzijds transparant wordt. Deze transparantie kan alleen een grondpatroon zichtbaar maken, aangezien ze een veld representeert met bepaalde in acht te nemen posities. Als we al deze posities onderzoeken en wel op een drieledig zielenniveau, dan dienen ze elkaar te versterken en aan te vullen. Niet alleen op inhoudsniveau als wel ook op procesniveau. Ze laten dan de posities in de beweging, in het leerproces, in de denkbeweging, gevoelsbeweging, wilsbeweging zien. Het opsporen van die posities houdt in dat we èn oog moeten krijgen voor de posities van de inhouden, als wel ook de posities van de onderscheiden aard van de beweging. Dit laatste klinkt nog onvertrouwd, aangezien we wel denkinhouden kunnen positioneren, maar nog geen denkbewegingen. Dat komt omdat we de beweging als zodanig niet differentiëren. Vandaar dat we in het vervolg dienen terug te gaan naar een heel oud weten omtrent de te onderscheiden aard van de beweging. En aangezien beweging de grondslag vormt voor alle denken, voelen en willen en aangezien het grondpatroon dit bewegingspatroon representeert, kunnen we in ons onderzoek dan ook het grondpatroon benutten om dit bewegingspatroon weer begrippelijk helder in beeld te brengen. De vraagt rijst of we hier te maken hebben met een bewijs, geenszins. We hebben hier slechts te maken met een mogelijk ordeningsveld. Door dit veld slechts begrippelijk te expliciteren, kunnen we mogelijk het vermoeden vestigen dat er meer aan de hand is, minstens kunnen we dan het grondpatroon als oud leer instrument herontdekken. Het waarom laten we voorlopig rusten, we dienen het onbepaalde bewegen als uitgangspunt te nemen en dat te onderzoeken op haar structuur. Mogelijk wordt dan de inherente ordening voelbaar. 

Om zowel denkinhouden als denkbewegingen correct te kunnen positioneren, maken we in het grondpatroon gebruik van een dubbel kruis: hypothetisch onderzoekend kunnen we het substantiële kruis benutten voor de inhouden en het diagonale kruis voor de werkingen/ bewegingen. De aard van de beweging kunnen we ook aanduiden met de specifiekere naam werking. 

Uitdrukkelijk moeten we steeds opnieuw vermelden dat het gaat om een verkennend onderzoek. In dit onderzoek proberen we ons leerproces niet zozeer te laten leiden door leerinhouden als wel door leerbewegingen. Het enige wat we doen is tasttenderwijs het veld te exploreren, of dat nu het leren betreft, het denken of anderszins. Waar we dan op letten is niet zozeer de eenduidige betekenis van het woord, het begrip, als zodanig, als wel dat we dat woord bijvoorbeeld vierledig kunnen differentiëren en met die differentiëring oog krijgen voor de meerduidige werking van het veld, voor zover ze als leerweg, ook de bewegingen als werking zichtbaar kan maken. 

Keren we nu terug naar het domein van het willen, dan kunnen we het willen globaal omschrijven als het in actie doen treden of komen. Willen laat als werkwoord sterker dan denken en voelen het bewegingskarakter ervaren. Wilsprocessen worden doorgaans pas zichtbaar in de realiteit: het willen initieert verandering, veranderen is een beweeglijk proces. Dat wat verandert, is meestal zichtbaar of zichtbaar te maken. Dat wat verandert, noemen we ook niet voor niets het concrete, dat wat uit groeien voortkomt. Groeien is dan ook te zien als een vorm van bewegen. Wilsprocessen initiëren concrete veranderingen. Voor elke verandering is actie nodig, zonder actie kan niets in beweging komen. Laten we actie dan ook als het eerste werkwoord van beweging opvatten. Nu wanneer actie aanvangt, komt iets of iemand in beweging: dat benoemde Aristoteles met het woord kinesis. Actie kan leiden tot reactie, het een kan het ander oproepen en omgekeerd. Actie – reactie is dan ook een bekend fenomeen uit onze dagelijkse wereld. Wanneer actie en reactie op elkaar gaan inwerken dan komen we een stap verder, hetgeen we kunnen benoemen met interactie. Brengt reactie al een zekere spanning teweeg, dan kan interactie leiden tot een energetische uitwisseling. Reactie duidde Aristoteles aan met het woord dynamis, de kinesis won door reactie aan lading, aan kracht. De beweging wordt gedynamiseerd door de reactie, immers ze kan zich niet meer zo maar voortbewegen, maar door de reactie valt ze of dood of ze intensiveert haar beweging. Weet ze haar beweging te intensiveren dan ontstaat uit een dynamische interactie energie. Er komt energie vrij: deze fase duidde Aristoteles aan met energeia. En tot slot kan de interactie dermate op niveau komen dat de vrijgekomen energie kan ontladen, vrijkomen, overspringen. Wanneer de energie overspringt, komen we op het niveau van de transactie. Vindt de transactie plaats dan vindt de beweging haar volvoering, haar doel. Uiteindelijk komt de beweging daar uit wat ze wilde bewerken, immers zonder doel kan geen beweging een aanvang nemen. Echter in de aanvankelijke beweging lag het doel nog verborgen, nu pas bij de transactie kan het doel vrij komen en zichtbaar worden. Deze fase in de beweging duidde Aristoteles aan met entelecheia. Daar zien we het woord telos = doel. Kinesis, dynamis, energeia, entelecheia, zijn dan ook de vier graden van bewegingsintensivering: in hedendaags taalgebruik: actie – reactie – interactie – transactie. 

Onderzoeken we nu de aard van het denken, dan moeten we analoog aan de aard van het willen deze vierledige differentiëring ook terug kunnen vinden. Komt het willen in het kunnen tot uiting en omgekeerd, zo komt het denken tot uiting in het kennen en het kennen wordt onder andere mogelijk door het denken (het kennen wordt ook mogelijk middels willen en voelen – zo zien we daarentegen dat het kunnen vorm kan krijgen in denken, voelen en willen). Het gaat hier steeds niet om een afgrenzen en scheiden, maar ook om een aangrenzen en verbinden. Het waarom ervan schuilt in een poging om niet zozeer inhouden als wel dynamieken in wat dan ook, zoals in een organisatieproces bijvoorbeeld, te ontwaren. 

De vierledige differentiëring van het kennen, benoemen we vervolgens parallel aan actie – reactie – interactie – transactie met verkennen, bekennen, herkennen en erkennen. Het is nu als oefening interessant om voor jezelf deze vier begrippen als vormen van intensiverend kennen te onderzoeken op hun samenhang met vier woorden van het geïntensiveerde bewegen. Daartoe moet je deze woorden gaan proeven, wegen, aftasten, innerlijk doorvoelen en uiterlijk verbeelden. Precies deze oefening wekt nu het innerlijke vermogen om te kunnen bewegen, zowel meebewegend als tegen bewegend, te duiden als het heen en weer van alle beweging. De verdere uitwerking van deze vier woorden kan ik kort omschrijven als in actie komen om te willen verkennen. Vervolgens ontstaat al of niet een reactie, maar reageer je: dan krijgt het bekennen vorm. Leidt de reactie tot een nieuwe reactie dan ontstaat in de interactie het herkennen, immers de wisselwerking wordt afgebroken als deze mate van herkenning geen vorm krijgt. Is de interactie op dreef gekomen dan wordt datgene wat in het herkennen vorm krijgt ook vrij gemaakt voor zover dat vraagt om een erkennen. Met de transactie vindt impliciet en expliciet erkenning plaats, anders kan de transactie niet plaats vinden, maar valt ze terug naar het niveau van de reactie waar ze alsnog als beweging kan uitdoven. 

Hebben we in het willen en denken twee actieve zielenvermogens, die elkaar wederzijds spiegelen en aanvullen, zo hebben we in het voelen een geheel eigensoortig vermogen waarin op hun beurt het denken en willen een rol kunnen spelen, zoals het voelen ook in het denken en willen een meer of minder beduidende rol kan spelen. Het voelen is dan ook minder afgegrensd in haar functioneren en doordringt de andere zielenvermogens of laat zich doordringen. Om dit voelen enigszins te onderzoeken, kunnen we ook de tegengestelde beweging van het heen en weer van alle beweging specifieker benoemen als mee bewegend,  te duiden als sympathisch  en tegen bewegend, te duiden als antipathisch.  Het midden tussen die twee wordt wel empathie genoemd. Pathos duidt op gevoel. En het gevoel wordt zichtbaar in de houding van terugtrekken of overgeven. Vandaar dat we het woord houding nader kunnen onderzoeken en in de gegeven volgorde kunnen benoemen als het je terughouden en terug-houden, je verhouden en ver-houden, onthouden en ont-houden, onderhouden en onder-houden. Ook nu is het een goede oefening om deze grondtendensen in de houding nader te beproeven in hun samenhang met actie – reactie – interactie – transactie als ook in hun samenhang met verkennen – bekennen – herkennen – erkennen. 


Het bewustzijn als werking in beweging. 

De werking van het bewustzijn is voor de mens een wonderlijk mysterie. Enerzijds weten wij fysisch neurologisch en bio chemisch gezien, nog steeds niet exact wat bewustzijn veroorzaakt, anderzijds zijn we met datzelfde bewustzijn dagelijks bezig de verhouding tussen mens en wereld op een bewuste wijze te bemiddelen. Deze bemiddeling is niet mogelijk zonder de functie van een instantie, een vermogen, om zowel de externe processen in de wereld als de interne processen in de mens aan elkaar te spiegelen . Eeuwenlang al vraagt de mens zich af hoe deze wisselwerking eigenlijk tot stand kan komen: in de filosofie is dit de vraag naar de aard en hoedanigheid van het denken. Hoe tot weten te komen (episteima)’ hoe te leren onderscheiden (fronesis), hoe te leren hanteren (techne), hoe te komen tot wijsheid (sophia)? De filosofie bestudeert het denken als een fenomeen, een concrete verschijningsvorm. Een verschijningsvorm die wij zowel innerlijk direct kunnen gewaarworden als uiterlijk indirect kunnen waarnemen. 

Er doet zich feitelijk iets merkwaardigs voor! Zonder de exacte wetenschap van de neurologie zijn wij toch in staat denkprocessen en bewustzijnsprocessen van binnen uit te onderzoeken. Sterker nog al deze denkprocessen brengen uiteindelijk een natuurwetenschap voort die pas recentelijk in staat is een nieuw licht te werpen op dit fenomeen. Dit onderzoek vindt onder andere in de neurofysiologie plaats. Het begrip bewustzijn speelt bij de natuurwetenschappelijke bestudering van de werking van de hersenen en de menselijke geest echter geen rol van betekenis. Dat is ook niet nodig, want men dient zich te beperken tot het beschrijven en verklaren van biofysische verschijnselen. 

Naarmate we echter de hersenfysiologische processen beginnen te doorgronden, in die mate komen we er toch niet achter wat nu precies bewustzijn, geest, denken eigenlijk is. Sterker nog naarmate we dieper in de (stoffelijke) neurofysiologische werkelijkheid doordringen, in die mate dringt zich juist het mysterie aan ons op van het denken, van de geest en van het bewustzijn. Het komt ons voor dat beide benaderingen elkaar niet uitsluiten, ook niet zo maar complementeren, daarvoor is de werkelijkheid te complex, maar dat in beide benaderingen wel degelijk analoge verbanden te vinden zijn, die ons iets kunnen vertellen over de structuur en ordening van denkprocessen. Deze analogie moet gefundeerd worden in een hiërarchie van systeemniveaus. 

Hoe het denken verband houdt met het mentale, mentis, de geest en hoe de geest weer verband kan houden met het bewustzijn en bewust worden, zijn weer evenzoveel te bedenken vragen. Al deze vragen dienen niet alleen de wetenschapper aan te sporen verder op zoek te gaan naar wetenschappelijk onderbouwde werkingen en inhouden, maar evenzeer de denker die zijn denken denkend kan onderzoeken. Alleen al het fenomeen, dat de denker door het denken onderzoek kan verrichten naar zijn denkprocessen, zowel in geestelijke (de interne dimensie) als in stoffelijke (de externe dimensie) zin, maakt iets duidelijk over de bemiddelende functie die het denken (de geest / het bewustzijn) in deze heeft en tegelijkertijd ook is. 

Het denken is in staat om zichzelf te onderzoeken als fenomeen, daarin verschijnt het denken als lijdend voorwerp van onderzoek, terwijl het tegelijkertijd leidend subject blijft van uit te voeren denkprocessen en al denkende het ontwerp moet achterhalen waarop denkprocessen gestructureerd ordening bewerken. Het is dit heel specifieke fenomeen van structuur en ordening en de interne en externe wisselwerkingen, die wij hier op het oog hebben en wel met slechts één doel: zo binnen (interne denkstructuren), zo buiten (externe organisatiestructuren), zo boven in de werking van de geest, zo onder in de werking van de stof. Het is deze werking, die als ordening vorm geeft aan en vorm krijgt in structuren. Daar waar structuren verschijnen, kunnen ze voorwerp worden van fenomenologisch onderzoek om de daarin verschenen ordeningswetmatigheden op te sporen en te herleiden tot hun structuur. 

De dualiteit van ordening en structuur is een vergeten tegendeel en een niet begrepen tegenstelling. Ze verwijst naar de polariteit van geest en stof, energie en materie, bewust worden en bewustzijn. Een tweeledigheid die elkaar alsmaar bewerkt en in werking doet stellen. Het is deze tweeledige werking, die wij op het oog hebben en op zich als werking weer niet gedacht kan worden zonder deze dualiteit van ordening en structuur. Doet zich hier het droste effect niet voor in de vorm van een pars pro toto? Om dit nu zichtbaar te maken is het zinvol om werking in zijn diverse vormen aan de orde te stellen, onder andere in de vorm die wij kennen als energie. 

 

Energie in beweging.

Wat de ouden al wisten, weten wij nu op een andere wijze. Sinds een kleine eeuw weten we door middel van het onderzoek in de fysica dat alle materie te herleiden is tot energie en alle energie tot materie. Zij het dat de omslag voltrokken wordt in en door de ‘beweging’. Maar wat is beweging? 

Zeggen we alles is energie dan zeggen we eigenlijk heel vereenvoudigd: ‘Alles is beweging’! Of zoals de Oudgriekse filosoof Herakleitos het uitdrukte Panta Rei: ‘Alles stroomt’. Maar tegelijk zegt zijn tegenvoeter Parmenides: ‘Alles is onveranderlijk’. 

Aristoteles probeerde beide standpunten te verbinden…. Hij onderscheidde vier graden van bewegingsintensivering (kinesis – dynamis – energeia - entelecheia) en de daaraan verbonden  vier posities van de menselijke denkactiviteit (fronèsis – technè – sophia – episteima) nu bijeen gebracht in de systematiek van het diagram. Hoe kon Aristoteles dat toen denken en hoe is dat nu terug te vinden als werking in de werkelijkheid? 

Is dat, wat te denken is, ook terug te vinden in de fysische werkelijkheid? En moeten wij dan niet zozeer op de denkinhouden alleen letten, maar evenzeer op de denkbewegingen? En is datgene wat in de werkelijkheid beweging genoemd wordt ook datgene wat in het denken beweegt? En als het denken in zichzelf structuur en ordening, zijn en worden, begrip en beeld herdenkt, hoe voltrekt het denken daarin niet datgene wat wij mogelijk evenzeer in de werkelijkheid herontdekken? Of denkt het denken de fysische werkelijkheid uit, zoals het zelf alleen maar kan denken?  Of is de werkelijkheid, waar het denken deel van uitmaakt, zo noodzakelijk werkend, dat het denken deze werkelijkheid slechts kan nadenken? Is de wisselwerking tussen stof (object) en geest (subject) nu zodanig ontwikkeld, dat de wederkerigheid in de werking ook zichtbaar gemaakt kan worden in een systeem dynamisch veld? Wordt het niet van eminent belang om de verhouding tussen subject en object zowel duaal als polair te verstaan? 

Stof en geest verhouden zich tot elkaar als dualiteit en polariteit. In de dualiteit vormen ze als elkaars tegendeel een tegenstelling: een dualisme. In de polariteit vormen ze door hun relativiteit een bemiddeld midden: een monisme. In het duale veld zoekt het denken de causale betrekkingen, in het polaire veld zoekt het denken de analoge betrekkingen. In en door de betrekkingen ontstaat dynamiek (een causaal lineaire betrekking in de tijd) én statiek (een analoge circulaire betrekking in de ruimte). Tijd en ruimte, worden en zijn, chaos en kosmos, onrust en rust, proces en inhoud, geest en stof. 

Ziehier een oer-tegenstelling van alle werkelijkheid. Er is dynamiek en er is statiek. Enerzijds sluiten ze elkaar uit en anderzijds sluiten ze elkaar in. Onbewogen of in beweging en als onbewogen beweging. Paradoxaal genoeg voltrekt beweging zich nu juist niet anders dan in de afwisseling van golf en knooppunt, van beweging en stilstand, van actie en rust. 

Energie, beweging, kunnen we dankzij de fysica ons nu voorstellen als een soort trilling en wel in de vorm van golven. En zo zien wij dat geluid, licht en elektriciteit bijvoorbeeld zich voortplanten in golven. Wij spreken zelfs van een bepaalde voortplantingssnelheid van geluid in lucht (±1200 km/uur afhankelijk van temperatuur en luchtvochtigheid) en licht (300.000 km/sec, constant in ons universum). 

Aangezien alles energie is, kennen wij een formule en die spreekt zich uit over de wet van het behoud van energie: niets gaat verloren.Verlies aan energie wordt uitgedrukt met het woord entropie (=beschikbare energie kan uit een systeem verdwijnen). Behoud van energie wordt uitgedrukt met het woord negatieve entropie (alle verdwijnende energie kan weer in een ander systeem verschijnen). We spreken over verschijnen en verdwijnen, over beweging en stilstand, over energie en materie, over ordening en structuur. 

Zo kunnen wij deze oerdualiteiten in onze werkelijkheid opsporen en benoemen en door middel van het grondpatroon consistent en coherent in beeld proberen te brengen. 

Wij hebben in de wereld te maken met twee organiserende systemen, waarbij het ene materialiserend is en het andere ontmaterialiserend. We drukken dat ook uit met twee woorden stof en geest. Beiden vormen het uiteinde van een lemniscaat en wat hen in en door het denken verbindt is de transformerende en de informerende beweging van respectievelijk het beeld en het begrip: te samen vormen zij twee functies in het denken. In de stof organiseert het begrip en in de geest organiseert het beeld. In het begrip wordt vastgelegd wat de werkelijkheid (subject en object) noodzakelijk is en in het beeld wordt opengelegd hoe de werkelijkheid (object en subject) mogelijk wordt. Het begrip koppelt zich aan een feit, aan de stof en het beeld koppelt zich aan een idee, aan de geest. 

Twee organiserende systemen? In de terminologie van de chinezen is alle werkelijkheid te herleiden tot twee basisbewegingen: Yin (centripetale beweging) en Yang (centrifugale beweging). 

Maar laten we eens bij het begin beginnen, hoe moeten wij die beweging ontologisch / fysisch verstaan? 

Als beweging een vorm van energie is: welke vormen van energie onderscheiden wij in de fysica?

Zwaartekracht, elektromagnetisme, kernkrachten (kleine en grote kernkracht) en wellicht nog andere? Zoals donkere materie en donkere energie, donker omdat ze nog niet waarneembaar te maken zijn? 

Alle krachten vormen op zich en vaak ook met elkaar door een onderlinge wisselwerking een veld, een krachtveld, mogelijk een systeem dynamisch veld. Bijvoorbeeld een elektromagnetisch veld. Tegenwoordig probeert men in de theoretische fysica al deze krachtvelden aan elkaar te relateren door het formuleren van een overkoepelende theorie. 

Wat artesS nu interesseert is niet zozeer alleen de fysisch inhoudelijke uitwerking als wel de funderende verhouding tussen structuur en ordening en de grondregels die die verhoudingen reguleren. Kan in het universum van micro tot macro niveau een logiek gevonden worden, die analoog is aan de systematiek van een systeem dynamisch veld, conform de regels van de synthetica en de analytica, casu quo van de beeldvorming en de begripsvorming? 

Alle lichamen vormen op zich en met elkaar een krachtveld. Zo ook het menselijk lichaam. We spreken dan van een elektrostatisch en of een elektrodynamisch veld. De aarde op zich als hemellichaam vormt ook een zogenoemd iso-elektrostatisch veld rond de planeet (en wel tussen de positief sterk geladen ionosfeer en de negatief geladen aarde, het potentiaalverschil is dan ongeveer 200 volt per meter. Op aarde bewegen wij ons voortdurend door dit veld, dat elektrisch veld noemen we een condensator. Verder treffen wij op de aarde een magnetisch veld aan. Tevens oefent de aarde door haar massa of zwaartekracht ook een aantrekkingskracht uit (evenals alle andere planeten) en vormt zo een zwaartekracht veld. Verder treffen wij elektromagnetische velden aan met lage en met hoge frequenties (trillingen). Tot slot creëerde de mens ook elektromagnetische velden teneinde o.a. radio, televisie, computer en mobiele telefoon in werking te kunnen brengen. 

Al deze velden beïnvloeden niet alleen het menselijk lichaam, maar beroeren ook de ladingen in ons lichaam. De vraag echter is hoe effectief en aantoonbaar al die koppelingen zijn? Is een matrix van oscillerende (wisselwerking) velden zichtbaar en denkbaar te maken? 

Metingen hebben aangetoond dat het rechtopstaande lichaam, onder normale omstandigheden, elektrisch geaard is en als ontvanger kan fungeren, bovendien bezit ons lichaam op zich zelf ook een lading en kan zodoende fungeren als zender. Zo lang het lichaam leeft, produceert het een elektrostatisch veld om zich heen. Hoe staan al deze elektrostatische velden, van bijvoorbeeld mens en aarde, met elkaar in wisselwerking in een zogenoemd elektrodynamisch veld? Een mens in diepe meditatie, bijvoorbeeld, heeft een frequentie van ongeveer 7 Hz, die van de aarde (holte in de ionosfeer) bedraagt ook ongeveer 7 Hz: duidt dit op een resonerend systeem? Op een uitwisseling van energie en wel op een zeer lange golflengte van 40.000km, de omtrek van de aarde, in ongeveer één zevende seconde? 

Wat gebeurt er allemaal in zo een krachtveld?  Wat gebeurt er als je hersenen grondig afschermt van deze frequentie? Gaan ze dan disfunctioneren en zo ja wat laat dat zien?

 

Punt en golf in beweging. 

Laten we bij het begin beginnen: alle beweging wordt gekenmerkt door een golfbeweging, een op en neer gaande beweging. Een hele golflengte bestaat uit twee even lange halve golven. Aan het einde van elke halve golf vinden wij een knooppunt of wel een rustpunt. Wanneer alle andere punten (bijvoorbeeld op een snaar) op en neer trillen en de knooppunten stationair zijn, noemen we dat een staande golf (zoals bij een trillende snaar). 

Deze staande golven kunnen we ook zichtbaar maken op een twee dimensionale dunne metalen plaat bestrooid met zand en in trilling gebracht door bijvoorbeeld een strijkstok. (Chladni ontdekte deze techniek). Op de metalen plaat zien we dan mooie zandpatronen (wonderlijk genoeg diverse patronen meer of minder gelijkend op een grondpatroon) ontstaan al naar gelang het punt van aanstrijken. Staande golven die op en neer trillen, vormen de actieve gebieden: daar verdwijnt het zand, terwijl andere knooppunten stationair zijn: daar verschijnt het zand. Dit patroon in het zand geeft in feite aan wat het patroon van de staande golven in het metaal is. Staande golven kunnen zich alleen staande houden als zij hun medium verdelen in een geheel aantal halve golven, fractionele golflengtes kunnen zich niet staande houden. Omgekeerd bepalen de afmetingen van de metalen plaat de golflengte van de staande golven. 

Als nu een structuur in resonantie is, dat wil zeggen als die trilt op zijn natuurlijke frequentie, een natuurlijke frequentie is een frequentie die ook het makkelijkst kan worden gehandhaafd, dan houdt dat in dat er een staande golf aanwezig is. 

Deze structuur kan je eendimensionaal, tweedimensionaal en driedimensionaal verstaan. Al die structuren laten een symmetrisch dimensionaal patroon zien. Dit patroon is echter te verstoren en dan dooft de resonantie uit. 

Wat is eigenlijk resonantie, frequentie, interferentie en of vibratie? Resonantie ontstaat wanneer golven die elkaar kruisen (interfereren) zodanig op elkaar reageren, we spreken dan van wisselwerking, dat ze met elkaar een complex patroon vormen, ook wel interferentiepatroon genoemd. Visueel zichtbaar gemaakt door bijvoorbeeld Chladni in het bovenstaande zandpatroon op een metalen plaat. In feite zien we dan een constructieve interferentie, er bestaan echter ook destructieve interferenties, wisselwerkingen. 

Kan het begrip interferentie/wisselwerking, zij het op andere systeemniveaus, ook toegepast worden op personen, met name waar het om energie uitwisseling gaat en kan het evenzeer van toepassing zijn op de structuur en ordening van een systeem dynamisch veld zoals het diagram? 

Als twee golfpatronen van gelijke frequentie en sterkte (ook wel golfhoogte / amplitude genoemd) elkaar ontmoeten dan versterken ze elkaar. (Wanneer twee mensen van gelijke frequentie elkaar ontmoeten krijgen ze energie, waarom?)

Als twee golfpatronen van ongelijke frequentie elkaar ontmoeten dan verzwakken ze elkaar. (Wanneer twee mensen met een ongelijke frequentie elkaar ontmoeten dan kost dat energie, worden ze moe van elkaar, waarom?) 

Met betrekking tot de systematiek van het grondpatroon kan je de vraag stellen welke scherp onderscheiden begrippen gaan met elkaar een betrekking aan en welke sluiten elkaar uit? 

Technisch heeft elke golf een heuvel en een dal. Waar twee heuvels of twee dalen elkaar ontmoeten, versterken ze elkaar, waar een heuvel een dal ontmoet, verzwakken en of heffen ze elkaar op. 

Interferentiepatronen kunnen vele vormen aannemen, bijvoorbeeld al naar gelang de structuur: een, twee en drie dimensionaal. Bijvoorbeeld een kristal als driedimensionaal interferentiepatroon. 

Interferentie tussen twee golven wordt bepaald door de frequentie van elke golf apart. Frequent betekent vaak, veelvuldig, vaak voorkomend. Frequentie betekent menigvuldigheid, aantal malen dat een verschijnsel zich voordoet, dat iets wordt aangetroffen: bijvoorbeeld het aantal trillingen per seconde van een trillingssysteem: bijvoorbeeld geluidsgolven, radiogolven, lichtgolven, etc. Technisch wordt frequentie aangegeven met het aantal cycli per seconde. Een cyclus per seconde heet in technisch taalgebruik 1 hertz, afgekort tot 1 Hz. Een cyclus is een hele golf incluis heuvel en dal. 

Wanneer twee ongelijke frequenties elkaar interfereren dan kunnen ze elkaar in hun wisselwerking beïnvloeden; er ontstaat een nieuwe gemoduleerde frequentie die we zweving noemen. Deze zweving is deels het gevolg van een constructieve interferentie, dan zijn beide frequenties in fase (meewerkend en versterkend), en deels het gevolg van een destructieve interferentie, de golven lopen dan uit fase (tegenwerkend en verzwakkend). Zweving is gelijk aan het verschil tussen de a- en de b- frequentie. 

Wanneer twee personen interfereren dan kunnen ze van gelijke of ongelijke frequentie, trilling, zijn. Ze kunnen elkaar soms versterken en ze kunnen elkaar soms verzwakken. De relatie gaat dan zweven tussen hoogte- en dieptepunten, tussen ups en downs, goede tijden en slechte tijden. Van uur tot uur, van dag tot dag, van week tot week, van jaar tot jaar, van levensperiode tot levensperiode. 

Golven moeten zowel in snelheid als in golflengte consistent zijn. Dat bepaalt of ze betrouwbaar zijn als informatiedrager, zo niet dan hebben we een ratjetoe, een chaos.

Niet samenhangend staat tegenover samenhangend: chaos tegenover kosmos, wanorde tegenover orde. Een bepaald soort orde noemen we coherent (coherent licht van één enkele frequentie noemen we monochroom licht). Een interferentiepatroon van golven dat zich coherent gedraagt kan heel bepaalde informatie opslaan. Deze informatie kan hoorbaar, zichtbaar, voelbaar, denkbaar gemaakt worden al naar gelang het medium wat we daarvoor benutten. Dat medium moet die informatie kunnen ontvangen, omvormen, en uitzenden. De omvorming moet zodanig gebeuren dat er geen informatievervorming (verlies of winst)  optreedt. Het medium kan daarin aan zuiverheid, nauwkeurigheid, winnen. 

Hoe zuiver moet een heler als mens en als medium fungeren om energie door te geven?

Vormt het grondpatroon als systeem dynamisch veld een medium / instrument om bepaalde interferentiepatronen zichtbaar en denkbaar te maken? Hoe kan in een grondpatroon o.a. denkpatronen zichtbaar gemaakt worden? 

De wisselwerking tussen golven wordt opgeslagen in een interferentiepatroon. Om deze interferentie tot stand te brengen, hebben we minstens twee interactieve componenten nodig. (twee op elkaar inwerkende golffrequenties vanuit een persoon, of golffrequenties van twee op elkaar in werkende personen, etc.)

Deze twee interactieve componenten verdelen we in een referentie golf / straal en een werkende golf / straal. 

Is dit uit te werken in een therapeutische relatie? In therapeutische termen de therapeut moet beschikken over een innerlijk zuivere ongestoorde referentiestraal en een zuivere werkende straal die ervaringen opdoet. Met de werkende straal tast hij de cliënt af. Die werkende straal wordt weerkaatst door de cliënt en de therapeut vormt het medium waarin de referentiestraal en de werkende straal elkaar ontmoeten: de uitwisseling tussen die twee stralen zal in hem een interferentiepatroon doen vormen in de vorm van bijvoorbeeld sensaties, emoties, imaginaties (beelden). Het is dus van heel groot belang dat de therapeut / heler zijn energie zuiver maakt en houdt. Als hij zelf niet coherent is, hoe kan hij dan coherente informatie opvangen en verzenden, laat staan beluisteren of bezien? De referentiestraal dient als basis voor de vergelijking met de werkende straal. Door de vergelijking ontstaat de mogelijkheid om overeenkomsten en verschillen te duiden: onze zintuigen zijn voortdurend bezig met het maken van zulke vergelijkingen. Daardoor ontstaat ervaring en ervaring berust op een verschilsbetrekking: wij ervaren alleen veranderingen, relatieve bewegingen. 

In systeem dynamische termen, hoe kan het veld de beschikking krijgen over twee op elkaar inwerkende velden: enerzijds te markeren met het dynamische / staande kruis en het statische / liggende (diagonale) kruis? Hoe kan de inwerking dan stapsgewijs denkbaar gemaakt worden van positie naar positie via de betrekkingen (gesitueerd in de betreffende kwadranten)? 

De werking tussen deze twee interactieve stralen / energieën is ook een manier om informatie op te slaan in een hologram. Dat betekent dat elk deel van het hologram in staat is het geheel te representeren. Het hologram is een zeer interessante informatiedrager en in de mens zien we bijvoorbeeld in de functie van de hersenen en in de functie van de genetische code zulke vergelijkbare informatiedragers. Echter dan dienen ze zich in hun functioneren wel ordelijk en dus voorspelbaar te gedragen, gelijk het ordelijk gedrag van golven in geluid, licht, etc. 

Is het grondpatroon te introduceren als een denkbaar hologram? Hoe zichtbaar en denkbaar dient binnen een grondpatroon en/of tussen verschillende analoge dia en dynagrammen het geheel in relatie tot haar leden en/of het deel in relatie tot het geheel consistent en coherent in samenhang gebracht te worden? 

Een systeem dynamisch veld wat een repeterende, regelmatige, periodiek terugkerende beweging kent, en dus in trilling is met een bepaalde frequentie, noemen we een oscillator. Oscillatoren kunnen een bepaalde toon of geluid voortbrengen. De ene oscillator kan een ander gelijkgestemde door zijn trillingsfrequentie mee laten resoneren, we spreken dan van afstemmingsresonantie tussen de twee gelijkgestemde systemen (is dit te vergelijken met de werking van de heler op de cliënt?). 

Binnen zo een systeem van twee gelijkgestemden waartussen afstemmingsresonantie ontstaat, kan energie eenvoudig worden overgedragen. Ieder systeem resoneert in zijn eigen natuurlijke frequentie, die we de eigenfrequentie noemen. Die eigenfrequentie kan verloren raken door talloze storende factoren: destructieve interferentie. Constructieve interferentie laat zien dat de energie-overdracht binnen dit systeem voor die bepaalde frequentie optimaal is. En zo een systeem, bestaande uit twee gelijkgestemde oscillatoren noemen we een resonant systeem. Hoe groter het aantal oscillatoren binnen zo een systeem, hoe stabieler het systeem en des te moeilijker het systeem is te verstoren. We zien dan dat die oscillatoren in fase zijn, alsof ze met elkaar zijn verbonden en zo doende ook een uit de pas gelopen oscillator snel tot de orde kunnen roepen. 

Kan met andere woorden in de verbinding tussen twee mensen afstemmingsresonantie in een systeem ontstaan en of vergaan? Zonder afstemming geen overdracht van energie? 

Een karakteristiek van resonerend gedrag is dat het voor zijn instandhouding slechts een minimale hoeveelheid energie nodig heeft en minimale energie nodig heeft om een gelijkgestemde in resonantie te brengen. Dit met elkaar in resonantie komen noemen we ook ritme-afstemming of harmonisering: de natuur wil spaarzaam met energie omgaan en periodieke gebeurtenissen, die in frequentie dicht genoeg bij elkaar liggen, in fase ofwel in de pas met elkaar laten lopen, met als gevolg constructieve interferentie. Dicht bij elkaar liggende frequenties kunnen veel makkelijker met elkaar gaan samenwerken, dan dat hun kleine verschillen in stand worden gehouden, samenwerking levert beiden voordeel op. 

Is een grondpatroon te interpreteren als een consistent en coherent interferentiepatroon waarbinnen bepaalde begrippen in een constante betekenispositie en in een feitelijke wisselwerking dienen te verkeren? Zo een grondpatroon dient enerzijds in zichzelf gesloten te zijn en op zichzelf te kunnen staan, wat juist weer de basis kan vormen om interferenties met andere analoge bouwpatronen en grammen tot stand te brengen. De werking en posities van al deze onderscheiden grammen brengen in feite de functie van het bewustzijn en bewust worden aan het licht. In die zin kan het bewustzijn / bewust worden dan ook niet beperkt worden tot de act van het denken alleen; het voelen en willen dienen daar evenzeer in betrokken te worden. Welnu kunnen in het grondpatroon deze drie aloude door Plato geformuleerde zielenfuncties weer zichtbaar en denkbaar in werking treden? 

 

Maat en ritme in beweging. 

In de natuur heeft ritmeafstemming aanzienlijke gevolgen, met name voor het bioritme van levende organismen. We kunnen daarbij denken aan de inwerking van de licht donker cyclus, de werking van de zon maan cyclus, het ritme van de getijden. Mogelijk kunnen magnetische, elektromagnetische, atmosferische, geofysische factoren het bioritme van levende organismen mede beïnvloeden. Planeten en asteroïden zijn ook ritmegevoelig en ontwikkelen resonanties tijdens hun omwenteling rond de zon. Zo worden met name asteroïden sterk beïnvloed door de zwaartekrachtvelden van de grotere planeten. Zij gaan in resonante banen, gelijk een danser, en beschrijven kleine lussen rond de planeten binnen hun grote lus rond de zon. 

Beweging voltrekt zich ritmisch. Ritmische bewegingen hebben een effect op andere energie of krachtvelden. Heel onze werkelijkheid kunnen wij dus in verband brengen met trilling. Niets in de werkelijkheid is statisch, te beginnen met de atoomkern (10 tot de 22e macht Hz) die dus met enorme snelheid trilt, hebben atomen (10 tot de 15e macht Hz), elektronen, moleculen (10 tot de 9e macht Hz), cellen (10 tot de 3e macht Hz) allemaal hun karakteristieke trillingssnelheden. Materie is niet voorstelbaar zonder deze trillingsenergie. 

Als we ons dit voorstellen, produceren onze hersenen ook ritmische elektrische stroompjes. Samen met hun magnetische velden verspreiden die zich in de ruimte met een enorme snelheid, hoezo gedachten leren lezen? Hoe verfijnder iemands systeem is afgesteld, des te helderder is het signaal dat we kunnen oppikken. Met een systeem van afgestemde oscillatoren kan ook het kleinste signaal worden opgevangen. Er is namelijk maar heel weinig energie van de juiste frequentie nodig om een resonant systeem mee te laten trillen. In wezen trilt alles met alles in een groot resonantiepatroon, zijn wij niet terug gekeerd bij het Panta Rei van Heracleitos? 

Het lijkt er op dat de hele werkelijkheid en dus ook onze microwerkelijkheid in feite bestaat uit een omvangrijke 'lege ruimte' gevuld met vibrerende of resonerende velden. Vele verschillende soorten velden die allemaal op elkaar inwerken. Onze zogenaamde vaste realiteit lost dus op in een snel pulserende matrix en of web van energievelden: een interferentiepatroon van golven in het uitgestrekte vacuüm (hoe leeg of vol is dan dit vacuüm?). Hoe werkt een verstoring in een van die velden door in andere velden? Omgekeerd, kan een sterk harmoniserend ritme op deze matrix van onderling verbonden velden een harmoniserende invloed uitoefenen? Een veld van onderling gescheiden, onderling verbonden, en onderling met elkaar verweven velden, ieder pulserend in zijn eigen tempo maar in disharmonie of harmonie met alle andere. 

Zouden wij zo ziekte kunnen beschouwen als onharmonisch gedrag van een of meerdere relevante velden in het systeem, zoals bijvoorbeeld cellen, organen, etc.? Zou door een sterk harmoniserend ritme het interferentiepatroon van het desbetreffende zieke lees disharmonische veld, weer kunnen worden hersteld, door afstemming van ritmen? Zou dit wel eens het grondbeginsel van de paranormale heling kunnen zijn, of het grondbeginsel van het helen met energie via het systeem van de chacra’s? Van oudsher wielen genoemd, dynamische velden van energie in ons menselijk lichaam. Dit grondbeginsel vinden wij ook terug in de homeopathie van Hahnemann en in de bloesemremedies van Bach, en mogelijk vele andere analoge velden. 

Het moge duidelijk zijn dat bepaalde velden mogelijk wel en mogelijk niet op elkaar kunnen reageren. Het ene veld zal mogelijk sterker reageren op die ene bepaalde trillingsenergie dan op al die anderen. Wij zijn dus constant omgeven en doordrongen door verschillende velden als mens, staande in een complexe, wervelende en dynamische werkelijkheid. Gek genoeg bracht Aristoteles die beweging terug tot een vierledige intensiteit toename of intensiteit afname. 

 

Rust en actie in beweging. 

Alles in de werkelijkheid is niet zozeer alleen een verzameling van bewegende voorwerpen, maar evenzeer niets anders dan in beweging. Deze beweging is een aanhoudende en oneindige stroom enerzijds, van snel opeenvolgende energie impulsen anderzijds. Het verloop van deze beweging, die alle werkelijkheid schept is enerzijds ononderbroken (te verstaan als tijd) en anderzijds evenzeer onderbroken alsof de werkelijkheid aan en uit knippert in even zovele afzonderlijke energie impulsen (te verstaan als ruimte). Alles in de werkelijkheid is te herleiden tot ordening en structuur, actie en rust, beweging en stilstand, golf en knooppunt, impuls en positie, proces en inhoud, worden en zijn, tijd en ruimte, werkwoord en substantief, betrekking en positie. Ziehier vele woorden voor analoge dualiteiten in onze werkelijkheid. 

Zelfs ons zenuwstelsel en de daaraan gekoppelde functie van de zintuiglijke waarneming zijn niet meer te begrijpen zonder deze dualiteit van actie en rust. Ons waarnemingssysteem bestaat uit een systeem van registrerende zenuwcellen die zich in onze zintuiglijke organen bevinden. Deze zenuwcellen zijn via lange zenuwvezels via het ruggenmerg verbonden met de verschillende gebieden in de hersenen. Elke zenuwzintuigcel geeft regelmatig een signaal af dat bestaat uit spaarzame en onregelmatig verdeelde elektrische stroomstootjes of pieken. Bij elke prikkel echter zal de zenuwzintuigcel een salvo van snel opeenvolgende pieken afvuren. De kracht van de prikkeling bepaalt de hoeveelheid pieken per tijdseenheid. Onze zintuigen vertalen voor ons de omringende werkelijkheid naar een morsetaal van actie en rust. En uit deze code van actie en rust reconstrueren onze hersenen alles wat de zintuigen waargenomen hebben. 

Zo werken vele systemen in onze werkelijkheid op basis van actie en rust. Een eenvoudig voorbeeld daarvan zien wij in de slingerbeweging, die zich gedraagt volgens een enkelvoudige harmonische beweging. Wij zien op het eerste oog een heen en weer gaande beweging in het platte vlak, een enkelvoudige lineaire beweging. Deze heen en weer gaande beweging zien wij echter ook in een cirkelbeweging, een enkelvoudige periodieke cirkelbeweging. Wederom verschijnt de beweging in een dualiteit van bewegen en wel de heen en weer beweging en het verschijnsel van de rotatiebeweging. 

Micro-werkelijkheden en macro-werkelijkheden bestaan uit met elkaar in wisselwerking staande energievelden die respectievelijk relatief immens grote binnenruimten en buitenruimten vormen (stel de kern van een waterstofatoom op 1 mm, dan vinden wij haar elektron pas op een afstand van 10 meter, een verhouding van 1 tot 10000). Al die tussenruimten zijn leeg? Ze worden echter afgegrensd door delen. En al die delen hebben een lading, een rotatie, een magnetisch moment, vreemdheid, kleur en charme. 

Deze microwerkelijkheden en macrowerkelijkheden kunnen wij zien als hiërarchieën van beweging. Op beide niveaus zien wij deze twee soorten van beweging: een ronddraaiende cirkelbeweging (rotatie) en een heen en weer beweging (slingerbeweging), beiden rond een relatief vast punt. In het tussenniveau zien wij echter zowel in eenvoudige als complexe levende structuren slechts nog een soort beweging: de heen en weer gaande beweging (vgl de zweepharen van eenvoudige ééncelligen, sommige bacteriën hebben een rotatiemechanisme).

Levende wezens worden in feite gekenmerkt door hun heen en weer gaande beweging: hoe komt het dat de rotatiebeweging op dit tussenniveau verdwenen is? Of verschijnt ze weer op een andere wijze in de werking van de geest en de daarmee te noemen noodzakelijk ontwikkeling? 

Ergens in de micro- en in de macrowereld ligt het geheim verborgen hoe tijd en ruimte zich tot elkaar verhouden: vormen ze een tegenstelling en of zijn ze elkaars tegendeel? 

De kwantummechanica leert dat als afstanden onder de afstand van Planck komen, die 10 tot de 33e macht bedraagt, men een nieuwe dimensie binnen gaat. Het oorzakelijk verband tussen gebeurtenissen in tijd en ruimte verdwijnt, bewegingen worden schokkend in plaats van gelijkmatig. Tijd en ruimte worden korrelig en brokkelig. Wat gebeurt er dan met de tijd en met de ruimte, worden die teniet gedaan door zoiets als oneindige snelheid? Of een ander begrip zoiets als alomtegenwoordigheid? Schijnen oneindige snelheid en totale rust complementair te zijn? 

Het onzekerheidsprincipe van Heisenberg leert dat als van een deeltje zowel zijn impuls als zijn positie wordt gemeten, slechts een van deze kwantiteiten nauwkeurig gemeten kan worden. Hoe nauwkeuriger zijn impuls gemeten kan worden, hoe onnauwkeuriger zijn positie, en omgekeerd. Hoe exacter het ene gekend kan worden, hoe onduidelijker en onkenbaarder het andere. Ziehier een voorbeeld van vreemd gedrag van deeltjes als het atoom of kleiner. Maar evenzeer zitten we met het verschijnsel licht dat zeer wel aanvankelijk bewezen kon worden ofwel als golf werking ofwel als deeltjes werking, maar idem dito aanvankelijk niet tegelijkertijd, inmiddels wordt, experimenteel gezien, aan de existentie van de golf dynamiek toch het primaat gegeven. 

Natuurkundig onderzoeken wij de objectieve en subjectieve werkelijkheid, de uiterlijke en de innerlijke ruimte, de dimensie van de stof en de dimensie van de geest. Beide werkelijkheden verschijnen in de afwisseling van actie en rust. Beiden werkelijkheden verschijnen en verdwijnen tengevolge van de verandering of beweging die plaats vindt tussen twee toestanden van rust. Als er geen verandering is, hebben we een staat van voortdurende rust en betekent een staat van voortdurende rust dat er dan geen waarneembare realiteit kan verschijnen en verdwijnen? Zolang er beweging is, is er een vorm van ‘tastbare werkelijkheid’. Of moeten wij het omdraaien: de beweging is geen waarneembare realiteit, maar juist die twee toestanden van rust die op hun beurt de beweging mogelijk kunnen maken. Vormen ze een tegenstelling of juist een tegendeel? 

De tastbare wereld is beweging, niet een verzameling bewegende voorwerpen alleen, maar beweging zelf, niets anders dan beweging. Deze beweging is een aanhoudende en oneindig snelle opeenvolging van energieflitsen. Deze beweging is in haar verloop ononderbroken net als een golf én deze beweging is onderbroken in afzonderlijke deeltjes met hele kleine tussenpozen. 

Met andere worden de werkelijkheid is niet mogelijk zonder beweging en zonder rust, zonder impuls en zonder positie, etc. Ze vormen paradoxaal zowel elkaars tegendeel als elkaars tegenstelling, maar door wie of wat worden deze posities bemiddeld? Is nu datgene wat op materieel vlak wel in een paradox moet eindigen, juist niet op mentaal, rationeel, geestelijk vlak te begrijpen? Wat zijn eigenlijk fysisch gezien mentale, rationele, geestelijke / spirituele verschijnselen? Wat maakt dat we slechts een 3,5% van de werkelijkheid kunnen zien, meten en wegen en de rest nog niet? of nooit? behorend tot een andere dimensie dan die van de kwantitatieve ruimtetijd? Hoe verhoudt deze laatste zich dan weer tot de kwalitatieve tijdruimte? 

Als de werkelijkheid een en al beweging is, hoe verstaan wij dan geestelijke verschijnselen? Hoe is het geestelijke anders te definiëren dan als beweging? Hoe moet de analogie gedacht worden tussen stoffelijke beweging en geestelijke beweging? Los van de mogelijke causaliteit tussen stoffelijke beweging en geestelijke beweging en vice versa. 

Het is in het denken gebruikelijk om te proberen een model te maken dat een bepaalde verzameling verschijnselen nauwkeurig in kaart kan brengen. Kan het model dan aan iets anders beantwoorden dan aan het verschijnsel beweging en stilvallen, actie en rust, werking en inhoud, etc.? Kan zo een model feitelijk er anders uit zien als wat bijvoorbeeld Chladni met zijn zandpatronen probeerde zichtbaar te maken? Kan zo een model er anders uit zien dan feitelijk golven en knooppunten energetisch teweeg brengen, niet alleen in de materie, maar evenzeer in de geest? Hoe komt het dat reeds de mythische mens deze patronen begon te verbeelden en te verhalen, de ontologische mens ze fysisch zichtbaar en verklaarbaar trachtte te maken en de functionele mens ze ook coherent en consistent begon te doordenken, te doorvoelen en te doorwillen? 

Ziehier het verschijnsel grondpatroon. Het kan in aanvang nog een rudimentair model zijn, dat later verfijnd kan worden, naarmate meer kennis voorhanden komt. Het grondpatroon echter moet ertoe lenen al die andere verschijnselen en modellen compatible te maken, wat maakt haar dan tot een integrerende factor? Een succesvol model voor welke verzameling verschijnselen dan ook moet in principe op een eenvoudige en spaarzame wijze vele verschijnselen kunnen integreren volgens een beperkt maar uitgewogen aantal regels. Hoe meer regels vereist zijn om het grondpatroon te bouwen, des te onhandelbaarder en kwetsbaarder wordt het. In principe moeten al die regels weer herleidbaar zijn tot dat duale oerprincipe wat we boven reeds tasttenderwijs aan de orde hebben gesteld. Het grondpatroon als een kleinst mogelijke eenheid moet in staat zijn de werkelijkheid als een hoogst geïntegreerd systeem op een compacte wijze denkbaar en zichtbaar te maken. Hoe meer we zoveel mogelijk verschillende complexe fenomenen uit onderscheiden wetenschapsdomeinen via dit model in verband kunnen brengen, des te meer zullen we kunnen inzien hoe de werkelijkheid slechts uit een paar grondregels is opgebouwd en herleid kan worden tot verschillende modi van oerdualiteiten, cq polariteiten: zijn en worden, ruimte en tijd, positie en actie, etc. 

 

Ruimte en tijd in beweging. 

Een onderzoek naar tijd en ruimte als een dualiteit van tegendelen zal niet kunnen eindigen in een dualisme van tegenstellingen. Ook de tijd zelf ontkomt niet aan de dualiteit van objectieve tijd en subjectieve tijd, van chronos en chairos. Hoe blijken objectieve tijd en subjectieve tijd elkaar tegen te komen als ruimtelijke tijd en tijdelijke ruimte? 

Chronos verstaan we als de ruimtelijke tijd, de objectieve tijd, die in gelijke delen kwantitatief is opgedeeld en waarvan wij continu gelijke delen, stuk voor stuk op souperen om vervolgens te ontdekken dat ze in gelijke delen gelijkmatig en onverstoord blijft aanstormen. Verschijnen en verdwijnen van de tijd die haar eigen kinderen baart en weer verslindt: Chronos. Hier verschijnt de ruimte in de hoedanigheid van de tijd. 

Chairos verstaan we als de tijdelijke ruimte, de subjectieve tijd, die in ongelijke delen kwalitatief is in gedeeld en waarin wij discontinu de tijd zien vervliegen dan wel vertragen, naar gelang de beleving van de omstandigheden. Als je twee uur doorbrengt met een aardig iemand, lijkt het alsof het maar een minuut duurt. Maar als je een minuut in een knellende situatie zit, lijkt het wel uren te duren. Dan blijkt de tijdsbeleving ineens heel relatief te zijn. Dan is ze ineens vervuld of onvervuld en verschijnt de tijd in de hoedanigheid van de ruimte: Chairos. 

Als de tijd ogenschijnlijk blijft stil staan vertoeven wij dan nog wel in dezelfde ruimte? Of zijn wij niet tegelijkertijd elders? Wat is tijd dan als snelheid? Verschaft een subjectief beleefde situatie op haar beurt een analogie voor een objectief beleefde situatie? 

In de relativiteitstheorie wordt duidelijk dat twee waarnemers die relatief ten opzichte van elkaar bewegen het niet eens zijn over de snelheid waarmee hun respectievelijke klokken lopen. Het vertoeven in een tijdelijke ruimte waarin de duur niet meer meetbaar wordt, maar gerelateerd aan het subject, aan de geest? Hoe verhoudt nu die subjectieve tijd zich tot die objectieve tijd? Wat is werkelijkheid anders nog dan betrekkelijkheid? Wat is zijn en wat is worden? Wat is ruimte en wat is tijd? Wat is positie en wat is impuls? Keerzijden van eenzelfde werkelijkheid die aan ons verschijnen als dualisme en dualiteit, als tegenstelling en tegendeel, als een werkelijkheid in verdwijning of een werkelijkheid in verschijning? 

Enerzijds kunnen tijd en ruimte als tegenstelling in een gerelateerd oorzakelijk verband geplaatst worden, anderzijds overstijgen ruimte en tijd elkaar in een ongerelateerd analoog verband en is er verplaatsing zonder tijd en ruimte zonder verhaasting. Het oorzakelijk verband tussen twee begrippen kan fysisch gezien ineenstorten en het analoog verband kan tegelijkertijd psychisch gezien tijd en ruimte herscheppen in het beeld en hen in functie doen treden. We kunnen die functies zichtbaar maken in het grondpatroon als model van een en dezelfde werkelijkheid. 

De ruimte dienen wij drie dimensionaal te verstaan, in wezen laat het platte vlak waarin het grondpatroon is getekend slechts twee dimensies zien. Ruimtelijk uitgevoerd kunnen we de derde dimensie visueel maken. De ruimtetijd kunnen wij vierdimensionaal in het platte vlak voorstellen door twee lijnen haaks op elkaar te trekken. De verticale richting stelt de ruimte voor, de horizontale richting de tijd. Het verloop van de tijd wordt getoond als een beweging van links naar rechts, tussen verleden en toekomst, tussen west en oost. De kruising van de verticale lijn op de horizontaal wordt als het nu gemarkeerd en daarmee verschijnt de ruimte hier als het altijd nu. Het nu is het uitgangspunt van elke gebeurtenis dat haar eigen ruimte schept. Met de tijd verschijnt de ruimte en met de ruimte verdwijnt de tijd. 

Dit grondpatroon kunnen we benutten om te laten zien hoe een foton, een lichtdeeltje, zich zou kunnen gedragen. Licht verplaatst zich met een snelheid van 300000 km per seconde. We kunnen vanuit het nu-punt op de horizontale lijn onze tijdseenheden aangeven: 1, 2, 3, seconden. Op de verticale lijn geven we de afstanden aan die een foton heeft afgelegd: in de eerste seconde 300000 km, in de tweede seconde 600000 km, in de derde seconde 900000 km. Vanaf de punten op de horizontale lijn die tijdseenheden aanduiden, trekken we nu verticale stippellijnen, en vanaf de punten op de verticale lijn, die afstandseenheden aangeven, trekken we horizontale stippellijnen. Deze lijnen zullen elkaar kruisen en door de punten waar ze elkaar kruisen trekken we een diagonale lijn, te beginnen in het nu-punt. We kunnen deze diagonale lijn verlengen linksboven van het nu-punt het verleden in, en we kunnen een symmetrische diagonale lijn trekken die ook door het nu-punt linksonder het verleden in loopt. Deze twee diagonalen bakenen twee driehoeken af die het ‘nu’ met hun top raken. Hun beider basis is open, omdat we het verleden en de toekomst niet kunnen beperken. We kunnen wel visualiseren dat het nu-punt zich de toekomst in beweegt, terwijl het daarbij vele nu ’s waaruit ons verleden is opgebouwd achter zich laat. De twee gearceerde driehoeken beschrijven respectievelijk de activiteiten die in de toekomst zullen plaatsvinden en de activiteiten die in het verleden plaats gevonden hebben. 

Tot nu toe nemen wij aan dat de snelste verplaatsing in de fysieke wereld bepaald wordt door de lichtsnelheid. Visueel geven de diagonale lijnen die de lichtsnelheid voorstellen, de uiterste grens aan van de snelheid waarmee een fysisch deeltje (object) zich binnen ons fysieke universum kan verplaatsen. Dit gedrag noemen de natuurkundigen tijdachtig, daarbij verwijzend naar ons normale ruimte-tijd universum. Elke beweging die langzamer dan het licht gaat, zal zich afspelen rond de horizontale tijd-as. 

Stel dat er hypothetisch gezien deeltjes (natuurkundigen noemen die tachyonen) bestaan, die met snelheden hoger dan het licht kunnen bewegen, hoe moeten wij ons dat in het grondpatroon voorstellen? Stel dat een tachyon zo snel gaat dat het amper tijd verbruikt, dan verplaatst het tachyon zich zodanig dat we zijn beweging kunnen afzetten op de verticale ruimte as, zonder de horizontale tijdsas erbij te betrekken, aangezien er nauwelijks tijd is verbruikt. Alle snelheden hoger dan het licht zullen zich bundelen rond de verticale ruimte as en daarom wordt dergelijk gedrag door natuurkundigen ‘ruimteachtig’ genoemd. Iets dat zich met bijna oneindige snelheid verplaatst, moet dan feitelijk op alle plaatsen tegelijk zijn. Het oude woord hiervoor was alomtegenwoordigheid. Is dit concept denkbaar, als het niet tegelijkertijd ook werkelijkheid kan zijn? 

Los van het feit of dergelijke snelheden fysisch aangetoond kunnen worden, kan dit gedachten experiment ons mogelijk leren dat oneindige snelheid of mobiliteit feitelijk hetzelfde is als in rust verkeren, als overal tegelijkertijd zijn! Is dat een paradoxale conclusie? Waarom spreken bepaalde meesters over het ‘verruimen’ van ons bewustzijn? Is onze waarneemgeest bezig de gehele ruimte te vullen en te omvatten zonder het fysieke zwoegen? Is oneindige snelheid bereiken niet zoiets als een staat van rust of een staat van zijn bereiken: wordt hier de cirkel gesloten? 

Ruimte verbeeldt het tegelijkertijd in de verticaal als het altijd nu van de geest die in haar alomtegenwoordigheid oneindig snel en toch in ruste is. De verticaal verbeeldt als zijns-as de werking van de geest. De geest is als tijdelijke werkelijkheid monaal ineen gevallen, het een en het ander tegelijkertijd. Het en en in de polariteit verbeeldt het gelijkruimtelijke en heeft niet meer de tijd van node om het een en het andere in een wederkerige wisselwerking te brengen. Deze wederkerige wisselwerking krijgt gestalte in een circulaire causaliteit. Zo boven zo beneden, zo beneden zo boven. De verticaal verbeeldt de axis mundi en zij verbindt alle dimensies, van macro tot micro, als een tegelijkertijd in wisselwerking. Gelijkruimtelijk en gelijktijdig is alles met alles verbonden in een verticaal veld. De circulaire causaliteit heeft de oneindige ruimte en de oneindige tijd teruggebracht tot een eeuwig hier en nu: een punt. Bron van verschijnen en verdwijnen, positie en negatie. Een pulserende dynamiek die kwalitatief van aard is. Als kwaliteit onruimtelijk en ontijdelijk en toch werkzaam. 

Tijd verbeeldt het gelijkruimtelijke in de horizontaal als het altijd worden van de stof die de alomtegenwoordigheid verdeelt in de dualiteit tussen verleden en heden. De horizontaal verbeeldt als wordings-as de werking van de stof. De stof is als ruimtelijke werkelijkheid duaal uiteen gevallen, het een na het ander en het ene of het andere. Het of of in de dualiteit verbeeldt het ongelijkruimtelijke en heeft de tijd van node om het een uit het andere te laten voortkomen als een lineaire causaliteit. Die lineaire causaliteit heeft echter reeds een oneindige ruimte voortgebracht, die slechts in de geest is te bereizen als een doordenken van de tijd om dan te ontdekken dat het alsmaar voortbewegen op de horizontaal de mens uiteindelijk doet wederkeren op zijn vertrekpunt. Zo verhoudt de horizontaal zich tot de cirkel als het ongelijkruimtelijke meetbare tot het gelijkruimtelijke onmeetbare. Het meetbare ontstaat door een verschilsbetrekking die kwantitatief en ruimtelijk van aard is. Ook de tijd wordt dan meetbaar gemaakt door ruimtelijke kwantiteiten. Een lichtjaar is reeds een onvoorstelbare kwantiteit die slechts is te denken in het domein van de geest, laat staan in het domein van de stof. Ongelijkruimtelijk en ongelijktijdig is niet alles met alles verbonden in een horizontaal veld. 

De verticale cirkel en de horizontale cirkel doorsnijden elkaar in de sagitale as. En de sagitale as doorkruist het midden van de verticale en horizontale as. Zodoende vormen ze een driedimensionale ruimte en deze driedimensionale ruimte heeft een absoluut midden waar de drie assen elkaar snijden. Er is echter nog een derde verticale cirkel te trekken en die omvat zowel de verticale als de horizontale cirkel. Deze derde cirkel omvat alle twee cirkels daar waar de cirkels hun omslagpunt maken, zichtbaar gemaakt door de twee snijpunten van de verticaal en de twee snijpunten van de horizontaal. Deze derde cirkel doorloopt dus vier snijpunten. In deze derde cirkel wordt dus de werking van de verticale cirkel en de horizontale cirkel verenigd. Bovenpool en onderpool, links en rechts / verleden en toekomst. Noord – zuid en west – oost. Verbeeldt de verticale cirkel de ruimte in de tijd en de horizontale cirkel de tijd in de ruimte, zo verbeeldt de derde cirkel zowel de ruimte als de tijd. De tijd voltrekt zich in de ruimte van de cirkel lineair causaal en de ruimte is gelijktijdig, circulair causaal verbonden met het punt, haar bron van verschijnen en verdwijnen. 

Het grondpatroon representeert met de horizontaal de tijd en met de verticaal de ruimte en met de cirkel omsluit ze dit veld zowel in de ruimte als in de tijd. Met deze eenvoudige tweevoudige matrix omsluit ze en ontsluit ze ruimte en tijd. In de horizontaal en verticaal omsluit ze de werking van de tijd in de ruimte op vier vaste punten als een staande vierkant dynamisch in haar doorwerking van de ruimte in de tijd. De horizontaal en de verticaal vormen met elkaar het staande vierkant en het staande kruis, de diagonalen van dit staande vierkant. Het staande kruis markeert de vaste posities in tijd en in ruimte. Maar de ruimte moet doorlopen worden in de tijd tussen de vier vaste posities van het staande kruis. Ergens in het midden tussen twee vaste posities bevindt zich een relatief tussenveld of midden, een onderweg, nog in de tijd, nog niet aangekomen en in rust, maar nog volop in beweging. Zo kunnen wij die relatieve middens opnieuw met elkaar verbinden door twee diagonalen. Deze twee diagonalen vormen een liggend kruis in een liggend statisch vierkant. De werking van de tijd wordt pas zichtbaar in de werking van het statische vierkant. De ruimte gaat vooraf aan het in werking treden van de tijd en met het in werking treden van de tijd kan er weer ruimte ontstaan en vergaan. Met de tijd wordt echter ook de ruimte in haar afbakening, afgrenzing, overschreden. De ruimte suggereert een binnen en een buiten, ze markeert door verschilsbetrekkingen een binnen of buiten zijn en maakt de beweging in de tijd mogelijk om van binnen naar buiten te gaan of van buiten naar binnen te gaan. Een heen en weer reizen ontstaat pas in een gegeven of vastgestelde ruimte. Deze vastgestelde ruimte bepaald door vier vaste posities, maakt het mogelijk de tijdseenheid te doorlopen in vier relatieve ruimten waarin de tijd ruimte en kracht van werking mag krijgen. Zo wordt de tijd ook in vieren gedeeld als een vast rondje, je kunt niet op alle hoeken van het diagonale liggende kruis in het liggende vierkant tegelijk zijn. Zo wordt de tijd, de dag en het jaar in vieren gedeeld: kwartieren, kwadranten. De ochtend en avond, de mid-dag en de mid-nacht, kwartier maken op de vier keerpunten. De lente en de herfst, de zomer en de winter, seizoenen gemarkeerd door de werking van de zon, die haar kwartieren maakt in jaar en dag. 

Een ontologisch diagram, meer matrix, met de object betrokken coördinaten op abscis en ordinaat vormt een zogenoemd cartesiaans rooster waarop ruimte en tijd uiteengezet kunnen worden als kwantitatieve grootheden, vrucht van het ontologische paradigma. Een mythisch dynagram, meer web, met de subject betrokken coördinaten op horizontaal, verticaal en diagonaal vormt een zogenoemd kosmogram waarop ruimte en tijd uiteengezet kunnen worden als kwalitatieve grootheden, vrucht van het mythische paradigma. Deze twee systemen zijn evenwijdig in hun structuur (object betrokken) en onevenwijdig in hun ordening (subject betrokken). In beide systemen kan de mens zowel subject betrokken participeren als object betrokken opponeren, vrucht van het functionele paradigma. De vraag is of in het grondpatroon uiteindelijk beide systemen in een functioneel verband gedacht kunnen worden. Vooralsnog werken we met zowel het object betrokken diagram en het subject betrokken dynagram in het kwalitatieve bereik. Wellicht zal in het kwantitatieve bereik het dynagram object betrokken en het diagram subject betrokken in functie kunnen treden?

Object betrokken relateert zich meer aan het ontologische paradigma en het kwantitatieve domein, daar waar subject betrokken eerder het mythische domein revitaliseert met het oog op het kwalitatieve domein. Daarmee wordt ook duidelijk dat kwalitatieve systeem dynamiek met name haar meerwaarde zal verlenen aan het reguleren van een subject betrokken denken en werken, aangezien het subject, anders dan de werkelijkheid, vraagt om disciplinering, zeer wel nu het als een losgeslagen projectiel eerder medemens en aarde kan torpederen, dan andersom.

Beide systemen fluctueren rond een gemeenschappelijk middelpunt. In de matrix is het middelpunt relatief, in het web is het middelpunt absoluut. In een matrix bijvoorbeeld kan een lineaire causaliteit uiteengezet worden, in een web kan een circulaire causaliteit ineengezet worden. In een matrix positioneren wij de inhouden uit ons bewustzijn en zetten die uiteen in een lineaire causaliteit, in een web accentueren wij het proces van de bewust wording tegen de achtergrond van een circulaire causaliteit. 

Bewustzijn verhoudt zich tot bewust worden zoals subject betrokken tijd zich verhoudt tot object betrokken tijd. De duur van een subject betrokken tijdseenheid is niet evenredig aan de duur van een object betrokken tijdseenheid. In het bewust worden komen we tijd te kort en in het bewustzijn hebben wij alle tijd. 

In de circulaire causaliteit van een web heb je vervolgens alle tijd om bewust te zijn, in de lineaire causaliteit op een matrix heb je vervolgens alle ruimte om bewust te worden. Op een matrix kan men volkomen willekeurig al zijn bewustzijnsinhouden positioneren en relateren; men komt tijd tekort om het allemaal te doordenken. Op een web kan men niet willekeurig al zijn bewustzijnsinhouden positioneren en relateren en zo heeft men alle tijd om het te doordenken. 

Middels een grondpatroon worden onze mentale processen aanzienlijk versneld. Door meerdere grammen te relateren, wordt onze waarneming veel scherper. Uitbreiding van het aantal compatibele grammen leidt tot uitbreiding van het bewustzijn en verkort de tijd om bewust te worden. De uitbreiding in de kwalitatieve ruimte is omgekeerd evenredig aan de uitbreiding in de kwantitatieve ruimte. Zo is de kwalitatieve tijd ook omgekeerd evenredig aan de kwantitatieve tijd. Alleen de geest heeft toegang tot de kwaliteit, zoals alleen kwantiteit toegang geeft tot de stof. De niet fysieke entiteit van een waarnemer permitteert zich snelheden die de fysieke entiteit van het waargenomene te boven gaat. De waarnemer verliest zijn vaste begrenzing in ruimte en tijd en behoudt ondanks zijn snelle uitbreiding in de ruimte en in de tijd zijn integriteit als informatieverwerkende eenheid. Uit het bovenstaande volgt dat we iemands bewustzijnsniveau kunnen uitdrukken in de verhouding van zijn subject betrokken tijd tot zijn object betrokken tijd. 

Naarmate de subject betrokken tijd stijgt, verandert de staat van ons bewustzijn van een oppervlakkig fluctuerend bewustzijn tot een diepe meditatieve staat. Door het beschikken over kosmogrammen boort de sjamaan zich van een tijdachtige naar een ruimteachtige dimensie. Zijn subject betrokken ruimte valt samen met de object betrokken tijd van hemzelf, de ander en het andere. De sjamaan had met zijn kosmogram het vermogen om zonder de beperking van ruimte en tijd te werken en kon over ruimte en tijd heen zien, zowel in het fysieke als het niet-fysieke rijk. Dit schouwende vermogen werd immer met het kosmogram verbonden. De vraag is of wij dit vermogen middels het grondpatroon, vorm krijgend in diagram en dynagram, matrix en web, ruimtetijd en tijdruimte kunnen herwinnen en herijken?


Kwantiteit en kwaliteit in beweging. 

Hoe verhouden kwantiteit en kwaliteit zich tot elkaar? Kwantiteit wordt door het subject gedefinieerd in relatie tot een objectbetrokken werkelijkheid. Kwaliteit wordt door het object gedefinieerd in relatie tot een subjectbetrokken werkelijkheid. Kwantiteit leren bepalen geeft het subject de mogelijkheid de werkelijkheid te reduceren tot meetbare hoeveelheden in de stof. Kwaliteit leren bepalen noodzaakt het subject om de werkelijkheid te abduceren tot onmeetbare hoedanigheden in de geest. Meetbare hoeveelheden geeft het bewustzijn te denken, onmeetbare hoedanigheden geeft het bewust worden te willen. 

De werkelijkheid leren kwantificeren geeft het subject de mogelijkheid om een noodzakelijke werkelijkheid te overstijgen. De werkelijkheid leren kwalificeren noodzaakt het subject om een mogelijke werkelijkheid te doen indalen. Kunnen kwantificeren en kunnen kwalificeren vragen aan het subject geheel onderscheiden vermogens aan te spreken. Die vermogens reiken naar de uiterste grenzen van de werkelijkheid: de dimensie tussen stof enerzijds en geest anderzijds. 

Met het kwantificeren treedt het subject in het domein van de stoffelijke werkelijkheid en met het kwalificeren treedt het subject in het domein van de geestelijke werkelijkheid. Precies in het subject dient de bemiddeling tussen die twee rijken voltrokken te worden. En de mate dat die verwikkeling groeit, groeit in het subject en in het object een staat van bewustzijn. En zo ontwikkelt de werkelijkheid zich in opeenvolgende staten van bewustzijn tot steeds nieuwe en andere bewustzijnsniveaus. 

De ontwikkeling van het menselijke bewustzijn zou beschreven kunnen worden in hoe de verhoudingen tussen kwantiteit en kwaliteit gestalte hebben gekregen. In het mythische handelen had elke kwantiteit kwaliteit en vice versa, in het ontologische handelen werd kwaliteit secundair gesteld aan kwantiteit en werd kwantiteit de ‘primaire kwaliteit’, in het functionele handelen komt de vraag op hoe ze omgekeerd evenredig zich tot elkaar verhouden, immers (uit een ander taalverband ten voorbeeld) wat betekent meer welvaart in relatie tot minder welzijn? De vraag naar kwaliteit rijst precies op vanuit het gevoelde tekort en het ongevoelde teveel. Blijkbaar is meten maar de helft van het weten geworden. Maar wat beweegt de mens de vraag naar kwaliteit weer aan de orde te stellen? 

Mogelijk is het domein van de stoffelijke werkelijkheid in het kwantificeren verabsoluteerd tot een troosteloos landschap zonder zin en zaligheid. Het domein van de geest was evenzeer gereduceerd tot de keerzijde van het kwantificeren: de mathematisering van de werkelijkheid. Blijkbaar was het kwantificeren niet voldoende om de werkelijkheid te bemeesteren, evenzeer was de geest van node om de verbanden te denken. Het subject heeft zich uitgeleefd op de stoffelijke werkelijkheid en heeft haar uitgewoond tot de ecologische keerzijde haar geschonden gelaat moest vertonen. Maar wat dwingt het subject, buiten eigen lijfsbehoud, recht te doen aan deze werkelijkheid? Wat ontwaakt in het subject? De vraag naar zin, naar het waartoe, naar de hoedanigheid, naar kwaliteit, naar de geest? 

Kan het object restloos gereduceerd worden tot het stoffelijke domein waarin alles relatief heet: onderworpen aan de willekeur van het subject of vice versa het subject onderworpen aan de willekeur van het object? Hoe komt het dat in het subject de geest op staat en anders gaat kijken en luisteren naar het object? Hoe komt dit bewustwordingsproces eigenlijk tot stand in een gekwantificeerd en gemathematiseerd bewustzijn? Spreekt hierin het denken alleen en of het willen in wederkerigheid met het denken? Wat verschijnt in de wil anders dan in het denken? 

Blijkbaar is het domein van de geest uit het denken verbannen, maar keert ze op haar voetschreden terug uit haar ballingschap om in de wil aan te treden en de vraag naar de ethiek (bewustwording vragend) vooraf aan de metafysiek (bewustzijn vragend) opnieuw aan de orde te stellen. In de vraag naar het bewustzijn is het bewustzijn toegeëigend door het subject aan het subject. Kan in de vraag naar het bewust worden het bewustzijn opnieuw toegekend worden aan het object? Met name in de vraag naar wat is kwaliteit verschijnt de dimensie van de geest in en door het fenomenologische object heen. 

Wat is dan bewustzijn als we dat opnieuw willen toekennen aan het object? Is simpel gesteld bewustzijn het vermogen van een open systeem om op input (prikkels, etc.) te reageren met output? Moet deze reactie geheel en al toegeschreven worden op het kunnen verwerken van de input en het van binnen uit kunnen voortbrengen van een geheel eigensoortige output? Op andere input antwoordt het systeem aanwijsbaar ook met een veranderde output. De wijze echter waarop het systeem op de andere input kan reageren met een veranderde output laat het slechts ten dele zien. Het vermogen om geheel eigenstandig en eigensoortig te reageren kunnen we aangeven als het niveau en de mate van complexiteit, waarop dat systeem functioneert. Op een complexer niveau is een systeem in staat om op meer verschillende wijzen te reageren op de input. Hoe hoger en complexer het organisme, des te groter en des te gevarieerder is het aantal reacties per prikkel. Al die reacties van een complexer organisme worden feitelijk zichtbaar in een fenomeen: alle wijzen waarop dit organisme uit zich zelve verschijnt en zich laat zien. 

De verleiding bestaat om het kwantitatieve aantal reacties van een meer of minder gecompliceerd systeem te koppelen aan de mate van bewustzijn of bewust worden in dit systeem. In het menselijk functioneren zien wij die koppeling in het bio-psycho-sociale wel degelijk. Het is echter geen argument om een antropomorfe werkelijkheidsopvatting te staven. En toch traceren en bevroeden wij ontwikkeling in complexiteit en naar mate wij complexere systemen bestuderen zoals onze eigen hersenfysiologie in die mate kunnen we ze minder makkelijk reduceren tot enkelvoudige factoren / kwantiteiten in een lineair causaal verband. En dat geeft op zijn minst te denken! Al is het in een circulair causaal verband, vanwaar die sprong? 

Niet de hoeveelheid (kwantitatief) reacties van een open systeem zijn bepalend maar evenzeer haar hoedanigheid (kwalitatief). Hoe echter hoedanigheid te kwantificeren tot meetbare grootheden? Of is dit slechts de halve weg die uit de aard van haar reductie noodzakelijk moet zoeken naar haar tegendeel de abductie? Het wat verhoudt zich tot het wat op de wijze van het hoe, maar wie definieert het hoe van de betrekking? Naar de mate van de complexiteit kan het hoe van de betrekking niet meer eenzijdig gereduceerd worden tot het wat in de betrekking. Het wat wordt meerzijdig geïnformeerd en (ont)staat in meerzijdige betrekkingen. Wie domineert in het domein van de betrekkingen als niet de stof het laatste antwoord kan geven? Haar tegendeel de geest? Maar hoe verschijnt het fenomeen van de geest in het domein van de betrekkingen op een andere wijze dan in het tot nu ontwikkelde complexe systeem die deze vraag weet te stellen? Het fenomeen van de geest laat zich niet onmiddellijk ontdekken in het wat, het laat zich slechts zien in de bemiddeling van het hoe te denken, te voelen, te willen. En precies in die volgorde ontwaren wij de drieledige ontwikkeling van de geest in de drie faculteiten van de ziel. De complexiteit van de wil is onherleidbaar tot de complexiteit van het denken. Dat wat het hoofd niet kan denken dat kan het hart reeds voelend weten, maar wat weten wij als wij iets willen? 

De wil als grondslag van alle wording in de werkelijkheid, van alle wording in het bewustzijn en worden? Is het fenomeen van het kunnen reageren een fenomeen van de wil? Maar wat is de wil als zij niet herleidbaar is tot het kwantitatieve stoffelijke domein? Anders gezegd waartoe ontwikkelt zich deze werkelijkheid als deze werkelijkheid aanwijsbaar in ontwikkeling is? Waartoe dient deze evolutie als ze gereduceerd wordt tot een doelloos ronddwalende toevalsfactor? Het kan zijn en het kan niet zijn? Maar dat is niet meer aan de orde en aan het denken voorbij, het zijn is aanwijsbaar in ontwikkeling. Ook al beslaat het slechts een episodisch scenario, wie schrijft dan dit scenario? De betreffende respondenten? De acteurs die in toenemende mate hun eigen ‘vrije reacties’ willekeurig op het wereldtoneel deponeren? Is de aloude vraag naar de teleologie van het ontstaande weer op het toneel in de gedaante van de wereldwil? Is haar hardnekkigheid slechts te elimineren als een regressie naar mythologisch handelen? 

Hoe kan bewustzijn in en vanuit de werkelijkheid in het subject verschijnen als niet in de werkelijkheid dit bewustzijn toewerkt naar het bewust worden van die werkelijkheid als een tegenover en als gelijkende? In alle materie huist de geest zegt de oude taalschat als bezielde stof die de geest moederlijk heeft ontvangen en ingehuisd. In de materie heeft de geest haar heim gevonden en dat geheim ontwaakt in het geestelijke bewustzijn van een complex open systeem: een mens. Dat systeem is in die mate geopend dat het in wisselwerking is gaan staan met welk object dan ook in de werkelijkheid. Welnu de mate van intensiteit aan wisselwerkingen is aantoonbaar evolutionair toegenomen, zonder het waarom hoeven te verklaren. Het aantal wisselwerkingen is dus wel degelijk maatgevend te noemen niet zozeer alleen door haar kwantiteit maar evenzeer door haar kwaliteit. Hoe kunnen wisselwerkingen kwalitatief groeien als de mate van het kwantitatieve in de wisselwerkingen er omgekeerd aan evenredig is? 

Het mooiste voorbeeld is de hersenfysiologie nagevormd in haar tegenhanger de computer, die kwantitatief in reductie een toename aan kwalitatieve wisselwerkingen abduceert. Waarom in de werkelijkheid iets reproduceren wat alleen in de hersenfysiologie zo kan functioneren? Welke wil wordt daar opnieuw ingehuisd? Vreemd genoeg is de mate van de kwaliteit omgekeerd evenredig aan de mate van de kwantiteit. Hoe minder kwantiteit in een open systeem, hoe complexer haar interne verhoudingen en hoe groter haar interne en externe wisselwerkingen. De mate waarin input transformeert tot output is evenredig aan haar interne wisselwerkingen (intra) met als gevolg adequatere externe wisselwerkingen (inter). De graden van complexiteit zijn tot uitdrukking te brengen in even zovele systeemniveaus (negen? volgens Boulding). 

Bestaat er per bewustzijnsniveau een bepaalde relatie tussen de kwantitatieve hoeveelheid wisselwerkingen (intra en inter) en de kwalitatieve hoedanigheid van deze complexere wisselwerkingen? Wat bewerkt nu haar kwaliteit? Slechts de toename aan meerzijdige wisselwerkingen? Maar wat is de status van die wisselwerkingen? In een andere taal: wat is de status van die frequentiekarakteristieken? Vormen complexere frequentiekarakteristieken complexere interferentie-patronen? Wij weten dat onze zintuigen functioneren binnen bepaalde frequentiekarakteristieken, bijvoorbeeld het menselijk gehoor functioneert tussen 30 en 20000 Hz. Onder of boven dit frequentiebereik functioneert dit menselijk gehoor niet meer in kwantitatieve en kwalitatieve zin.

 

Interferentie-patronen in beweging. 

Is de kwantiteit van 'het bewustzijn' in relatie tot de kwaliteit van 'het bewust worden' (en vice versa) te brengen door middel van het frequentiebereik (kwantiteit) in relatie tot de frequentiekarakteristiek (kwaliteit). Functioneren beiden in het ontstaan van interferentie-patronen? 

Kunnen we op deze wijze een systeem dynamisch niveau qua complexiteit op analoge wijze koppelen aan het betreffende interferentiepatroon? Bepalen complexere interferentiepatronen de kwaliteit (de graad van verfijning van het hoe) en kwantiteit (de graad van het aantal te verwerken en te beantwoorden prikkels, het wat) van en in het bewust worden? 

De fysieke werkelijkheid wordt in de mens ‘overgedragen’ en ‘vertegenwoordigd’ door middel van het zintuiglijke systeem. Dit systeem zet de informatie om in een code van actie-en-rust. Uit deze codering vindt er in de hersenen, evenzeer een open systeem, een reconstructie plaats. In complexere systemen bepaalt niet alleen de gegeven input de output, maar in het open systeem in de mate van het beschikken over complexere interferentie-patronen, bepaalt ook de output de input. Vanwaar nu die input, als ze niet zonder bemiddeling uit het externe bereik kan komen? Op grond van oude input kunnen in een complex(ere) open systeem complexe(re) interferentie-patronen ontstaan die nieuwe output kan genereren. Kan de externe input nog ten dele causaal lineair tot stand komen en gedacht worden, zo dient de interne output eerder circulair causaal gedacht te worden en wordt ze naar de mate van haar oplading als ‘veld’ ervaren als een plotselinge in-lading: de inslag, de vonk, de aha-belevenis. 

Tussen interferentiepatronen van het ene en het andere open systeem vinden blijkbaar uitwisselingen plaats. Deze interferentie-patronen kunnen in diverse open systemen ruimtelijk gescheiden zijn maar functioneren in hun onderlinge uitwisseling gelijkruimtelijk en gelijktijdig. Niettemin komt er niet zo maar een uitwisseling tot stand, daartoe moet het interferentie-veld nog in-gevormd en opgeladen worden tot er een stabiel interferentiepatroon ontstaat. 

Dat is echter slechts de ene zijde van het gebeuren, wat doet de keerzijde in werking treden zich te doen ontladen? Blijkbaar moet er een wisselwerking op gang gekomen zijn, die via de fasen van actie – reactie – interactie uiteindelijk een transactie kunnen bewerken. Maar hoe kan wisselwerking uiteindelijk een transactie bewerken? Moet er sprake zijn van een potentiaalverschil of een potentiaalovereenkomst? Potentiaal verschil werkt lineair causaal, potentiaal overeenkomst werkt mogelijk circulair causaal waardoor het ene interferentiepatroon in een polaire verschilsbetrekking kan komen te staan met een ander interferentiepatroon. Deze polaire betrekking die in de interactie / interferentie tot stand kan komen, maakt de uitwisseling pas mogelijk aangezien ze dan analoog functioneren zodat er gelijkruimtelijke en gelijktijdige overdracht kan plaatsvinden. 

Informatie uitwisseling op grond van gelijkruimtelijke en gelijktijdige overdracht vindt echter niet willekeurig plaats. Daartoe moet initiatief ondernomen worden en dat vraagt om het wekken van de wil, maar wie wekt de wil het initiatief aan te gaan? Wie wekt in de wil de impuls op weg te gaan en ontvangend te worden? Ziehier het einde van alle lineaire causaliteit: de wilskracht uit de geest en de geestkracht in de wil kunnen niet anders dan circulair causaal gedacht worden. En toch vindt er aantoonbaar een evolutionaire lineair causale ontwikkeling plaats, maar moeten we nu niet stellen evenzeer een involutionaire causale in-wikkeling? Met andere woorden is elke ontwikkeling niet ipso facto een in-wikkeling en dientengevolge slechts te denken in de circulaire causaliteit van een alomvattend systeem dynamisch veld met al haar onderscheiden interferentie-patronen? 

Het weten van de mythische mens verschijnt in het weten van de functionele mens op de wijze van het analytische en het synthetische denken als een circulaire causaliteit waarin alles met alles samenhangt. Nu functioneert het echter niet meer als een onterecht axioma van het denken maar van het ten rechte willen. En het ten rechte willen kan niet zonder een gedisciplineerd denken en een getuchtigd willen. Het denken eindigt daar in haar triomf daar waar het willen niet gaat aantreden om deze triomf niet in een catastrofe te doen omslaan. Hoe verder het denken kan reiken in haar wetenschap hoe noodzakelijker het wordt om de wil in te schakelen vooraleer het door de techniek uitgeschakeld gaat worden. Technè is van oudsher het domein van de innerlijke wil en zij vraagt omwille van haar kracht om maat, om de deugd van temperantia. De uiterlijke wil kan daarentegen mateloos worden. 

De uiterlijke wil vraagt om een prudent denken teneinde de wil in de techniek te kunnen verstoffelijken en zo werkzaam te worden. De innerlijke wil vraagt om een hernieuwde scholing van de geest in een getuchtigd willen teneinde het denken te disciplineren tot de deugd van rechtvaardigheid, het ten rechte willen. Niet alleen het ware vormt de deugd van het denken, maar evenzeer dient de deugd van het goede willen in het denken aan geestkracht te winnen. Dat vraagt als tegenhanger van de uiterlijke techniek om een innerlijke techniek, een volwaardig instrument. Met het grondpatroon als systeem dynamisch model kan deze innerlijke techniek zowel het denken als het willen in een polaire verhouding herstellen en in (uit)oefening brengen. 

Denken en willen vormen als dualiteit in het ontologische handelen een tegenstelling, het komt er nu op aan willen en denken als polariteit in het functionele handelen als tegendelen in te bouwen. Het denken heeft zich ontwikkeld om het noodzakelijke empirisch en rationeel te funderen in wetten en al doende om te zetten in technische mogelijkheden. Met het mogelijke komt de vraag naar het wenselijk goede opnieuw aan de orde. Het opsporen van de innerlijke wil wordt nu noodzakelijk om het mogelijke zin en perspectief te bieden. Men kan alles denken maar niet alles willen, het ware vraagt evenzeer om het goede! 

Dit intermezzo waarin het denken en het willen in een circulaire causaliteit als polaire tegendelen dienen te functioneren laat vervolgens zien, dat het analytische denken in het kunnen denken in een lineaire causaliteit zich evenzeer moet ontwikkelen tot een synthetisch denken in het kunnen denken in een circulaire causaliteit, systeem dynamisch en systeem theoretisch onderbouwd. Een systeem dynamisch veld genereert nieuwe output, die de externe input transformeert op grond van interne input. In een systeem dynamisch veld gekarakteriseerd door diverse interferentie-patronen ontstaat ruimte en tijd voor nieuwe impulsen. Naarmate interferentie-patronen zich innerlijk differentiëren in die mate ontwikkelen zich even zovele systeem dynamische niveaus en vice versa. Naarmate de ontwikkeling van systeem dynamische niveaus met hun kenmerkende interferentie-patronen, ontstaan evenzeer de mate van mogelijke in-wikkelingen. En de mate van mogelijke in-wikkelingen dynamiseert op haar beurt de mate van mogelijke ont-wikkelingen. Daar waar de stof zich ontwikkelt tot plantaardig, dierlijk en menselijk leven ontstaan ook mogelijke in-wikkelingen vanuit de geest en vice versa. Het evolutionaire concept is zonder het involutionaire concept niet te denken noch te willen. Pas in hun circulaire causaliteit zijn involutie en evolutie systeem dynamisch ineen te denken en te willen. 

Te differentiëren interferentie-patronen op diverse systeem dynamische niveaus zijn dus minder afgesloten en afgegrensd dan hun stoffelijke representanten doen vermoeden. In het kwantitatieve beweegt zich het kwalitatieve als een autonome in-vormende kracht. In het kwalitatieve beweegt zich het kwantitatieve als een autonome uit-vormende macht. Zo het kwantitatieve haar geheel eigen structuren veruiterlijkt zo verinnerlijkt het kwalitatieve haar geheel eigen ordeningen, interferentie-patronen. Deze interferentie-patronen kunnen deze stoffelijke structuren veruiterlijken, zoals alle morfologie uiteindelijk deze interferentie-patronen en ordeningen hebben verinnerlijkt. Er is een ritmiek van ordening en structuur en vice versa. 

Deze ritmiek kan men verstaan als een in en uitademen. Als een heen en weer pulseren tussen ordening en structuur en als een heen en weer in de ordening en als een heen en weer in de structuur. Lineair causaal is dat niet meer te denken slechts circulair causaal. Circulair causaal moet het kwalitatieve evenzeer structuur bevatten wil het ordenend kunnen inwerken en uitwerken. Structuur en ordening in het kwantitatieve is analoog aan ordening en structuur in het kwalitatieve. Tussen de opeenvolgende systeem dynamische niveaus zorgen interferentie patronen voor een longitudinale doorwerking, enerzijds ontwikkeling genererend en anderzijds in-wikkelingen pulserend. 

Deze longitudinale inwerking en doorwerking tussen diverse systeem dynamische niveaus is evenzeer analoog aan het willen en denken in hun circulaire causale functioneren. Wat op het ene systeem dynamische niveau (in dit voorbeeld het menselijke niveau) in functie treedt kan aan een ander systeem dynamisch niveau niet zomaar onthouden worden, aangezien ze aantoonbaar zich na elkaar ontwikkelen, zij het niet te verstaan zonder de even noodzakelijke in-wikkelingen. Niet de stof maar de geest impulseert en genereert de ontwikkeling en de in-wikkeling. Omgekeerd kan de geest niet impulseren en genereren als de stof niet ontvangend wordt. In de chaos kan het stoffelijke ontvankelijk worden voor de ordende inwerking van de kosmos. Het is deze in-ordende longitudinale inwerking en in-vorming die de evolutionaire sprongen, mutanten, beweegt in hun ontstaan. Elke evolutionaire sprong is experimenteel empirisch onbewezen vanuit de stof, zij werd slechts nagedacht. Nu komt het erop aan de wil op te sporen die sprongen voort te denken in de evolutie. En dit voort-denken is niet mogelijk zonder het na-willen te oefenen in een systeem dynamisch veld. 

In het nawillen kan de longitudinale doorwerking tussen de systeem dynamische niveaus opnieuw zichtbaar en denkbaar gemaakt worden als energetisch geladen uitwisselingscurven. En deze energetische kracht wordt zichtbaar werkend in een complex interferentiepatroon dat zichzelf kan en wil voort bewegen omdat het op haar beurt weer oscilleert met andere interferentie- patronen langs diezelfde energetisch geladen uitwisselingscurve. Deze energetische uitwisselingscurven evolueren van een lagere naar een hogere uitwisselingscurve. 

Mogelijk is er een spectrum van systeem dynamische velden zonder scherp omlijnde grenzen. Zoals de elektromagnetische band van het zichtbare spectrum zich beweegt tussen 4000 en 8000 ångstström, de golflengten in deze straling. Energetische uitwisselingscurven verbinden het ene systeem dynamisch veld met het andere en zijn zelf ook weer gestructureerd in verschillende fasen. Er bestaan slechts oude benamingen daarvoor (en het lijkt me wenselijk deze grondig te herdefiniëren in een systeem dynamisch verband) zoals het minerale, etherische, astrale, mentale, causale/intuïtieve en spirituele bereik. Het lijkt erop dat er een doorlopend spectrum van systeem dynamische velden en dito niveaus ontstaan, dank zij het gegeven dat er uitwisseling, interferentie, etc. mogelijk is. En de mate van interferentie met andere systeem dynamische velden bepaalt de mate van haar complexiteit. 

Kan men onderscheiden systeem dynamische velden onderbrengen in een hiërarchie? 

 

Hiërarchieën in beweging. 

Terug gaande naar het voorgaande om voort te kunnen gaan. Onze fysische werkelijkheid en onze geestelijke werkelijkheid is vastgelegd in codes van beweging en rust. Onze werkelijkheid bestaat geheel en al uit trilling. Van subnucleair tot op het niveau van het atoom, van atoom tot op moleculair niveau, etc. Kortom van microniveau tot op macroniveau. Alles slingert heen en weer tussen twee toestanden van rust. Op deze wijze wordt ‘geluid’, ‘licht’, etc. geproduceerd. Alles stroomt, alles is in beweging, alles is in werking. Alle materie is energie. Maar niet alles is op een gelijke wijze in beweging, maar wel op een gelijke wijze in rust? 

Hoe verhouden beweging en rust zich tot elkaar? In een golf als buik tot een knoop. Maar wat is nu eigenlijk een buik (halve golf) en wat is eigenlijk een knoop?  De golf heeft een bepaalde amplitudo. Deze amplitudo kan groter of kleiner zijn of worden. Hoe groter de golf, hoe lager de frequentie; hoe kleiner de golf hoe hoger de frequentie. De dynamiek vinden wij terug in de frequentiehoogten, maar wat vinden wij in de knooppunten van een golf? Rust! Maar wat is rust? Geen beweging, geen werking, niets? Het onbewogene? Hoe het ook zij alle beweging keert terug naar een moment van rust, van zijn? Van waaruit het weer kan bewegen, worden? 

Is al wat beweegt te duiden met het relatieve en is al wat rust te duiden met het absolute? Of is het absolute het samenvallen van beweging en rust? En huist in het relatieve een analoge afspiegeling van deze beweging en deze rust in afwisseling? 

Tot hoe laag kunnen frequenties gemeten worden en tot hoe hoog kunnen frequenties gemeten worden? Of meten wij tot nu toe slechts een fractie van het werkelijk meetbare? Wat te zeggen van nu nog onmeetbare frequenties? Dat zij niet bestaan? Maar al het bestaande is tot nu toe in trilling al of niet in een lagere of hogere frequentie. En het onbestaande is dat ook nog in trilling? 

Het absolute als beweging en rust in potentie? Het relatieve als beweging en rust in frequentie? Deze dualiteit schijnt vaker voor te komen. Stuiten we hier op een oerdualiteit van het wordende? Hoe functioneren het absolute en het relatieve in de schepping? Is het absolute het vaste, het eeuwige en onzichtbare aspect van de werkelijkheid? Is het relatieve het beweeglijke, het veranderende en zichtbare aspect van deze zelfde werkelijkheid? Is er wel een wezenlijk verschil tussen het absolute en het relatieve en analoog eraan, is er wel een wezenlijk verschil tussen geest en stof? Tussen het abstracte en het concrete, het niet wordende en het wordende? Of is er overeenkomst en verschil? Maar hebben wij in deze werkelijkheid alleen toegang tot het verschil? 

Om een hologram te kunnen vormen hebben we twee frequenties nodig om een gegeven realiteit driedimensionaal in beeld te krijgen. Het ene is de referentie-frequentiestraal en het andere is de gemoduleerde ongelijkfasige straal. Slechts wanneer deze op hetzelfde vlak in wisselwerkng staan, kan er een beeld ontstaan. Maar deze twee stralen komen (als gebundeld licht) voort uit een gemeenschappelijke bron: de enkele straal wordt gesplitst in twee afzonderlijke stralen. Het is de referentiestraal die het onverstoorde gedrag van de lichtbron heeft behouden, terwijl de werkstraal wordt vervormd of gemoduleerd door zijn contact met de voorwerpen die hij verlicht. Dit mechanisme herhaalt zich op analoge wijze op andere systeem dynamische niveaus. 

Laten we nu naar het laagste niveau van de materie gaan, bijvoorbeeld een quantum elektriciteit, een enkel elektron.Waar is dit elektron nu van gemaakt? Of is dat een verkeerde vraag? Waar komt het vandaan is mogelijk nog minder te beantwoorden? Het quantum is? Het is een zekere trillingsfrequentie; de trillingsfrequentie bepaalt de energie van het elektron. Wat trilt er nu in dit elektron of quantum? 

Het principe van de dualiteit van deeltjesgolven geldt niet alleen in het beperkte gebied van de fotonen, elektronen of nucleaire deeltjes, maar ook in de grotere materiecomplexen. Geldt deze dualiteit ook in de werking van bewustzijnsprocessen? 

Het licht is hiervoor een illustratief voorbeeld. Licht kan als een stralingsveld worden voorgesteld. Zo bestaat er een ononderbroken elektromagnetisch stralingsveld dat zich naar een golfpatroon gedraagt, maar dat wordt noch door onze ogen, noch door onze instrumenten gezien. Het licht wordt pas zichtbaar voor ons als het ons netvlies raakt in de vorm van afzonderlijke deeltjes, fotonen genaamd. Als onze ogen in wisselwerking komen met dit stralingsveld, registreren ze deze straling in de vorm van fotonen. Hoe verhouden zich deze golven zich weer tot deze deeltjes? Vertegenwoordigen golven het continuüm en fotonen het discontinuüm? 

Materie bestaat uit energie quanta. Kunnen wij deze energetisch geladen quanta ook terug vinden in de werking van onze hersenen, van ons bewustzijn? Hoe kunnen die twee laatsten in elkaars verlengde liggen? De hersenen functioneren nog in het domein van het stoffelijke, maar hoe functioneert het bewustzijn, het geestelijke in het domein van het stoffelijke? 

Zijn de onderscheiden niveaus waarin het stoffelijke en het geestelijke functioneren slechts toe te schrijven aan de wijze waarop zij frequenteren, uitwisselen, in trilling zijn, in werking zijn? Werken in het stoffelijke domein slechts de lagere frequenties en in het geestelijke domein de hogere frequenties of is dat een versimpeling van de werkelijkheid? Hoe kan de geest nu de stof leren kennen en kunnen (beheersen), denken en willen? Of komt de geest zichzelf in de stof tegen als een ander aspect van zichzelf? Hoe kan deze stoffelijke werkelijkheid bewustzijn voortbrengen als zij niet reeds voortgekomen is uit het geestelijke domein? Als deze circulaire causaliteit toch in een lineaire causaliteit gedacht kan worden, waarom toch lineaire causaliteit wederom in een circulaire causaliteit gaan denken? Als de lineaire causaliteit duidelijk energetisch bepaald kan worden in haar frequentiehoogten, hoe werken deze frequentiehoogten energetisch op elkaar in? Zijn circulaire causale interferentie patronen evenzeer in werking, in trilling, in ontlading en oplading? Wat is dan het zelf-organiserende vermogen in deze circulaire causale interferentie patronen op onderscheiden systeem dynamische velden en niveaus? 

 

Relatieve niveaus in beweging. 

Aantoonbaar kennen wij een minerale werkelijkheid, een plantaardige werkelijkheid, een dierlijke werkelijkheid en een menselijke werkelijkheid. Weliswaar niet te scheiden, maar wel degelijk te onderscheiden. Wat is nu het meest in het oog springende verschil tussen deze systeem dynamische niveaus? De mate van hun uitwisselingsbereik met andere interferentiepatronen op andere interferentie niveaus? De mate van hun energie-uitwisselingscurve (Itzhak Bentov)? Staan via deze energie-uitwisselingscurven alle onderscheiden niveaus met elkaar in contact? Hoe komt dit contact tot stand en is er sprake van de al eerder vernoemde longitudinale doorwerking langs deze uitwisselingscurven? 

Wat is in dit licht nu de mogelijke betekenis van bewustzijnsvernauwing en van bewustzijnsverruiming? Betekent dit dat het cerebro-spinaal zenuwstelsel zich van stadium tot stadium naar een ander bewustzijnsniveau kan ontwikkelen? En is de mate van haar verhoging ook recht evenredig aan de mate van haar verdieping? Dat wil zeggen hoe hoger het menselijk bewustzijn zich kan ontwikkelen, hoe dieper het ook kan binnentreden zowel in de lagere echelons als in de hogere. Toegang krijgen tot lagere vormen van bewustzijn en toegang leren verwerven tot hogere vormen van bewustzijn. Wat gaat aan wat vooraf en is er sprake van een longitudinale gestage ontwikkeling? Hoe kunnen deze verschillende bewustzijnsniveaus met elkaar uitwisselen of communiceren? 

Wat effent het spoor van deze longitudinale doorwerking? Daarvoor kunnen we te rade bij de werking van de hersenen. Wat is het effect van herhaalde gedachtepatronen op bijvoorbeeld het lange-termijn geheugen? Een gedachte vormt een energetisch spoor die er voor zorgt dat de zenuwcellen in de hersenen volgens een bepaald patroon aanspringen. Hij ontsteekt de eerste zenuwcel, die op zijn beurt andere in een bepaalde volgorde doet afgaan. Hierdoor worden kleine stroompjes langs afgebakende paden in de hersenschors geproduceerd, die door gevoelige instrumenten met elektroden op het schedeloppervlak geregistreerd kunnen worden. Een gedachte die begint met een heel kleine beroering ontwikkelt zich uiteindelijk tot een volledige gedachte die tenminste een kracht van 70 millivolt ergens in de cortex produceert. Gedachte-energie kan dus worden gericht, zowel intern als extern. Door bewuste concentratie kan deze gedachtekracht worden geïntensiveerd. 

Angst, spanning, stress door o.a. werkdruk , overkill aan informatie, onsamenhangende en verstrooide informatie, etc. leiden tot een toenemende klachtenbron inzake geheugenstoornissen, echter zonder er altijd een verklaring voor te kunnen vinden. Niettemin kunnen we reeds door de werking van bovenstaande energetische gedachtestromen vermoeden waar de schoen kan gaan wringen. Een teveel aan ongerichte informatie schaadt de normale werking en verwerking van en door de hersenen. 

Door voelen, ruiken, proeven, zien en horen ontstaat een netwerk van contacten tussen de hersencellen van de hippocampus. De hippocampus, een klein gebied links en rechts aan de binnenkant van het brein ter hoogte van de slapen speelt een cruciale rol inzake het lange- termijn geheugen. Herinneringen blijven daar een maand of drie bewaard, in tegenstelling tot het korte-termijn geheugen dat gegevens slechts enkele minuten vasthoudt. Daarin zitten ook verbindingen die nieuwe waarnemingen aan eerdere herinneringen en bestaande kennis koppelen. Zijn de celverbindingen er eenmaal, dan blijven ze geassocieerd met de betreffende waarneming, maar niet voor eeuwig. Na verloop van tijd worden delen van het netwerk in de hippocampus gebruikt voor het opslaan van nieuwe informatie en gaat de herinnering uit het werkgeheugen verloren. Intussen moet er wel een soort kopie van de informatie aangemaakt worden in de cortex van de hersenen. Die consolidatie van herinneringen geschiedt tijdens de droomslaap en door er bewust mee bezig te zijn. Aanvankelijk is het neuronale netwerk van een herinnering fragiel, maar hoe vaker de herinnering wordt gebruikt, hoe robuuster die wordt. Door geconcentreerde herhaling wordt het geheugenspoor sterker. Ook emoties, rijke associaties, heldere visualisaties verbeteren de opslag van informatie. Eenmaal in de hersenschors opgeslagen informatie blijft voor het grootste deel van het leven en vormt het ultra lange-termijn geheugen. Zelfs met elektroshocks zijn ze niet te wissen. 

Informatiestromen kunnen gecodeerd worden, interferentie-patronen kunnen energetisch verankerd worden door een netwerk van belevingen en gedachten. Maar essentieel is, dat ze door herhaling herladen worden, indien er een vast spoor gevolgd kan worden in de verwerking. Niets gaat vanzelf, wie regelt de herhaling? De wil? Maar wie regelt of ontregelt de wil? Gedachtestromen komen immers niet zomaar tot stand. Herhaalde her-lading lijkt op zoiets als het inbranden van een Cd-rom. Dat is nog voor te stellen, maar wie of wat regelt het overstappen van korte naar lange en van lange naar ultra lange termijn geheugenzones? Zijn die overstappen te zien als het betreden van relevante onderscheiden relatieve niveaus? Vindt hier longitudinale doorwerking plaats? Wat in de hersenen veel specifieker aan bod kan komen vindt dat al plaats in de afgrenzing en overschrijding van de diverse relatieve niveaus? Komen die uit de aard van hun voortbeweging mogelijk uit elkaar voort of vraagt het eerst om een bepaalde oplading wil er een zekere in-lading plaats kunnen vinden? 

Hoe verloopt het ontstaan van creatieve inzichten? Komen ze zomaar uit de lucht gevallen? Het is bekend dat dergelijke plotselinge inzichten komen nadat iemand is verzadigd met gedetailleerde kennis van alle mogelijke wegen die hem naar de oplossing van zijn probleem kunnen leiden. Hij heeft echter alleen maar een hoop details waar geen keurig logisch verband in zit. Dan, plotseling, tijdens een ontspannen en geheel onverwacht moment, is het alsof de hemel even opengaat en verschijnt de oplossing voor het probleem. Zij komt in haar geheel, als een brok en alle details zijn in een klap duidelijk en keurig samenhangend. Niks geen causaal lineaire reeks die de denker naar zijn oplossing voert, slechts het inlichten van een idee in een geladen systeem dynamisch veld en dito interferentie patroon. Van waaruit vindt die inlichting plaats? Vanuit een andere bewustzijnsstaat? Waar vertoeft die dan? Op een andere interferentie niveau? Vindt in-lading slechts plaats door oplading? Werkt het slechts via energetisch gecodeerde energiestromingen? Maar wie of wat doet die energetische stromen bewegen? Is dat een geleid of spontaan proces? Vraagt evolutie noodzakelijk om involutie, zoals oplading vraagt om in-lading? 

Een fysiek lichaam bestaat op micro-niveau uit pulserende energievelden die met elkaar in wisselwerking staan. Op deze wijze kan elk lichaam op elk systeem dynamisch niveau worden gezien als een interferentie patroon van elektromagnetische velden dat verandert met de tijd, maar hoe en door wie of wat? Door circulaire causale werkingen? Wat vindt er plaats in de uitwisseling tussen diverse interferentie-patronen? Is het een kwestie van mee trillen op bepaalde golfpatronen, zoals tussen grondtonen en boventonen? Bestaan er velden die zijn opgebouwd uit de hogere octaven van lager gelegen velden? En hoe moeten we ons dat voorstellen? 

De staat van gevoeligheid van het betreffende interferentiepatroon bepaalt welke signalen het uit andere referentiepatronen kan oppikken, hoe het met andere interferentie-patronen in wisselwerking kan treden? Langs deze weg kan er informatie ‘getransporteerd’ worden van het lagere naar het hogere en andersom. Mogelijk kunnen op deze wijze onderscheiden bewustzijnsniveaus uitwisseling bewerken. Wie bewerkt deze uitwisseling? Is het slechts een kwestie van gevoeligheid, van in / ontlading, van aandacht? 

Hoe werkt het in onze hersenen? Daar waar we de geest leeg proberen te maken kunnen we misschien opnieuw proberen een gedachte tot zijn oorsprong te herleiden. Wat we dan kunnen opmerken is dat elke gedachte begint als een heel kleine impuls. Deze impuls kan uitgroeien tot een herkenbare en te volgen gedachtegang. We kunnen, getuige het ontstaan van impulsen, naar een niveau terug gaan waarop gedachten nog niet zijn geformuleerd. Mogelijk zijn de hersenen geenszins de bron van de gedachten, maar slechts de ontvanger, de antenne.Wat de hersenen wel doen is deze impuls nadrukkelijk versterken als een soort versterker, echter niet zonder het inschakelen van de wil. Dat kunnen versterken van gedachten zijn we al eerder tegengekomen willen wij iets op lange termijn kunnen onthouden. Mogelijk pikken de hersenen kleine impulsen op uit andere frequentievelden en interferentie patronen, versterken die en pas dan ontstaan er gedachtereeksen met een bruikbare vorm. De hypothese is te bedenken, de spreekwoordelijke invallen of impulsen niet, zij komen of zij komen niet. Wat en wie bepaalt het genereren van creatieve intelligente impulsen? Het denken of de wil? Waarom zou de wil het primaat kunnen hebben? Is de wil te versterken en kan de wil op haar beurt andere processen mobiliseren en versterken? Dat is niet vreemd aan de mens, maar zeer wel een vergeten erfgoed! 

Zinvolle doorbraken in de wetenschap, kunst en technologie zijn niet ontstaan door de dingen tot in het oneindige uit te puzzelen, maar door intuïtieve invallen die achteraf worden beredeneerd. Intuïtie is het enige middel waar de mens op kan vertrouwen als hij in gebieden moet opereren die nog niet in kaart zijn gebracht. Het in kaart brengen helpt voor zover er een kaart van de geest gevormd kan worden: een mindmap. Deze mindmap kan gaan functioneren als een interferentiepatroon om impulsen te genereren uit andere dimensies en of systeem dynamische niveaus en velden. In feite leidt dat naar de werking van het grondpatroon, zoals de sjamaan van weleer zich ertoe ging bekwamen. Een ander middel is het genereren van creatieve visualisaties door middel van dit grondpatroon. Het grondpatroon bemiddelt tussen een stabiele geest en een (creatieve) instabiele geest. 

 

Ordening en structuur in beweging. 

Hoe verhouden structuur en ordening zich tot elkaar. Bewerkt de ordening een structuur en is aan de structuur de aard van de ordening te onderzoeken?  Kan de structuur herleidt worden tot het wat en de ordening tot het wie? In het hoe differentieert zich de verhouding tussen ordening en structuur als een wederkerige tegenstellende dynamiek.

Verschijnt alle werkelijkheid in haar beweging als beweging uiteindelijk niet in de dynamiek van ordening en structuur. In de dynamiek van continuüm en discontinuüm, tijd en ruimte? Kijken wij in het continuüm dan verschijnt beweging in de dualiteit van buik en punt. Daar verschijnt een primaire structuur en wat laat die structuur zien? 

De structuur van een golf laat zien dat er twee halve golven zijn en drie punten. Elke halve golf (de buik / het holle) keert weer terug naar een tegengestelde positie (de rug / het bolle), uiteindelijk vormt het heen en weer van een halve golf een hele golf en kan er een nieuwe cyclus aanvangen. Alles in een golf kan veranderen, haar hoogte, lengte, snelheid, afstand, maar in haar punten kan niets veranderen. Een punt blijft een punt, waar ze ook in een golf opdoemt. Wat is nu de status van een golf en wat is de status van een knooppunt in een golf? Wie bepaalt wie, wie bepaalt wat, wat bepaalt wie, wat bepaalt wat? Is er een bepaling waarin het ene het andere veroorzaakt of bepalen ze elkaar wederkerig tegelijkertijd? 

Bewerkt de golf in haar dynamiek de ordening en bewerkt de punt in haar statiek de structuur? Verschijnt het wie van de ordening in het wie van de golf en verschijnt het wat van de structuur in het wat van de punt? Verdwijnt ogenschijnlijk de golf in een punt en verschijnt zij ogenschijnlijk vanuit een punt. Is in de golf een uitslag te bepalen en ergens in de punt een omslag te bepalen?  Is in de omslag van een golf een onbepaalbaar nulpunt aan de orde? Wordt de impuls zichtbaar in een golf en de positie zichtbaar in een punt? Is in de golf de werking of actie te traceren en in een punt de rust te constateren? Hebben we met de ordening en de structuur in en van een golf slechts met een model te maken, die ons het fenomeen helpt in beeld te brengen? Wat is de status van zo een model in relatie tot de fysische werkelijkheid van een trilling? 

Verschijnt in de golfstructuur een oerfenomeen van alle werkelijkheid: dat zij in beweging is tussen actie en rust? Of beter gezegd is de oerstructuur van alle werkelijkheid gecentreerd rond het punt van verschijnen en het punt van verdwijnen? Is de golf zichtbaar te maken in haar status van werking, zo is in wezen het punt niet zichtbaar te maken in haar paradox van verdwijnen en verschijnen? Wat gebeurt er in dat omslagpunt? Hoe kan in een punt beiden zich tegelijk tot elkaar verhouden als een vorm van negatie? 

Moeten wij het relatieve relateren aan de dynamiek van de golf en het absolute relateren aan de statiek van een punt? Hoe kan een punt statisch zijn als in een punt de omslag bewerkt kan worden tussen verdwijnen en verschijnen? In een golf kan alles veranderen en in die mate wordt al het relatieve een door verschilsbetrekking te bepalen werking, ordening die nieuwe structuren schept. In een onveranderlijke punt kan ook alles veranderen maar in haar structuur valt niets te bepalen, zij is als potentie slechts aanwezig voor zover zij beide tegendelen herbergt. In de golf wordt de tegenstelling zichtbaar, aangezien de uitslag van de tegenstelling de mate van frequentie bepaalt. Het tegendeel is onbepaalbaar in haar status. Is het onbepaalbare het absolute? Maar wat in het absolute bewerkt die omslag? Is het absolute de uiterste potentie om de uiterste spanning, wat nog zichtbaar moet worden in de actie, bijeen te houden in haar oorsprong? Wat is dan de overeenkomst tussen verdwijnen en verschijnen in een punt? Herbergt de overeenkomst de grond van alle verschil? Of is het verschil slechts de wijze waarop het absolute kan verschijnen? 

Ergens in een punt wordt een omslag bewerkt die paradoxaal genoeg onbepaalbaar is in haar aanvang en einde, doch slechts bepaalbaar in haar uitslag waarin het heen en het weer de mate bepalen van de tegenstelling. De tegenstellingen roepen een frequentie tot leven in een gestalte. In deze gestalte opent zich een dimensie waarin vrije ruimte ontstaat voor interferenties en interferentiepatronen. Deze referentiepatronen manifesteren in hun structuur de structuur van de golf. Waar de golf in haar frequentiehoogten haar dynamiek toont, toont het referentiepatroon een zekere statiek (indien het frequentiebereik niet moduleert). Beweegt de golf zich in een lineaire dimensie, zo rust het frequentiepatroon in een circulaire dimensie. Het verschijnen en het verdwijnen, als tegendelen te verstaan in de omslag van een punt, wordt nu zichtbaar in een referentiepatroon, in een veld. Het is dit veld wat de statiek van een punt openbaart als een dynamisch evenwicht. Wat in een punt onzichtbaar aanwezig is, wordt nu zichtbaar ontvouwd in een patroon van statiek en dynamiek, verdwijnen en verschijnen, zwarte gaten en witte gaten, imploderen en exploderen. Dit referentiepatroon in al haar onderscheiden verschijningsvormen ontvouwt en invouwt de oerstructuur van dit omslagpunt. 

Dit oerpatroon vormt een statisch dynamisch evenwicht: een veld, een grondpatroon. De mate dat een mens dit veld in zich weet te sensibiliseren, in die mate schept hij zich een bewustzijn en bewustworden, een denken en willen ineen, te verstaan als een circulaire causaliteit. Het is dit potentiële en te potentiëren veld dat de mens in de staat kan brengen om in te laden en op te laden. Een opladen om in hem te doen inlichten vanuit een geestelijke werkelijkheid en een inladen om in hem te doen oplichten wat aan stoffelijke werkelijkheid wil verschijnen. Dit onnavolgbare fenomeen, althans voor zover men nog steeds zoekt naar een lineaire causaliteit, wordt een in zich navolgbaar fenomenologisch proces wanneer wij het denken en willen opnieuw leren verstaan en begrijpen als een circulaire causaliteit. Om te kunnen inladen is het denken onontbeerlijk, om te kunnen opladen is het willen onontbeerlijk. 

Het denken herschept structuur en het willen schept ordening. In het ordenen schept de wil een ordeningsveld dat in de mate van haar willen aan geestkracht wint en zo als gepotentieerd dynamisch spanningsveld zichtbaar en hoorbaar wordt om ingelicht te worden. In het structureren herschept het denken een gestructureerd veld dat in de mate van haar denken aan geestmacht wint en zo als potentieel statisch veld onzichtbaar en onhoorbaar functioneert om in hem te doen oplichten wat zich in de werkelijkheid wil manifesteren. Beschikbaar te worden voor datgene wat op punt staat van voortdurend verschijnen, mits dit potentiële veld zich ter beschikking wil stellen voor datgene wat zich in en door hem heen wil verwerkelijken. 

In de wil ontmoet de mens de werking van de geest die verstoffelijkt wil worden in de schepping. In het denken ontmoet de mens de werking van de stof die vergeestelijkt wil worden in de herschepping. Het denken opent de stoffelijke werkelijkheid door haar geestmacht en het willen opent de geestelijke werkelijkheid door haar geestkracht. In de structuur vertoont zich de macht en in de ordening toont zich de kracht. Machten en krachten, twee oude benamingen, die wezenlijk als tegendeel verdwijnen in de statiek en als tegenstelling verschijnen in de dynamiek: punt en golf (holte/inslag en bolte/uitslag). 

Machten en krachten, verdwijnen en verschijnen, centripetale machten en centrifugale krachten. Het centrum opzoekende en het centrum vliedende: inslag en uitslag. Vibratie in potentie en vibratie in actie. Het bewustzijn als stabiele geest in potentie om te doen verschijnen en het bewust worden als instabiele geest in potentiëring om te doen verdwijnen. Verschijnen om te doen verdwijnen in het stoffelijke en verdwijnen om te doen verschijnen in het geestelijke. De mens als omslagpunt in de schepping om te doen voort-scheppen. Zijn voort-scheppen krijgt gestalte in de dynamiek van uitslag en inslag. De golfbeweging in denken en willen, het pulseren tussen structureren en ordenen, tussen analyseren en synthetiseren. De mate van impulseren en expulseren bepaalt de mate van het bewustzijn en de mate van het bewust worden. De longitudinale doorwerking in en doorheen de circulaire interferentie-patronen die zich lineair ontwikkelen en inwikkelen. 


De functie van een systeem dynamisch model in een systeemtheorie. 

Het woord systeemtheorie valt uiteen in twee woorden. Een systeem is een stelsel, een geheel van logisch geordende begrippen of stellingen en daarmee samenhangend een stelsel van werkwijzen of handelingen. Theorie betekent zien, inzien, toezien, schouwen, beschouwen, beoordelen, vergelijken, onderzoeken, doordenken. Onder theorie kan je dus het geheel der grondregels en beginselen van een wetenschap of kunst verstaan. Samengevat in systeemtheorie is het de leer over de grondbeginselen van een systeem: wat is een systeem (grondbegrippen), hoe functioneert een systeem als logisch geordend stelsel (grondregels), en welke grondbeginselen liggen daaraan ten grondslag? 

Een systeemtheorie kan zicht bieden op een methode van systematisch denken die in verschillende disciplines toegepast kan worden. Het ontstaan ervan hangt mede samen met de paradigmatische omslag van ontologisch naar functioneel bewustzijn. Het is een wijze van denken die gekenmerkt wordt door een eigen begrippenapparaat zoals subsysteem, hiërarchische ordening, evenwicht, feedback, etc. Uitgangspunt in het systeemdenken is o.a. het gegeven dat de werkelijkheid wordt beschouwd vanuit gehelen en dat de externe omgeving van elk geheel (te verstaan als een open systeem) essentieel is voor het interne functioneren van dit geheel. In een systeem zijn de delen zinvol geordend in een geheel en wel zodanig dat een verzameling delen met de verzameling betrekkingen tussen die delen enerzijds en het geheel anderzijds een geordende structuur vertonen. Deze geordende structuur is op haar coherentie (samenhang) en op haar consistentie (stand houden zonder innerlijke tegenspraak) te onderzoeken. 

De structuur verwijst naar de verzameling delen in het geheel en de ordening verwijst naar de verzameling betrekkingen tussen de delen enerzijds en het geheel anderzijds. De structuur verwijst via de compositie van de delen naar de ruimte waarin zij zich tot elkaar verhouden. De ordening verwijst via de configuratie van de betrekkingen naar de tijd waardoor zij zich tot elkaar verhouden. Tijd en ruimte funderen het proces in een complex van variabele delen tot een systeem dynamisch veld. Dit systeem dynamisch veld is in een analoog systeem dynamisch model te onderzoeken op haar structuur en ordening. Met betrekking tot de structuur onderscheiden wij het speelveld (geheel) en de betreffende spelers (delen / leden) en met betrekking tot de ordening onderscheiden wij de bepaalde spelregels en de onbepaalde speelregels die de interacties in het speelveld tussen de spelers reguleren en preluderen. 

Het grondpatroon als een systeem dynamisch model is een systeem, dat enerzijds structureel verschilt en in een onafhankelijke betrekking staat tot een systeem dynamisch veld en dat, anderzijds ordenend overeenkomt met en in een afhankelijke betrekking staat tot een systeem dynamisch veld. Als een systeem dynamisch model onafhankelijk is van een systeem dynamisch veld kan het een functie vervullen in het ordenen van informatie uit het systeem dynamisch veld. Het model is dan een simplificatie ten opzichte van het veld (gelijkend qua structuur). Als een systeem dynamisch model in een afhankelijke betrekking staat ten opzichte van een systeem dynamisch veld kan het een functie vervullen in het structureren van transformaties in het systeem dynamisch veld. Het model is niet het veld zelf, zij representeert slechts de functies in dat veld, de mogelijke ordeningen (gelijkheid van doen x gedaante qua ordening). De wisselwerking tussen delen/leden in een geheel en betrekkingen tussen delen/geheel is analoog aan de wisselwerking tussen structuur en ordening. Structureren is naar reeds bestaande verbanden toewerken en ordenen is het (onder)zoeken (van) naar mogelijke nog niet bestaande verbanden.

De structuur laat zien wat er al is geordend en de ordening laat zien wat er nog valt te structureren. 

In het verband van een systeem dynamisch model verstaan we onder een systeemtheorie die benadering waarin men interesse heeft voor de processen die zich binnen een systeem dynamisch veld afspelen. Het gaat er dan o.a. om hoe in een systeem input en output zich tot elkaar verhouden. Op welke wijze in het systeem de delen zich organiseren tot een geheel. De wijze waarop de delen zich in een geheel tot elkaar verhouden is niet los te koppelen van andere systemen waartoe dit systeem zich weer verhoudt. De interne verhoudingen tussen de delen enerzijds en het geheel anderzijds staan in wisselwerking met de externe verhoudingen tussen dit systeem en andere systemen. De beperking die wij hier aanhouden is het gegeven hoe het ‘levende als systeem’ biologisch, psychologisch en sociologisch is te onderzoeken. Bijvoorbeeld het functioneren van lichaam, ziel en geest in de plant, het dier en de mens als drieledig wezen als onderzoeksvraag. 

Een systeemtheorie is te typeren als een logische beschouwingswijze waarbij men er vanuit gaat dat een levend systeem altijd een context (omgeving) heeft. Elke context vormt weer een systeem op zich. Zo staat het ene systeem in relatie tot een ander systeem. Elk systeem staat in die interactie open voor een ander systeem. Met deze denkwijze is de werkelijkheid te ordenen in verschillende systemen en in verschillende niveaus waarop die systemen functioneren. De verschillende niveaus zijn of hiërarchisch geordend of aan elkaar gelijk. 

Een systeemtheorie is een wijze van systematisch denken die in verschillende disciplines toegepast kan worden. Het systeemdenken is ook op te vatten als een bepaalde wijze van aanpak, een methode, de weg waarlangs men iets wil onderzoeken. Het toepassen van systeemdenken wordt vergeleken met het gebruik van een camera met zoomlens of groothoek lens. Je stelt de scherpte van de lens in de camera in op een bepaald niveau. Systeemdenken stimuleert een flexibele manier van kijken die meerdere invalshoeken toelaat. Door de flexibele manier van kijken komen de relaties tussen systeem en omgeving in beeld. Men leert kijken naar de relatie tussen delen onderling, tussen delen en gehelen en tussen gehelen of systemen onderling. Het systeem dat men onderzoekt staat in voortdurende wisselwerking met zijn context, omgeving. Een hiërarchisch niveau noemt men om die reden een open systeem. Want een hiërarchie is slechts dan in werking als de systemen onderling interacteren. 

Het systeemdenken is ook op te vatten als een manier om systematisch verschillen en overeenkomsten zichtbaar te maken, zowel analytisch als synthetisch (het zijn complementaire processen in het denken). Een eigenschap van een open systeem wordt niet zozeer gezien als een eigenschap van dat systeem alleen, maar kan ook worden opgevat als een eigenschap die het aan de omgeving ontleent. De eigenschappen van een geheel ontstaan en vergaan door wederzijdse beïnvloeding en worden ten dele bepaald door de kenmerken van de onderdelen in dat geheel. In het geheel komen wetmatigheden aan de orde die niet zijn af te leiden uit de onderdelen. Het geheel is dus meer dan de som der delen. Een onderdeel van een systeem wordt beïnvloed door kenmerken van het geheel. Elk onderdeel wordt niet eenzijdig (mono causaal) bepaald, maar op meerzijdige (multi causaal) wijze door andere onderdelen in en buiten het geheel. 

Bij verklaringen van kenmerken van een systeem wordt de nadruk op het proceskarakter gelegd, aangezien de wederzijdse beïnvloeding een continu proces in verandering is. Eenzijdige verklaringen worden afgewezen in een systeemtheorie. In een systeemtheorie wordt vooral het hier en nu benadrukt omdat je het proces in verandering niet alleen analyseert maar ook synthetiseert op het wat in relatie tot het wie, waar en wanneer, hoe en waarom. In de analyse zoek je o.a. naar de verschillen tussen de overeenkomsten en in de synthese zoek je o.a. naar de verbanden tussen de afgrenzingen. 

De werkelijkheid is zeer complex, de problemen daarentegen nog complexer. Systeemtheorie houdt zich bezig met de gehele complexe werkelijkheid. De wisselwerking tussen omgeving en systeem (levend organisme) betekent dat bepaalde kenmerken van een systeem niet opgevat worden als unieke eigenschappen van dat systeem, maar als kenmerken van een ander systeem waar dat systeem op dat moment deel van uitmaakt. Of als kenmerken van de onderlinge wisselwerking tussen betreffende systemen. 

Een voorbeeld uit het biopsychosociale model in relatie tot het kwetsbaarheid-stress-coping model. Dit betekent dat niet de persoon alleen centraal staat, maar ook de relaties tussen de persoon en zijn omgeving. De omgeving wordt daarbij meestal opgevat als een sociaal systeem van andere personen. 

De systeemtheorie verschuift de aandacht naar voorhanden interacties, die hier en nu plaats vinden in het systeem zelf en tussen de systemen onderling. Het biopsychosociale model is afkomstig uit de systeemtheorie en wil onderzoeken hoe die drie niveaus met elkaar in wisselwerking staan. De systeemtheorie impliceert een organische wijze van kijken naar de werkelijkheid en gaat in dit voorbeeld ervan uit dat een mens als organisme drieledig functioneert. Een persoon kan drieledig functioneren in interactie met zijn omgeving. Daarbij is er sprake van wederzijdse beïnvloeding zowel intrapersoonlijk als interpersoonlijk. Een belangrijk kenmerk van het systeemtheoretische denken is de flexibiliteit aan interacties. 

Het systeemtheoretische mensbeeld spitst zich toe in de opvatting dat niet alleen de kenmerken van een individu centraal staan, maar ook de kenmerken van de relaties tussen individu en omgeving. Het biopsychosociale model wordt aangevuld door het kwetsbaar-stress-coping model omdat daarin zichtbaar kan worden dat niet elke persoon restloos systeem afhankelijk is. Het geheel beïnvloedt het deel, maar omgekeerd kan het deel zich telkens weer op een unieke wijze verhouden tot het geheel. De kwetsbaarheid in de persoon in relatie tot interne en externe stressfactoren kan drieledig onderzocht worden op mogelijke oorzaken en gevolgen enerzijds en anderzijds op de passieve of actieve wijze waarop de persoon deze stressfactoren te lijf wil gaan, door ofwel zichzelf of zijn omgeving te veranderen of door zich aan te passen. 

In het systeemdenken wordt de wisselwerking, de interactie, tussen het systeem en zijn omgeving benadrukt. Wat je als systeem benoemt, hangt af van waar je de aandacht op richt. Een systeem is te definiëren als een samenstel van bepaalde elementen met bepaalde eigenschappen en de relaties tussen de elementen. Relaties worden ook wel betrekkingen genoemd. Deze onderlinge betrekkingen worden gereguleerd door spelregels. In een systeem vormen de spelregels naast de spelers, het speelveld en de speelregels een aparte grootheid, aangezien ze de interacties tussen de spelers en het speelveld reguleren. De spelregels bepalen onder andere hoe er gespeeld mag worden. Niet altijd is de speler bewust van de spelregels van het systeem, al doende leert hij ze ontdekken. Spelregels kunnen het spel zodanig bepalen dat er bepaalde terugkerende speelpatronen ontstaan. 

Een systeem is een regel geleid systeem. Een systeem is niet te definiëren als een optelsom van de kenmerken van de afzonderlijke elementen van dat systeem. Het systeem is een georganiseerd geheel met eigen regels. Het geheel wordt ook wel geduid met het begrip totaliteit. Het totaliteitsbeginsel houdt het volgende in: Elk deel van een systeem verhoudt zich tot de andere delen, dat een verandering in een deel een verandering in alle delen en in het totale systeem zal veroorzaken. Alles hangt met alles samen. Het geheel is echter ook meer dan de som der delen. Dat betekent dat het geheel andere kenmerken kan vertonen dan de kenmerken van het totaal aantal delen in dat geheel. 

Uit het begrip totaliteit zijn twee principes af te leiden: ‘niet-optelbaarheid’ en ‘niet-eenzijdigheid’. Niet-optelbaarheid betekent dat een systeem niet te definiëren is als een optelsom van de onderdelen. Niet-eenzijdigheid betekent dat er binnen een systeem geen eenzijdige relaties zijn. Anders geformuleerd, in een systeem moet je niet alleen monocausaal redeneren maar vooral ook multicausaal. Er zijn meerdere invloeden die een bepaald effect teweegbrengen. Interacties tussen delen van een systeem kunnen zowel lineair (monocausaal) als circulair (multicausaal) worden opgevat. 

Circulair: A beïnvloedt B, maar B beïnvloedt ook A. Deze redenatie werkt inwikkelend als het systeem bestaat uit meerdere elementen. Consequentie van veelzijdig redeneren is dat een (eind)toestand van een systeem nooit geheel toegeschreven kan worden aan een onderdeel. Een abductieve wijze van denken: de status van een deel leid je weg naar de status van het geheel. Een onderdeel beïnvloedt wel het geheel, maar de invloed is niet eenzijdig. De verklaring moet gezocht worden in het proceskarakter binnen een systeem. En het proceskarakter is bepaald door de gelijktijdige (configuratie) en gelijkruimtelijke (compositie) betrekkingen tussen de interacterende delen van dat geheel. 

Lineair: A veroorzaakt B en niet andersom. Deze redenatie werkt ontwikkelend, het ene deel volgt uit het andere deel. Consequentie van eenzijdig redeneren is dat een (eind)toestand van een systeem geheel en al toegeschreven kan worden aan een bepaald onderdeel. Een reductieve wijze van denken: de status van het geheel moet je terugleiden naar de status van een deel. Elk onderdeel beïnvloedt op eenzijdige wijze het volgende deel. Het proceskarakter wordt hier bepaald door het ongelijktijdige en het ongelijkruimtelijke van de betreffende onderdelen. 

Hoe functioneert een systeem dat bestuurd wordt door middel van meerzijdige relaties? Elk systeem houdt zich in stand door middel van informatie. Communiceren kan je opvatten als het uitwisselen van informatie. Communiceren betekent letterlijk deel hebben aan elkaar doordat je met elkaar in betrekking staat. Binnen het communiceren worden deze informatiestromen gereguleerd door feedback mechanismen. Feedback mechanismen zijn inwikkelende processen waar geen begin en geen einde aan te zien is, het is een circulair proces. Processen in het systeem zijn altijd hier en nu processen, omdat alles gelijktijdig en gelijkruimtelijk afspeelt. 

In het systeemdenken kunnen twee soorten van feedback worden onderscheiden met betrekking tot de ontwikkeling of inwikkeling van systemen. Concrete feedback (progressieve concretie, fenomenologisch onderbouwd) bevordert de ontwikkeling van een systeem, abstracte feedback (regressieve abstractie, systeemtheoretisch onderbouwd) remt de ontwikkeling van een systeem. Het beoogt een conserverende werking om niet uit evenwicht te geraken en de stabiliteit in het systeem te behouden. 

Equifinaliteit is een eigenschap van een open systeem (systeem dynamisch veld) en dat houdt in dat een systeem vanuit uiteenlopende begintoestanden eenzelfde eindstand kan bereiken. Het begrip equifinaliteit slaat vooral op de interactie tussen een systeem en zijn omgeving. Het gaat erom of een systeem zich succesvol in stand kan houden in relatie tot een ander systeem. 

Elk open systeem dat enige tijd functioneert vindt op een bepaald moment zijn evenwicht. Het functioneert zoals het systeem het beste kan functioneren. Het afstellen van een open systeem op een bepaald evenwicht wordt kalibrering genoemd. Binnen bepaalde grenzen blijft het systeem in evenwicht. Dit afstellen doet het systeem zelf middels circulaire feedback processen. Het systeem kan echter door omstandigheden weer uit evenwicht geraken. Het overschakelen op een ander evenwicht wordt trapfunctie genoemd. Als het systeem niet overschakelt dan loopt het systeem gevaar vast te lopen of oververhit te raken. 

De betrekking tussen een systeem dynamisch veld en een systeem dynamisch model wordt evenzeer door equifinaliteit gereguleerd. Vanuit talloze gegevens uit het systeem dynamisch veld wordt eenzelfde eindtoestand bereikt in het systeem dynamische model: zij laat het grondpatroon (hier en nu) van alle interacties (door de tijd heen) zien. Veld en model staan in een circulaire betrekking. 

In het systeemdenken gaat het centraal om het begrip informatie. In een circulaire betrekking is alles informatie. Informatie kan verstaan worden als communiceren waarin over en weer informatie wordt uitgezonden. Communiceren is interactie tussen twee open systemen. Het betreft observeerbare interactie tussen twee open systemen in het hier en nu. 

Elk systeem is tegelijkertijd in communicatie met een ander systeem. Systeem en communicatie zijn synoniem op te vatten. Een systeem communiceert altijd. Een systeem heeft geen tegenstelling er is niet zoiets als een niet-systeem. Het systeem kan niet niet communiceren. Alle systemen hebben dus communicatieve waarde. Ook het systeem wat niet meedoet. Je hebt een systeem, een serie systemen kunnen in interactie zijn en tussen bepaalde systemen heb je een interactiepatroon. Elk vaststaande interactiepatroon vormt een regel in een systeem. 

Elke interactie tussen twee of meer systemen betekent dus een betrokkenheid of relatie tussen de systemen. Een communicatie zonder een relatie bestaat niet, vandaar dat elk systeem een relatievoorstel kan aanbieden (of een relatiedefinitie). Als een systeem communiceert met een ander systeem laat het systeem zien hoe het zichzelf ziet en hoe het het andere systeem ziet. In een relatie kan het ene systeem ondergeschikt zijn aan een ander systeem, je hebt dus meerwaardige en minderwaardige systemen ten opzichte van elkaar. 

Behalve een betrekkingsniveau heeft het systeem ook een inhoudsniveau. Maar dit inhoudsniveau staat altijd in de context van het systeem. Toch moet het inhoudsniveau zeer serieus uitgewogen worden, aangezien de inhoud de relatie kan doen springen. Een niet passende inhoud maakt het systeem als systeem onwerkzaam. Met andere woorden de inhouden krijgen hun positie in de betrekking tot andere inhouden. De inhouden kunnen elkaar dus insluiten en uitsluiten. Dit uitsluitende effect maakt dat elke inhoud een springende factor kan worden in het systeem. Ondanks de betrekkingen wordt de inhoud somstijds net zo machtig als de betrekking. Het is precies dit evenwicht tussen inhouden en hun betrekkingen die een dynamisch systeem karakteriseert. Ze is enerzijds gesloten en anderzijds open, omdat ze voortdurend in kalibratie verkeert. Toch laat het betrekkingsniveau veelal zien hoe het inhoudsniveau opgevat moet worden. Immers de relatie domineert de betekenissen en die veranderen naarmate de betrekkingen veranderen. 

Zo zien wij dat de delen bepaalt worden door het geheel, maar het geheel wordt evenzeer bepaald door de delen afzonderlijk. Niet alleen is het geheel meer dan de som der delen, ook is elk deel meer dan door het geheel kan worden verklaard. Elk deel vertoont meer dan alleen systeembepaalde werking. Elk deel heeft in principe het vermogen om het systeem en de interne betrekkingen in het systeem grondig te doen veranderen. Het is dus niet voldoende om alleen de betrekkingen goed te definiëren, evenzeer dienen de inhouden exact gedefinieerd te worden, dat vraagt om een exact afgrenzen en onderscheiden van de begrippen. Niet alleen de inhoud van het begrip is bepalend, maar evenzeer haar positie in het systeem. Omgekeerd is de bepaling van de positie in het systeem afhankelijk van de betrekking tot andere posities in het systeem. Met betrekking tot elk deel in een systeem is er een wederkerigheid tussen inhoud en proces, positie en betrekking. De betrekking op zich wordt weer gedefinieerd door de werking van de overeenkomst en door de werking van het verschil.

Ook de inhouden (begrippen) worden gedefinieerd door de werking van de overeenkomst en door de werking van het verschil. Zo komt het deel op zichzelf te staan en kan in een causale relatie gaan werken (analytische werking) en een verband doen ontstaan die oorzakelijk is. 

In het systeemdenken wordt uitgegaan van circulaire causaliteit (synthetische werking) en lineaire causaliteit (analytische werking). In de circulaire causaliteit beïnvloedt input output en output beïnvloedt input. En dat kan oneindig doorgaan en is in principe niet vaststelbaar. In de lineaire causaliteit moeten de interpuncties zichtbaar worden die leiden naar de output en omgekeerd kan men via de interpuncties de oorzakelijke werking van de input achterhalen. Deze werking tussen input en output is in principe eindig en vaststelbaar. De interpunctie betreft de unieke verschilspositie van elk deel afzonderlijk in die lineaire reeks en zijn plaats is absoluut te noemen, anders wordt de lineaire reeks doorbroken. In het systeemdenken kan men het deel niet reduceren tot het geheel, evenzeer kan men het geheel niet reduceren tot het deel. 

Het gevaar bestaat dat er of alleen causaal lineair (eenzijdig) geredeneerd gaat worden of alleen circulair (meerzijdig). (Dit kan zowel in de vergelijking tussen twee onderling communicerende systemen als binnen een systeem plaatsvinden.) Iets vindt plaats door iets anders in het betreffende systeem (lineair causaal), daarmee wordt het ‘gelijktijdige en gelijkruimtelijke’ uitgeschakeld en kan er iets paradoxaals ontstaan in een systeem. In plaats van het gelijktijdige en het gelijkruimtelijke komt er een soort interpunctie tot stand tussen de inhouden van dat systeem en de strijd (aemulatio) gaat natuurlijk over het plaatsen van de juiste interpuncties in het systeem, alsof er slechts één juiste causale relatie aan te wijzen is tussen de delen van dat systeem.

Een circulaire relatie hoeft echter een causale relatie per definitie niet uit te sluiten, maar dient haar juist in te sluiten. De causale relatie kan op haar beurt de circulaire relatie doen springen. In het systeem moeten deze twee krachten in evenwicht zijn, in homeostase. Ze kunnen in het systeem echter ook conflicteren. 

Het systeem heeft middels de inhouden en begrippen de beschikking over digitale informatie. Deze digitale informatie staat in de ruimte en de compositie van de digitale inhouden is bepalend voor de mogelijke configuraties. Middels de betrekkingen tussen de posities van de digitale inhouden in de compositie heeft het systeem de beschikking over analoge informatie. Met die analoge informatie wordt een betrekkingsboodschap of relatiedefinitie gecommuniceerd. Omdat er twee vormen van informatie bestaan, ontstaan er tussen twee systemen mogelijkerwijze vertaalproblemen. Met name wanneer het gaat om analoge informatie te vertalen naar digitale informatie en vice versa. Dit kan voorkomen wanneer twee systemen uit verschillende culturen, wetenschapsgebieden, denkwijzen, sleuteldiagrammen, etc. stammen. 

Systemen verhouden zich tot elkaar door hun symmetrische en complementaire interactie. Een interactie kan dus symmetrisch of complementair zijn. Een symmetrische interactie is gebaseerd op gelijkheid (overeenkomst in ordening) van de systemen. Er is sprake van een spiegelbeeld. Symmetrie slaat op de onderlinge betrekkingen in de systemen en tussen de twee systemen. Beide systemen hebben dan in feite even veel macht en uiten dat in hun communicatie. De digitale inhoud van de communicatie kan heel verschillend zijn per systeem, maar op betrekkingsniveau zijn ze elkaars spiegelbeeld. Sommige systemen gaan dus een symmetrische interactie aan ook al zijn hun inhouden radicaal anders. 

Een complementaire interactie tussen twee systemen is gebaseerd op verschil, op ongelijkheid. Het ene systeem zegt dit en het andere systeem vult dat aan met het gelijkende (overeenkomst in structuur). In een complementaire interactie vult het ene systeem het andere aan, je hebt leiders en volgers. Er is sprake van een machtsverschil tussen het ene systeem en het andere systeem en dat geldt bijvoorbeeld in de verhouding tussen grondpatroon en grammen. De grammen verhouden zich tot elkaar voor zover zij en symmetrisch (betrekkingen) en complementair (inhouden) zijn. 

Een relatie wordt mono causaal of lineair causaal wanneer het ene deel tot het andere deel zich verhoudt als oorzaak en gevolg. De oorzaak moet noodzakelijk zijn en voldoende voorwaarde voor het gevolg. De oorzaak gevolg relatie moet gezocht worden in en tussen de twee relaterende delen en niet er buiten. De een bepaalt de ander noodzakelijk, in die zin is de relatie gedetermineerd, vast te leggen. En deze relatie is lineair onomkeerbaar. 

Anders wordt het in een producer-product relatie: de oorzaak (producer) is wel noodzakelijk maar niet voldoende voorwaarde voor een gevolg (product), aangezien er co-producers in het spel zijn die mede de relatie bepalen. Hier ontstaat het verschijnsel samenhang aangezien het verschijnsel als deel samenhangt met een groter geheel aan verschijnselen. Het deel verwijst naar een groter geheel van mogelijke relaties waarmee het gelijktijdig en gelijkruimtelijk in wisselwerking staat. Deze relatie wordt multi causaal of circulair causaal gedacht. 

Maar op haar beurt is deze circulaire relatie tweeledig te verstaan. Er is sprake van een relatie tussen twee samenhangende delen als een verandering in de waarde of de eigenschap van het ene deel een verandering van de waarde of eigenschap van het andere deel tot gevolg heeft. Hier zien wij hoe het een het ander veroorzaakt in de tijd. Maar de delen van een geheel zijn ook aan elkaar gerelateerd indien zij samen een eigenschap bezitten die geen van de delen afzonderlijk bezit. Hun samengaan in dezelfde ruimte en in dezelfde tijd maakt dat zij boven zichzelf uitstijgen en een meer gaan vertonen. Aan dat meer zijn beiden dan blijkbaar gehorig. 

Nu wordt zichtbaar dat de lineaire relatie veelal deterministisch herleid moet worden naar fysisch bepaalde te kwantificeren onvoorwaardelijke oorzakelijkheden in de stof: we spreken dan van wetten. In een circulaire relatie worden de delen toegeleid naar meta-fysisch bepaalde te kwalificeren voorwaardelijke hoedanigheden in de geest: we spreken dan van spelregels. 

De betrekking tussen twee delen is tweeledig te verstaan, het deel is ook tweeledig te verstaan aangezien ze zowel naar verschil als naar overeenkomst gedefinieerd dient te worden. Elk deel wordt door haar verschil herleid tot een deelverzameling, maar als deel komt hij voor een deel wel overeen met andere delen in die verzameling. Zo kan men geen delen uit een verschillende verzameling betrekken, aangezien men geen peren met appels mag vergelijken. Doet men dat wel dan gaat het niet meer om de delen afzonderlijk, maar om datgene waarin zijn met elkaar overeenkomen: zijnde vruchten uit de rozenfamilie. In de deelverzameling appels, heb je nog talloze andere deelverzamelingen van te onderscheiden appels. En zo kan je die deelverzamelingen eindeloos uitsplitsen. Wat hebben al die deelverzamelingen dan met elkaar te maken. Op zich niets, maar als deelverzameling maken ze altijd deel uit van een hogere deelverzameling, blijkbaar is hier de hiërarchie in het geding. Verschil doet hiërarchie ontstaan. 

Maar als verschil hiërarchie doet ontstaan, hoe moet dan de hiërarchie in een circulaire relatie anders verstaan worden dan in een lineaire relatie? In een deelverzameling komen afzonderlijke delen bijeen op grond van hun pertinente overeenkomst; dat bepaalt hun relatie, zij bezitten beiden die eigenschap of waarde. Maar als afzonderlijke delen die eigenschap of waarde niet delen, maar die pas gaan delen als ze tezamen komen dan beantwoorden ze aan iets dat hen beiden overstijgt; dat bepaalt hun relatie, zij bezitten beiden, ieder afzonderlijk, die eigenschap of waarde juist niet. Dat wat hen in het tezamen bindt is slechts mogelijk op grond van hun pertinente verschil. Appels doen iets met peren wat ze afzonderlijk niet kunnen, maar wat als ze samen komen wel degelijk gaat gebeuren. Hoe is die interactie dan te verstaan? 

Het voorbeeld is door haar eenvoud verwarrend, want hoe kunnen appels iets met peren doen? Zij behoren toch tot een andere deelverzameling? Maar als ze iets gaan doen, klinkt het alsof ze subject worden van hun interactie en als deelverzameling worden ze tot object gereduceerd. Of het voorbeeld nu klopt of niet, het gaat erom of in een gedeeld verband in de interactie iets nieuws verschijnt wat blijkbaar beiden veroorzaken als wederkerig subject. Maar daar waar het subject verschijnt in de appel verschijnt een andere dimensie: het wezen appel. Met andere woorden spelen in circulaire relaties andere grootheden een rol dan in lineaire relaties? Uit te drukken o.a. door het verschil tussen kwantiteit en kwaliteit. 

Met het woord kwaliteit komt er een andere dimensie in het geding. In kwaliteit ontstijgt iets aan het deelobject wat ze beiden toch schijnen te kunnen delen als ze hun object zijn overstijgen. Kwaliteit valt dus niet te reduceren tot kwantiteit. In kwantiteit heersen de delen en deelverzamelingen in kwaliteit genereren de gehelen een nieuwe overstijgende waarde of eigenschap die het stoffelijke overstijgen. 

Uitgangspunten van een systeemtheorie. Zie C.A. van Peursen: Een filosofische beschouwing over het systeemdenken. Assen, 1988. 


De functie van een systeem dynamisch model met betrekking tot mechanisch en organisch te denken processen. 

Om het gedrag van een systeem te kunnen onderzoeken, benutten we als instrument een systeem dynamisch model. 

Object van onderzoek is het verschijnsel / fenomeen systeemgedrag. De wijze van gedragen wordt in het systeemgedrag bepaald door de gedragingen van de afzonderlijke delen op zich en de relatie die de afzonderlijke delen met elkaar aangaan binnen het geheel van het systeemgedrag, de relaties tussen het gedrag van de afzonderlijke delen en het geheel van het systeemgedrag waartoe ze behoren, de relaties tussen het systeemgedrag van dit geheel en de mogelijke omgevingen (contexten) waartoe dit systeemgedrag zich wil verhouden. Met deze vierledige onderscheiding weerspiegelt het systeemgedrag zowel de interne als de externe gedragingen. 

Gezien de complexiteit van de werkelijkheid en de daarmee samenhangende complexiteit van deelwerkelijkheden dienen we het onderzoek naar hun systeemgedrag mogelijk hiërarchisch te ordenen teneinde complexe problemen vruchtbaar te kunnen onderzoeken. Gezien de hiërarchische verhoudingen tussen de deel-systemen dienen we naast het onderzoeken van de afzonderlijke delen ook hun samenhang in relatie tot elkaar, het geheel en de omgeving te onderzoeken: de zo te noemen leden in een samenhangend geheel. 

Gezien de complexiteit van de werkelijkheid is het mogelijk zinvol om een onderscheid aan te brengen tussen de van oudsher bekende vier rijken: mineraal, plant, dier en mens. Het anorganische minerale rijk waar de fysieke wetten gelden, het organische rijk waar de levenswetmatigheden werkzaam zijn, het zielerijk waarin de gebaren van de ziel zichtbaar kunnen worden en het geestelijke rijk waarin geestelijke wezens scheppend werkzaam kunnen zijn. Deze vier rijken worden van oudsher in een hiërarchisch verband geplaatst. Laten we nu de hiërarchie tussen mechaniek en organiek vooreerst aan de orde stellen. 

In welke mate hebben organische systemen algemene eigenschappen in analogie met de algemene eigenschappen van anorganische systemen? (W.Köhler, Die physischen Gestalten in ruhe und im stationären Zustand, Erlangen, 1924. Idem, Zum Problem der Regulation, Roux’s Arch, 112, 1927)) 

In welke mate staan organische systemen open voor andere organische systemen? Het concept ‘open systeem’ werd door Lotka in 1925 geïntroduceerd. (A.J.Lotka, Elements of physical biology, New York, Dover (1925), 1956.) 

In hoeverre staan organische systemen tegenover mechanische systemen, wanneer men het concept open en of gesloten respectievelijk op hen gaat toepassen? In welke mate openen en of sluiten organische systemen zich zelf en of worden ze geopend en gesloten in wisselwerking met hun omgeving? In welke mate kunnen anorganische systemen als afgesloten en of geopende systemen beschouwd worden in hun functionele fysische interacties? 

Het begrip open systeem en gesloten systeem is vooralsnog een hypothetisch construct om het verschil tussen een organisch en een mechanisch systeem enigszins op het spoor te komen. Niettemin kan deze dualiteit zinvol ingezet worden voor zover ze in een paradigmawisseling, streng gescheiden, een rechtmatige optiek kunnen funderen voor zover het verschil tussen een ontologische benadering en een functionele benadering zich onder andere laat karakteriseren als de dualiteit van mechaniek en organiek. Pas in voornoemde paradigmawisseling treedt de dualiteit van mechaniek en organiek voor het eerst aan de orde. Ze is zinvol om de onderscheiden denkbewegingen vooreerst te karakteriseren in de dynamiek tussen begrip en beeld, tussen delen en leden in een geheel. 

Kennis van de afzonderlijk functionerende delen ontwikkelen we in een mechanisch, machinaal te reconstrueren, verband. Kennis van de gezamenlijk functionerende leden ontwikkelen we mogelijk in een organisch, vitaal te deconstrueren, verband. In het mechanische verband zoeken we naar mogelijke inklaringen en oplossingen die we kunnen begrijpen. In het organische verband zoeken we naar mogelijke opklaringen en inlossingen die we kunnen verstaan. 

In het mechanische verband leggen we verschijnselen uiteen door ze uit elkaar te leggen. Door te begrijpen hoe de onderdelen werken, proberen we te weten te komen hoe in het samen stellen de onderdelen voordelig op elkaar inwerken. Om het mechanische verband te reconstrueren ontwikkelen we een tomistisch  (tomos = deel) proces van onderzoeken. 

In een organisch verband leggen we verschijnselen uiteen door ze in elkaar te loggen. Door te verstaan hoe de bovenleden werken, proberen we te weten te komen hoe in het samen functioneren de bovenleden volledig op elkaar inwerken. Om het organische verband te deconstrueren ontwikkelen we een holistisch (holon = geheel) proces van onderzoeken. 

Een tomistisch onderzoeksproces in een vierdelig stappenplan:

  1. Het uit elkaar leggen van het nog onbegrepen geheel in mogelijk te identificeren en te kwantificeren kleinere onderdelen.
  2. Het begrijpen van de mogelijke onderdelen denkend voorstellen tot een mogelijk begrijpen van de bovendelen in het geheel.
  3. Proberen te begrijpen hoe de onderdelen en de bovendelen mogelijk op elkaar in werken als een na elkaar in de tijd.
  4. De op elkaar inwerkende onderdelen als causale relaties proberen te toetsen door middel van een experimenteel hypothetisch begripsveld. 

Een holistisch onderzoeksproces in een vierledige fasering:

  1. Het in elkaar loggen van nog niet verstane leden in mogelijk te identificeren en te kwalificeren grotere bovenleden.
  2. Het verstaan van de mogelijke bovenleden willend vooronderstellen in een mogelijk verstaan van de gedragingen van alle onderleden in relatie tot al haar bovenleden.
  3. Proberen te verstaan hoe de bovenleden en de onderleden mogelijk zich tot elkaar verhouden als een naast elkaar in de ruimte.
  4. De zich tot elkaar verhoudende boven en onderleden als analoge relaties proberen te valideren door hen te bemiddelen in een experimenteel metathetisch beeldveld. 

In een tomistisch onderzoeksproces wordt het verschijnsel dat ingeklaard moet worden behandeld als een geheel dat uit elkaar moet worden genomen tot haar meest elementaire samenstellende onderdelen feitelijk ontdekt zijn.

In een holistisch onderzoeksproces wordt het verschijnsel dat opgeklaard moet worden behandeld als een deel dat op een of andere wijze in gelogd in een groter geheel pas haar rol en functie kan doen manifesteren in een fenomenale samenhang. 

In een tomistische benadering wordt de focus van de onderzoeker steeds meer verkleind.

In een holistische benadering wordt de focus van de onderzoeker steeds meer vergroot.

Een tomistische benadering focust eerst op structuren, inhouden, eigenschappen, het wat.

Hoe functioneert het geheel vanuit de onderdelen in hun verschilsbetrekking.

Deze verschilsbetrekking moet vooreerst door begripsanalyse opgespoord worden zodat de verkregen kennis leidt tot te begrijpen en te beheersen mechanieke werkingen. 

Een holistische benadering focust eerst op ordeningen, processen, gedragingen, het wie.

Hoe functioneren de leden vanuit het geheel in hun overeenkomstbetrekking.

Deze overeenkomstbetrekking moet vooreerst door beeldsynthese opgespoord worden zodat de verkregen kunst leidt tot te beelden (en tot het verstaan van) organieke werkingen. 

Analyse en synthese zijn complementaire denkwijzen of denkprocessen.

Zij definiëren de betrekking respectievelijk op grond van de mate van verschil en de mate van overeenkomst. 

Beide denkwijzen benutten een viertal denkbewegingen.

  • Reductie: terugleiden naar de kleinere onderdelen
  • Deductie: het afleiden van het concrete uit het abstracte
  • Abductie: het wegleiden naar de grotere bovenleden
  • Inductie: het inleiden van het abstracte uit het concrete 

In een tomistische benadering dienen de op elkaar inwerkende onderdelen in een noodzakelijk en herhaalbaar verband geverifieerd cq. gefalsificeerd te worden. Hun causale relatie is determineerbaar. Het ene is oorzaak en het andere is het gevolg. Het gaat in feite om de oorzakelijkheid terug te leiden tot de ondeelbare elementen, de onherleidbare bouwstenen. Het gaat om het leren identificeren van deze onherleidbare grootheden en het leren inklaren van de eenduidige betrekkingen tussen deze kwantificeerbare grootheden. Iets wordt de oorzaak van een gevolg genoemd als het noodzakelijk en voldoende is voor het optreden van dat gevolg: de oorzaak moet het gevolg voordelig inklaren. Niets anders was nodig om het gevolg in te klaren, noch een ander onderdeel, noch het geheel, noch de omgeving. De verschijnselen worden vanuit zichzelf, hun interne structuur en vanuit hun inherente werkingen ingeklaard. 

Er zijn echter verschijnselen die niet via een tomistische analytische benaderingswijze zijn in te klaren. Essentiële eigenschappen van bepaalde delen konden niet afgeleid worden uit de eigenschappen van hun onderdelen of de interacties daartussen. Als het geheel als systeem uit elkaar wordt genomen verliest niet alleen het systeem zijn essentiële eigenschappen maar verliezen de afzonderlijke delen evenzeer hun eigenschappen. De vraag is dan of ze wel adequaat benoemd zijn voorzover er geen sprake meer is van delen, maar van leden, die onlosmakelijk deel uit blijven maken van een geheel en zonder dat geheel niet verstaan kunnen worden. Om dergelijke organieke verschijnselen te begrijpen is een holistische synthetische benaderingswijze, die vertrekt vanuit het systeem als een groter geheel, mogelijk veel adequater. 

Zoekt een tomistische benadering naar causale relaties door via reductie zowel de oorzaken als de gevolgen scherp af te grenzen in hun onomkeerbare betrekking, daar zoekt een holistische benadering veeleer naar teleologische relaties door via abductie zowel de oorzaken als de gevolgen scherp aan te grenzen in hun omkeerbare betrekking. Hoe verhouden middel en doel zich tot elkaar in organieke verschijnselen? Heiligt het doel de middelen of heiligt het middel de doelen? Leidt het middel naar het doel of leidt het doel naar de middelen? Wie veroorzaakt wat? Vraagt dit veroorzaken om een na elkaar of om een tegelijkertijd van middel en doel? In een middel doel relatie is het middel een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde voor het bereiken van het doel. Er zijn altijd andere middelen beschikbaar in de context van middel doel relaties. Middel doel relaties (ook wel co/producer product relaties genoemd) zijn niet eenduidig en monocausaal, maar meerduidig en multicausaal gerelateerd. Niet deterministisch op een input georiënteerde wijze, maar teleologisch (doelgericht, doelzoekend, zinvol gedrag) op een output georiënteerde wijze. 

 

De functie van een systeem dynamisch model in een systeem hiërarchie. 

Hoe de verschillende onderscheiden systeemniveaus interactief te bemiddelen? Deze vraag gaat uit van de vooronderstelling dat ongeacht het niveau in de hiërarchie elk systeem in die hiërarchie slechts open kan staan naar onder-systemen en boven-systemen voor zover ze allen deelnemen aan een en de zelfde structuur en ordening. Deze vooronderstelling doet vragen oproepen naar het doel van systeemdenken. 

Tot nu toe valt er een drieledig doel te onderscheiden in de wijze waarop systemen benaderd kunnen worden, je kunt ook spreken van drie optieken. 

Het eerste doel zou je kunnen ontwaren in het zoeken naar een algemene systeemleer geldig voor alle systemen. (L.von Bertalanffy, ‘General system theory’, General systems 1, 1956 en General systems theory, New York, 1968)

Het doel is om te komen tot een axiomatische systeemleer. Een coherent en consistent stelsel van axiomatische formele begrippen en concepten, die empirisch gezien als leeg worden beschouwd. 

Het tweede doel wordt gevormd door het zoeken naar een systeem van de systemen. Een overkoepelende, classificerende en relaterende theorie betreffende systemen die met elkaar in een hiërarchisch verband staan. (K.E. Boulding, ‘General system theory – the skeleton of science’, General Systems !, 1956) 

Het derde doel wordt gevormd door het zoeken naar een stelsel van regels voor onderzoek naar door samenhang gekenmerkte verschijnselen bijeengebracht in een inzichtelijke methodologie die inherent is aan een systeembenadering. (R.L. Ackoff, ‘Scientific method, New York, 1962)

Het doel is om te komen tot een wijze van aanpak, een benadering van systemen als een methode om praktische problemen op te lossen werkend vanuit gehelen. 

In alle optieken wordt de werkelijkheid beschouwd vanuit gehelen, gestalten. Ten tweede worden systemen gezien als open systemen, voortdurend in wisselwerking met andere systemen. Elk systeem wordt respectievelijk omgeven en ingegeven door een hoger of lager gesitueerd systeem. 

 

Systeem dynamisch werken in een systeem dynamisch model. 

Systeem dynamisch werken houdt in dat men methodisch, systematisch en logisch kan handelen. Het is een wijze van werken waarbij men ervan uitgaat dat een systeem altijd een interne (intra) en een externe (inter) context (omgeving) heeft. Met deze handelwijze is de werkelijkheid te ordenen in verschillende speelvelden en op verschillende niveaus, die op een bepaalde wijze allemaal met elkaar in verbinding staan. De verschillende niveaus zijn op een bepaalde wijze geordend en kunnen in een bepaalde hiërarchie staan. Hoe hoger in de hiërarchie hoe complexer een niveau is geordend. De wijze waarop het niveau geordend is, wordt echter bepaald door een beperkt aantal regels. 

Deze manier van handelen kan in en vanuit verschillende wetenschappen toegepast worden. Elke wetenschap representeert een bepaalde manier van kijken (optiek) naar de werkelijkheid. Deze manieren van kijken naar de werkelijkheid vanuit verschillende invalshoeken kan je onderzoeken en herleiden tot een beperkt aantal regels.Immers wat je ook bekijkt je past daarin bijvoorbeeld een bepaalde denkwijze toe. Hoe over het wat te denken is het onderwerp van een systeemtheorie. Je kunt het hoe en het wat niet zomaar per wetenschap scheiden, immers het wat bepaalt ook hoe te denken (de speelregels / fenomenologie). En toch zijn er in het hoe te denken en hoe te kijken bepaalde spelregels te vinden. Van belang wordt dat je nu onderzoekt ‘waarom’ je nu op een bepaalde wijze (het hoe) over een bepaald object (het wat) kan nadenken. De waaromvraag impliceert het zoeken naar een systeemtheorie waarin en van waaruit de formele regels kracht van werking krijgen in het denken. 

Systeem dynamisch handelen opereert dus zowel op metaniveau (het waarom van het hoe in relatie tot het wat, de spelregels) als op het niveau van het wat (hoe het wat te onderzoeken, de speelregels). Handelen wordt dus bepaald door de wijze waarop je denkt (voelt – wilt) in de oordeelsvorming, door de invalshoek of optiek van waaruit je het wat bekijkt in de beeldvorming en door de wijze waarop je focust op het wat in de waarneming. Het is te vergelijken met het hanteren van een camera die je op verschillende objecten kan inzoomen, al of niet van groothoek naar telelens perspectief. Systeem dynamisch werken dynamiseert je manier van kijken en denken (voelen – willen) en daardoor komen de relaties in beeld in dit systeem en tussen dit systeem en andere systemen (omgeving). 

In een systeem dynamisch model is het geheel meer dan de som der delen, de delen krijgen betekenis in de context van het geheel en het geheel wordt bepaald door haar centrum, de focus waarop men inzoomt met zijn wijze van denken, voelen en willen. 

Alle delen in een systeem en buiten dat systeem staan deels op zichzelf en deels in wisselwerking met het systeem en met andere systemen. Vandaar dat we spreken van een open systeem dynamisch handelen en een open systeem dynamisch model: het grondpatroon en haar onderscheiden bouwpatronen. Met een systeem dynamisch handelen en dito model winnen we een analytisch instrumentarium om processen in de werkelijkheid in beeld te kunnen brengen. Anderzijds kunnen we dit systeem dynamisch model ook benutten als een synthetisch instrumentarium om inhouden uit de werkelijkheid tot begrip te kunnen brengen. 

Een eigenschap van het object, het wat, staat deels op zichzelf, ontleent zijn status aan het interne object, maar diezelfde eigenschap ontleent het object ook deels aan de omgeving, het systeem waarin het functioneert als wat. De eigenschappen van een object worden dus wederzijds beïnvloed, zowel van binnen uit het deel als vanuit het geheel waarvan het deel uitmaakt. Welke wetmatigheden (spelregels) kent nu het geheel (het systeem) die niet zijn af te leiden uit de delen, het wat. Maar afhankelijk van de focus kan men ook inzoomen op het deel en dat weer als een systeem onderzoeken en weer moeten er bepaalde spelregels gevonden kunnen worden, die het hoe bepalen. Elk onderdeel van een systeem wordt weer beïnvloed door de kenmerken van het geheel. Nooit wordt een deel eenzijdig bepaald, maar voor alles op een meerzijdige wijze. 

Systeem dynamisch handelen zoekt daarom, naast de eenzijdige verbanden ook naar meerzijdige verbanden. Door een systeem dynamische benadering wordt het hier en nu benadrukt in relatie tot een overall view. Ontwikkelingsprocessen worden daarmee handelbaar en vooral traceerbaar. In een systeem dynamisch model worden die verbanden ook zichtbaar gemaakt. 

In een systeem dynamisch model wordt voorondersteld, dat elk systeem in relatie staat tot een ander systeem, met andere woorden elk systeem is weer te beïnvloeden door een ander systeem. Dat betekent dat elk systeem open staat voor interactie vanuit een ander systeem, vandaar de naam open systeem benadering. Als elk systeem open staat voor beïnvloeding dan impliceert dat, dat elk systeem niet alleen op zich zelf staat als een afgesloten object (wat). Dat betekent dat de innerlijke en uiterlijke dynamiek in en van het systeem bepaald wordt door de interactie die zij met elkaar aangaan, waardoor hun interne en externe dynamiek verandert. Deze interactie kunnen wij omschrijven als een betrekking, als een relatie. En de betrekking is niet alleen causaal te duiden, maar vooral ook analoog. Dat wil zeggen er is een oorzaak gevolg mogelijk maar evenzeer een tegelijkertijd. Dat laatste roept vraagtekens op, hoe komt het dat het een het ander gelijktijdig kan beïnvloeden en niet zozeer het een na het ander in dit geval. Op welk niveau vindt dan de interactie of betrekking plaats?  Niet zozeer op het niveau van de stof (oorzaak gevolg of causale relatie genoemd) als wel mogelijk op het niveau van de geest. 

De herintroductie van de geest is een vrucht van een paradigmatische omslag in het functionele bewustzijn. Dit functionele bewustzijn herontdekt in de fenomenologische methode echter wat het mythische bewustzijn als ‘vanzelf sprekend’ (fenomenon) vond. Elk subject en elk object staat fundamenteel in een wederkerige geestelijke relatie tot elkaar. Dat geldt voor mensen, maar evenzeer voor dieren in een kudde, roedel, etc., zo ook voor planten in een biotoop, of voor bomen die in elkaars nabijheid staan. Kijken wij naar het mythische bewustzijn dan zien wij daar evenzeer regels die het handelen, denken bepaald hebben. Wij zien dat terugkomen in het ritueel waarin mythe en symbool functioneren. 

Het is goed om deze regels hier alvast te vernoemen.

Alles hangt met alles samen.

Zo boven zo beneden en vice versa (zo voor zo achter, zo links zo rechts).

Elk deel staat voor het geheel (pars pro toto).

Het geheel is meer dan de som der delen. 

Om zo te kunnen handelen ontwikkelde de mythische mens een voertuig. Ik noem het een beeld-voertuig. Dit voertuig heeft Jung herontdekt en benoemd als een mandala (een mandje). De indianen in Noord-Amerika noemen het een medicijnwiel. 

Je kunt het ook een model noemen, een model modelleert de werkelijkheid op een wijze die recht doet aan die werkelijkheid, echter het model is niet de werkelijkheid, maar de wijze waarop de werkelijkheid wordt gerepresenteerd, zichtbaar wordt gemaakt in haar werking. Om met dat model te kunnen werken, moet je als het ware je erin kunnen verplaatsen, erin kunnen kruipen, zodat je vanuit dat model naar de werkelijkheid kan kijken. Pas het maar toe met een eenvoudige landkaart waarop bijvoorbeeld wandelpaden staan aangegeven. Hoe weet je nu of dat pad links of rechts van de rivier, het ravijn, de berg, de stad loopt, daarvoor moet je erin kruipen en je voorstellen alsof je erin loopt. Nu is een landkaart een statisch en gesloten model, maar hoe te werken met een open systeem dynamisch model? Open wil zeggen, je kunt van alles in het model plaatsen en toch is het systematisch en misschien verwarrend het is zelfs dynamisch te hanteren. Hoe wordt dat allemaal mogelijk? Dat wordt mogelijk omdat zo een model een heel eenvoudige vaststaande structuur heeft die in de ruimte geprojecteerd kan worden. Zo een structuur is in feite te benutten als model en als voertuig. Als voertuig vormt het een verwijding van de mens, het is antropomorf. Qua structuur gelijkend op de vorm van een mens. Hoe te leren werken met zo een structuur of diagram? 

Het vereist enige stuur of navigatiekunst om je in zo een systeem dynamisch model te leren bewegen. Het is zoiets als een systeem dynamisch voertuig ( model als beeldvoertuig). Je kunt pas sturen in een voertuig als je jezelf verbindt met dat voertuig en je vanuit dat één met je voertuig zijn, je leert verhouden tot je omgeving. Je kunt niet auto rijden als je je niet vertrouwd hebt gemaakt met dat wat je voertuig kan en niet kan en als je je niet verhoudt tot de omgeving van dat voertuig, een drukke stad, snelweg, open vlakte. Als bestuurder moet je voortdurend een evenwicht scheppen tussen input, zowel intern als extern, als output, zowel intern als extern. Input krijg je zowel van binnen als van buiten, maar je output moet eveneens weer zowel naar binnen als naar buiten uitstromen. Er is dus een circulaire relatie tussen input en output die je vierledig kunt differentiëren. Input en output worden hierin niet als een oorzaak gevolg (lineair) relatie gehanteerd, maar als vier bronnen van informatie die elkaar met een circulaire relatie in een dynamisch evenwicht houden. Die vier bronnen beïnvloeden elkaar voortdurend tegelijkertijd. 

Input en output staan op de horizontaal, respectievelijk links en rechts, binnen en buiten, intern en extern. Je krijgt input uit de output via geest en lichaam, denken en willen (het voelen  evenzeer van belang even daargelaten). Daar verwerk je die informatie al denkend en al willend en vervolgens zet je dat om in een handelen en stuurt zowel vanuit het denken en uit het willen het antwoord op de output en dat allemaal tegelijkertijd. Dat lijkt nog eenvoudig, maar als je in een voertuig zit, krijg je als bestuurder niet alleen informatie van buiten het voertuig maar ook informatie van binnen uit het voertuig. Die je evenzeer denkend en willend verwerkt en weer terugkoppelt naar het voertuig en terwijl je dat terugkoppelt naar je voertuig koppel je dat ook weer terug naar buiten het voertuig, de weg, situatie waarin jij je momenteel bevindt. Nu zien wij dat wij die circulaire relatie niet vierledig maar acht-ledig moeten differentiëren. Kortom als bestuurder functioneer je tussen voertuig en omgeving in complexe circulaire betrekkingen, tezamen gevat in een systeem dynamisch veld. Het is al een wonder te noemen dat je dat allemaal zo vaak zo probleemloos kan doen, maar wat nu als er iets fout gaat? 

Systeem dynamisch leren denken en werken / handelen is dus ook niet mogelijk zonder een drieledig veld: jijzelf als bestuurder (jij stuurt je eigen handelen aan: denkend, voelend en willend), jouw voertuig het diagram en of dynagram met al zijn sleutel-grammen en de omgeving waaruit alle fenomenen of symptomen terug gebracht zijn tot een hanteerbaar werkveld, in deze een diagram en of dynagram bijvoorbeeld. In jou als bestuurder ontstaat het eigenlijke werk, jij dient al die informatiestromen terug te koppelen en in een dynamisch evenwicht te houden: dat is nu dynamische beeldvorming door middel van een systeem dynamisch model (voertuig) in een systeem dynamisch veld / omgeving. Je kunt pas in een diagram of dynagram je leren bewegen als je vertrouwd wordt met de werking van het diagram en of dynagram als voertuig. Dat voertuig staat als model niet alleen buiten je zelf ter beschikking, maar al doende leer je ontdekken dat het voertuig ook in je zelf zit en ook zo werkt zoals je zelf in elkaar zit. Met andere woorden het diagram en of dynagram als voertuig is in principe een verwijding van jezelf. Maar dat geldt niet alleen voor diagram en of dynagram, dat geldt in principe voor elk menselijk voertuig. 

 

Handelend denken en denkend handelen. 

In de  training systeem dynamisch leren denken en werken, worden  leerlingen/trainees getraind in het leren denken van de systematiek tussen beeld en begrip, dit aan de hand van het grondpatroon als methodisch instrument. Het grondpatroon is als model  een eenvoudige statische structuur met de mogelijkheid tot dynamische ordening. Gegeven de statische structuur kunnen de leerlingen oefenen in het exact positioneren van begrippen om zo bijvoorbeeld diagram na diagram analoog te leren denken. Begrippen worden verstaanbaar in een patroon, dit patroon nu wordt zichtbaar gemaakt in een veld van betrekkingen: het grondpatroon. Dit grondpatroon is te verstaan als een archetypische structuur. Door de mogelijkheid om de positionering in een structuur exact te maken, ontstaat voor het eerst de mogelijkheid om de analoge verbanden dynamisch te leren denken, zowel in bijvoorbeeld het diagram als een beweeglijk veld van mogelijke betrekkingen als tussen de diagrammen onderling. Immers elke punt op het diagram vormt op zich weer een diagram: het pars pro toto effect. Met de mogelijkheid om de analoge verbanden te leren denken, ontstaat het vermogen om het veld ook energetisch te leren hanteren in een organisatorisch en of therapeutisch verband. Immers dat wat een mens beweegt, verwoord, doorvoelt, bedenkt, etc. is energetisch gezien niet zonder samenhang. Deze samenhang echter is nog onbewust, zodoende kan men woorden, gevoelens, etc. blind in het dictogram laten plaatsen. Aan de hand van zijn verhaal kan de  trainer/docent  (manager/therapeut)  middels het stellen van vragen de verbanden ontdekken, die hem samen met de trainee, student, leerling (medewerker/patiënt) op het spoor brengen van zijn probleem. Dit leren lezen van het dictogram is niet mogelijk zonder de analoge verbanden in andere diagrammen en of dynagrammen. In de mate de trainee  (manager/therapeut)  ze tot zijn/haar beschikking krijgt/heeft en ze ook beeldend en begrippelijk beweeglijk heeft doordacht, in die mate kan hij die verbanden ook lezen interpreteren en duiden. Op deze wijze leert de leerling/student/trainee zijn handelen voor later rationeel te doordenken vanuit de eigen doorleefde, doorvoelde en doordachte realiteit: zijn eigen ontwikkelingsproces als mens. 

Rationeel denken is o.a. het leren denken in verhoudingen, betrekkingen, relaties. Met dit rationele vermogen kan zowel het analytisch begrippelijk als het synthetisch beeldelijk vermogen zich tot elkaar gaan verhouden in het denken. Daarmee kan het denken terug naar de wortel van al wat te doordenken valt en wel op een rationele wijze: zowel verstandelijk begrippelijk als redelijk beeldelijk. Begripsdenken en beelddenken in een nieuw functioneel verband om zowel inhoud als proces, kwantiteit en kwaliteit te kunnen doordenken. Het is dit rationele vermogen wat in de training geactiveerd moet worden. Om dat proces rationeel inzichtelijk te laten verlopen, dienen we dit proces ook beeldmatig te structureren. Welnu de kwaliteit van het beeld is gerelateerd aan de kwantiteit van het begrip en vice versa. Het beeld is voor zijn ontstaan gerelateerd aan de stof, het begrip is voor zijn ontstaan gerelateerd aan de geest. Met het vermogen om zich een beeld te vormen uit de stof is de mens in staat het geestelijke te doordenken. Met het vermogen om zich een begrip te vormen uit de geest is de mens in staat het stoffelijke te doordenken. Deze wisselwerking tussen begrip en beeld, stof en geest wordt in het denken over het denken geëxpliciteerd als een grondstructuur van de werkelijkheid tout court. 

Deze grondstructuur is vierledig georiënteerd op de werkelijkheid als ruimte (positie/inhoud) en als tijd (betrekking/proces). De werkelijkheid ontvouwt zich fundamenteel in een tweeledige betrekking van ruimte en tijd. Deze tweeledigheid is principieel gespiegeld in een andere tweeledigheid: twee maal twee. Daarmee ontstaat de vierledigheid van wording  zowel in ruimte als in tijd. Deze vierledigheid van ruimte spiegelt zich opnieuw in de vierledigheid van tijd. Het geheel ontvouwt zich dan in een achtledigveld van betrekkingen, zowel naar inhoud als naar proces.

In de ruimte vinden we antropomorf gezien een vierledigheid tussen boven en onder enerzijds en tussen rechts en links anderzijds; tussen dit tweeledig beginsel van verticaal en horizontaal vinden we een dynamisch midden. Gegeven deze simpele grondstructuur van denken en werkelijkheid kan het denken als proces gevisualiseerd worden in een vierledig veld van posities/processen (het dynamische kruis); gezien de fundamentele tweeledigheid van dit aards/stoffelijke bestaan ontstaat nog een vierledig veld van betrekkingen/inhouden (het statische kruis). Kortom een achtledig veld van posities en betrekkingen en van processen en inhouden: begrippen en beelden in een conceptueel verband. 

Het fundamentele probleem in de filosofie: hoe verhoudt zich het denken tot de werkelijkheid, kan niet doordacht worden zonder de analogie tussen denken en werkelijkheid te betrekken. Deze analogie plaatst de causale relatie tussen denken en werkelijkheid in een nieuw verband. De causale relatie dient niet slechts exclusief  maar ook inclusief  analoog verstaan te worden. Zodoende kan de twistvraag of aan het denken of aan de werkelijkheid het primaat verleend moet worden, overstegen worden. Beiden hebben recht van bestaan: aangezien het denken niet de werkelijkheid kan bedenken als in die werkelijkheid niet ook het denken aangetroffen kan worden. Deze impliciete wederkerigheid moet geëxpliciteerd worden. Deze explicatie vraagt om het overstijgen van het filosofisch dualisme: niet het dualisme maar de dualiteit van het bestaan is grondslag van denken en werkelijkheid. Deze dualiteit spiegelt en vermeerdert zich tweevoudig, zowel in het denkproces tussen begrip en beeld als in de werkelijkheid tussen stof en geest. Daarmee ontstaat het denkproces als een vierledig veld van proces en inhoud, positie en betrekking, au fond gestoeld op verschil en overeenkomst. Om aan de discussie te ontkomen of de werkelijkheid principieel vier en of meerledig verstaan dient te worden, is het voldoende om het kennen en kunnen voorlopig in het midden te brengen tot kennis: en kennis ontvouwt zich in een vierledige structuur en een vierledige ordening. Vandaar dat het proces van leren denken in beelden en begrippen voorlopig opgevat kan worden als een vorm van management: handelend denken/ denkend handelen. Kortom kennismanagement. Wil dit management hygiënisch gehanteerd kunnen worden moet het midden gevonden worden tussen organisme en organisatie, tussen geest (leven) en stof. Het denken is actueel daartoe in staat middels een tweeledig rationeel vermogen van beeld en begrip. Echter tot nu toe zijn slechts drie begrippen ingebracht, wil het veld vierledig helder worden, dient het begrip doen/willen toegevoegd te worden. Denken is een doen en doen is niet mogelijk zonder denken (theorie en praxis zijn fundamenteel verweven). En om het denken/kennen en het willen/kunnen te bemiddelen dient het denken zowel analytisch als synthetisch te kunnen handelen. Het handelen is dan ook niet statisch, maar dynamisch: handelen doet verwandelen. Een veranderen te verstaan als omvorming (transformatie ) via het beeldelijk denken en als invorming (transmutatie) via het begrippelijk denken. 

Nu is het mogelijk om de student zonder theoretische noties vooraf toch te leren denken en wel via het midden: het leren structureren en ordenen van zijn kennis, zijn vragen, zijn leerproces, etc. Daarmee wordt de student in het leren denken op het denken zelve gericht, eerst onbewust en later steeds meer bewust. Het denken als proces heeft namelijk tussen kennen en kunnen zijn weerslag gevonden in de kennis. Deze kennis is meer dan voorhanden en vormt dan ook het terrein van zelf-reflectie. Deze zelf-reflectie blijft aanvankelijk binnen het domein van de kennis zelf, vandaar het woord kennismanagement. Een rationeel helder te verantwoorden handelend denken. Dit handelende denken is van meet af aan georiënteerd en via de mogelijke oriëntaties leert het handelende denken kennen en kunnen te verstaan als een statisch en dynamisch geheel van inhouden en processen, posities en betrekkingen (begrippen en beelden).  Met andere woorden het denken is van meet af aan handelend en is in zijn handelen vindplaats van structuur en ordening, aangezien het denken in het handelen zichtbaar is geworden. Dit handelend denken voorkomt een abstract filosoferen over. Handelend denken is een concreet denken dat zijn eigen denken middels het handelend denken tot ontwikkeling kan brengen. Handelend denken leidt in de praktijk ook tot een denkend handelen, aangezien deze processen zich weerspiegelen in het vermogen tot beelden en in het vermogen tot begrijpen. Denkend handelen is niet mogelijk zonder beeldvorming en handelend denken is niet mogelijk zonder begripsvorming. Echter aan het denkend handelen gaat in het denkproces het begrip vooraf als resultaat van de begripsvorming en aan het handelend denken gaat in het denkproces het beeld vooraf als resultaat van de beeldvorming. 

Handelend denken is van meet af aan niet mogelijk zonder het positioneren van begrippen in een structuur en het vermogen ze ordelijk te relateren. Aangezien het een handelend denken is neemt de mens in dit handelende denken zichzelf als uitgangspunt. Immers hij/zij treft zichzelf reeds aan in dit handelende denken. Het denken is hoe dan ook van meet af aan een handelen. Zo is het denkend handelen in het doen van meet af aan een denken, zonder hetwelk het doen niet mogelijk wordt. Handelend denken is van meet af aan doen, dit doen gaat dan ook vooraf aan het denken. Het denken kan zichzelf in het doen pas aantreffen: gewaarworden, waarnemen als een tweeledig proces van binnen naar buiten en van buiten naar binnen. In het gewaarworden participeert de handelende denker en in het waarnemen opponeert het denkende handelen. Deze wisselende steeds implicerende wederkerigheid vindt zijn grondslag in het handelende denken en het denkende handelen. Ze zijn in die zin inclusief en niet exclusief, elkaar uitsluitend. Het exclusieve wordt pas zichtbaar in en vanuit het inclusieve. Het inclusieve is nog niet ontvouwd, dient nog ontwikkeld te worden. En deze ontwikkeling kan niet anders verstaan worden als het zoeken en tegelijk vinden van een vertrekpunt: handelend denken is van meet af aan een op weg zijn: gaande de weg ontvouwt zich het handelende denken tussen vertrekpunt en periferie, waar het vertrekpunt nog ondoordacht statisch is, daar wordt de periferie zowel ruimtelijk als tijdelijk zichtbaar in de cirkel. Tijdelijk omdat hoe dan ook een weg gegaan moet worden en deze weg is cyclisch van aard, zij het dat ze deze wederkeer kan overstijgen in de werking van de spiraal: het denken kan handelend aan hoogte winnen en het handelen kan denkend aan diepte winnen. Heeft het handelend denken zichzelf weerspiegelt in het denkend handelen dan is de cirkelgang voltrokken en heeft ze in die mate ook zicht op het in beeld gebrachte denkveld: ruimtelijk weergegeven begrippen in verband. Dit verband moet enerzijds doorlopen worden en anderzijds moet het in een oogopslag zichtbaar en te overzien gemaakt worden. Zichtbaarheid ontstaat door het handelende denken en overzien ontstaat in het denkende handelen. 

Primair aan het handelend denken is dat ze in de tijd verloopt en primair aan het denkend handelen is dat ze in de ruimte loopt. Door echter handelend in de tijd te denken, ontstaat in en door het handelend denken ruimte. Omgekeerd door denkend in de ruimte te handelen ontstaat in en door het denkend handelen tijd. Tijd en ruimte vormen zo elkaars keerzijde, ze vormen in deze het eerste verschil voorzover ze elkaars tegendeel vormen. Dit tegendeel dienen we op het oostpunt te plaatsen, aangezien het tegendeel slechts hoorbaar  (via het begrip) kan worden in de sprong van het transmutatieproces. Tijd en ruimte echter vormen ook elkaars tegenstelling, het zijn de twee uitersten die elkaar principieel uitsluiten. Daar waar de ruimte verschijnt is de tijd geheel en al verlost, daar waar de tijd weer verschijnt is de ruimte geheel en al ingelost. De tegenstelling dienen we dan ook op het westpunt te plaatsen aangezien de tegenstelling slechts zichtbaar (via het beeld) kan worden in het transformatieproces. Vandaar dat in de tegenstelling tussen begrip en beeld de tijd dient te medieren, maar in het tegendeel tussen beeld en begrip dient de ruimte te medieren. Omgekeerd medieert de tijd in het ruimtelijk geworden beeld om haar zowel in te sluiten als te kunnen ontsluiten. Anderzijds medieert de ruimte in het tijdelijk stilgelegde begrip om haar zowel af te grenzen (uitsluiten) als te kunnen omgrenzen c.q. te verbinden met andere begrippen (insluiten). Daar waar het begrip in wezen tegenstellingen kan scheppen, benut ze tijd en ruimte als haar tegendelen, daar waar het beeld in wezen tegendelen kan herscheppen benut ze ruimte en tijd als haar tegenstellingen.  De medierende factor in het denkproces is ruimte en tijd. In de tijd verloopt het synthetische proces wat in een participerende leerroute (handelend denken) vorm kan krijgen. In de ruimte springen de analytische inhouden wat in een opponerende leerroute (denkend handelen) kracht van inhoud kan krijgen.  In een opponerende begrippelijke leerroute is de tijd (denkend handelen) de onzichtbare drager (stuwer) van dit analytische denkproces. In een participerende beeldelijke leerroute is de ruimte (handelend denken) de onzichtbare drager  (zuiger) van dit synthetische denkproces. 

De ruimte zuigt aan en de tijd stuwt, de ruimte weerspiegelt de middelpuntzoekende beweging en de tijd weerspiegelt de middelpunt vliedende beweging. Deze middelpuntvliedende beweging schept zo ruimte in haar positief en de middelpunt zoekende beweging schept tijd in haar negatief.  Beiden vormen als positief en als negatief elkaars tegendeel, in de tegenstelling vormen ze in al hun positiviteit elkaars negatie.  Vandaar dat we deze negatie in het diagram moeten terugbrengen tot de punt. De punt vormt zowel het moment van verschijnen als het moment van verdwijnen. Ze is zowel ingangspunt als uitgangspunt. In en uitgang tezamen worden in het beeld gesynthetiseerd als punt, van elkaar gescheiden als ingang of uitgang worden beiden als punt geanalyseerd in het begrip. Aangezien de punt in haar beweging meerdimensionaal is qua tijd is ze in haar verschijnen in de ruimte een-dimensionaal.  En zo verschijnen punt en cirkel in het diagram als tijd/ruimtelijke verhoudingen. De punt kan zich tot de cirkel verhouden als ruimte uit de tijd, omgekeerd kan de punt zich tot de cirkel verhouden als ruimte in de tijd. Deze onderlinge wederkerigheid van ruimte en tijd, van tegendeel en tegenstelling, te scheiden en te verbinden, van begrip en beeld vinden hun uiteindelijke verschil en hun uiteindelijke overeenkomst in de negatie. Het is de negatie, het is het niets wat uiteindelijk de grond vormt van alle positivatie, het uiteindelijke iets. Maar het iets vormt op haar beurt de grond om tot het niets te kunnen keren. Zijn en worden. Positiviteit en negativiteit, ruimte en tijd zijn dientengevolge de enig tijd/ruimtelijke en ruimte/tijdelijke factoren die elkaar vanuit de punt zodanig constitueren als verschijnen en verdwijnen, als zijn en worden, dat ze met elkaar de assen gaan vormen voor het coördinatenstelsel van het handelend denken en het denkend handelen. Waar de zijnsas verbeeld wordt in de verticaal daar wordt de tijdsas verbeeld in de horizontaal. Verticaal en horizontaal vormen elkaars negatie samenkomend in de punt. Daar waar de negatie verkeert tussen tegendeel en tegenstelling zien we resp. de tijd afwisselend verschijnen en verdwijnen in haar beeld-functie. Daar waar de negatie verkeert tussen polariteit en relativiteit zien we de ruimte afwisselend verdwijnen en verschijnen. Daar waar de positiviteit verkeert tussen tegendeel en tegenstelling zien we resp. de ruimte afwisselend verdwijnen en verschijnen en daar waar de positiviteit verkeert tussen polariteit en relativiteit zien we resp. de tijd afwisselend verschijnen en verdwijnen.

Vandaar dat we de polariteit in relatie kunnen brengen als de regel van het verschil in relatie tot de analogie als de regel van de overeenkomst en beiden kunnen karakteriseren in hun gelijk-tijdigheid.  Zo brengen we de relativiteit als de regel van het verschil in relatie tot de conveniëntia als de regel van de overeenkomst en beiden zijn dan te karakteriseren in hun gelijk-ruimtelijkheid. Daarentegen zijn tegendeel als regel van het verschil in relatie tot de regel van de overeenkomst gekoppeld aan de antipathie en sympathiebeweging, de bron die uiteengaat om zichzelve te ontmoeten: de geest, het licht, de vraag, de ander. Beiden zijn tijd-ruimtelijk van karakter (tijd/sympathie en ruimte/antipathie). Zo zijn tegenstelling als regel van het verschil in relatie tot de aemulatio als de regel van de overeenkomst eveneens te karakteriseren als ruimte-tijdelijk als elkaar eeuwig omspelend bespiegelend en betwistend, alsmaar zoekend naar een eenheid in de veelheid,  een onmogelijk resultaat. 

In het beeld is de tijd als sympathie-beweging ruimtelijk/dynamisch geworden, daarentegen is de ruimte als antipathie-beweging in het beeld tijdelijk/statisch geworden: vandaar de positie van tijd en ruimte, beeld en begrip te karakteriseren als tegenstelling zowel naar haar verschil als naar haar overeenkomst: eeuwig spiegelend en twistend. In de tegenstelling komen tijd en ruimte elkaar onoplosbaar tegen. In het begrip daarentegen gaan ze uiteen als sympathie en antipathie-beweging . In het begrip is de tijd als sympathie-beweging statisch/ruimtelijk geworden, te relateren aan een zichtbaar en pakbaar geestelijk/logisch feit en stoffelijk/logisch feit.  En is de ruimte als antipathie-beweging in het begrip tijdelijk/dynamisch geworden. Vandaar de positie van ruimte en tijd, begrip en beeld te karakteriseren als tegendeel zowel naar haar verschil als naar haar overeenkomst: Uit een en hetzelfde voortkomend, elkaars tegendeel vormend, alsmaar zoekend naar een veelheid in de eenheid. Het dynamische beeld kan onmogelijk de beweging tot rust brengen in de tijd, ze is tijdelijk-ruimte geworden en noodzakelijk statisch in haar verschijnen/verschijnen maar niet in haar werking naar de geest. Het beeld is in haar werking statisch naar de stof  en dynamiserend naar de geest. Het statische begrip kan onmogelijk de beweging tot stilstand brengen in de ruimte, ze is ruimtelijk-tijd geworden en noodzakelijk dynamisch in haar verdwijnen/verschijnen, in haar werking is het begrip dynamiserend naar de stof en statisch naar de geest, ze legt vast wat niet vast te leggen is als begrip. 

 

Het primaat van de praxis. 

Het diagram is al doende vanuit de denkbeweging ontstaan. Al denkend moesten er twee tegengestelde manoeuvres, letterlijk handelingen, uitgevoerd worden. Elke handeling bestaat deels uit handgrepen (we spreken dan ook vaak van een hendel of handvat) en deels uit daaraan gerelateerde bewegingen om die handgrepen in een verband te plaatsen. Denken is een heel accurate vorm van handelen. In dat handelen wordt men gewaar dat de mens iets door zijn handen laat gaan. Dat betekent heel concreet iets ter hand nemen om het vervolgens ook weer uit handen te geven. Deze tweeledige dynamiek in het handelen zien we duidelijk terugkomen wanneer we het denken als een vorm van specifiek handelen opvatten om kennelijk iets manifest te maken. In het woord manifest zit manibus en dat betekent hand in het latijn. 

Al denkend moet de mens enerzijds iets pakken, iets grijpen, om het onder handen te kunnen nemen. Het denken richt zich in deze op een wat, op een object. Sterker nog wil hij iets in handen krijgen zal hij het bewuste object uit de stroom van het gebeuren moeten lichten, het object stil leggen, het onderwerp to the point brengen. Heel deze tendens tot grijpen zit in het woord begrijpen en begrijpen wijst reeds op de noodzaak middels woorden bepaalde feiten te benoemen. Heel dit proces vraagt om een analytisch vermogen waarin het denken begrippelijk wordt: elk begrip wordt zo mogelijk exact afgegrensd van andere begrippen. Daarmee ontstaat helderheid. Hoe puntiger het denken wordt, hoe meer het denken zoekt naar de bouwstenen waarmee het kan denken. Deze tendens kunnen we karakteriseren als het zoeken naar handvatten. En met het zoeken naar handvatten wordt het proces stilgelegd. Sterker nog het grijpen van een handvat is een moment van rust in een uitgevoerde reeks van handelingen om iets in beweging te krijgen. Karakteristiek is dat de beweging hier veroorzaakt wordt door middel van te isoleren handvatten; in de beweging van het denken de vastgelegde begrippen. Gaan de begrippen in betekenis schuiven, wordt het denken in haar beweging oncontroleerbaar. De controle van de denk-beweging geschiedt via het stilleggen van de denk-beweging. 

Anderzijds wordt ook duidelijk als we naar de handeling terugkeren dat het ter hand nemen alleen (van wat dan ook), uiteindelijk niet tot een handeling kan leiden. Immers we zien in een handeling een reeks van handgrepen of handvatten die achtereenvolgens vorm geven aan een handeling. Het voltrekken van de handeling is zelfs gebaat bij een soepel hanteren en een soepel verloop van de gepleegde handgrepen. Het vergt vaak veel oefening om de handgrepen accuraat in een handelingsproces te plaatsen. Uiteindelijk bestaat het resultaat uit een mix van handgrepen en de vloeiende beweging tussen die handgrepen. Deze vloeiende beweging wordt doorgaans uit het oog verloren, maar hier zien we een ander aspect van het handelen: niet zozeer het analytische exacte grijpen als wel het synthetische vloeiende bewegen. Kijken we explicieter naar deze beweging dan zien we dat in en vanuit het bewegen de handgrepen pas hun juiste positie toegewezen krijgen. De aard van de beweging bepaalt welke handgrepen nu wel en welke handgrepen nu niet aan de orde zijn. Heel dit bewegen verloopt vaak door oefening zo soepel dat we ons niet meer bewust zijn van haar synthetische activiteit. Zo ook in het denken. Het denken analyseert enerzijds om te begrijpen, maar het denken is tegelijkertijd ook in staat om al doende te synthetiseren, te verbinden. Dit verbinden echter ontstaat uit de kracht van de beweging en niet uit de kracht van het stilleggen van de beweging. 

Als in de synthetische act van het denken aan het bewegen het primaat verleend moet worden, kan ook de vraag gesteld worden hoe dat bewegen er nu feitelijk uit kan zien. Met andere woorden is de aard van de beweging zichtbaar te maken los van de inhouden. Schijnbaar is dat mogelijk omdat we voor het denken twee woorden hebben die dit proces zichtbaar maken. Enerzijds analytisch gezien het woord begrijpen, middels begrip grip krijgen op de werkelijkheid. Anderzijds synthetisch gezien het woord verstaan, ver-staan wil zoveel zeggen als je innerlijk er toe kunnen verhouden. Het verstaan vraagt daarom ook om een ander centrum: het eigenstandig staan van degene die aan het bewegen is. Daarmee wordt ook duidelijk dat in het verstaan, in het bewegen, het centrum verschoven wordt naar degene die aan het bewegen, aan het verbinden is. We noemen dat dan ook een subject-betrokken beweging. Nu wordt ook duidelijk dat in het begrijpen en stilleggen niet het subject maar het object het centrum vormt: we duiden dat aan als een object betrokken beweging. De beweging die enerzijds stilgelegd moet worden  en anderzijds vanuit de stilgelegde posities weer in beweging gebracht kan worden. 

We zien nu ook heel helder dat het handelen en in het bijzonder het denken niet begrepen en verstaan kunnen worden zonder het expliciteren van de aard van de beweging. Nu deze beweging heeft de mens vanouds her hier op aarde verstaan als een meerledige dynamiek. Het waarom van deze meerledigheid (met name  waar en wanneer er sprake is van een 2,3,4, etc. ledigheid) moeten we even parkeren. We moeten simpelweg ons gaan bewegen en in die beweging ontwaren we een specifieke gelaagdheid van intensivering of extensivering. Vooreerst kunnen we constateren en de lezer zal dit al of niet ook ervaren, dat er twee mogelijkheden bestaan. Of je gaat je mee bewegen of je gaat er tegen in en zet een tegenbeweging in. Al meebewegend versterk je de sympathische stroom al tegen bewegend versterk je de antipathische stroom. We herkennen misschien nu deze twee tegengestelde stromen in het beweeglijke denkproces: antipathisch willen we het denkproces stilleggen tot in haar kleinste delen, sympathisch willen we het denkproces doen stromen zodat het uiteindelijk alles met alles kan verbinden. 

We moeten deze twee tegengestelde stromen in de beweging als een grondgegeven van het denken, van het handelen, van het bestaan, ja van de kosmos zien. Het zien is radicaal afhankelijk van deze tegengestelde stromen: het licht is in dit opzicht een merkwaardig fenomeen; het maakt deze twee tendensen zichtbaar. Licht is enerzijds te begrijpen als een geheel van afzonderlijke deeltjes, maar het licht is ook te verstaan als een geheel van samenhangende bewegingen, die zichtbaar wordt in een golfbeweging. De aard van de golfbeweging wordt weer zichtbaar in de heen en weer gaande dynamiek. Zo het denken licht tracht te brengen in het duister van een nog te denken werkelijkheid zien we dat het denken heel specifiek zich als zodanig ook gaat gedragen. Deze analogie tussen licht en denken moeten we niet te lichtzinnig afwijzen. Laten we daarom eerst terugkeren naar de aard van de beweging die zich ontvouwt als een tweeledige dynamiek van heen en weer, een sympathische en een antipathische stroom. Kijken we naar deze dynamiek dan dienen we opnieuw de vraag te stellen hoe deze dynamiek van oudsher werd verstaan en of we hem nu nog kunnen terugvinden in ons handelen. 

Van belang is om de uitleg van deze beweging niet als een soort theorie uit te bouwen. Dat betekent dat we gewoon moeten gaan kijken hoe bepaalde processen met betrekking tot de aard van hun beweging eruit zien.

Enerzijds kennen we de oude filosofische praktijk van de oude Grieken waarin zij nog vertrouwd waren met de aard van deze beweging en anderzijds kennen wij bijvoorbeeld het heel praktische onderzoek naar leer- en organisatieprocessen. Wat betreft het laatste kunnen we bijvoorbeeld voor de leerprocessen  o.a. verwijzen naar de vier leerstijlen van Kolb en voor de managementprocessen o.a. naar de vier organisatiestijlen van Quinn. Ik ga ze hier niet uitvoerig beschrijven, dat is meer dan overvloedig in literatuur voorhanden. Ze zijn weergegeven in de betreffende diagrammen, zie bibliotheek. Daarbij teken ik wel aan dat zowel Kolb als Quinn ze fundamenteel anders in het diagram geplaatst hebben dan ik ze in ons bestand laat zien. Het waarom is heel simpel. Ik heb exact dezelfde gegevens geplaatst binnen de dynamiek van een vierledige beweging, zoals dat van eeuwen her werd gebezigd in talloze vormen. In de archeologie van het weten is dat door zowel Empedocles, Aristoteles, Kant, Hegel als Foucault en mogelijk vele anderen  beschreven. In het vervolg komen we daarop nog terug. We laten dat hier even rusten. 

Onder vele verschillende namen: mind-map, brain-map, matrix, quaternitair denkraam en in vele toepassingen treft men door de geschiedenis van het denken een veelal cirkelvormig,  kruis- en diagonaal-vormig, soms vierkantig ordeningsmodel aan dat ik integreer onder het begrip diagram. Letterlijk een grafische weergave van een doorzichtelijk  (dia) denkraam. Het denkraam heeft in deze beeldkarakter en als zodanig is het mogelijk vele denkramen in hun analoge relatie achter elkaar te projecteren op basis van een grondmodel of oerpatroon, nu samengebracht in het woord grondpatroon. 

Met name in de organisatieontwikkeling wordt het diagram steeds meer als een middel gehanteerd om ingewikkelde verbanden zichtbaar te maken. Dit middel is echter niet toevallig ontstaan.  In mijn onderzoek naar al deze diagrammen blijkt onomstotelijk dat slechts die diagrammen consistent zijn die voortkomen  uit een levende praxis. Praktijk is niet mogelijk zonder een gestroomlijnd handelen, zonder het zich rekenschap geven van de aard van het proces als beweging. Tot nu toe echter worden die diagrammen gehanteerd als een model met het karakter van een willekeurig schema. Het ingewikkelde proces wordt uiteengelegd in een aantal relevante variabelen. Mijn onderzoek richt zich precies op het intrigerende fenomeen op grond waarvan al die diagrammen uiteindelijk te herprojecteren zijn in een vaste niet willekeurige structuur. Men moet dan niet zozeer alleen letten op de inhouden als wel op het proces, op de aard van de beweging. 

In tegenstelling tot de vele praktische toepassingsmogelijkheden heeft de rationele onderbouwing van dit diagram nog niet plaats gevonden. Een rationele onderbouwing die uiteindelijk haar fundamenten en rechtvaardiging ontleent aan een kennistheorie. Het diagram is tot nu  toe slechts een middel, wil ze kunnen uitgroeien tot een beeld didactisch instrument dan vraagt dat om een methodische, logische en systematische onderbouwing. Deze rationele onderbouwing synthetiseert het denken in begrippen (posities in het diagram) en het denken in beelden (de relevante betrekkingen tussen de posities in het diagram). De visualisering van dit en analytische en synthetische denkproces kan pas gestalte krijgen in het diagram als denkinstrument. Daarmee situeren we het diagram als een denkinstrument binnen het terrein van kennismanagement. (zie voor verdere uitwerking elders) 

Een heldere uiteenzetting van de grondslagen en karakteristieken van dit beeldmodel kan de toepassing ervan optimaliseren. Bovendien kan een stapsgewijze leergang inzicht bieden in de fundamenteel vernieuwende mogelijkheden die dit diagram aan het praktisch wetenschappelijk onderzoek kan geven. 

 

De handeling als integrerende factor in het denken. 

Het denken hebben we reeds getypeerd als een bijzondere handeling. Veelal wordt het denken als handeling losgekoppeld van het handelen sec. Deze loskoppeling echter berust op een misverstand. Dit misverstand is voortgekomen uit een eenzijdige reductie van het denkproces tot zijn analytische en begrippelijke functie. Deze reductie heeft het denken tegenover het handelen doen plaatsnemen in de trant van een voor- dan wel een  na-denken. Dit begrippelijke denken kan ook niet anders te werk gaan dan door afstand te nemen, ruimte te scheppen en een tegenbeweging uit te voeren. Het handelen karakteriseert zich in haar beweging nu juist door een meebewegen op basis van kleine tegenbewegingen. 

Willen we het handelen nu als een integrerende factor verstaan dan dienen we haar positie tot het denken opnieuw te bepalen. Handelen wordt vaak nader gekarakteriseerd als een vaardigheid. Vaardigheid wijst op het vaardig zijn, dat wil zeggen letterlijk in het doen op de stroom van het meebewegen voort te varen. Varen wijst op een onderliggend medium op grond waarvan men kan varen. Varen kan men dus slechts met behulp van iets anders. Minstens maakt men daarbij gebruik van een voer- of vaartuig en een dragend bewegelijk medium. Dit dragende medium is van dien aard dat het enerzijds draagt, niet vast houdt, maar juist de beweeglijkheid dienend. Een passende metafoor in dit verband is water. Water draagt al deze karakteristieken in zich. 

Vaardigheid wijst dus op een deelaspect van het handelen, voorzover de stroom van de beweging niet stilvalt of onderbroken dient te worden. Maar het kunnen varen alleen is echter niet voldoende. Men moet ook weten waarheen men wil varen, wat het doel is van dit varen? Met andere woorden het kunnen heeft ook een andere complementaire component en wel de act van het kennen. Zo zien we uiteindelijk dat in het handelen zowel het kunnen als het kennen integraal verenigd worden. Pas door die koppeling wordt het handelen als zodanig mogelijk. Daarmee is het handelen te positioneren tussen kennen en kunnen. 

Kennen berust op het geestelijk lichamelijke vermogen om te denken. Kunnen berust op het lichamelijk geestelijke vermogen om te doen. Precies deze polariteit wordt in het handelen bemiddeld. Het handelen vormt door deze middelijkheid dan ook een beweeglijk midden. Dit beweeglijke midden komt tot uiting  in het koers kunnen houden tijdens het varen, tijdens het handelen. Dit handelen is nu te karakteriseren als een midden van een polaire betrekking tussen kennen en kunnen ( het een is niet zonder het ander), echter het handelen is ook te situeren in het loze midden tussen iets in handen nemen en iets uit handen geven. Pakken en loslaten, ontvangen en geven laten met betrekking tot het handelen feitelijk een duale betrekking zien die principieel tweeledig van aard is. Deze tweeledigheid van twee geïsoleerde posities wordt nu juist door het handelen bemiddeld, met elkaar in betrekking gebracht en wel zo dat er in het handelen letterlijk en figuurlijk iets door je handen heengaat. 

Dit door je handen heen laten gaan laat zich karakteriseren als een beweeglijke stroom van inhouden. Inhoud en proces zijn dan de karakteristieken van het kennen en kunnen. Uit de beweeglijke stroom tussen kennen en kunnen, zichtbaar in het handelen, ontstaat de mogelijkheid van het ter beschikking krijgen van kennis. Kennis wijst nu anders dan het handelen evenzeer op een polaire middenpositie tussen kennen en kunnen. Immers kennis verwijst naar zijn inhoudskarakter precies naar de resultante die zowel vanuit het kennen als het kunnen voort kan komen; echter met kennis alleen kan men niet leren kennen en evenzeer kan men met kennis alleen niet leren kunnen. Met andere woorden in de kennis worden precies die ken inhouden vastgelegd die uit de stroom van het handelen tussen kennen en kunnen is voortgekomen. Kennis krijgt daardoor een statisch karakter en wel zodanig dat we vaak spreken van kennis die opstapelbaar is. Het opstapelbare verwijst naar afgrensbare ken-eenheden. 

In het bij brengen van kennis gooien we didactisch gezien de boel ook niet op een hoop en zeggen zie maar wat je er mee kunt. Integendeel we verstaan onder didactiek juist de kunde om op een methodische, systematische en logische wijze al die ken eenheden in het leerproces te plaatsen en wel zodanig dat het leerproces niet stilvalt maar zich gestadig ontwikkelt. Het leerproces als zodanig wijst dan op het proces, op de stroom, op de beweging. En het oude woord leren verwijst dan ook op het je kunnen voortbewegen op een leer of ladder: men sprak dan ook van een leerrad in plaats van een leerproces. Leren werd dan ook gezien als een voortgaande cyclische beweging van voortgaan en teruggaan, oppakken en loslaten, onthouden en vergeten. Slechts de herhaling bood kans om die voortgaande beweging ook te laten voortgaan. Ja het werd zelfs gezien als een kunst om kennis op het juiste moment in te zetten of toe te passen. Deze kunst kon men niet in het luchtledige beoefenen, het verondersteld het kunnen toepassen, inzetten van kennis. 

Kennis op zich is zeer belangrijk maar niet voldoende, kennis moest omgevormd worden tot een kunst. In het woord kunst zien we het woord kunde en kunnen, er kan iets zichtbaar worden met en door die kennis, maar alleen door die kennis ook op het juiste moment in te zetten. In die zin krijgt kennis in de handeling het karakter van een handvat. Een handvat met een bepaalbare inhoud. In het woord kennis zien we het woord kende en kennen; met het gekende kan een proces in beweging gezet worden waarin het kunnen zichtbaar gestalte krijgt. Tussen het geestelijk lichamelijke vermogen om te kennen enerzijds en het lichamelijk geestelijke vermogen om te kunnen anderzijds zien we dat de voortgaande dynamiek tussen die polaire vermogens in feite voortgang kan behouden door de duale betrekking tussen kennis (oost) en kunst (west), respectievelijk tussen begrip en beeld, analyse en synthese, object betrokken kennen en subject betrokken kunnen. We zien dan ook hoe enerzijds in het object betrokken kennen het subject stilzwijgend voorondersteld wordt en anderzijds in het subject betrokken kunnen het object stilzwijgend gesteld  wordt. 

Met deze kleine uitwijding wordt hopelijk zichtbaar dat het handelen precies te karakteriseren valt als een midden tussen kennen kunnen enerzijds (gepositioneerd op de vertikaal) en kennis en kunst anderzijds (gepositioneerd op de horizontaal). Het kennen is wel een vorm van kunnen en andersom het kunnen een vorm van kennen. Maar dat zegt niet genoeg. Het kennen wordt een kunnen door middel van de vrijgekomen kennis. Deze kennis moet letterlijk geobjectiveerd worden, buiten het subject geplaatst. Anderzijds wordt het kunnen pas een kennen door middel van  kunst. Deze kunst echter is niet zoals kennis vrij verkrijgbaar, integendeel ze kan slechts verworven worden door een innerlijk proces dat het subject wil aangaan. Kunst laat dan ook het tegendeel van kennis zien, waar kennis ongebonden voorhanden is, daar kan kunst slechts gebonden uit handen komen. Kunst draagt als subject betrokken handeling dan ook een zeer persoonlijk karakter en valt of staat met zijn beoefenaar. Kennis is anders overdraagbaar dan kunst. Kennis vraagt om een begrijpen, een opponeren, een tegen bewegen. Kunst vraagt om een verstaan, een participeren, een mee bewegen.

We kennen deze problematiek heel goed als de tegenstelling tussen theorie en praktijk. Er is hier dan ook sprake van een tegenstelling omdat de theorie de tot het uiterst volgehouden tegenbeweging representeert en de praktijk de tot het uiterst ingehouden meebeweging presenteert. Representatie is los verkrijgbaar en her uitvoerbaar. Daarentegen is presentatie slechts actueel in het hier en nu aanschouwelijk te maken. Er is sprake van een het kunnen laten zien van wat je kan. Het handelen is dus het vermogen waarin iets zichtbaar wordt van de beweeglijkheid van het kennen en kunnen, kennis en kunst. Maar anderzijds maakt het handelen ook iets zichtbaar. Het maakt zowel het product, de inhoud, als het proces, de beweging, zichtbaar. Dat uit een handeling een product kan verschijnen is ons genoegzaam bekend, maar dat de handeling als zodanig ook de beweging zichtbaar kan maken laten we veelal rusten in het onbewuste proces van het bewegen. Wanneer we dit proces van bewegen echter nader analyseren dan ontdekken we dat deze beweging niet zonder structuur en niet zonder orde is. Met andere woorden het handelen kan slechts dan een adequaat product aanleveren als er ook adequaat bewogen is. En deze adequaatheid van bewegen is stilaan verloren geraakt en naar de achtergrond van het bewustzijn verschoven. Sterker nog het kon geen voorwerp van denken meer worden sinds we de beweging letterlijk gekwantificeerd en gemechaniseerd hebben. Toch rust in het ambachtelijke handelen van oudsher deze kennis en kunst verscholen. In het ambacht werden kennis en kunst in het product zichtbaar zowel naar inhoud als naar vorm. Daarmee verscheen het product niet alleen als een begrippelijk te duiden feit maar evenzeer als een beeldelijk te duiden fenomeen.  Dit beeldelijk te duiden fenomeen vond zijn bedding in het ritueel. Dit ritueel kreeg vorm in de betrekking tussen begrip en beeld, tussen woord en plaatje, tussen mythe en symbool. En pas in en door dit ritueel werd het product vorm gegeven doordat het kon voortkomen uit een stroming die op haar beurt weer voortkwam uit actuele herbronning mogelijk geworden door de meester, ambachtslid, kunstenaar. (zie voor verder uitwerking elders) 

We hoeven niet zover naar het verleden om in de taal die we nog steeds hanteren die woorden te vinden die hun oorsprong hadden in datzelfde verleden waarin men nog ambachtelijk handelde. Handelen is een woord waarin een bepaalde werking en actie tot uitdrukking gebracht kan worden. Deze werking en actie kunnen we niet zonder een bepaalde beweging denken. Nu doet zich echter de vraag voor of bijvoorbeeld die werking en actie in de beweging ook onderscheiden kunnen worden. Met andere woorden is die beweging te faseren naar intensiteit en naar haar extensiteit? Met intensiteit doelen we op een toenemende spanning en met extensiteit doelen we op een toenemende ontspanning. Met de woorden inspanning en ontspanning duiden we weer op een tweeledige structuur van de beweging die we ook kunnen verstaan als een heen en als een weer. Oplopend en aflopend, opstijgend en afdalend, toenemend en afnemend. Op een of andere wijze kan beweging graden vertonen van intensiteit of extensiteit. Deze graduele verschuivingen in de intensiteit moeten we nu zichtbaar maken door heel gewoon aan te sluiten bij het gangbare handelen en het gangbare taalgebruik. Zijn deze graduele verschuivingen slechts eenledig, tweeledig, drieledig, vierledig, etc. te verstaan. Dat wil zeggen de beweging valt in dit proces niet te delen (mogelijk mechanisch)  maar slechts te leden. Is het bewegingsproces te ontleden? Lid heeft het karakter van een deel geheel verhouding waarin de delen niet los verkrijgbaar zijn maar verstaan moeten worden als leden, organisch verbonden. Een lid is onlosmakelijk als deel zodanig met het geheel verbonden dat het als deel in feite wel te onderscheiden maar niet te scheiden valt, dus een lid blijft verbonden aan het geheel van de beweging. 

Beweging als zodanig leren we kennen als een zeer gecompliceerd fenomeen dat in en slechts vanuit de beweging verstaan kan worden. Met andere woorden wie niet mee beweegt ‘kan’ deze beweging niet van binnenuit gewaarworden, sterker nog ze valt in de tegenbeweging van het waarnemen niet te kennen. Dat we deze beweging uiteindelijk zichtbaar kunnen maken is niet zozeer het resultaat van een object betrokken denken of kennen als wel van een subject betrokken denken of kunnen. We moeten leren bewegen door in beweging te komen. Nu hier zien we reeds de eerste stap van de beweging: het in beweging komen. We kunnen deze beweging duiden met het Griekse woord kinesis. 

Uitgaande van dit in actie komen, het in beweging komen, gaan we eerst kijken hoe die actie achtereenvolgens ontleed kan worden. In de taal vinden we woorden als reactie, interactie en transactie. Deze vierledige structuur van actie, reactie, interactie en transactie is blijkbaar ooit innerlijk gevoeld als gerelateerd aan de aard van het bewegen zelf. Voor ons echter is dat niet meer zo duidelijk.  Het eerste wat we kunnen vaststellen is dat actie, beweging een aspect van het handelen is. Handelen is een vorm van actie, etc. In het handelen als zodanig komen onze handen ter sprake. We hebben twee armen en twee handen en daarmee kunnen we iets oppakken en iets loslaten, we kunnen daar ook iets mee doen voortbewegen. In actie als zodanig zien we niet zozeer de beweger alleen als wel de wijze waarop bewogen wordt. De wijze waarop bewogen wordt doet vragen reizen zowel naar de houding van de beweger als wel naar de aard van het bewegen. Maar deze houding van de beweger is niet mogelijk zonder het bewogene, het object mee te nemen in de aard van de beweging. Mogelijk is de wijze waarop het subject in beweging komt volledig gerelateerd aan het object. Immers de beweging van het subject waarin het uitgaat naar het object, actie onderneemt, eindigt in het niets als niet het object laat zien dat de actie leidt tot een reactie, van welke aard dan ook. Men kan zeggen dat de beweging ontvangen is en geretourneerd in een tegenbeweging. Pas in en door de tegenbeweging kan de beweging blijkbaar aan intensiteit winnen. Voor deze intensiteit hebben we dan ook een Grieks woord. Anders dan kinesis, waar het in beweging komen centraal staat, laat het woord dynamus meer zien dat de beweging zodanig dynamisch wordt door het heen en weer dat er blijkbaar zoiets van een vonken aan het licht treedt. Dit vonken werd vanouds gerelateerd aan de werking van de geest, spirit, de dynamus. Actie en reactie kunnen vonkend voltrokken worden en daarmee stijgt de intensiteit van het bewegen door het tegenbewegen. We kennen dat verschijnsel wanneer we moed verzamelen om een sprong te wagen, gewoon in beweging komen is dan niet meer voldoende. Heen en weer bewegend, vaak ijsberend, schijnen we ons te kunnen opladen. Nu dit karakter van opladen is ook terug te vinden in het heen en weer bewegen tussen subject en object, of tussen twee subjecten en twee objecten. We spreken dan ook in het fysische van elektriciteit al dan niet statisch of dynamisch. Elektriciteit duidt op lading, deze lading kan op een geven moment overspringen en het is deze lading die je ook de kracht geeft om de sprong te wagen en te volvoeren. De sprong wagen betekent dat je in de afgrond, in het luchtledige kan donderen. De beweging vindt niet het tegenoverliggende, ongeacht wat. Beweging en tegenbeweging, maken zowel het subject als het object zichtbaar en daartussen kan iets gebeuren en wel zodanig dat er contact ontstaat. Sterker nog wisten de ouden als de beweging het karakter van dynamus krijgt dan voegt zich ook kracht en energie toe van buiten die mee beweging en tegenbeweging. Het is niet alleen een ontladen van kracht en intensiteit, het is ook een vorm van inladen. 

Actie en reactie kunnen ook weer stilvallen. De tegenbeweging was zo groot of het mee bewegen zo overrompelend dat het heen en weer stagneert. Echter waar dit heen en weer voortgang vindt in en door de beweging ontstaat zoiets als een interactie. In de interactie ontstaat een nieuw veld, een nieuw midden die voortkomt, die vrij komt door bemiddeling van die twee actanten die met elkaar blijkbaar zo interacteren dat er energie vrij komt om iets te kunnen bewerken. Deze intensiteit wordt geduid met het woord energeia. Het werkt uit, het doet iets, er ontstaat een effect wat buiten die twee gaat werken, het is een soort surplus. Een surplus dat relatief in en uit dat spanningsveld zodanig vrijkomt dat het gerelateerd aan de beweging toch iets voortbrengt wat meer is dan de som van de interacterende leden. In de interactie gebeurt iets zowel met het subject als met het object. En beiden bewerken iets, wat niet mogelijk is zonder hen beiden en toch komt het los van hen beiden. Het is deze energeia die blijkbaar als vrije energie de beweging ook op gang kan houden, er zit dan drive in de beweging, de beweging kan zich zelf dan doen voortbewegen. Dit voortbewegende bewegen echter vindt op een geven moment haar (af)ronding. De beweging heeft uit haar zelf  beweging voortgebracht en daarmee ontstaat de mogelijkheid dat de beweging haar doel gevonden kan hebben waarnaar ze ooit vertrokken is. De beweging heeft echter niet het doel buiten haar beweging gevonden als wel het doel van haar bewegen is in werking getreden, werkzaam. En dat wat het uitwerkt is uiteindelijk het doel van alle bewegen. Daar waar de beweging haar doel vindt in en door de energeia heen vindt ze uit eindelijk haar slotakkoord in de entelecheia. In dat griekse woord schuilt het woord telos, doel. Het doel is uit de beweging zichtbaar geworden, de beweging weet nu pas waarom het ooit in beweging had moeten komen. Ofwel de actie die via reactie en interactie aan intensiteit heeft gewonnen kan uiteindelijk iets definitief overdragen in de transactie. De beweging is materie geworden, heeft inhoud gekregen en kan als een product de zichtbaar geworden beweging heten. Daar eindigt voorlopig ook de beweging. De beweging leidt tot overdracht en daarmee valt de beweging uiteindelijk in haar doel stil, het is volbracht. 

Deze vierledige gang van de beweging als kinesis, dynamus, energeia en entelecheia is een oud weten wat de oude Griekse filosofen hebben trachten te verwoorden in de vier elementen. Het betroffen geen inhouden, maar werkingen. En deze werkingen zagen ze in hun onderscheidenheid werkzaam in het zijn (Parmenides) en worden (Heraklitus) van de werkelijkheid. Waar zijn en worden als tegenstelling gedacht kunnen worden door Parmenides en Herakleitos, dacht Empedocles ze als tegendelen in de antipatische tegenbeweging van de strijd en in de sympatische meebeweging van de liefde. Deze twee bewerken uiteindelijk een viervoudige werking. 

Terug naar het gangbare taalgebruik. Vinden we een handeling die niet zozeer algemeen als actie verstaan kan worden maar meer iets zichtbaar kan maken van deze wisselwerking: laten we het houden op communicatie: uitwisseling (inhouden) en wisselwerking (proces beweging). Het spreken lijkt me in dat verband een goed voorbeeld. Uiteindelijk is dat een van de meest karakteristieke handelingen van de mens: Inspreken / uitspreken, weerspreken, doorspreken, aanspreken. Leggen we deze vierledige structuur naast de vierledige structuur van de beweging en van de actie dan frappeert ons de analogie werking. Is het uitspreken niet een vorm van actie en het weerspreken een vorm van reactie, het doorspreken niet een vorm van interactie en het aanspreken niet een vorm van transactie? 

We hebben nu met deze twee woorden gelet op de actieve component, de werking tussen twee of meer? Maar wat is er nu te zeggen van de inactieve component, daar waar de werking vanuit gaat. Ofwel is er iets te zeggen van de grensvlakken waartussen de faseringen van het bewegen verloopt? In de beweging kunnen we bijvoorbeeld met een metafoor spreken van buiken en knopen. Waar bevinden zich die knopen? En zijn die knopen per fase verschillend van karakter? We kunnen daartoe bepaalde woordenreeksen onderzoeken. Zoals met betrekking tot kennen kunnen we bijvoorbeeld een dynamiek ontwaren tussen verkennen, bekennen, herkennen en erkennen. Met betrekking tot het woord houden bijvoorbeeld onder-houden, terug-houden, ver-houden en ont-houden. Die vier woorden kan je tweeërlei uitwerken: iets onder houden of je onderhouden met, iets terug houden of je terug houden, iets ver houden van of je verhouden tot, iets onthouden of je onthouden van iets. Hoe dan ook ervaar je dat woorden al of niet een dynamiek weergeven dan wel dat ze in een bepaalde dynamiek hun plaats innemen.

Het is maar een simpel voorbeeld, maar het maakt hopelijk duidelijk dat begrippen niet zo maar verwijzen naar een inhoud en of feit, maar dat begrippen, woorden, ook voort kunnen komen uit de dynamiek van de taal enerzijds, maar anderzijds onverbrekelijk daarmee verbonden ook met de dynamiek van de spreker, de denker en het denken. Ons gaat het erom deze dynamiek weer in ogenschouw te nemen, willen begrippen op een dynamische wijze hun functie kunnen vervullen in een systeem dynamisch model en of patroon. Daartoe moet het denken zich weer vertrouwd maken met het fenomeen dynamiek, beweging, proces, betrekking. Veelal zaken die we niet direct kunnen pakken, het betreffen geen inhouden, ook al kunnen we ze kwantificeren, maar slechts subject betrokken kunnen gewaarworden, hetgeen impliceert dat we middels het gewaarworden het idee in de werkelijkheid op het spoor kunnen komen, anders dan het voor waar nemen van de gegeven feiten in de object betrokken waarneming. Het waarnemen verwijst dan naar hetgeen extern afspeelt in de werkelijkheid en het gewaarworden naar hetgeen intern afspeelt in de waarnemer als gewaarwording. Het ene is niet zonder het andere, ze functioneren in de subject object relatie op een wederkerige wijze. Een waarneming komt voort uit een onbewust gewaarworden en een gewaarwording komt voort uit een onbewust waarnemen. Deze vaardigheden worden geoefend in een fenomenologische leergang, zie elders. Ze vormen een onlosmakelijk verband met de dynamiek in elk systeem, vandaar het woord systeem dynamiek, middels een heldere structuur je denken en werken leren ordenen. Systeem dynamiek beoogt vooreerst dan ook het op orde brengen van een gestructureerd en ordelijk denkvermogen. 

 

Comments