Theory book - under construction

Denken in een verbindend patroon.



Inleiding


Artes sophiae is een kennisinstituut voor systeem dynamisch denken en werken. Centraal staat het ontwikkelen van een beeldmethode om kennis te managen. De kracht van deze methode ligt in het hanteerbaar maken van kennis door de essentie te ‘beelden’ in een open systeem model, dat uitgewerkt is in, wat we noemen, een grondpatroon.

Een open systeem model is een instrument om kennis te onderzoeken.
Als je aspecten van de werkelijkheid wilt onderzoeken, ontdek je een immens grote en niet meteen hanteerbare hoeveelheid data. Data die al wel of niet in allerlei samenhangen is gebracht. Een open systeem model probeert data dusdanig te ordenen en te structuren dat er mogelijke nieuwe te denken samenhangen  oplichten, zodat het mogelijk wordt om kennis vanuit verschillende werkvelden met elkaar te verbinden en te integreren.

Een model is niet de werkelijkheid, maar is een mogelijkheid, een optiek, waarlangs die werkelijkheid onderzocht kan worden.

5 lagen in een systeem dynamisch veld

In het werken met een open systeem model (een systeem dynamisch veld) onderscheiden we 5 lagen:

https://sites.google.com/a/artes-sophiae.com/artes-sophiae/opleiding/over-de-opleiding/under-construction/Een%20gram%20vormt%20een%20midden.jpg

https://sites.google.com/a/artes-sophiae.com/artes-sophiae/opleiding/over-de-opleiding/under-construction/Een%20gram%20vormt%20een%20midden.jpg
  • Grondpatroon (meer veld)
  • Bouwpatronen
  • Gram (meer model)
  • Te onderzoeken data
  • Werkelijkheid

In alle 5 lagen kunnen we noodzakelijke structuren en mogelijke ordeningen zien en ontdekken.

Structuur is het systeem, de ordening is de dynamiek. Deze relatie tussen systeem en dynamiek kunnen we in de 5 lagen apart lezen, maar ze ook over die 5 samen lezen. Waar het grondpatroon zich meer verhoudt tot het systeem, daar verhoudt de werkelijkheid zich meer tot de dynamiek; het model (kan elke systeem dynamische gram zijn) vormt een midden waarin werkelijkheid en grondpatroon bemiddeld kunnen worden.


Een systeem dynamisch model wordt grafisch vorm gegeven door middel van een beeld structuur waarin op bepaalde punten (coördinaten) de begrippen geordend kunnen worden. Dit systeem dynamische model noemen we een gram. Het woord ‘gram’ komt van grafein en betekent ‘beschrijven’, ‘samenstellen’ en ‘weergeven ‘. Dus een gram is een veld waarin woorden staan die met elkaar
een samenhang vormen. Systeem dynamiek integreert zowel de dimensie van het begrip (woorden) als de dimensie van het beeld (grafische vormgeving). Een gram is een weergave van een samenstelling die iets beschrijft.

We denken vanuit het functionele paradigma waar we zowel het mythische paradigma als het ontologische paradigma bijeen kunnen brengen in één functioneel systeem dynamisch kader. (Voor verdere uitleg van de paradigma's zie…)

Bij gevolg dient systeem dynamiek zowel consistent (systeem/structuur) als coherent (dynamiek/ordening) uitgewerkt te worden.

  • Coherent: Samenhangend
  • Consistent: Het zelfde blijvend.
  • Ordening: moet samenhangend zijn.
  • Structuur: moet hetzelfde blijven.
  • Ordening maakt verandering mogelijk. Verandering, met een discontinu karakter in de tijd en/of een ongelijkmatig karakter in de ruimte.
  • Structuur maakt herhaling mogelijk. Herhaling, met een gelijkmatig karakter in de ruimte en/of een continu karakter in de tijd.
  • Verandering maakt kwaliteit mogelijk. 
  • Herhaling maakt kwantiteit mogelijk. 
  • Leden hebben een en-en wisselwerking (verhouding en/of verband).
  • Delen hebben een of-of wisselwerking (verhouding en/of verband).
  • Een en-en wisselwerking vindt plaats in zowel tijd als ruimte.
  • Een of-of wisselwerking vindt plaats in zowel ruimte als tijd.
Leden/delen en tijd/ruimte kunnen onderling met elkaar in wisselwerking treden.
  • De tijd heeft in het verband een meer kwalitatief karakter. Het kwalitatieve karakter komt tot uiting in processen en betrekkingen.
  • De ruimte heeft in het verband een meer kwantitatief karakter. Het kwantitatieve karakter komt tot uiting in posities en inhouden.
  • Het ledige heeft in de verhouding een meer kwalitatief karakter. In 'kwaliteit' speelt de verbindende factor van de leden een rol.
  • Het delige heeft in de verhouding een meer kwantitatief karakter. In 'kwantiteit' speelt de scheidende factor van de delen een rol.
  • Kwaliteit heeft een ledig karakter
  • Kwantiteit heeft een delig karakter


Grondpatroon (meer veld).


Dit grondpatroon is voor systeem dynamiek cruciaal, een grondpatroon met vast omschreven delen en leden. Zonder deze delen en leden worden modellen (grammen)  niet met elkaar compatibel.  Dit grondpatroon tracht een kleinst mogelijke eenheid te representeren. Hoe simplexer dit grondpatroon, des te hechter het systeem en des te dynamischer er gewerkt kan worden in en met dit systeem, vandaar de term systeem dynamisch. Dit grondpatroon is systematisch zo ingericht dat dynamiek mogelijk wordt.

Het grondpatroon kent cruciale configuratieve componenten:

  • Cruciale coördinaten, bronpunten
  • Cruciale verbanden, contouren
  • Cruciale verhoudingen, assen
  • Cruciale raak-vlakken, resonanties


De begrippen: coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken worden 'algemeen' gebruikt.

De begrippen: bronpunten, contouren, assen en resonanties zijn specificaties van deze 'algemene' begrippen, die zich specifiek verhouden tot het grondpatroon.

Deze vier configuratieve componenten hebben een wisselwerking.

In een grondpatroon zorgen de cruciale raak-vlakken (resonanties) en de cruciale verbanden (contouren) voor  mogelijke ordening. Met als gevolg dat het grondpatroon gedifferentieerd kan worden in een tijdruimte of een ruimtetijd. Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop  de betreffende cruciale coördinaten (bronpunten) in het grondpatroon geplaatst kunnen worden. Deze bronpunten hebben ieder hun eigen specifieke dynamiek waardoor ze zorg dragen voor een noodzakelijke structuur van het grondpatroon. Dit gaat samen met de cruciale verhoudingen (assen) die evenzeer zorgen voor een noodzakelijke structuur van het grondpatroon.



Bouwpatronen.

In de bouwpatronen worden deze mogelijke ordeningen verder gedefinieerd en uitgewerkt, maar wel zodanig dat ze blijven beantwoorden aan het grondpatroon. Elk bouwpatroon kenmerkt zich door een eigen structuur en ordening.

De (tot nu toe) 5 systeem dynamische bouwpatronen zijn:

  • Dynagram, de tijd is primair, in een tijdruimte veld, gedachte gang, blauw gekleurd (afbeelding)
  • Diagram, de ruimte is primair, in een ruimtetijd veld, geeft te denken, rood gekleurd (afbeelding)
  • Duogram, een diagram in een dynagram, 2 onderscheiden velden ineen, die met elkaar een tegenstelling vormen, teneinde de wisselwerking tussen een diagram en een dynagram te kunnen onderzoeken, (rood en blauw gekleurd) (afbeelding)
  • Dictogram,  (dicto)grammen die ontstaan van uit een onderzoeksveld. In dit onderzoeksveld kan naar aanleiding van een onderzoeksvraag bepaalde ervaringen ter sprake gebracht worden. Metaforisch gezien een 'sprekend veld' waarin men kan lopen en werken, voor zover de bronpunten bepaald worden. In een dictogram wordt hetgeen aan de orde is gekomen (ter sprake komt) in beeld en tot begrip gebracht in 2 gescheiden grammen (dynagram of diagram), die met elkaar een tegendeel vormen.
  • Hologram, bestaat uit een diagram en een dynagram waarin de bronpunten deels gescheiden zijn en deels samenvallen. De wisselwerking tussen een tijdruimte veld en een ruimtetijd veld wordt zichtbaar. Weergegeven in hologram kleuren, elk bronpunt heeft een eigen kleur en/of kleuren combinatie. (afbeelding)
Deze bouwpatronen worden later stap voor stap verder uitgelegd. Te beginnen met dynagram en diagram.

Tussen deze bouwpatronen bestaan mogelijke wisselwerkingen. Door de 5 bouwpatronen in één gram te plaatsen kunnen er verschillende wisselwerkingen, verhoudingen, verbanden enz aan het licht worden gebracht. Deze worden later beschreven (onderaan/8 fold).


Gram (meer model).


Elke gram dient te beantwoorden aan het grondpatroon en aan 1 van de bouwpatronen. De cruciale configuratieve componenten van het grondpatroon hebben een bereik (een marge) waarin mogelijke alternatieven kunnen oplichten afhankelijk van de te onderzoeken data.

Een gram kent alternatieve configuratieve componenten:

  • Alternatieve coördinaten
  • Alternatieve verbanden
  • Alternatieve verhoudingen
  • Alternatieve  raak-vlakken

Deze vier alternatieve configuratieve componenten worden gekenmerkt door hun onderlinge alternatieve (mogelijke) wisselwerkingen.

Een gram kan gebruikt worden als bouwmodel, dit bouwmodel beantwoordt aan het grondpatroon en aan 1 van de bouwpatronen. De coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken die in deze gram aan het licht zijn gekomen, worden deels of geheel gebruikt in andere gram(men). Elke gram heeft in zekere zin de mogelijkheid om tot een bouwmodel uitgewerkt te worden..

Te onderzoeken data.


In de te onderzoeken data bestaan niet alleen vele mogelijke coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken. Maar ook nog vele mogelijke systemen, dynamieken, structuren en ordeningen. Al beperk je jezelf tot hetgeen je wilt onderzoeken dan nog zijn er immens veel mogelijkheden. Binnen systeem dynamiek dien je je te beperken door middel van het grondpatroon. Binnen de gegeven data ga je op zoek naar relevante dynamieken, op grond waarvan het pas mogelijk wordt ze al of niet te relateren aan de dynamieken van het grondpatroon. Met daarbij de hypothetische kanttekening dat de werkelijkheid ondanks al haar complexiteit in wezen stoelt op een aantal wezenlijke dynamieken op grond waarvan een grondpatroon als simplex kan functioneren ten einde die complexiteit te kunnen onderzoeken. 
  • Coördinaten zoeken: binnen de gegeven data zoek je naar bepaalde woorden die je, overeenkomstig hun dynamieken, aan een of andere coördinaat kan relateren.
  • Verbanden zoeken: binnen de gevonden woorden zoek je naar bepaalde verbanden
  • Verhoudingen zoeken: binnen de gevonden verbanden zoek je naar bepaalde verhoudingen
  • Raak-vlakken zoeken: binnen de gevonden verhoudingen zoek je naar bepaalde raak-vlakken

In het zoeken naar coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken suggereren we een na-elkaar. Dat is voor elk begin ook nodig, maar al gauw ontdek je dat je mogelijke onderlinge wisselwerkingen tegelijkertijd aan het onderzoeken bent. We kunnen ze van elkaar onderscheiden, maar ze zijn niet te scheiden.

Werkelijkheid.


Beeld en begrip proberen ieder op hun eigen wijze een karakteristieke verhouding aan de orde te stellen; het beeld de verhouding tussen concept en fenomeen (coherentie theorie van de waarheidsvatting) en het begrip de verhouding tussen idee en feit (correspondentie theorie van de waarheidsvatting). Meer informatie zie..(evt link naar hoofdstuk werkelijkheid en waarschijnlijkheid).

  • Waarschijnlijkheid: de mate waarin werkelijkheid in beeld en tot begrip gebracht kan worden.
  • Werkelijkheid: de mate waarin feiten en ideeën zich verwerkelijken tot werkzame contributies (bij dragen). Zonder een idee kan je geen feit inwikkelen en zonder een feit kan je geen idee ontwikkelen.

De werkelijkheid is een gecompliceerd veld van wisselwerkingen tussen verschillende composities en verschillende configuraties in een samenhangend geheel.

Data uit de werkelijkheid zijn enerzijds op te splitsen en/of samen te brengen in, afzonderlijk bestaande, systeem dynamische velden, anderzijds slechts voor zover zij in samenhang functioneren met andere bestaande systeem dynamische velden en voor zover ieder feit zich verhoudt tot een nog te denken samenhang, die zich wil inwikkelen en ontwikkelen als een pulserende dynamiek van verschijnen en verdwijnen.


Een systeem dynamisch veld wordt een functioneel instrument om werkelijkheid en waarschijnlijkheid te onderzoeken tussen verschillende werk velden. Het systeem dynamisch onderzoek bevordert mogelijke kruisbestuivingen.

Diverse systeem velden zijn noodzakelijke en mogelijke elementaire combinaties, waardoor de werkelijkheid zich als een gebroken en een ongebroken geheel kan manifesteren.

Systeem dynamische modellen beelden waarschijnlijkheidspatronen van, in samenhang gedachte, begrippen. De waarschijnlijkheid van mogelijke en/of noodzakelijke wisselwerkingen (tussen beeld en begrip) ordenen zich binnen 1 systeem dynamisch veld en tussen meerdere systeem dynamische velden.

De werkelijkheid is een gecompliceerd web van configuratieve componenten (en nog veel meer).


Op zich zelf betekenen ze nog niets, maar kunnen ze betekenis ontwikkelen en inwikkelen.

Zoals al beschreven is een model geen werkelijkheid maar slechts een medium (midden / instrument) om een mogelijke optiek op de werkelijkheid te visualiseren.

De werkelijkheid is echter vaak minder eenvoudig en/of eenduidig en dat komt omdat er vaak sprake is van complexe samenhangen. Het ene is in wisselwerking met het andere.

Met name om deze complexe samenhangen op een simplexe wijze in beeld te brengen kan systeem dynamiek van betekenis worden, mits we systeem dynamiek verstaan als het zoeken naar een te bepalen samenhang van hetgeen nog onbepaald lijkt samen te hangen. Want wat bepaalt wat, is dat een na elkaar of juist een tegelijkertijd.

Om die samenhang in kaart te brengen, maken we gebruik van cruciale (en alternatieve) configuratieve componenten. Het moge duidelijk worden dat dit nog heel simpel is, want er zijn vele mogelijke coördinaten, verbanden en verhoudingen en vele mogelijke soorten van elk. Want wat maakt een coördinaat tot  coördinaat, een verband tot
verband, een verhouding tot  verhouding? Vandaar dat binnen systeem dynamiek deze begrippen nader omschreven moeten worden naar gelang hun functie binnen een systeem dynamisch veld.

De werkelijkheid bestaat uit tal van mogelijkheden. In ieder geval moeten we ons bewust zijn en of worden van het verschil én van de overeenkomst tussen denken en werkelijkheid. Dit bewustzijn impliceert niet alleen een deemoedige houding, maar juist en vooral een onderzoekende houding. Het enige wat telt is niet zozeer het weten als wel het niet weten.

Dat maakt het unieke uit van de wijze waarop wij vorm willen geven aan systeem dynamiek. Systeem dynamiek kunnen we kortheidshalve omschrijven als het zoeken naar hetgeen kan leiden tot een systeem en wel zo, dat elk systeem zich op een dynamische wijze weer kan verhouden tot een ander systeem. Zo ook dient het systeem zich op een dynamische wijze te verhouden tot de werkelijkheid, deels middels het opsporen van haar dynamieken en deels door de wijze waarop ze die dynamieken in beeld en tot begrip kan brengen.



Opbouw van een systeem dynamisch veld.

Ter herinnering: 5 lagen

In het werken met een open systeem model (een systeem dynamisch veld) onderscheiden we 5 lagen:

  • Grondpatroon (meer veld)
  • Bouwpatronen
  • Gram (meer model)
  • Te onderzoeken data
  • Werkelijkheid

In alle 5 lagen kunnen we noodzakelijke structuren en mogelijke ordeningen zien en ontdekken.

Structuur is het systeem, de ordening is de dynamiek. Deze relatie tussen systeem en dynamiek kunnen we in de 5 lagen apart lezen maar ze ook over die 5 samen lezen. Waar het grondpatroon zich meer verhoudt tot het systeem, daar verhoudt de werkelijkheid zich meer tot de dynamiek; het model (kan elke systeem dynamische gram zijn) vormt een midden waarin werkelijkheid en grondpatroon bemiddeld kunnen worden.

Met het veld introduceren we dat er mogelijk een samenhang te bespeuren is die het karakter krijgt van een veld, een invloedssfeer en of bereik. Dat veld kan immens groot zijn, maar niet hanteerbaar, noch in kwantitatieve, noch in kwalitatieve zin. Dus wordt het noodzakelijk naar de kleinst mogelijke eenheid te zoeken en wel zo, dat de coördinaten van deze kleinst mogelijke eenheid in feite zo structureel bepalend zijn dat ze gezien mag worden als een soort `grondpatroon´ van het bouwwerk, zo mogelijk systeem dynamisch geordend.

Hoe simplexer dit grondpatroon des te hechter het systeem en des te dynamischer er gewerkt kan worden in en met dit systeem, vandaar de term systeem dynamisch.

Dit veld is systematisch zo ingericht dat dynamiek mogelijk wordt.

Systeem betekent dat alle bronpunten, contouren, assen,
resonanties en hun functies precies gedefinieerd moeten worden om ze ook vervolgens dynamisch te kunnen toepassen door middel van alternatieve- coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken  .

Dynamisch betekent dat alle onderscheiden systeem functies op een dynamische wijze gehanteerd moeten worden (het blijft steeds afhankelijk van de te onderzoeken data) in de onderscheiden systeem velden (grammen).

Structuur is het systeem, de ordening is de dynamiek.


Het systeem dynamisch veld treedt pas in functie als de coördinaten bepaald zijn en of worden zodat mogelijke verbanden, verhoudingen en raakvlakken kunnen worden opgespoord als nog te denken.  Alles verkeert met elkaar op een of andere manier in wisselwerking. In en uit deze wisselwerking ontstaat alles in dit al. Deze wisselwerking wordt nader bepaald door de daarin voorhanden coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken.

Introductie configuratieve componenten

Het begrip 'configuratieve component':

Configuratie, is een ordening in de tijd. De manier waarop je losse componenten (afzonderlijke eenheden) kunt ordenen, bepaalt de configuratie. Losse onderdelen treden pas in functie tot elkaar als ze in een juiste (nader te bepalen) volgorde configureren. Dat wil zeggen als ze met elkaar een werkend(en/of werkbaar) geheel vormen. In de configuratie is de volgorde (tijd) cruciaal.

Compositie, is een structuur in de ruimte. De manier waarop je losse componenten (afzonderlijke eenheden) kunt structuren bepaalt de compositie. Losse onderdelen treden pas in functie tot elkaar als ze ten opzichte van elkaar tegelijkertijd op een juiste (nader te bepalen) positie staan. Dat wil zeggen als ze met elkaar een werkbaar (en/of werkend) geheel vormen. In de compositie is de positie (ruimte) cruciaal.

Configuratie en compositie bepalen elkaar wederkerig. Zonder configuratie is er geen compositie en zonder compositie is er geen configuratie. Op grond van deze wederkerige relatie tussen configuratie en compositie spreken we binnen systeem dynamiek van configuratieve composities in een veld. Met dien verstande dat er ook compositoire configuraties bestaan. De configuratieve composities en de compositoire configuraties vormen een dusdanige wisselwerking van ordening en structuur, dat we er voor kiezen om hier 1 term voor te gebruiken. We kiezen voor configuratieve compositie omdat binnen systeem dynamiek de wijze van ordenen bepalender wordt dan de structuur. De structuur is dienstbaar aan de ordening. Een configuratieve compositie betreft het samen gaan van ordening en structuur, onder andere mogelijk aan de hand van vormgevingsprincipes en of een vooraf bepaalde strategie.

Configuratieve componenten:

We noemen coördinaten, verbanden, verhoudingen en
raak-vlakken binnen systeem dynamiek `configuratieve componenten´. Zij verhouden zich allemaal tot configuratie (ordening in de tijd) en compositie (structuur in de ruimte). Ze zijn de leden en delen die zorgen voor configuratieve composities in een veld. Dit veld kan uitgewerkt worden in een tijdruimte (tijd primair) of ruimtetijd (ruimte primair).

De configuratieve componenten verdelen we in: 
  • Cruciale configuratieve componenten van 'het grondpatroon': bronpunten, contouren, assen en resonanties.
  • Alternatieve configuratieve componenten van 'elke gram': coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken. Deze alternatieve configuratieve componenten blijven gerelateerd aan en in het bereik  van de cruciale configuratieve componenten.
De cruciale configuratieve componenten verhouden zich meer tot het veld en de alternatieve configuratieve componenten verhouden zich meer tot een model. Cruciale en alternatieve configuratieve componenten constitueren een systeem dynamisch veld.

De vraag is hoe deze specificaties enerzijds zo eenvoudig mogelijk te houden; met name om te vermijden dat er een veelvoud ontstaat, die onhanteerbaar kan worden. Anderzijds dienen ze ook zo ver dragend en of zo ver reikend te zijn, dat je met heel weinig, heel veel kan doen. Of we daar in slagen blijft hypothetisch, in ieder geval doen we een poging: al doende kan duidelijk worden of het ook werkt en vooral systeem dynamisch werkt.

Wisselwerkingen, coördinaten, verbanden, verhoudingen, raak-vlakken enerzijds en bronpunten, contouren, assen en resonanties anderzijds, vormen de organiek en mechaniek in/van alle systeem velden / grammen (voor zover tot nu ontwikkeld).

We maken onderscheid tussen configuratie en compositie, tussen ordening en structuur, tussen tijd en ruimte, tussen ledig en delig, tussen organiek en mechaniek; kortom, onderscheid tussen het ene en het andere. Wat herhaald dient te worden bij elk onderscheid tussen het ene en het andere, is dat ze te onderscheiden zijn maar niet te scheiden.

Vooreerst leggen we de configuratieve componenten ter introductie kort uit. Later in 'stap voor stap' komen ze uitgebreid aanbod.


De  configuratieve componenten zijn de leden en delen die zorgen voor configuratieve composities in een veld. Dit veld kan uitgewerkt worden in een tijdruimte (tijd primair) of ruimtetijd (ruimte primair). De cruciale configuratieve componenten vormen het grondpatroon van een systeem dynamisch veld.

Veld, is een geheel  van bronpunten, contouren, assen en resonanties die met elkaar een wederkerige wisselwerking vormen tussen coördinaten, verbanden, verhoudingen en
raak-vlakken.

Gram: Opbouw van een systeem dynamisch veld.



In bovenstaande gram zijn onder andere de volgende constituerende (onderliggende) dynamieken te lezen:

Te lezen over de 2 diagonale assen:

Golvende as, tijds as, impuls as:
  • Contouren  en resonanties  zorgen voor een mogelijke ordening van het grondpatroon
  • Contouren en resonanties zijn fluctuerend rond een bewegelijke lijn: homeorhese
  • Bij de contouren ligt de nadruk meer op ordening.
  • Bij de resonanties ligt de nadruk meer op homeorhese

Gestreepte as, ruimte as, plaats as:
  • Bronpunten  en assen zorgen voor een noodzakelijke structuur van het grondpatroon.
  • Bronpunten en assen zijn fluctuerend rond een vast punt: homeostase.
  • Bij de bronpunten ligt de nadruk meer op homeostase.
  • Bij de assen ligt de nadruk meer op structuur.
.
De begrippen: coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken worden 'algemeen' gebruikt.

De begrippen: bronpunten, contouren, assen en resonanties zijn specificaties van deze 'algemene' begrippen, die zich specifiek verhouden tot het grondpatroon.

Te lezen in de 4 kwadranten:

Rechterhelft van  bovenstaande gram:
  • Assen zijn 'aanwijsbaarder' dan 'verhoudingen'
  • contouren zijn 'aanwijsbaarder' dan 'verbanden'
In de linkerhelft zien we  een omkering tussen het 'bijzondere' en het 'algemene':
  • Bronpunten zijn minder 'aanwijsbaar' dan 'coördinaten'
  • Resonanties zijn minder 'aanwijsbaar' dan 'raakvlakken'

Te lezen in boven helft en onder helft van bovenstaande gram:

Tussen boven helft en onder helft kunnen we ook een verschil zien:

De boven helft:

  • Resonanties en assen zijn minder aantoonbaar.

De onder helft:

  • Contouren en bronpunten zijn meer aantoonbaar.

Link onderliggend bouwmodel Archai kai Aitiai
Link verdere uitleg gram: 'Opbouw van een systeem dynamisch veld' (nog invoegen)


Wisselwerking.
Systeem dynamiek is de wisselwerking als wisselwerking aan de orde stellen.


Alles is in wisselwerking met alles:

  • Coördinaten staan in wisselwerking met elkaar.
  • Verbanden staan in wisselwerking met elkaar.
  • Verhoudingen staan in wisselwerking met elkaar.
  • Raak-vlakken staan in wisselwerking met elkaar.

Er is ook een wisselwerking in de dynamiek tussen coördinaten, verbanden, verhoudingen, en raak-vlakken binnen een systeem dynamisch veld.

Wisselwerkingen kenmerken zich door:
  • Tussen en/of midden
  • Tijd en/of ruimte
  • Ledig en/of delig
  • Verandering en/of herhaling
Wisselwerkingen bewerken ordening en structuur.

Van een wisselwerking gaat een onbepaalde en/of bepaalde werking uit.  Die werking wordt ervaren in het ‘tussen’. Je hebt 2 stoelen (coördinaten) en daartussen zit geen stoel. Je hebt 2 mensen (coördinaten) en daartussen zit geen mens. In die tussen  ruimte kan er een dynamiek (wisselwerking) tot stand komen. Dat tussen probeert systeem dynamiek in beeld en tot begrip te brengen. Je hebt 2 traceerbare gegevens met er tussen het niet traceerbare. Om het niet traceerbare helder te leren denken, voelen en willen, moeten we het traceerbare op een juiste wijze coördineren. Het niet traceerbare relateren we aan het immateriële en het traceerbare aan het materiële domein.

Tussen begrip en beeld, tussen structuur en ordening, tussen tijd en ruimte, tussen dynagram en diagram, 
tussen het ene en het andere, behoeft elk tussen een meerledigheid waarin de wisselwerking als een `niets´  tussen de ietsen  zowel kan verschijnen als verdwijnen. Een systeem dynamisch veld behartigt en visualiseert dit `tussen´ als een te denken, te voelen en te willen dimensie van de werkelijkheid.

Ook kunnen we spreken van het een midden. Deze is pakbaar, traceerbaar en benoembaar. Bijvoorbeeld een tafel kan het midden vormen van een stel stoelen. De stoel kan als zitplaats een midden vormen voor een gezelschap, die luistert naar de verteller op de stoel. Het midden is het centrale punt van waar uit actie plaats kan vinden. Of waaromheen de actie gecentreerd kan worden.

Tussen ‘midden ’ en ‘tussen ’, iets en niets, verschijnen en verdwijnen, het zegbare en het onzegbare valt het nodige in beeld en tot begrip te brengen. Wat men niet kan pakken, wil zich wellicht laten vatten voor wie zich openstelt voor dit niet meer manipuleerbare 'tussen', in casu een systeem dynamisch veld.

In de wisselwerking als wisselwerking kan niet iets uitgesloten worden en tegelijkertijd kunnen niet alle ietsen omsloten worden. In de wisselwerking als wisselwerking ontstaat het 'tussen/midden', In dit tussen gaan subject en object zich wederkerig tot elkaar verhouden in een dynamisch ontwikkelingsproces waarin ze elkaar dienen te verwerkelijken (functioneel paradigma). Om dit ontwikkelingsproces te kunnen beelden en begrijpen dienen we het systeem dynamisch in te richten.

Binnen een systeem dynamisch veld kunnen we bijvoorbeeld spreken van:
  • Bepaal het beeld en zoek de begrippen.
  • Bepaal de begrippen en zoek het beeld.
In de wisselwerking als wisselwerking wordt het hoe aan de orde gesteld. Met het hoe wordt bedoeld 'hoe het ene met het andere kan samenhangen' dan wel 'zich tot elkaar dient te verhouden´ in een bepaalde samenhang.

In de Wisselwerking als wisselwerking gaat onder andere om de samenhang tussen delen en leden binnen een geheel, er is geen deel zonder een geheel en er is geen geheel zonder leden.

  • Bepaal het geheel en zoek de delen.
  • Bepaal de leden en zoek het geheel.

Dit kunnen we ook toepassen op de wisselwerking tussen tijd en ruimte, verandering en herhaling, ordening en structuur. Alles staat in een tweeledige, drieledige en of meerledige wisselwerking tot alles

Los van deze onderscheidingen kunnen we zeggen dat het in systeemdynamiek au fond gaat om wisselwerkingen aan de orde te stellen, aangezien alles met alles in wisselwerking kan treden, mede afhankelijk van de benodigde condities en randvoorwaarden.

Het kunnen denken en willen van deze meerledige wisselwerkingen
vraagt  om een nieuw vermogen: een fijnzinnig voelen.

Binnen het functionele paradigma schept dit fijnzinnige voelen tussen denken en willen, als een geheel nieuw kenvermogen haar eigen instrument, een systeem dynamisch veld.


Cruciale wisselwerking:

Alles is in wisselwerking.met alles

  • Bronpunten staan in wisselwerking met elkaar
  • Contouren staan in wisselwerking met elkaar
  • Assen staan in wisselwerking met elkaar
  • Resonanties staan in wisselwerking met elkaar
Wisselwerking is ook de dynamiek tussen bronpunten, contouren, assen, en resonanties binnen een systeem dynamisch veld.

Er zijn vele wisselwerkingen mogelijk. Uiteindelijk is er geen wisselwerking zonder een raak-vlak, verhouding, verband en of coördinaat, dat spreekt. Toch gaat het uiteindelijk binnen systeemdynamiek om het geheel van nader te bepalen configuratieve componenten en wel zodanig gespecificeerd dat we een spreekwoordelijk grondpatroon zien ontstaan (van de cruciale).

Variaties in het grondpatroon manifesteren momentane wisselwerkingen in het  veld.

De 4 cruciale configuratieve componenten staan in wisselwerking met ordening en structuur.
  • Contouren en resonanties bepalen de ordening van het grondpatroon.
  • Assen en bronpunten bepalen de structuur van het grondpatroon.
Maar ook elk afzonderlijke configuratieve component staat wisselwerking met ordening en structuur.

5 belangrijke wisselwerkingen:
  • Wisselwerking tussen ordening en structuur
  • Wisselwerking tussen 'tussen' en 'midden'.
  • Wisselwerking tussen tijd en ruimte
  • Wisselwerking tussen ledig en delig
  • Wisselwerking tussen verandering en herhaling

In het grondpatroon functioneren zij als fixaties. Deze  fixaties bepalen de wijze waarop de cruciale configuratieve componenten in relatie tot hun kenmerken worden vastgelegd in het grondpatroon.
  • De omcirkelde fixaties hebben een ordenend karakter.
  • De fixaties in de vierkantjes hebben een structurerend karakter.
Elke afzonderlijke cruciale configuratieve component wordt in zijn functie bepaald door alle 10 (2x5) fixaties, die de wisselwerkingen reguleren.

Elk configuratieve component staat in een specifieke relatie tot 2 van deze fixaties.

In tegenstelling tot de gradaties hebben de fixaties meer een constant karakter. De gradaties leggen we uit bij de wisselwerking in relatie tot  te onderzoeken data.
  • Grondpatroon meer structuur en meer constant
  • Te onderzoeken data meer ordening  en minder constant.



'Tussen' en 'midden':

Van een wisselwerking gaat een bepaalde werking uit. Die werking wordt ervaren in het 'tussen' en 'midden'.
  • 2 'tussens' bewerken een midden,
  • 2 'middens' bewerken een tussen, 

Het verschil tussen het begrip ‘midden’ en het begrip ‘tussen’ zit hierin, dat het ‘tussen’ ontstaat tussen twee ‘middens’ en het ‘midden’ kan ontstaan uit twee ‘tussens’. Dit verschil kunnen we ook weergeven met de begrippen ‘iets’ (midden) en ‘niets’ (tussen). In het midden kan iets verschijnen en in het tussen kan iets verdwijnen of omgekeerd in het midden kan iets verdwijnen en in het tussen kan iets verschijnen. Het midden verhoudt zich tot het tussen als een dynamiek van verschijnen en verdwijnen.

Deze 'tussen/midden' wisselwerking reguleert op alle mogelijke manieren een systeem dynamisch geordend veld. We kunnen zeggen dat de bronpunten, contouren, assen en resonanties gereguleerd worden door 'tussen' en 'midden' wisselwerkingen.


'Tussen' en 'midden'
in relatie tot bronpunten.

Je hebt 4 bronpunten als een 'midden' en daartussen zitten 4 bronpunten als een 'tussen'
Je hebt 4 bronpunten als een 'tussen' en daartussen zitten 4 bronpunten als een 'midden'.

De 'middens' zijn pakbaar, traceerbaar, en waarneembaar.
De 'tussens' zijn onpakbaar, ontraceerbaar en niet waarneembaar.


4 bronpunten zijn 4 'middens':
  • Oost
  • Zuid
  • West
  • Noord

4 bronpunten zijn 4 'tussens':
  • Zuidoost
  • Zuidwest
  • Noordwest
  • Noordoost

In die tussenruimte (tussen 'tussen' en 'midden'), kan er een dynamiek (wisselwerking) tot stand komen. Die tussen ruimte probeert systeem dynamiek in beeld en tot begrip te brengen.

We kunnen ook spreken van  een middenruimte. Het midden als het centrale punt van waar uit actie plaats kan vinden. Of waaromheen de actie gecentreerd kan worden. Dit midden is pakbaar, traceerbaar en benoembaar.

Tijd en ruimte:
  • Tijd, is een dynamiek van het veld waardoor alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken zich in een statische ruimte ordenen. (ordening: moet samenhangend zijn)
  • Ruimte, is een statiek van het veld waarin alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken zich in een dynamische tijd structureren.(structuur: moet hetzelfde blijven)
Tijd en ruimte in relatie tot de contouren:

Tijd en ruimte spelen de belangrijkste rol in  het verdelen van de contouren of in een tijdruimte veld of in een ruimtetijd veld.

  • In een tijdruimte veld is de tijd primair, proces en inhoud.
  • In een ruimteveld is de ruimte primair, positie en betrekking.

Bij de contouren spelen tijd en ruimte verbanden een belangrijke rol in de wisselwerking tussen kwaliteit en kwantiteit.
  • De tijd heeft in het verband een meer kwalitatief karakter
  • De ruimte heeft in het verband een meer kwantitatief karakter
Ledig en delig:

Ledige wisselwerking, lid staat voor een onscheidbaar medelid:

  • is een en-en wisselwerking
  • tegelijkertijd
  • heeft een insluitende wisselwerking
  • is complementair
  • aanvullend
  • elkaar dragend
  • elkaar voortbrengend
Delige wisselwerking, deel staat voor een scheidbaar onderdeel:
  • is een of-of wisselwerking
  • na elkaar
  • heeft een uitsluitende wisselwerking
  • is symmetrisch
  • concurrerend
  • elkaar bestrijdend
  • elkaar opheffend

Deze 'ledige/delige' wisselwerking reguleert op alle mogelijke manieren een systeem dynamisch geordend veld. We kunnen zeggen dat de bronpunten, contouren, assen en resonanties gereguleerd worden door 'ledige' en 'delige' wisselwerkingen.

Ledig en delig in relatie tot de assen

De ledige en/of delige verhoudingen bepalen het ledige en/of delige karakter van de assen.

  • 2 ledige (en-en) verhouding situeren we op de polaire as en de impuls as
  • 2 delige (of-of) verhouding situeren we op de duale as en de plaats as

 De verhouding wordt meer bepaald door het ledige en delige karakter van de bronpunten.

  • Bij 2 ledige (en-en) verhoudingen heeft de verhouding een verbindend karakter
  • Bij 2 delige (of-of) verhoudingen heeft de verhouding een scheidend karakter.

Bij de assen spelen ledige  en delige verhoudingen een belangrijke rol in de wisselwerking tussen kwaliteit en kwantiteit.

  • Het ledige heeft in de verhouding een meer kwalitatief karakter. In 'kwaliteit' speelt de verbindende factor van de leden een rol.
  • Het delige heeft in de verhouding een meer kwantitatief karakter. In 'kwantiteit' speelt de scheidende factor van de delen een rol.

Verandering en herhaling

Ter herinnering:
  • Ordening maakt verandering mogelijk. Verandering, met een discontinu karakter in de tijd en/of een ongelijkmatig karakter in de ruimte.
  • Structuur maakt herhaling mogelijk. Herhaling, met een gelijkmatig karakter in de ruimte en/of een continu karakter in de tijd.
  • Verandering maakt kwaliteit mogelijk. 
  • Herhaling maakt kwantiteit mogelijk.
  • Leden hebben een en-en wisselwerking (verhouding en/of verband)
  • Delen hebben een of-of wisselwerking (verhouding en/of verband)
Leden/delen en tijd/ruimte kunnen onderling met elkaar in wisselwerking treden.
  • De tijd heeft in het verband een meer kwalitatief karakter
  • De ruimte heeft in het verband een meer kwantitatief karakter
  • Het ledige heeft in de verhouding een meer kwalitatief karakter. In 'kwaliteit' speelt de verbindende factor van de leden een rol.
  • Het delige heeft in de verhouding een meer kwantitatief karakter. In 'kwantiteit' speelt de scheidende factor van de delen een rol

De wisselwerking tussen verandering en herhaling reguleert op alle mogelijke manieren een systeem dynamisch geordend veld. We kunnen zeggen dat de bronpunten, contouren, assen en resonanties gereguleerd worden door 'verandering' en 'herhaling'.


Verandering en herhaling in relatie tot resonantie:

Bronpunten, contouren, assen  vormen met elkaar cruciale raak-vlakken. Deze cruciale raak-vlakken vormen een harmonisch geheel die resulteert in een resonantie van het grondpatroon. Het grondpatroon is het resultaat van al deze raak-vlakken.

De cruciale raak-vlakken in een systeem dynamisch veld vormen resonanties.

De configuratieve componenten zorgen voor ordening en structuur van het grondpatroon. Door dat ordening verandering mogelijk maakt en structuur de herhaling is het grondpatroon een resonerend veld van veranderingen en herhalingen.

Het grondpatroon verhoudt zich meer tot het systeem (structuur) en de werkelijkheid tot dynamiek (ordening). Het grondpatroon zorgt voor herhalingen in de grammen en de te onderzoeken data zorgen voor de veranderingen. 


Alternatieve wisselwerking:

Het grondpatroon kent cruciale wisselwerkingen en elke gram kent mogelijke alternatieve wisselwerkingen.

Wisselwerking in relatie tot de te onderzoeken data:
Ter herinnering:
De begrippen: coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken worden 'algemeen' gebruikt.

De begrippen: bronpunten, contouren, assen en resonanties zijn specificaties van deze 'algemene' begrippen, die zich specifiek verhouden tot het grondpatroon.

Bij de te onderzoeken data speelt de wissel werking tussen ontregelend en regelend een rol. Deze wisselwerking vinden we terug in de coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken. De begrippen: coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken worden hier 'algemeen' gebruikt, in relatie tot de te onderzoeken data.

Richt je je bij je onderzoek op hetgeen wat ontregelt en/of regelt.


  • De omcirkelde gradaties: minder, onstabiel, semi- permanent en onbepaald hebben een ontregelend karakter.
  • De gradaties in de vierkantjes: meer, stabiel, permanent en bepaald hebben een regelend karakter.

Alle 10 de gradaties spelen bij alle 'algemene' coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken een rol. Ook spelen bij elk van deze afzonderlijke 'algemene' begrippen, 2 gradaties een specifieke rol:

  • Coördinaten kunnen onbepaald en/of bepaald zijn.
  • Verbanden kunnen semi- permanent en/of permanent zijn.
  • Verhoudingen kunnen onstabiel en/of stabiel zijn.
  • Raak-vlakken kunnen meer of minder zijn.
Coördinaten in relatie tot onbepaald/bepaald:
Een coördinaat kan onbepaald en/of bepaald zijn.

Een onbepaalde coördinaat is een coördinaat die je nog niet kan bepalen omdat die zich nog niet aandient.

Binnen systeem dynamiek kan een bepaalde coördinaat een cruciaal- en/of alternatief- coördinaat worden. Door de cruciale coordinaten te bepalen kunnen we werken met overeenkomstige coördinaten in meerdere velden.

Verband in relatie tot semi-permanent/permanent:

Een verband geeft een wisselwerking weer tussen meerdere coördinaten.

Een verband kan semi-permanent en/of permanent zijn. Mede afhankelijk van de logische klasse van de begrippen, vormen zij een permanent of semi- permanent verband. Er zijn verbanden die zich permanent voordoen en/of er zijn verbanden die zich soms wel en soms niet voordoen.

Zijn het begrippen met bijvoorbeeld  processen met een specifieke volgorde, zoals de seizoenen, dan krijgen ze een permanenter verband in de tijd.

Zijn het begrippen die zowel een proces als een positie verband laten zien, dan zijn  ze semi-permanent, je kunt zowel als proces en als positie lezen, er is dan geen sprake van een specifieke volgorde meer.

Verhouding in relatie tot onstabiel/stabiel: 

Een verhouding kan onstabiel en/of stabiel zijn. Mede afhankelijk van de context kan de verhouding tussen 2 begrippen op de verschillende assen worden geplaatst.

  • Een onstabiele verhouding is een verhouding tussen begrippen die soms wel en soms niet zich tot elkaar kunnen verhouden. 
  • Een onstabiele verhouding is ook een verhouding tussen twee begrippen die op meerdere assen kan komen te staan.
  • Een stabiele verhouding is een verhouding tussen begrippen die permanent zich tot elkaar verhouden.
  • Een stabiele verhouding is ook een verhouding tussen twee begrippen die steeds op de zelfde as staan.

Voorbeeld: zo zijn er begrippen met een stabielere verhouding zoals bijv hemel en aarde (polair), top down en bottum up (polair), verleden en toekomst (duaal) en 'zelf' en 'de ander' (duaal).

Raak-vlakken in relatie tot minder/meer

Raak-vlakken zijn wederkerige wisselwerkingen tussen meerdere verhoudingen, meerdere verbanden en meerdere coördinaten. Door deze wisselwerkingen kunnen de raak-vlakken vermeerderen en/of verminderen.

Er kunnen tussen de begrippen meerdere of mindere raak-vlakken zijn. Het aantal raak-vlakken wordt bepaald door het aantal verbanden, verhoudingen en coördinaten. Meerdere  verbanden, verhoudingen, coördinaten tussen de begrippen verhogen nog niet de resonantie. Meer en/of minder kunnen beiden het evenwicht verstoren tussen herhaling en verandering. 

Het kan zijn dat je nog een begrip mist, of dat het begrip niet past in bijvoorbeeld een verband, of dat  het begrip een andere verhouding krijgt in relatie tot een ander begrip.

Het is zoeken naar herhalende raak-vlakken tussen de begrippen die allemaal anders zijn.  

Het is zoeken naar een evenwicht van niet te weinig (minder) en niet te veel (meer) raak-vlakken.

Afhankelijk van je referentiekader bepaal je welke begrippen met elkaar een raak-vlak vormen.

Coördinaten


Coördinaat, is een knooppunt in een ruimtetijd en/of tijdruimte veld.

Er zijn vele coördinaten mogelijk met vele onderlinge relaties.

Systeem dynamiek poogt de vele mogelijke data te herleiden tot een beperkt aantal coördinaten waarmee je toch alle mogelijke wisselwerkingen, dynamieken, verbanden en verhoudingen, tussen gegeven data kunt onderzoeken. De kunst is dan hoe je al die data terug kan brengen tot een beperkt aantal kardinale coördinaten, in deze 8 of 9. Dat betekent dat we die coördinaten gaan benoemen. De daaraan gerelateerd functies en benodigde informatie zal verderop in 'stap voor stap' worden uitgelegd. 

In een gram plaatsen we woorden/begrippen in relatie tot de te onderzoeken data op en/of gerelateerd aan coördinaten. 

Cruciale coördinaten:

8/9 kardinale coördinaten benoemen we als bronpunten. Deze 8/9 bronpunten relateren zich tot ieder een eigen punt in de ruimte en ieder een eigen dynamiek in de tijd.

Deze bronpunten staan in configuratie en in compositie met elkaar. Door dat elk bronpunt een eigen specifieke dynamiek heeft en door de assen meer tot een vaste compositie (structuur).  Door de contouren (en resonanties) meer tot een variabele configuratie (ordening).

Deze bronpunten hebben ieder een eigen specifieke (interne) dynamiek, beeldend in de tijd en begrijpend in de ruimte. Aan deze bronpunten verbinden we de volgende begrippen : Oost, Zuidoost, Zuid, Zuidwest, West, Noordwest, Noord, Noordoost. 

  • O, droog, met een  autonoom karakter
  • Z, warm, met een  discentrisch karakter
  • W, nat,  met een heteronoom karakter
  • N, koud, met een concentrisch karakter
  • ZO, vuur element, met een  autonoom discentrische dynamiek
  • ZW, lucht element, met een heteronoom discentrische dynamiek
  • NW, water element, met een  heteronoom concentrische dynamiek
  • NO, aarde element, met een autonoom concentrische dynamiek 

Bronpunten geven we betekenis door middel van beeld en begrip en daarmee aan hun eigen functie. 

We onderscheiden :

Doordat de bronpunten behalve hun eigen specifieke dynamiek ook worden beïnvloed door de dynamiek van de contouren kunnen we het volgende onderscheid maken:

Tijdruimte veld, een dynagram (blauw)

  • 4 windstreken (Oostelijk, Zuidelijk,Westelijk, Noordelijk)
  • 4 uitwerkingen (ZO, ZW, NW, NO) van de windstreken .
  • totaal 8 met een mogelijke 9 (midden/tussen)

Ruimtetijd veld, een diagram (rood)

  • 4 windrichtingen (Oost, West ,Noord, Zuid)
  • 4 inwerkingen (NO, NW, ZO,ZW) van de 4 windrichtingen
  • totaal 8 met een mogelijke 9 (midden/tussen)

9de midden bronpunt.
Het midden functioneert op twee wijzen tussen de 8 bronpunten:

  • Als midden tussen de 8 bronpunten kan het midden zelf een bepalende bronpunt worden. Afhankelijk van de ingebrachte data kan het midden, positie, inhoud, betrekking of proces zijn. Bij gevolg kan het midden een 9de bronpunt vormen. Dit midden krijgt dan een specifieke bemiddelende functie.
  • Als midden kan het ook een logische klasse weergeven doordat het centrale begrip de overkoepelende term wordt, die de andere begrippen onderbrengt of de centrale spil vormt waaruit de andere begrippen voortkomen. Bijvoorbeeld: windrichtingen, elementen en etmaal.

Dit centrum als bronpunt heeft een spil functie ten opzichte van de andere (8) bronpunten. In deze spil functie kan iets verschijnen of verdwijnen, een midden of een tussen vormen. De 8 anderen bronpunten hebben een veld functie.

Te samen vormen deze 9 coördinaten (bronpunten) de basis om een systeem dynamisch veld (gram) in te richten en te leren lezen.

Ook de bronpunten verhouden zich tot configuratie en compositie, mede door de assen en contouren.

In relatie tot hun eigen specifieke dynamiek: De 8/9 bronpunten hebben ieder een eigen specifieke dynamiek waardoor ze kunnen beantwoorden aan een noodzakelijke structuur. Ongeacht of ze in een tijdruimte veld of een ruimtetijd veld staan. Ze blijven beantwoorden aan een noodzakelijke structuur van het grondpatroon. 

De dynamieken van bronpunten oost en noord verhouden zich meer tot compositie en de dynamieken van bronpunten west en zuid verhouden zich meer tot configuratie.

In relatie tot de assen: Oost verhoudt zich tot West over de horizontaal (configuratie, meer in de tijd) en Noord verhoudt zich tot Zuid over de verticaal (compositie, meer in de ruimte). 
  • Bronpunten  en assen zorgen voor noodzakelijke structuur van het grondpatroon.
  • Bronpunten en assen zijn fluctuerend rond een vast punt, homeostase.
Bij de bronpunten ligt de nadruk meer op homeostase. Ze zijn fluctuerend rond een vast punt, het 9de centrum bronpunt. Ook kan elk bronpunt weer een centrum zijn waar alternatieve coördinaten om heen fluctueren. De bronpunten zijn dan ook een vast punt.

In relatie tot de contouren: Het onderscheid tussen een tijdruimte en ruimtetijd is een verschil van de mogelijke ordening van het grondpatroon, dit verschil is mede afhankelijk van de cruciale verbanden (de contouren). De bronpunten verhouden zich  onderling tot elkaar: hoe ze in de tijd lopen (configuratie) en hoe ze in de ruimte staan (compositie).


Alternatieve coördinaten:

In een gram zijn er tal van mogelijke alternatieve coördinaten. Deze coördinaten blijven zich verhouden tot de 8/9 bronpunten. 


Coördinaten in relatie tot de te onderzoeken data

De woorden/begrippen van de te onderzoeken data verhouden zich in een gram tot cruciale en alternatieve coördinaten.

Binnen de gegeven data zoek je naar bepaalde woorden/begrippen, die je, overeenkomstig hun dynamieken, aan een of andere coördinaat kan relateren. Een belangrijke vraag is dan ook: Welke begrippen lichten op? Afhankelijk van wat je wilt onderzoeken kan een woord/begrip op een cruciale coördinaat of een alternatief coördinaat komen te staan.

Binnen systeem dynamiek hanteren we bronpunten als 'middens' (windstreken en windrichtingen) en 'tussens' (in/uitwerkingen), maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en/of werkelijkheid.

Afhankelijk  je referentie kader, de context, de logische klasse en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kunnen binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde woorden/begrippen op een ander bronpunt/coördinaat komen te staan.

Een begrip (woord) kan meerdere betekenissen hebben. Elke betekenis kan een andere 'interne dynamiek' weergeven. Bijvoorbeeld het begrip 'water' die in verschillende culturen wordt gebruikt om een bepaalde 'dynamiek' weer te geven. 'Water' bekeken vanuit de filosofie van Aristotelis draagt een andere interne dynamiek uit, dan 'water' bekeken vanuit bijvoorbeeld: een Chinese filosofie of een Inheems Amerikaanse filosofie enz. Ook binnen in dezelfde cultuur kunnen verschillende stromingen ontstaan waardoor hetzelfde begrip onderling kan verschillen in hun betekenis en van hun interne dynamiek. Dit kan tijdens het onderzoek maar ook voor de lezer van een gram verwarring geven. Dit vraagt steeds weer te beginnen met een schone lij. Welk begrip licht op? En met welke 'interne dynamiek'?


Verbanden


Verband, is een dynamiek tussen het ene en het andere. Mogelijk tussen 2 of meerdere coördinaten. Dit verband kan aan ruimte of tijd gerelateerd worden.   Een verband in de tijd (configuratie, is een ordening in de tijd) of een verband in de ruimte (compositie, is een structuur in de ruimte).



Cruciale verbanden

De bronpunten staan in relatie tot de cruciale verbanden, die we contouren noemen.

Bij de contouren reguleren de wisselwerkingen van 'tijd/ruimte' en de wisselwerkingen 'ledig/delig', ordening en structuur.

De wisselwerking tussen tijd en ruimte verbanden zorgt voor de ordening van de contouren.
De wisselwerking tussen ledige en delige verbanden zorgt voor de structuur van de contouren.

  • 4 ledige (en-en) verband situeren we in het verlengde van het statische kruis (2 diagonale assen)
  • 4 delige (of-of) verband situeren we in het verlengde van het dynamische kruis (horizontale en verticale as)


De ordening van de contouren zorgt voor de ordening van het grondpatroon.

  • Contouren  en resonanties  zorgen voor mogelijke ordening van het grondpatroon
  • Contouren en resonanties zijn fluctuerend rond een bewegelijke lijn, homeorhese

Bij de contouren licht de nadruk meer op ordening.

Bij de contouren spelen tijd en ruimte verbanden een belangrijke rol in de wisselwerking tussen kwaliteit en kwantiteit.

  • De tijd heeft in het verband een meer kwalitatief karakter
  • De ruimte heeft in het verband een meer kwantitatief karakter

We spreken over 4 contouren:

  • Proces
  • Inhoud
  • Positie
  • Betrekking

Ook de contouren verhouden zich tot configuratie en compositie.

Proces en betrekking verhouden zich meer tot de tijd (configuratie)

Positie en inhouden verhouden zich meer tot de ruimte (compositie)

We spreken over processen en inhouden in een tijdruimte. In een tijdruimte (dynagram) is de tijd primair (de ruimte ontstaat hier uit de dynamiek van de tijd).

We spreken over posities en betrekkingen in een ruimtetijd. In een ruimtetijd (diagram) is de ruimte primair (de tijd ontstaat hier uit de dynamiek van de ruimte).

Alternatieve verbanden

In een gram kunnen alternatieve coördinaten in een mogelijke alternatieve verband gebracht worden. Toch blijven deze alternatieve verbanden in relatie tot de contouren staan.

Bijvoorbeeld. In deze 'casus gram' (link) staan alle 12 maanden (inhouden) in een jaarloop (proces). Dit proces wordt gekoppeld aan 'de maanden waarin de dagen korter worden' en 'aan de maanden waarin de dagen langer worden'. Het proces is in het grondpatroon aanwezig maar wordt niet in deze 'casus gram' letterlijk benoemd. 

Verbanden in relatie tot de te onderzoeken data

Binnen de gevonden woorden van de te onderzoeken data zoek je naar bepaalde verbanden, die  permanent en semi permanent kunnen zijn. Je zoekt een dynamiek tussen het ene en  het andere(n) woord(en).

In de te onderzoeken data zijn nog vele andere verbanden mogelijk, binnen systeem dynamiek beperken we tot de contouren en alternatieve verbanden. 

Tijdens het onderzoek kun je je afvragen wat het overeenkomstige verband is tussen deze woorden. Bijvoorbeeld,  gaat het hier meer om een tijd verband of meer om een ruimte verband. Binnen systeem dynamiek hanteren we tijd gerelateerde en ruimte gerelateerde verbanden (contouren) maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en/of werkelijkheid.

Een belangrijke vraag die je je kan stellen is: tot welke logische klasse behoren deze woorden?

Met logische klasse bedoelen we bijvoorbeeld:

Lente, zomer, herfst, winter. Ze behoren tot de logische klasse van 4 seizoen. Deze seizoenen hebben een cyclisch tijd verband. Zo volgen elkaar,  na elkaar op, in een specifieke volgorde. Ze zijn of-of in de tijd.

Afhankelijk  je begrippen, de context, referentie kader en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kan binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde logische klasse in een ander verband komen te staan.


Verhoudingen


Als je aan een 2 ledige/delige verhouding denkt dien je te denken aan antoniemen. 2 tegengestelde woorden die duidelijk van elkaar verschillen maar overeenkomstig zijn in hun logische klasse (verband).
Coördinaten die tegen over elkaar staan hebben een tegengestelde dynamiek. Toch zijn deze 2 op één of andere manier aan elkaar verbonden.


Een verhouding is een verbijzondering van een verband. Een verband kan leiden tot een verhouding, in dier voege is het verband meer algemeen en de verhouding meer bijzonder.

Verhouding, is een relatie 2 tegen over elkaar staande coördinaten (met een  mogelijke 3 coördinaat) in  een en-en verhouding en/of  een of/of verhouding.

  • Bij 2 ledige (en-en) verhoudingen heeft de verhouding een verbindend karakter
  • Bij 2 delige (of-of) verhoudingen heeft de verhouding een scheidend karakter.

Twee ledige/delige verhoudingen wil zeggen dat er 2 delen of leden zich tot elkaar kunnen gaan verhouden. Alle 2 ledige/delige verhoudingen veronderstellen 2 tegenover elkaar staande coördinaten. Een systeem dynamisch veld is opgebouwd uit deze 2 ledige/delige verhoudingen.

De verhouding kunnen we niet alleen karakteriseren als een ‘tussen’ (tweedelig) maar ook als een ‘midden’ (drieledig).

We onderscheiden ledige en delige verhoudingen.
2 ledige/delige verhoudingen worden bepaald door 2 tegenover elkaar staande bronpunten. Deze bronpunten kunnen elkaar insluiten (leden) of elkaar uitsluiten (delen). 

Ledige verhouding, lid staat voor een onscheidbaar medelid:

  • is een en-en verhouding
  • tegelijkertijd
  • heeft een insluitend verhouding
  • is complementair
  • aanvullend
  • elkaar dragend
  • elkaar voortbrengend
  • 2 ledige verhouding situeren we op de polaire as en de impuls as
Delige verhouding, deel staat voor een scheidbaar onderdeel:
  • is een of-of verhouding
  • na elkaar
  • heeft een uitsluitend .verhouding
  • is symmetrisch
  • concurrerend
  • elkaar bestrijdend
  • elkaar opheffend
  • 2 delige verhouding situeren we op de duale as en de plaats as

Wanneer we spreken over een verhouding tussen het ene en het andere, kan het ene het andere niet vervangen. Ze kunnen elkaar 'niet opheffen', 'noch samenvallen', noch zijn ze inwisselbaar, kortom ze kunnen zich slechts tot elkaar verhouden.

Cruciale verhoudingen.

Een as,  is een verhouding tussen 2 tegen over elkaar staande bronpunten.

In totaal zijn er 8(9) bronpunten, elk met een eigen specifieke dynamiek. 4 keer komen 2 bronpunten tegen over elkaar te staan. Bij alle 4 de keren hebben de 2 bronpunten die tegen over elkaar staan een tegengestelde dynamiek. Toch zijn deze 2 op één of andere manier aan elkaar verbonden, ze hebben een verhouding met elkaar.

Bij de assen reguleren de wisselwerkingen van 'tijd/ruimte' en de wisselwerkingen 'ledig/delig', ordening en structuur.

Bij de assen spelen ledige  en delige verhoudingen een belangrijke rol in de wisselwerking tussen kwaliteit en kwantiteit.

  • Het ledige heeft in de verhouding een meer kwalitatief karakter. In 'kwaliteit' speelt de verbindende factor van de leden een rol.
  • Het delige heeft in de verhouding een meer kwantitatief karakter. In 'kwantiteit' speelt de scheidende factor van de delen een rol.
Binnen systeem dynamiek hanteren we 4 cruciale verhoudingen, de 4 assen van het grondpatroon. We spreken over deze 4 assen:

2 diagonale assen:

  • Impuls as, ledige verhouding, met een en-en verhouding, includerend,  tijd as, grafisch weergegeven in golven.
  • Plaats as, delige verhouding, met een of-of verhouding, exluderend, ruimte as,  grafisch weergegeven in strepen.

2 assen, een horizontale en verticale as:

  • Duale as, delige verhouding,  met een of-of verhouding, excluderend, tijd as, grafisch weer gegeven in golven. Een horizontale as.
  • Polaire as, ledige verhouding, met een en-en verhouding, includerend, ruimte as, grafisch weer gegeven in strepen. Een verticale as.
In alle bouwpatronen blijven deze assen in hun vaste structuur, ongeacht of ze in een ruimtetijd of tijdruimte staan.

Ook de assen verhouden zich tot configuratie en compositie. De tijd assen verhouden zich meer tot een configuratie en de ruimte assen meer tot een compositie.

Alternatieve verhoudingen

In een gram kunnen alternatieve coördinaten in alternatieve verbanden, in alternatieve verhoudingen uitgewerkt worden. Al blijven deze alternatieven gerelateerd aan de cruciale verhoudingen.

Ook kunnen  in een gram de bronpunten zoals.. in een alternatieve verhouding uitgewerkt worden zoals in het volgende voorbeeld ....Ze blijven echter in 1 gram gerelateerd aan het grondpatroon, .. blijft tegen over ...staan. Elke coördinaat op zich kan weer in een grondpatroon worden uitgewerkt.

Te onderzoeken data

Binnen de gevonden woorden zoek je naar bepaalde verhoudingen, die onstabiel en/of stabiel kunnen zijn.

Binnen de te onderzoeken data kunnen woorden/begrippen in verschillende verhoudingen komen te staan. Wat staat ten opzichte van wat. Er zijn vele verhoudingen mogelijk; binnen systeem dynamiek beperken we ons door middel van de assen. Tijdens het onderzoek kun je je afvragen wat is het verschil en wat is de overeenkomst tussen deze begrippen. Denk aan antoniemen die op zich verschillend zijn maar toch zich tot elkaar kunnen verhouden, overeenkomstig hun logische klasse.

Plaatsen we meerdere 2 ledige verhoudingen in een gram, dan dien je te onderzoeken welke begrippen tot een bepaalde klasse behoren. Want een klasse bepaalt de specifiekere betekenis van elk begrip afzonderlijk, in relatie tot andere begrippen met hun specifiekere betekenissen. Zo kan in een klasse van begrippen onderling verschillende betekenissen zichtbaar worden. De samenhang in een bepaalde gram brengt dan mogelijke wisselwerkingen  tussen meerdere 2 ledige/delige verhoudingen aan het licht

Voorbeeld van begrippen die tot dezelfde klasse behoren: Lente, zomer, herfst en winter, behoren bij de klasse seizoenen.

Binnen systeemdynamiek hanteren we het verschil tussen ledige en delige verhoudingen, maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en of werkelijkheid.

Welk woord/begrip je tegen over een ander woord/begrip zet en in welke verhouding (as) je ze plaats is afhankelijk van de context.

Afhankelijk  je begrippen, hun logische klasse, referentie kader en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kan binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde begrippen in een andere verhoudingen en in een andere context komen te staan.


Raak-vlakken


Er zijn vele coördinaten mogelijk met vele onderlinge relaties. Deze relaties kunnen o.a. verbanden, verhoudingen, wisselwerkingen enz zijn. Doordat een coördinaat met andere coördinaten meerdere en verschillende relaties heeft, ontstaat er een opstapeling van deze relaties. Door deze opstapeling van relaties ontstaan er raak-vlakken. Doordat er meer of minder relaties zich kunnen opstapelen, kunnen er meer of minder raak-vlakken zijn.

Raak-vlakken zijn wederkerige wisselwerkingen tussen meerdere verhoudingen, meerdere verbanden en meerdere coördinaten.


De coördinaten (knoopunten) met hun raak-vlakken vormen een netwerk.

  • Je hebt netwerken met veel coördinaten en veel raak-vlakken.
  • Je hebt netwerken met weinig coördinaten en weinig raak-vlakken.
  •  Je hebt netwerken met veel coördinaten en weinig raak-vlakken.
  • Je hebt netwerken met weinig coördinaten en veel raak-vlakken.

Raak-vlakken zijn o.a. ruimte/tijd gerelateerde dimensies waarin de wisselwerkingen tussen coördinaten, verbanden en verhoudingen zichtbaar worden. 

Zou je bijvoorbeeld een verhouding weg laten vallen, dan verandert het raak-vlak zodanig, dat het geheel uiteenvalt in delen en leden die elkaar in deze verhouding niet meer raken.

Wanneer de delen en leden helemaal geen raak-vlakken met elkaar hebben dan verlies je aan structuur en als gevolg daarvan aan ordening.


Cruciale raakvlakken

Het grondpatroon wordt bepaald door weinig bronpunten en door veel onderlinge relaties (assen, contouren, wisselwerkingen) die elkaar raken in de raak-vlakken.

Waarbij deze raak-vlakken een harmonisch, ritmisch, geheel vormen van verandering en herhaling.

  • De vele onderlinge relaties tussen bronpunten zorgen voor verandering
  • Door het gebruik van weinig bronpunten wordt herhaling mogelijk.

De bronpunten en hun onderlinge relaties (wisselwerkingen, contouren, assen) worden gereguleerd door de wisselwerking tussen verandering en herhaling.

Bijvoorbeeld:

  • Elke as is ledig of delig in combinatie met ruimte of tijd (herhaling).
  • De combinatie is in elke as uniek (verandering).

Zo ook bij de contouren

  • Elke contour heeft een ledig of delig verband in combinatie met een tijd of ruimte verband (herhaling).
  • De combinatie is in elke contour uniek (verandering).

Deze verhoudingen en verbanden vinden 'tussen' en/of 'op' de bronpunten plaats.

  • Twee tegen over elkaar staande  bronpunten hebben een zeer verschillende unieke dynamiek (verandering).
  • Maar hebben een overeenkomstige verhouding (as) en verband (contour) (herhaling).

Bronpunten, contouren, assen  vormen met elkaar cruciale raak-vlakken. Waarbij elk raak-vlak gereguleerd wordt door de wisselwerking tussen verandering en herhaling. Deze cruciale raak-vlakken vormen een harmonisch geheel die resulteert in een resonantie van het grondpatroon. Het grondpatroon is het resultaat van al deze raak-vlakken.

Resonantie, doet afstemmen én is ‘het op elkaar afgestemde'. Door dat het ene en het/de andere/n aanwezig is, zijn er verschillende onderlinge relaties mogelijk. Deze relaties dienen een exact passend, aan elkaar sluitende dynamiek te hebben. Anders ontstaan er verstoringen van resonantie.

Resonantie wordt gereguleerd door de wisselwerking tussen verandering en herhaling.

Op de assen (verhoudingen) en in de contouren (verbanden) 'tussen' en/of 'op' de bronpunten zijn tijd/ruimte in wisselwerking met ledig/delig. Zij hebben onderlinge raak-vlakken waar een wisselwerking van verandering en herhaling zich op elkaar afstemmen in een harmonisch geheel.

De wederzijdse wisselwerking tussen configuratie (veranderend) en compositie (herhalend) bepaalt de wijze waarop het veld kan resoneren. De sterkte van deze resonantie wordt bepaald door de meest werkende configuratieve compositie. Het zoeken naar een zo krachtig mogelijk resonantie bepaalt binnen systeem dynamiek de werking van het veld en zo doende haar meerwaarde.

Een noodzakelijke resonantie bepaalt de structuur en ordening van het grondpatroon en vice versa, ordening maakt verandering mogelijk en structuur maakt herhaling mogelijk. Het grondpatroon bepaalt een cruciale resonantie.

De assen en bronpunten zorgen voor de noodzakelijke structuur van het grondpatroon.
Contouren  en resonanties  zorgen voor mogelijke ordening van het grondpatroon. Het grondpatroon kan in een tijdruimte of ruimtetijd worden uitgewerkt door de contouren. Hierdoor veranderen ook de onderlinge raak-vlakken. En ook andersom, doordat de cruciale raak-vlakken zorgen voor mogelijke ordening kan het grondpatroon uitgewerkt worden in een tijdruimte en ruimtetijd.

Bij de resonanties ligt de nadruk meer op homeostase. Ze zijn fluctuerend rond een bewegelijke lijn. Een lijn van verandering en herhaling. Ook kan elke resonantie weer een bewegelijke lijn zijn waar alternatieve raak-vlakken om heen fluctueren. De resonanties zijn dan ook een bewegelijke lijn.  

Doordat alle bouwpatronen zich verhouden tot het grondpatroon, worden de bouwpatronen ieder op zich en ten opzichte van elkaar gekenmerkt door een harmonisch geheel van raak-vlakken en de daarmee samenhangende resonanties.

De resonantie van het grondpatroon maakt deze bouwpatronen onderdeel van één systeem.

Het hologram (bouwpatroon) maakt de wisselwerking zichtbaar tussen de twee grondpatronen. De ene geordend in een dynagram en de andere in een diagram. Deze vervlechting tussen dynagram en diagram vormt een harmonisch geheel waarin de synthese tussen deze twee grondpatronen dynamisch in beeld kan worden gebracht met behoud van alle karakteristieke raak-vlakken en de daarmee samenhangende resonanties.

De twee grondpatronen van het dynagram en diagram hebben bronpunten, waarin ze elkaar raken met opstapelende  raak-vlakken. Hierdoor ontstaan in het hologram unieke resonanties.


Ook kan elke bronpunt opnieuw uitgewerkt worden overeenkomstig het grondpatroon.
 

Alternatieve raak-vlakken

In elke gram vormt het grondpatroon de basis op grond waarvan alle andere alternatieven uitgewerkt kunnen worden.

Door de alternatieve, -coördinaten, -verbanden, -verhoudingen in een gram kunnen er ook alternatieve raak-vlakken ontstaan. Deze alternatieve raak-vlakken blijven gerelateerd aan de cruciale raak-vlakken, binnen het bereik van de resonantie in het grondpatroon.

(Meerdere)  raak-vlakken in 1 veld  vermeerderen en/of verminderen de resonantie in een veld

Resonantie kan minder of meer zijn afhankelijk van de ingevoegde data en het gebruik van bronpunten, contouren en assen.

Elke op zichzelf staande gram (met cruciale en alternatieven) kan dusdanig resoneren, dat het een op zichzelf staande veld kan vormen, die als bouwmodel kan functioneren voor het maken van andere grammen. Bouwmodellen zijn grammen waarvan de gevonden unieke basiselementen (cruciale en alternatieven) in andere grammen herhaald kunnen worden.  Afbeelding bouwmodel gram PM archai kai aitiai (als link) is gebruikt voor de gram van  'opbouw van een systeem dynamisch veld'.


Raak-vlakken gerelateerd aan de te onderzoeken data

Binnen de gevonden woorden zoek je naar bepaalde raak-vlakken die mogelijk met elkaar resoneren. Deze raak-vlakken kunnen meer en/of minder zijn. 

In een gram is het mogelijk om vele woorden  (met hun verbanden en verhoudingen) op een coördinaat te plaatsen. Maar niet altijd is meer ook beter. Bij te veel aan woorden of een te weinig aan woorden verzwakt het raak-vlak. Bij een te veel dien je vorm te geven aan een nieuwe gram(model). Bij een te weinig dien je terug te gaan naar de te onderzoeken data.


Er zullen veel meer mogelijke  raak-vlakken bestaan die een veld minder en/of meer doen resoneren. We beperken ons tot de raak-vlakken en wisselwerkingen van het grondpatroon en vullen aan met mogelijke alternatieven in elke gram afhankelijk van de te onderzoeken data.

Binnen systeemdynamiek hanteren we het verschil tussen verandering en herhaling van raak-vlakken, maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en of werkelijkheid.

Wanneer je zoekt naar raak-vlakken:

  •  Kijk je naar welke woorden en de daar aan gerelateerde dynamieken oplichten, en/of nieuwe woorden oproepen. 
  • Verhouden de woorden die je bijeen brengt zich of wel tot een logische klasse?
  • Tot welke context krijgen zij een bepaalde betekenis? Welk woord laat je tegen over welk ander woord verhouden?
  • Vanuit een totaal aan onderlingen relaties kun je je afvragen van uit welk referentie kader je de te onderzoeken data bekijkt of dient te bekijken.
Afhankelijk  je begrippen, hun logische klasse, de context en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kan binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde begrippen, in dezelfde (of andere) logische klasse, in een andere verhoudingen en in een andere context komen te staan. Door deze veranderingen kunnen overeenkomstige begrippen totaal andere resonantie krijgen.

(verdieping) De aard van de configuratieve componenten: Coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak--vlakken(1,2,3,4).

Het veld is complementair en symmetrisch ingericht


Het veld is complementair (aanvullend) en symmetrisch (spiegelend) ingericht beide worden gekarakteriseerd door verschil en overeenkomst.
  • Spiegeling is symmetrisch, de spiegeling is gebaseerd op de overeenkomst, met een verschilswerking.
  • Aanvullend is complementair, de aanvulling is gebaseerd op het verschil, met een overeenkomstwerking.
Het veld is complementair en symmetrisch ingericht, dat betekent dat er geen boven is zonder onder en geen rechts zonder links. Boven en onder plaatsen we op de polaire as en links en rechts op de duale as. De 4 bronpunten van deze 2 assen krijgen in dat veld een wederkerige functie.
  • We spreken van symmetrische verhoudingen daar waar sprake is van een spiegeling. Met spiegeling bedoelen we in dit verband dat, elk coördinaat in het veld mogelijk een ander coördinaat in dat veld kan spiegelen. Ieder coördinaat heeft specifieke betekenissen. Het spiegelen houdt in, dat de betekenis van de ene coördinaat, de betekenis van een ander coördinaat kan oproepen. Zo kan het begrip ‘licht’ het begrip ‘donker’ oproepen, ‘licht’ en ‘zwaar’, ‘licht’ en ‘geluid’ enz..Deze spiegeling brengt daardoor vele nieuwe betekenissen aan het licht. Zo hebben ‘licht’ en ‘donker’ ieder op zich een eigen betekenis binnen een logische klasse, in relatie tot elkaar krijgen ze echter een specifiekere inkleuring. Door die inkleuring kunnen ze elkaar verzwakken en/of versterken. Begrippen, die in een bepaalde logische klasse horen, versterken elkaar makkelijker dan begrippen uit verschillende logische klassen. Het wakker zijn/worden aan deze logische klassen maakt dat je alleen begrippen uit 1 logische klasse, systeem dynamisch, in een samen hangend veld kan denken.
  • We spreken van complementaire verhoudingen daar waar sprake is van een aanvulling. Met aanvulling bedoelen we in dit verband, dat elk coördinaat in het veld mogelijk een ander coördinaat in dat veld kan aanvullen. Aangezien elk coördinaat een specifieke betekenis heeft (binnen een logische klasse), ontstaat de mogelijkheid dat een andere coördinaat met ook een specifieke betekenis (van dezelfde logische klasse) de eerste coördinaat kan aanvullen. Een eventuele aanvulling versterkt beide begrippen omdat ze bij elkaar horen. Bijvoorbeeld de ‘middag’ hoort bij de ‘midnacht’ zoals de ‘ochtend’ bij de ‘avond’. Deze vier begrippen behoren bij dezelfde logische klasse van de dagloop of het etmaal.
  • Bij een spiegeling staat ieder begrip nog op zichzelf, bij een aanvulling vormen ze een tweeheid die ledig of delig kan zijn. Ledig wil zeggen ze vormen samen een geheel, de een kan niet zonder de ander. ‘Dag’ kan niet zonder ‘nacht’. Delig wil zeggen ze vormen ieder, een op zichzelf staand geheel, maar kunnen als delen ook weer samen een geheel vormen. De ‘dag’ staat als onderdeel van het etmaal op zichzelf, net zo als de ‘nacht’ op zichzelf staat.
  • Het veld is zowel symmetrisch als complementair in te richten. Deze twee begrippen  kunnen  mogelijk een nog specifiekere invulling krijgen als we ze gaan toepassen op wisselwerkingen, verbanden, verhoudingen, raak-vlakken in  en tussen de velden. Zo kunnen we onder andere complementaire en symmetrische  assen in relatie tot ledige en delige verhoudingen denken. Een ledige verhouding noemen we complementair (samenwerkend) en een delige verhouding noemen we symmetrisch (tegenwerkend). De begrippen die elkaar spiegelen (concurrerend/tegenwerkend) zetten we door gaans op de duale-as en de plaats as. De begrippen die elkaar aanvullen (ondersteunend/samenwerkend) op de polaire as en de impuls as. Ledige en delige verhoudingen en de onderscheiden assen worden later verder uitgelegd.



Meerwaarde van samenhang tussen systeem dynamische velden.

Er zijn vele al bestaande modellen, ze zijn alleen niet met elkaar compatibel. Systeem dynamiek kent een grond systeem die modellen compatibel maakt en ze hierdoor met elkaar kan laten combineren en resoneren.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen
kwalitatieve en kwantitatieve systeem dynamiek. Meer lezen over het onderscheid tussen kwalitatieve SD en kwantitatieve SD kan via deze link.
Binnen kwalitatieve systeem dynamiek kunnen twee of meer velden qua compositie en/of configuratie zich tot elkaar verhouden.

Elk afzonderlijk systeem dynamisch veld staat op zich zelf in relatie tot andere velden (configuratie) en elk veld kan een plek krijgen in een ander systeem dynamisch veld en/of een plek krijgen tussen andere systeem dynamische velden (compositie).

Geïsoleerde systeem dynamische velden (grammen) zijn abstracties: hun eigenschappen zijn alleen maar definieerbaar en denkbaar door middel van de betreffende wisselwerkingen met andere systeem velden. Met hun overeenkomstige, cruciale configuratieve componenten (bronpunten, contouren, assen en resonanties) en met hun verscheidene alternatieve configuratieve componenten (alternatieve coördinaten, -verbanden, -verhoudingen en -raak-vlakken).

Niets staat op zich, maar krijgt pas betekenis in een te exploreren samenhang.
Een samenhang die je kunt lezen binnen 1 gram en/of samenhang tussen meerder grammen.

Enerzijds kan iets op zich zelf staan, maar anderzijds kan het ook een nieuwe betekenis in een te exploreren samenhang krijgen. Op zich kan je uiteindelijk stellen dat niets op zichzelf staat binnen het functionele paradigma (link), aangezien alles met alles samenhangt.

Eén systeem dynamisch uitgewerkt veld (gram) is op zich zelf zinvol, maar krijgt pas betekenis in relatie tot andere systeem dynamisch uitgewerkte velden (grammen). Hoe meer data/kennis systeem dynamisch zijn uitgewerkt, hoe meer de werkelijkheid onderzocht kan worden. Een systeem dynamisch verband laat mogelijke samenhangen zien tussen verschillende werkvelden.

Een systeem dynamisch veld is een verzameling van configuratieve componenten die naar elkaar verwijzen en naar alle andere in even zoveel separate systeem dynamische velden opdat ze hun verwijzingen aan het licht kunnen brengen.

Door middel van het grondpatroon kun je de `contouren´ complexer met elkaar in verband brengen:
Zo kunnen 'betrekkingen' tussen de verschillende 'posities' in een samenhangend geheel van 'processen' haar 'inhouden' genereren (doen worden).
  • Elk afzonderlijk systeem dynamisch veld kan een mogelijk proces initiëren met andere systeem dynamische velden, hetgeen kan leiden tot nieuwe gedachte inhouden.
  • Elk afzonderlijk systeem dynamisch veld kan een positie innemen tussen andere systeem dynamische velden waardoor nieuwe betrekkingen gedacht kunnen worden.
  • Zoals in elk systeem dynamisch veld noodzakelijk mogelijke processen (tot worden) en mogelijk noodzakelijke inhouden (tot zijn) een samen hangend geheel vormen, zo kunnen systeem dynamische velden onderling bevraagd worden op mogelijk noodzakelijke processen en noodzakelijk mogelijke inhouden.
  • Zoals in elk systeem dynamisch veld noodzakelijk mogelijke posities (tot zijn) en mogelijk noodzakelijke betrekkingen (tot worden) een samenhangend geheel vormen, zo kunnen systeem dynamische velden onderling bevraagd worden op mogelijk noodzakelijke posities en noodzakelijk mogelijke betrekkingen.
Hun zijn en worden (hun ontstaan en staan) ontlenen de systeemvelden aan de wisselwerking tussen hun wederzijdse processen en posities (inhouden en betrekkingen).

Zo gezien, verschijnt een systeem dynamisch geordende werkelijkheid als een gecompliceerd weefsel van configuratie en compositie, waarin verbindingen en afscheidingen elkaar afwisselen, overlappen of met elkaar combineren teneinde het weven van het geheel, als een altijd voorlopige resultante van de dynamiek tussen leden en delen, in werking te zien treden.

Om systeem dynamisch te kunnen denken dient elk waar te nemen systeem (een gram als systeem veld) geïsoleerd te worden om duidelijk gevisualiseerd te kunnen worden. Voorts moet een waar te nemen systeem ook in wisselwerking treden met andere waar te nemen systemen om duidelijk te kunnen worden waargenomen in haar momentane configuratieve componenten op zich en in relatie tot andere waar te nemen systemen.


Meta perspectief


Systeem dynamisch leren denken impliceert het kunnen hanteren van een wisselwerking tussen een 'open' denkraam
en een 'gesloten' werkraam, en hiermee het kunnen innemen van een meta perspectief
.
Door de wisselwerking
tussen een 'licht bron' ('open' denkraam) en een 'grondpatroon' ('gesloten' werkraam) enerzijds en anderzijds tussen 2 en/of meerdere gescheiden grammen ontstaan mogelijke nieuwe optieken en perspectieven. Dit geheel te samen in ogenschouw kunnen nemen, vormt het meta perspectief waardoor er nieuwe kennis kan oplichten en/of inlichten. Het kunnen weven tussen werkraam  en denkraam geeft inzicht en doorzicht.

Nieuwe kennis kan nog van alles zijn/worden: mogelijke verhoudingen, verbanden, onderzoeksvragen, een 3de gram enz. Nieuwe kennis die juist tot stand kan komen door het ene en/of het andere gram te relateren in relatie tot het (gesloten) werkraam en/of het (open) denkraam, waardoor het tot bewustzijn kan komen.

Twee of meerdere grammen (bijvoorbeeld gram a en gram b) zijn enerzijds van elkaar gescheiden maar zijn anderzijds geordend aan het grondpatroon.

Systeem dynamisch leren denken geeft zicht van uit een lichtbron, een 'open denkraam', transcendent aan de werkelijkheid, waardoor je doorzicht verwerft.

Systeem dynamisch leren denken geeft zicht op het grondpatroon, een 'gesloten werkraam', immanent aan de werkelijkheid, waardoor je inzicht verwerft.

Kennis ordenen aan de structuur van een grondpatroon maakt het mogelijk om deze kennis te toetsen aan algemene systeem dynamische regels (configuratieve componenten).

Tegelijkertijd blijft de mogelijkheid bestaan om met een open denkraam vanuit een lichtbron nieuwe kennis te verbijzonderen.

Met het woord 'lichtbron' willen we het verband tussen licht en denken zichtbaar maken. Aangezien het denken een licht kan werpen op de te onderzoeken data.

Meta perspectief oefent een vorm van aandacht waaraan het bewustzijn kan ontwaken. Een wisselwerking tussen een gesloten werkraam en een open denkraam, waarin het denken zodanig beweeglijk wordt dat er een lichtbron ontsloten kan worden. Lichtbron en grondpatroon vormen met elkaar een polaire dynamiek; ze zijn tegelijkertijd.

Deze lichtbron brengt een  tot nu toe onvermoede dimensie aan het licht. Het pragmatische doel van systeem dynamiek moet leiden naar het openleggen van de te onderzoeken data. In het kunnen oefenen van een methodische weg, kun je deze lichtbron gebruiken om de
barrières in het denken zelf te overstijgen zonder afbreuk te doen aan de rijkdom en verscheidenheid van dit denken, zodat het verborgen potentieel van de menselijke geest aan het licht kan komen.



Het belang van onder/scheiden.


Enerzijds kun je in systeem dynamisch denken en werken alles met alles verbinden anderzijds dien je ook het nodige te onder/scheiden, wat met zich mee brengt dat je regels moet opstellen.

Verstoringen in en door het denken en waarnemen worden ingelost door de onderling te verhouden systeemvelden streng te isoleren opdat de mogelijke spiegelingen kunnen oplichten (beeldend) en of inlichten (begrijpend).

Voor een adequate spiegeling dient die afgrenzing zo volledig als mogelijk gerealiseerd te worden, evenwel zijn alle mogelijke analogieën slechts benaderingen van mogelijke verschillen en mogelijke overeenkomsten.

Een analogie ontstaat uit de systeem dynamische wisselwerking en/of interactie tussen 2 gescheiden systeemvelden die elk op zich zelf staan. Deze wisselwerking en/of interactie maakt een meta perspectief mogelijk.

Afzonderlijke systeemvelden zijn idealisaties die alleen dan betekenis krijgen als hun onderlinge wisselwerking systeem dynamisch kan worden geoptimaliseerd.

Bij gevolg kunnen denkprocessen restricties (onjuiste) projecteren op de werkelijkheid, waar die niet zijn, maar wie kan zonder die restricties zien en of denken? Vandaar dat we in het denken heel bewust restricties (juiste) dienen aan te brengen. Immers de werkelijkheid op zich zelf kun je niet zien, pas door je te beperken kan je tot waarnemen en denken komen. Anders zie je door de bomen het bos niet meer of je ziet door het bos de bomen niet meer.

Systeem dynamisch denken en werken impliceert dat je scherp dient te krijgen vanuit welk referentie kader en/of optiek je de werkelijkheid onderzoekt.

Vandaar dat het wijs is om die restricties dan ook in beeld en tot begrip te brengen als systeem dynamisch geordende waarschijnlijkheidsvelden.

Immers er is geen universele logica en of mathematica, laat staan een universele systeem dynamiek, het zijn allen slechts pogingen met hun specifieke restricties. Middels deze keurig in beeld en tot begrip gebrachte restricties, mits in systeem dynamisch geordende structuren, is het mogelijk van een nood een deugd te maken, met andere woorden niet de projecties afserveren, maar ze nutten om het projectiescherm middels systeem dynamiek zodanig in te richten dat het zien kan oplichten en of inlichten.

De restricties die we hier bedoelen houdt in dat je de gegeven configurtatieve componenten, bouwpatronen, grammen etc. exact dient te definiëren. Door ze zo precies mogelijk te omschrijven kunnen we mogelijke functies onderscheiden. Die functies worden in de schoenveter nader stap voor stap aan de orde gesteld en uitgelegd.

Systeemdynamiek zoekt een samenhangend geheel te bewerken van afzonderlijke waar te nemen, coördinaten, verbanden, verhoudingen,
raak-vlakken  en systeem velden.

Systeemdynamiek wil bloot leggen dat in alles een totale onderlinge verbondenheid en een onderlinge gescheidenheid werkzaam wil worden.

Systeem dynamiek leren en studeren


Kern van systeem dynamiek leren en studeren:
  • Het leren van een nieuwe onderzoeksmethode.
  • Ontologische paradigma en mythische paradigma samen te brengen in een functioneel paradigma door middel van een open systeem model.
  • Als instrument een midden te vormen tussen verschillende werkvelden, optieken, perspectieven, visies..
  • Het leren denken vanuit een meta perspectief.
  • Ontwarren van tal van wisselwerkingen tussen mogelijke woorden (inc. hun dynamieken) van de te onderzoeken data.
  • Leren denken in een verbindend grondpatroon van cruciale en alternatieve -wisselwerkingen -coördinaten, -verbanden  -verhoudingen  en -raak-vlakken.
  • Woorden (van de te onderzoeken data) met hun dynamieken kunnen verbinden aan het grondpatroon zodat grammen met elkaar compatibel zijn.
  • Het combineren van grammen om zo nieuwe kennis te laten oplichten.
  • Het grondpatroon, de bouwpatronen, de bouwmodellen, grammen verder ontwarren en/of kunnen vormgeven. 
  • Systeem dynamiek verder ontwikkelen en inwikkelen  

Introductie schoenveter
Om de systeem dynamische velden stap voor stap te begrijpen en er mee te leren werken, hebben we vorm gegeven aan de structuur genese die we de schoenveter noemen. Met de naam schoenveter proberen we tot uitdrukking te brengen dat je deze structuur genese op velerlei manieren kunt doorlopen. Er zijn meerdere te denken wisselwerkingen, grafisch weergegeven met de licht grijze strakke pijltjes.  (link totale schoenveter)

Leren denken in velden
De schoen veter is opgebouwd uit systeem dynamische geordende velden, die enerzijds bestaan uit strikt te onderscheiden velden maar anderzijds ook op verschillende wijzen zijn te verbinden.

Bijvoorbeeld:

Veld, sfeer, vorming en werking zijn 4 op zich zelf staande systeem dynamische velden. Samen verhouden ze zich tot elkaar in 1 groter systeem dynamisch veld. Dus een set van 4. De schoenveter is verder weer opgebouwd uit meerder sets van 4 systeem velden (link evt onderliggende verhoudingen)

Elk systeem dynamisch veld van de schoenveter zal bij 'stap voor stap' worden uitgelegd.

Leren denken in verhoudingen

Als je aan een 2 ledige/delige verhouding denkt dien je te denken aan antoniemen. 2 tegengestelden woorden die duidelijk van elkaar verschillen maar zijn overeenkomstig in hun logische klassen.

Voorbeelden van 2 ledige/delige verhoudingen (
Binnen systeemdynamiek hanteren we het verschil tussen ledige en delige verhoudingen, maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en of werkelijkheid):

  • Er is geen begin zonder einde en geen einde zonder begin.
  • Er is geen sfeer zonder veld en geen veld zonder sfeer.
  • Er is geen vorming zonder werking en geen werking zonder vorming.
  • Er is geen geheel zonder deel en geen deel zonder geheel.
  • Er is geen punt zonder omtrek en geen omtrek zonder punt.
  • Er is geen impuls zonder plaats en geen plaats zonder impuls.
  • Er is geen tijd zonder ruimte en geen ruimte zonder tijd.
  • Er is geen horizontaal zonder verticaal en geen verticaal zonder horizontaal.
  • Er is geen dynamiek zonder statiek en geen statiek zonder dynamiek.
  • Er is geen web zonder matrix en geen matrix zonder web.
  • Het onbepaalde is niet zonder het bepaalde en het bepaalde is niet zonder het onbepaalde.
  • Er is geen dynagram zonder diagram en geen diagram zonder dynagram.
  • Er is geen tijdruimte zonder ruimtetijd en er is geen ruimtetijd zonder tijdruimte.
  • Er is geen gedachtegang zonder iets te denken en zonder iets te denken is er geen gedachtegang.
  • Er is geen verhaal zonder woorden en geen woorden zonder verhaal.
  • Er is geen kosmos zonder mens en geen mens zonder kosmos.
  • Er is geen subject zonder object en geen object zonder subject.
  • Er is geen beeld zonder begrip en geen begrip zonder beeld.
  • Er is geen betrekking zonder positie en geen positie zonder betrekking.
  • Er is geen synthese zonder analyse en geen analyse zonder synthese.
  • Er is geen divergentie zonder convergentie en geen convergentie zonder divergentie.
  • Er is geen insluiting zonder uitsluiting en geen uitsluiting zonder insluiting.
  • Er is geen praxis zonder theoria en geen theoria zonder praxis.
  • Er is geen werkelijkheid zonder waarschijnlijkheid en geen waarschijnlijkheid zonder werkelijkheid.
  • Er is geen ordening zonder structuur en geen structuur zonder ordening.
  • Het immateriële is niet zonder het materiële en het materiële is niet zonder het immateriële.
  • Er is geen geest zonder stof en geen stof zonder geest.
  • Er is geen licht zonder donker en geen donker zonder licht.
  • Er is geen energie zonder massa en geen massa zonder energie.
  • Er is geen complex zonder simplex en geen simplex zonder complex.
  • Er is geen worden zonder zijn en geen zijn zonder worden


Het aan elkaar relateren van 2 ledige/delige verhoudingen:

2 ledige/delige verhoudingen verhouden zich tot elkaar in  een te onderzoeken spoor van hypothetische  sequenties waarin 'worden' leidt tot 'zijn' en 'zijn' tot 'worden':


worden veranderlijk tijd proces onbepaald ongedifferentieerd verbinden holisme organisme ondeelbare actieve inwendige krachten onmiddelijke analoge zijn
zijn onveranderlijk ruimte positie bepaald gedifferentieerd afscheiden tomisme mechanisme deelbare passieve uitwendige krachten middelijke causale worden


2 ledige/delige verhoudingen kun je met elkaar via een lineaire reeks in relatie brengen. Hier kan zichtbaar worden hoe het een met het ander samenhangt. Maar  er kan ook verwarring ontstaan doordat het ene weer kan leiden tot het andere, 'worden' wordt 'zijn' en 'zijn' wordt 'worden'.  Elk begrip heeft meerdere betekenissen, maar door het voorafgaande of volgende begrip krijgt het een specifiekere betekenis binnen die reeks waardoor het langzamer hand kan omslaan in haar tegendeel.

Plaatsen we meerdere 2 ledige/delige verhoudingen in een gram door middel van de assen, dan dien je te onderzoeken welke begrippen tot een bepaalde klasse behoren. Want een klasse bepaalt de specifiekere betekenis van elk begrip afzonderlijk, in relatie tot andere begrippen met hun specifiekere betekenissen. Zo kan in een klasse van begrippen onderling verschillende betekenissen zichtbaar worden. De samenhang in een bepaalde gram brengt dan mogelijke wisselwerkingen  tussen meerdere 2 ledige/delige verhoudingen aan het licht

De schoenveter zelf is ook opgebouwd uit 2 ledige/delige verhoudingen.

Voorbeelden 2 ledige/delige verhoudingen binnen 1 systeem dynamisch veld:


  • Het onbegrensde is niet zonder het begrensde en het begrensde is niet zonder het onbegrensde.
  • Het oneindige is niet zonder het eindige en het eindige is niet zonder het oneindige.
De begrippen onbegrensd, begrensd, oneindig en eindig staan hier in relatie tot het 'veld'.

De assen worden gevormd door cruciale verhoudingen. Elke as verwijst naar een 2 ledige/delige verhoudingen.  Onderscheiden verhoudingen geven we weer met onderscheiden assen. Deze assen worden verder op verder uitgelegd.


De volgende voorbeelden geven aan hoe je woorden in een in een ruimte en/of tijd verband/verhouding kan denken.


Ordening (t) en/of structuur (r)
coherent (t) en/of consistent (r)
ledigheid (t) en/of deligheid (r)
configuratie (t) en/of compositie (r)
beeld (t) en/of begrip (r)
proces (t) en/of positie (r)
betrekking (t) en/of inhoud (r)
dynagram (t) en/of diagram (r)

De schoenveter zelf is ook opgebouwd in ruimte en tijd verbanden en verhoudingen.

Leren denken in verbanden:

Posities in een ruimte verband:
Boven, beneden, binnen, buiten
Hoog, laag, links, rechts

Processen in een tijd verband
Ochtend, middag, avond, midnacht
stijgen, verspreiden, dalen, verzamelen
Smelten, verdampen, condenseren, stollen



  • Werking,  tijd verband (een proces van uitsluiten, ontsluiten, insluiten en omsluiten).
  • Vorming,  ruimte verband (meerdere basale vormen in posities gebracht)

Verder in de tekst gaan we de cruciale verbanden uitleggen.

In eerste instantie plaatsen we de meer tijd gerelateerde verbanden aan de rechterkant en de meer ruimte gerelateerde verbanden aan de linker kant. We maken een onderscheid tussen  tijd en ruimte, beiden zijn niet te scheiden, maar wel te onderscheiden, vandaar dat beiden zowel links als rechts in de schoenveter voorkomen. Als we de verbanden aan de orde stellen, benoemen we ze als een tijdruimte en/of ruimetijd.

Leren denken in coördinaten. 

Doorgaans hebben bronpunten een vaste plek in relatie tot elkaar (dmv de assen) en een variabele plek in relatie tot ruimte (diagram) en tijd (dynagram) (dmv de contouren).  Afhankelijk van de ingevoegde en te onderzoeken data kunnen plekken en functies variëren.

Door de bronpunten te bepalen kunnen we werken met overeenkomstige coördinaten in meerdere velden.

Hoe lezen we overeenkomstige coördinaten binnen de schoen veter.
We geven hier een voorbeeld van overeenkomstige coördinaten tussen 2 systeem dynamische gerelateerde velden. Ze staan aan de rechter kant van de schoen veter. Let op het betreffen hier dynagram coördinaten (proces en tijd gerelateerd):


  • Continu - uitsluiten (bronpunt oostelijk)
  • Niets - ontsluiten (bronpunt zuidelijk)
  • Discontinu - insluiten (bronpunt westelijk)
  • Iets - omsluiten (bronpunt noordelijk)
Deze begrippen betekenen ieder op zich iets. Deze begrippen krijgen een extra betekenis binnen de context van een verzameling begrippen, aangeduid met een centraal begrip; in dit voorbeeld sfeer of werking. Deze begrippen krijgen nog een extra betekenis doordat ze in een tijds gerelateerd proces staan.















Hier een voorbeeld van overeenkomstige coördinaten van 2 systeem velden die aan de linker kant van de schoen veter staan. Let op het betreffen hier diagram coördinaten (positie en ruimte gerelateerd)


  • Oneindig - punten (oost)
  • Onbegrensd - krommen (zuid)
  • Begrensd - rechten (noord))
  • Eindig - Lijnen (west)
Ook hier betekenen de begrippen ieder op zich iets. Deze begrippen krijgen een extra betekenis binnen de context van een verzameling begrippen, aangeduid met een centraal begrip; in dit voorbeeld veld en vorming. Deze begrippen krijgen nog een extra betekenis doordat ze in een ruimte gerelateerde positie staan.
















Voorbeeld van overeenkomstige coördinaten binnen 2 onder scheiden systeem velden. De een aan de rechter kant en de ander aan de linker kant van de schoen veter.


  • Continu (oostelijk) - oneindig (oost)
  • Niets (zuidelijk) - onbegrensd (zuid)
  • Discontinu (westelijk) - eindig (west)
  • Iets (noordelijk) - begrensd (noord)
Deze hebben overeenkomstige coördinaten die wel verschillen. De rechterkant (sfeer) is meer tijd gerelateerd en de linker kant (veld) is meer ruimte gerelateerd. Dat maakt dat deze overeenkomstige coördinaten een andere functie krijgen waardoor ze niet meer op een vergelijkbare plek staan. Uit het voorbeeld lees je nu hoe continu met oneindig samen hangt enz. Als je deze gegeven reeks van woorden van overeenkomstige coördinaten volgt, zie je hoe ze in beide velden op een andere plek staan. Hoe we aan deze overeenkomstige coördinaten komen en hoe ze zich verhouden tot ruimte en tijd leggen we later verder uit.

Voorbeeld van 2 2 ledige/delige verhoudingen (sfeer en veld, vorming en werking) waarin de eerste laag (sfeer en veld) overeenkomstige coördinaten laat zien met de tweede laag (werking en vorming). Deze twee lagen vormen een setje van 4 systeem velden die zich dynamisch tot elkaar kunnen gaan verhouden.


  • Er is geen sfeer zonder veld en geen veld zonder sfeer.
  • Er is geen werking zonder vorming en geen vorming zonder werking.
  • Sfeer en werking zijn meer tijd en proces gerelateerd.
  • Veld en vorming zijn meer ruimte en positie gerelateerd.
Dit setje van 4 kun je ook kruislings lezen.
  • Er is geen sfeer zonder vorming en geen vorming zonder sfeer.
  • Er is geen werking zonder veld en geen veld zonder werking.
Tussen overeenkomstige coördinaten die ergens in ruimte en tijd staan kan een overeenkomst ontstaan ondanks aan die coördinaten gekoppelde data die van elkaar kunnen verschillen. De kracht van een systeem dynamisch veld wordt bepaald door de wijze waarop je die coördinaten qua functie in tijd en ruimte gaat structureren. Als je deze structuren goed geordend hebt dan kan je mogelijke nieuwe overeenkomsten gaan zien tussen absoluut verschillende te onderzoeken data. Binnen een systeem dynamisch verband, dankzij de coördinaten, de bronpunten, die op een overeenkomstige plek moeten staan.

Let op
de overeenkomst krijgt verderop bij het uitwerken van de regels van de analogie nog een andere betekenis wanneer we het hebben over de regel van de analogia (M. Foucault). Het toepassen  van deze regel  (analogia) vormt binnen een systeem dynamisch veld, een belangrijke functie in het weergeven van en het zoeken naar de overeenkomstige coördinaten.


Systeem dynamiek, stap voor stap.


Grondpatroon


Dit grondpatroon is voor systeem dynamiek cruciaal, een grondpatroon met vast omschreven delen en leden. Zonder deze delen en leden worden modellen (grammen)  niet met elkaar compatibel.  Dit grondpatroon tracht een kleinst mogelijke eenheid te representeren. Hoe simplexer dit grondpatroon, des te hechter het systeem en des te dynamischer er gewerkt kan worden in en met dit systeem, vandaar de term systeem dynamisch. Dit grondpatroon is systematisch zo ingericht dat dynamiek mogelijk wordt.

Het grondpatroon kent cruciale configuratieve componenten:

  • Cruciale coördinaten, bronpunten
  • Cruciale verbanden, contouren
  • Cruciale verhoudingen, assen
  • Cruciale raak-vlakken, resonanties


De begrippen: coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken worden 'algemeen' gebruikt.

De begrippen: bronpunten, contouren, assen en resonanties zijn specificaties van deze 'algemene' begrippen, die zich specifiek verhouden tot het grondpatroon.



Verhoudingen en assen

Algemeen,Verhoudingen en assen  

(tussen coördinaten en bronpunten).


Een verhouding is een verbijzondering van een verband. Een verband kan leiden tot een verhouding, in dier voege is het verband meer algemeen en de verhouding meer bijzonder.

Wanneer we spreken over een verhouding tussen het ene en het andere, kan het ene het andere niet vervangen. Ze kunnen elkaar 'niet opheffen', 'noch samenvallen', noch zijn ze inwisselbaar, kortom ze kunnen zich slechts tot elkaar verhouden. 

Als je aan een 2 ledige/delige verhouding denkt dien je te denken aan antoniemen. 2 tegengestelde woorden die duidelijk van elkaar verschillen maar overeenkomstig zijn in hun logische klasse (verband).

In totaal zijn er 8(9) bronpunten, elk met een eigen specifieke dynamiek. 4 keer komen 2 bronpunten tegen over elkaar te staan. Bij alle 4 de keren hebben de 2 bronpunten die tegen over elkaar staan een tegengestelde dynamiek. Toch zijn deze 2 op één of andere manier aan elkaar verbonden.

We kunnen dan spreken over 4 verhoudingen (4 x 2 bronpunten). Door dat elke bronpunt een  eigen specifieke dynamiek heeft leidt dit tot 4 verhoudingen met ieder een specifieke karakteristiek, die weer gegeven wordt door 4 assen met hun nog toe te kennen functie.

Ter herinnering: Resonantie en assen zijn minder aantoonbaar dan de contouren en de bronpunten.

Wanneer we de assen proberen zichtbaar te maken dan dienen we te vertrekken van uit een samenhangende grootheid of gestalt. Mede omdat de assen in alle grammen en in het grondpatroon niet zonder de bronpunten en contouren kunnen functioneren.

Abstract kunnen we de functie van een as wel uitleggen maar als je de functie van een as wil concretiseren dan dien je dat te illustreren aan een samenhangend geheel.

Een as is een grafische weergave van een 2 ledige of 2 delige verhouding, die 2, tegenover elkaar staande, bronpunten verbindt.

  • 2 tegen over elkaar staande bronpunten.
  • De verhouding is ledig (verbindend karakter) of delig (scheidend karakter).
  • De verhouding is tijd gerelateerd of ruimte gerelateerd.
  • De verhouding heeft een 'tussen' of 'midden'. De verhouding kunnen we niet alleen karakteriseren als een ‘tussen’ (tweedelig) maar ook als een ‘midden’ (drieledig).

We onderscheiden ledige en delige verhoudingen. Twee ledige/delige verhoudingen wil zeggen dat er 2 delen of leden zich tot elkaar kunnen gaan verhouden. Alle 2 ledige/delige verhoudingen veronderstellen 2 tegenover elkaar staande coördinaten. Een systeem dynamisch veld is opgebouwd uit deze 2 ledige/delige verhoudingen. 

Alles heeft een verhouding met elkaar, uiteindelijk kun je mogelijke verhoudingen terug brengen tot 4 cruciale karakteristieke verhoudingen  tussen 2 bronpunten. 

2 ledige/delige verhoudingen worden bepaald door 2 tegenover elkaar staande bronpunten. Deze bronpunten kunnen elkaar insluiten (leden) of elkaar uitsluiten (delen).

Ledige verhouding:

Ledige verhouding, lid staat voor een onscheidbaar medelid:
  • is een en-en verhouding
  • tegelijkertijd
  • heeft een insluitend verhouding
  • is complementair
  • aanvullend
  • elkaar dragend
  • elkaar voortbrengend/meewerkend
  • 2 ledige verhouding situeren we op de polaire as en de impuls as
Delige verhouding:

Delige verhouding, deel staat voor een scheidbaar onderdeel:
  • is een of-of verhouding
  • na elkaar
  • heeft een uitsluitend verhouding
  • is symmetrisch
  • spiegelend
  • elkaar bestrijdend (concurrerend)
  • elkaar opheffend/tegenwerkend
  • 2 delige verhouding situeren we op de duale as en de plaats as

De ledige en/of delige verhoudingen bepalen het ledige en/of delige karakter van de assen.

  • 2 ledige (en-en) verhouding situeren we op de polaire as en de impuls as
  • 2 delige (of-of) verhouding situeren we op de duale as en de plaats as

 De verhouding wordt meer bepaald door het ledige en delige karakter van de bronpunten.

  • Bij 2 ledige (en-en) verhoudingen heeft de verhouding een verbindend karakter
  • Bij 2 delige (of-of) verhoudingen heeft de verhouding een scheidend karakter.

Bij de assen spelen ledige  en delige verhoudingen een belangrijke rol in de wisselwerking tussen kwaliteit en kwantiteit.

  • Het ledige heeft in de verhouding een meer kwalitatief karakter. In 'kwaliteit' speelt de verbindende factor van de leden een rol.
  • Het delige heeft in de verhouding een meer kwantitatief karakter. In 'kwantiteit' speelt de scheidende factor van de delen een rol.

Bij de assen reguleren de wisselwerkingen van 'tijd/ruimte' en de wisselwerkingen 'ledig/delig', ordening en structuur. Delige en/of ledige verhoudingen staan in wisselwerking met ruimte en/of tijd verhoudingen.

  • Tijd loopt, actief.
  • Ruimte staat, passief.

Binnen systeem dynamiek hanteren we 4 cruciale verhoudingen, de 4 assen van het grondpatroon. We spreken over deze 4 assen:

2 diagonale assen:

  • Impuls as, ledige verhouding, met een en-en verhouding, includerend,  tijd as, grafisch weergegeven in golven.
  • Plaats as, delige verhouding, met een of-of verhouding, exluderend, ruimte as,  grafisch weergegeven in strepen.

2 assen, een horizontale en verticale as:

  • Duale as, delige verhouding,  met een of-of verhouding, excluderend, tijd as, grafisch weer gegeven in golven. Een horizontale as.
  • Polaire as, ledige verhouding, met een en-en verhouding, includerend, ruimte as, grafisch weer gegeven in strepen. Een verticale as.

De assen zijn een vast gegeven in een systeem dynamisch veld. In alle bouwpatronen blijven deze assen in hun vaste structuur, ongeacht of ze in een ruimtetijd of tijdruimte staan. Zij blijven het zelfde en zorgen voor een noodzakelijke structuur van het grondpatroon.

  • Bronpunten  en assen zorgen voor noodzakelijke structuur van het grondpatroon.
  • Bronpunten en assen zijn fluctuerend rond een vast punt, homeostase.
  • Bij de bronpunten ligt de nadruk meer op homeostase.
  • Bij de assen ligt de nadruk meer op structuur.

Ook de assen verhouden zich tot configuratie en compositie. De tijd assen verhouden zich meer tot een configuratie en de ruimte assen meer tot een compositie.



Impuls as en plaats as




We beelden hier de impuls as en de plaats as afzonderlijk naast elkaar. Hiermee brengen we tot uitdrukking dat de impuls as gerelateerd is aan de tijd (rechterzijde van de schoenveter) en de plaats as gerelateerd aan de ruimte (linkerzijde van de schoenveter).

Ter herinnering: We onderscheiden hier tijd (rechterzijde) en ruimte (linkerzijde), het ene is niet bepalender dan het andere. Ze zijn wel te onderscheiden maar niet te scheiden.

De impuls kan in relatie tot de plaats meer bepalend worden waardoor de impuls vooraf kan gaan aan de plaats. De plaats kan op zijn beurt weer leiden tot een impuls. De vraag is steeds opnieuw hoe het 'ene' met het 'andere'  samenhangt.  Oorzaak en gevolg is dan slechts een aspect van deze samenhang. Een ander aspect is dat een en-en verhouding mogelijk voorafgaat aan een of-of verhouding.

De impuls as en de plaats as verbinden 4 bronpunten met een en-en verband (contouren), waardoor deze assen niet los van elkaar voorkomen.
In de grammen verbindt het statische kruis 4 bronpunten. Deze 4 bronpunten  kunnen een betrekking, positie, inhoud of proces weer geven. Ze bestaan altijd in een set van minimaal 4. 4 betrekkingen of 4 posities of 4 inhouden of 4 stappen in een proces. Gevoelsmatig nog wel een verschil in dynagram en diagram, door de sympathische en antipathische route van het diagram. Waar door we hier in vaker een 2x2 zien.

Deze 4 bronpunten hebben ieder een eigen
specifieke dynamiek. Deze dynamieken kunnen we relateren aan dynamieken van de elementen: Vuur, Lucht, Water en Aarde.


  • Impuls as, actief (tijd), verbindend (en-en)
  • Plaats as, passief (ruimte), scheidend (of-of)

Ter herinnering:
We maken gebruik van 8 (9) bronpunten. Deze bronpunten hebben ieder een eigen
specifieke (interne) dynamiek, beeldend in de tijd en begrijpend in de ruimte. Aan deze bronpunten verbinden we de volgende begrippen : Oost, Zuidoost, Zuid, Zuidwest, West, Noordwest, Noord, Noordoost
  • O, droog, autonoom
  • Z, warm, discentrisch
  • W, nat, heteronoom
  • N, koud, concentrisch
  • ZO, vuur element, met een  autonoom discentrische dynamiek
  • ZW, lucht element, met een heteronoom discentrische dynamiek
  • NW, water element, met een  heteronoom concentrische dynamiek
  • NO, aarde element, met een autonoom concentrische dynamiek 

4b the Elements and the Ground rules

We leggen deze assen apart uit,  ze zijn niet van elkaar te scheiden maar wel te onderscheiden.

De impuls as

Deze diagonale as wordt als volgt gekarakteriseerd:
  • de tijd als een tegelijkertijd
  • een en-en verhouding
  • een 2 ledige verhouding
  • een insluitende verhouding/includerend
  • een synchroon karakter
  • geen 'tussen', wel een 'midden'
  • 'samenwerkend'
  • een ‘sprong karakter’ in de tijd
  • een 'impuls karakter'.



Wanneer we de tijd als een tegelijkertijd beelden, dienen we voor de helderheid de tijd hier even los te  koppelen van de ruimte. De tijd bestaat niet op zichzelf los van de ruimte (vandaar dat we verderop spreken van de ruimtetijd die we relateren aan het diagram).

Wanneer we de tijd als een tegelijkertijd aan de orde stellen, kennen we aan de dimensie van de tijd een even groot belang toe als aan de dimensie van de ruimte (vandaar dat we ook spreken van de tijdruimte die we relateren aan het dynagram).

De impuls as laat de verhouding zien tussen Zuidoost en Noordwest (Water en vuur). Autonoom discentrich (ZO) en heteronoom concentrisch (NW) vormen uitzicht zelf al een combinatie van 2 bewegingen die elkaar aanvullen. Er hoeft daar door niet tussen hun bemiddeld te worden.  Ze zijn met elkaar verbonden en vullen elkaar aan (ze sluiten elkaar in).. En-en, actie en interactie hoeven niet bemiddeld te worden. Er kan sprake zijn van een tegelijkertijd.

(actie=ZO, reactie=ZW, interactie=NW en transactie=NO)

Door het autonomen karakter van ZO verstuift het discentrische karakter niet alle kanten op. Het zijn 2 bewegingen die elkaar aanvullen. Zo ook geldend voor NW, door het heteronome karakter blijft het concentrische in verbinding en zal het zich niet isoleren.

Impuls as is een tijd as met een en en verhouding. Het gaat om 
verbinding. Ze hoeven niet bemiddeld te worden. Het is al verbonden. Dit 
laat een impuls in de tijd goed zien. In een impuls komen dingen te 
gelijkertijd in 1 keer bij elkaar. 

Te vergelijking met de plaats as:
de impuls as actief en verbindend
de plaats as passief en scheidend.
Te vergelijken met de duale as en de polaire as.
De duale as is actief en scheidend.
De polaire as is passief en verbindend.
De impuls as is actief (tijd) en verbindend (en-en)

De tijd als een tegelijkertijd speelt zich af in de tijd ongeacht de ruimte dimensie.Met het woord 'tegelijkertijd' proberen we tot uitdrukking te brengen dat  een verhouding tussen deze 2 bronpunten (OZ en NW) leidt tot een gelijktijdige impuls. Tegelijkertijd wil even zo veel zeggen al een 'onmiddellijk' samenhangende verhouding. Zo'n samenhangende verhouding in de tijd kunnen we weergeven met het woord 'synchroon'

De impuls as met een en-en verhouding (in de tijd) kent geen 'tussen' maar wel een 'midden', dit 'midden' wordt bewerkt door een 'samenwerkende'  verhouding tussen twee bronpunten.

Met een en-en verhouding bedoelen we dat zowel de ene bronpunt (ZO) als de andere bronpunt (NW) tegelijkertijd dienen te bestaan. Dat impliceert dat gegeven bronpunten zodanig samenhangen dat ze te beschouwen zijn als twee leden van 1 geheel. Dit geheel verstaan we  als een verhouding waarin  sprake is van 2 leden die elkaar insluiten (includeren). 

De impuls as beeldt een 'sprong' karakter in de tijd. Een impuls is een verbijzondering van de tijd waarin de specifieke tijd, 'het momentum', het 'tijdstip', het 'wanneer' een belangrijke rol speelt. Het momentum is het bepalende tijdstip waarin iets kan ontstaan en/of vergaan, verschijnen en/of verdwijnen.
Een impuls hangt samen met de mate van versnellen of vertragen.

Voorbeeld:

Ter herinnering:

  • ZO, vuur element, met een  autonoom discentrische dynamiek
  • NW, water element, met een  heteronoom concentrische dynamiek

Bronpunt NW (water) en bronpunt ZO (vuur) vormen samen een Impuls as. Deze diagonale as symboliseert de Zelf-functie, die de mogelijkheid geeft om de tijd te exploreren doordat het zelf zich kan verbinden. Er is geen verbinding zonder een tegelijkertijd. Deze as wordt grafisch gegolfd weergegeven in de grammen. 

Bij het statische kruis leggen nader uit we bedoelen met de Zelf-functie en Ik-functie en hun samenhang. 

Afbeelding teken, plaatje (fysica), gram, symbool


De plaats as

Deze diagonale as wordt als volgt gekarakteriseerd:
  • de ruimte als een na-elkaar 
  • een of-of verhouding.
  • een 2 delige verhouding
  • een uitsluitende verhouding /excluderend
  • een a-synchroon karakter
  • geen 'midden', wel een 'tussen'
  • 'tegenwerkend'
  • een ‘sprong karakter’ in de ruimte
  • een 'plaats' karakter



Ter herinnering: Wanneer we de ruimte  als een na-elkaar beelden dienen we voor de helderheid de ruimte hier even los te  koppelen van de tijd. Want de ruimte bestaat niet op zichzelf los van de tijd.

Wanneer we de ruimte als een na-elkaar aan de orde stellen, kennen we aan de dimensie van de ruimte een even groot belang toe als de dimensie van de tijd.


De plaats as laat de verhouding zien tussen Zuidwest en Noordoost (Lucht en Aarde). Heteronoom discentrich (ZW) en Autonoom concentrisch zijn van elkaar erg verschillend. Er is spraken van een gescheidenheid die niet is te over bruggen en ze sluiten elkaar uit.  Het is dit of dat. Bijv. Reactie en transactie, moeten nog bemiddeld worden. Er kan spraken zijn van een 'na elkaar' dan wel gericht op de ruimte.

(actie=ZO, reactie=ZW, interactie=NW en transactie=NO)

Door het hetronomen karakter van ZW verstuift het discentrische karakter alle kanten op. Het zijn 2 bewegingen die elkaar versterken. Zo ook geldend voor NO, door het autonome karakter wordt het concentrische versterkt en zal het zich isoleren.Tussen ZW en NO is een grote scheiding.

De Plaats as is een ruimte as met een of of. Het gaat om afgrenzen of scheiding tussen 
het een en het ander. Een scheiding zonder midden. Dit laat een plaats 
in de ruimte goed zien. Mijn huis kan maar op plek staan. Heb ik een 
caravan dan nog staat het daar of daar of hier. 
Al kan ik wel de caravan verplaatsen, de plaats gaat niet mee, zelf is de plaats passief.

De plaats as is passief (ruimte) en scheidend (of-of).

De ruimte als een na-elkaar speelt zich af in de ruimte ongeacht de tijd dimensie. Met het woord 'na-elkaar' proberen we tot uitdrukking te brengen dat een verhouding tussen 2 bronpunten (ZW en NO) leidt tot  een na-elkaar qua plaats. Na-elkaar wil even zoveel zeggen als een 'middelijk' samenhangend verhouding. Een of- of verhouding kent geen 'midden' maar wel een 'tussen', dit tussen dient nog bemiddeld te worden. Zo'n samenhangende verhouding in de ruimte kunnen we ook weergeven met het woord 'a-synchroon'.

De plaats as met een of-of verhouding (in de ruimte) kent geen 'midden' maar wel een 'tussen', dit 'tussen' wordt bewerkt door een 'tegenwerkend' verhouding tussen twee bronpunten.

Met een of-of verhouding bedoelen we dat  de ene bronpunt (ZW) na de andere bronpun (NO) kan bestaan (na-elkaar). Dat impliceert dat gegeven bronpunten zodanig samenhangen dat ze te beschouwen zijn als twee delen van 1 geheel. Dit geheel verstaan we  als een verhouding waarin  sprake is van 2 delen die elkaar uitsluiten (excluderen).

De plaats  as beeldt een 'sprong' karakter in de ruimte. Een plaats is een verbijzondering van de ruimte waar de 'specifieke ruimte', het 'waar' een belangrijke rol speelt. De specifieke ruimte is de bepalende positie waarin iets hier of daar kan zijn. Hier en daar verhouden zich tot een na-elkaar. Een plaats hangt samen met de mate van verplaatsing.

Voorbeeld:

Ter herinnering:
  • ZW, lucht element, met een heteronoom discentrische dynamiek
  • NO, aarde element, met een autonoom concentrische dynamiek
Bronpunt NO (aarde) en bronpunt ZW (lucht) vormen samen een Plaats as. Deze diagonale as symboliseert  de Ik-functie, die de mogelijkheid geeft om de ruimte te exploreren doordat het ik zich kan afscheiden (onderscheiden, afgrenzen). Er is geen afgrenzing zonder een bepaalde ruimte. Er is geen na elkaar zonder een afscheiding. Deze as wordt grafisch gestreept weergegeven in de grammen.


Om je een indruk te geven van de wisselwerking tussen een plaats en een impuls kan het volgende misschien helpen:
  • In de acupunctuur worden plaats (meridiaan punt) en impuls (naald, stand, draaiing energie) nauwkeurig bepaald.
  • De plaats van de cilinderkop en de impuls van de ontlading zijn zeer nauwkeurig op elkaar afgesteld in een motor blok.


Afbeelding teken, plaatje, gram symbool.



De duale as en polaire as


We beelden hier onder de duale as en de polaire as afzonderlijk naast elkaar. Hiermee brengen we tot uitdrukking dat de duale as gerelateerd is aan de tijd (rechterzijde van de schoenveter) en de polaire as gerelateerd is aan de ruimte (linkerzijde van de schoenveter).

We onderscheiden hier tijd (rechterzijde) en ruimte (linkerzijde), het ene is niet bepalender dan het andere. Ze zijn wel te onderscheiden maar niet te scheiden.

De polariteit  kan in relatie tot de dualiteit meer bepalend worden waardoor de polariteit vooraf kan gaan aan de dualiteit. De dualiteit kan op zijn beurt weer leiden tot een polariteit. De vraag is steeds opnieuw hoe het 'ene' met het 'andere'  samenhangt. Een mogelijk aspect is dat een en-en verhouding vooraf kan gaan aan een of-of verhouding.

De duale as en de polaire as verbinden 4 bronpunten met een of-of verband (contouren), waardoor deze assen ook los van elkaar kunnen functioneren. 2 begrippen met een duale of polaire verhouding worden dan extra toegevoegd aan begrippen die al wel staan op één van deze 4 bronpunten. Bijvoorbeeld: begrippen hemel en aarde met een polaire verhouding. 
In de grammen verbindt het dynamische kruis 4 bronpunten. Deze 4 bronpunten kunnen een betrekking, positie, inhoud of proces weer geven. Ze bestaan in een set van minimaal 2. 2 betrekkingen of 2 posities of 2 inhouden of 2 processen. Deze 2 begrippen zijn dan wel altijd aanvullend aan een systeem dynamisch veld. 2 begrippen uit dezelfde klasse vormen met 2/4/8 begrippen uit een andere klasse een samenhangend geheel. 

Deze 4 bronpunten hebben ieder een eigen
specifieke dynamiek. Deze dynamieken kunnen we relateren aan dynamieken van de 4 secundaire kwaliteiten: Droog, Warm, Nat en Koud.


  • Duale as, actief (tijd), scheidend (of-of)
  • Polaire as, passief (ruimte), verbindend (en-en)

Ter herinnering:
We maken gebruik van 8 (9) bronpunten. Deze bronpunten hebben ieder een eigen 
specifieke dynamiek, beeldend in de tijd en begrijpend in de ruimte. Aan deze bronpunten verbinden we de volgende begrippen : Oost, Zuidoost, Zuid, Zuidwest, West, Noordwest, Noord, Noordoost
  • O, droog, autonoom, onafhankelijk (op zich zelf staand) karakter
  • Z, warm,   discentrisch,  centrifugale dynamiek
  • W, nat,   heteronoom, afhankelijk karakter
  • N, koud,  concentrisch, centripetale  dynamiek 
  • ZO, vuur element,  autonoom discentrische dynamiek
  • ZW, lucht element, heteronoom discentrische dynamiek
  • NW, water element,  heteronoom concentrische dynamiek
  • NO, aarde element, autonoom concentrische dynamiek 

We leggen deze assen apart uit,  ze zijn niet van elkaar te scheiden maar wel te onderscheiden.

  • In een duale verhouding kan de één los staan van de ander. we spreken hier van een wederkerige uitsluitende verhouding tussen twee 'kanten' (bronpunten).
  • In een polaire verhouding kan het ene niet zonder het andere. We spreken hier van een wederkerige insluitende verhouding tussen twee 'zijden' (bronpunten).

De duale as

Deze horizontale as karakteriseert:
  • de tijd als een na elkaar
  • Een of-of verhouding
  • Een 2 delige verhouding
  • een uitsluitende verhouding (excluderend)
  • een 'diachroon' karakter 
  • geen 'midden', wel een 'tussen'
  • 'tegenwerkend'
  • een 'door lopend karakter' in de tijd.
  • een 'duaal' karakter



Ter herinnering:Wanneer we de tijd als een na-elkaar beelden, dienen we voor de helderheid de tijd hier even los te  koppelen van de ruimte. De tijd bestaat niet op zichzelf los van de ruimte (vandaar dat we verderop spreken van de ruimtetijd die we relateren aan het diagram).

Wanneer we de tijd als een na-elkaar aan de orde stellen, kennen we aan de dimensie van de tijd een even groot belang toe als de dimensie van de ruimte (vandaar dat we ook spreken van de tijdruimte die we relateren aan het dynagram).

De duale as laat een verhouding zien tussen Oost en West (Droog en Nat). Autonoom (onafhankelijk) en heteronoom (afhankelijk) zijn van elkaar erg verschillend. Er is spraken van een gescheidenheid die niet is te overbruggen, ze sluiten elkaar uit. We spreken hier over een tijd as, ze  kunnen alleen 'na elkaar' manifesteren. Toekomst (oost) en verleden (west)  blijven van elkaar gescheiden en moeten nog bemiddeld worden.

Door het autonome karakter van Oost en het heteronome karakter van West, die elkaar uitsluiten, is er tussen Oost en West een grote scheiding.

De duale as is een tijds as met een of-of verhouding. Het gaat om een actieve scheiding. Ik kan niet en naar buiten gaan en naar binnen gaan. Een scheiding zonder midden. Dit laat de dualiteit in de tijd goed zien.

De duale as is actief (tijd) en scheidend (of-of)

De tijd als een na elkaar speelt zich af in de tijd ongeacht de ruimte dimensie. Met het woord 'na-elkaar' proberen we tot uitdrukking te brengen dat een verhouding tussen 2 bronpunten (O en W) leidt tot een 'na-elkaar qua tijd. Na-elkaar wil even zoveel zeggen als een 'middelijk' samenhangende verhouding. Een of- of verhouding kent geen 'midden' maar wel een 'tussen', dit tussen dient nog bemiddeld te worden. Zo'n samenhangende verhouding in de tijd kunnen we ook weergeven met het woord 'diachroon'.

De duale as met een of-of verhouding (in de tijd) kent geen 'midden' maar wel een 'tussen', dit 'tussen' wordt gevormd door een 'tegenwerkende' verhouding tussen twee bronpunten 

Met een of-of verhouding bedoelen we dat  de ene bronpunt (Oost) na de andere (West) kan bestaan (na-elkaar). Dat impliceert dat gegeven bronpunten zodanig samenhangen dat ze te beschouwen zijn als twee delen van 1 geheel. Dit geheel verstaan we  als een verhouding waarin  sprake is van 2 delen die elkaar uitsluiten (excluderen).

De duale as beeldt een 'door lopend karakter' in de tijd. Het duale karakter is een veralgemeniseerd aspect van de tijd waarin de 'niet specifieke tijd', de 'tijdsloop', het 'hoe' een belangrijke rol speelt. De veralgemeniseerde tijd wordt een bepaalde tijdsloop (proces) die zichtbaar kan maken hoe iets kan ontstaan en/of vergaan, verschijnen en/of verdwijnen.

Voorbeeld:

Ter herinnering:
  • O, droog, autonoom
  • W, nat, heteronoom
Bronpunt Oost (droog) en Bronpunt West (nat) vormen samen een duale as. Deze horizontale as symboliseert de Wordings-functie, die de mogelijkheid geeft om in de doorlopende tijd, die verstrijkt, te kunnen veranderen, te kunnen worden, het geen nog niet is, (de tijdspijl). Er is geen wording,  verandering (scheiding) zonder de tijd als een na-elkaar (of-of). Deze as wordt grafisch gegolfd weergegeven in de grammen.

Bij het dynamische kruis leggen we nader uit wat we bedoelen met de Wordings-functie en de Zijns-functie. 



De polaire as

De verticale as karakteriseert:

  • de ruimte als een tegelijkertijd
  • een en-en verhouding
  • een 2 ledige verhouding
  • een insluitende verhouding (includerend)
  • een 'panchroon' karakter
  • geen 'tussen', wel een 'midden'
  • 'samenwerkend'
  • een 'door lopend' karakter in de ruimte.
  • een 'polair' karakter


Wanneer we de ruimte  als een en-en beelden dienen we voor de helderheid de ruimte hier even los te  koppelen van de tijd. Want de ruimte bestaat niet op zichzelf los van de tijd.

Wanneer we de ruimte als een en-en aan de orde stellen, kennen we aan de dimensie van de ruimte een even groot belang toe als de dimensie van de tijd.

De polaire as laat de verhouding zien tussen Zuid en Noord (Warm en Koud). Discentrich (Zuid) en concentrisch (Noord) 2 dynamieken die totaal van elkaar verschillen, maar zonder de één kan de ander niet bestaan. Deze 2 bewegingen vullen elkaar dan ook aan. Er hoeft daar door niet tussen hun bemiddeld te worden.  Ze zijn met elkaar verbonden en vullen elkaar aan (ze sluiten elkaar in).. En-en, Hemel (zuid) en aarde (noord) hoeven niet bemiddeld te worden. Er kan sprake zijn van een tegelijkertijd.

Door het discentrische karakter van Zuid heeft zuid iets 'ijls' en door het concentrische karakter van Noord heeft noord iets 'dens'. Het zijn 2 dynamieken die elkaar aanvullen. Ze kunnen in de ruimte tegelijk aanwezig zijn.

De polaire as is een ruimte as met een en-en verhouding. Het gaat om verbinding. Ze hoeven niet bemiddeld te worden. Het is al verbonden. Als we naar onze eigen aarde kijken dan zien we dat Noordpool en Zuidpool een vertikale as vormen ze zijn in een ruimte met elkaar verbonden. 

De polaire as is passief (ruimte) en verbindend (en-en)

De ruimte als een tegelijkertijd speelt zich af in de ruimte ongeacht de tijd dimensie. Met het woord 'tegelijkertijd' proberen we tot uitdrukking te brengen dat een verhouding tussen 2 bronpunten (Zuid en Noord) leidt tot een gelijktijdige polaire ruimte. Tegelijkertijd wil even zoveel zeggen als een 'onmiddellijk' samenhangende verhouding. Zo'n samenhangende verhouding  in de ruimte kunnen we ook weergeven met het woord 'panchroon'.

De polaire as met een en-en verhouding (in deruimte) kent geen 'tussen' maar wel een 'midden', dit 'midden' wordt gevormd door een 'samenwerkende' verhouding tussen twee bronpunten.

Met een en-en verhouding bedoelen we dat zowel de ene bronpunt (Zuid) als de andere bronpunt (Noord) tegelijkertijd dienen te bestaan. Dat impliceert dat gegeven bronpunten zodanig samenhangen dat ze te beschouwen zijn als twee leden van 1 geheel. Dit geheel verstaan we  als een verhouding waarin  sprake is van 2 leden die elkaar insluiten (includeren).

.De polaire as beeldt een 'door lopend karakter' in de ruimte. Een polaire karakter is een veralgemeniseerd aspect van de ruimte waarbij de 'niet specifieke ruimte', die in de 'ruimte staat', waarin het ' wie of wat' een belangrijke rol speelt. De niet specifieke ruimte is de bepaalde inhoud die wie of wat kan zijn.


Voorbeeld:

Ter herinnering:
  • Z, warm, discentrisch
  • N, koud, concentrisch
Bronpunt Zuid (warm) en bronpunt Noord (koud) vormen samen een polaire as. Deze verticale as symboliseert de Zijns-functie, die de mogelijkheid geeft om in de doorlopende ruimte, die blijft, die voortduurt, te kunnen zijn, het geen altijd is. In welke vorm dan ook. Er is geen zijn, duurheid (verbinding) zonder de ruimte in een gelijktijdigheid (en-en). Deze as wordt grafisch gestreept weergegeven in de grammen.



Vraag: wat van hier onder, is in de nieuwe termen al weer geven in de assen/ veld/inleiding/wisselwerking en wat missen we nog?



Een en en betrekking duiden we als een complementaire verhouding. Een complementaire betrekking kunnen we omschrijven als een elkaar wederkerige constituerende betrekking. Een wederkerige betrekking wil zeggen dat het ene niet gescheiden kan worden van het andere. Constituerend wil zeggen dat de een de ander voortbrengt en omgekeerd. De een is op de ander betrokken en voor een juist verstaan dienen beiden, onderscheiden, aan elkaar gerelateerd te worden.

In een systeemdynamisch verband situeren we deze complementaireverhouding op de verticale as en duiden haar als de polaire as, bestaande uit twee grootheden en hun midden. Deze as geeft de insluitende dynamiek weer, het ene is niet zonder het andere, het ene doet zich tegelijk voor met het andere en vice versa. Deze insluitende dynamiek wordt pas mogelijk door de verschilswerking, de een is niet de ander. Door de verschilswerking wordt de complementaire dynamiek pas mogelijk.

De as verhoudt zich tot een analoog verband van verschillen en overeenkomsten.  Een vergelijkbare logos (idee of betekenis) hebbend tussen het een en het andere, gebaseerd op overeenkomsten en verschillen die gelijktijdig plaats vinden. In dezelfde ruimte (overeenkomst) kunnen verschillende posities, processen  enz plaats vinden.
Je kunt tegelijkertijd denken, voelen en willen. Ze heffen elkaar niet op maar werken samen.

Evt naar de polaire as/ kruis

Een overeenkomst kan ook nog een andere betekenis krijgen en dat wordt aangeduid met het begrip analogie. Analogie betekent een vergelijkbare logos (idee of betekenis) hebbend tussen het een en het ander, gebaseerd op overeenkomsten en verschillen tegelijkertijd. Binnen een systeem dynamisch verband dankzij de coördinaten, die op een tegen over gestelde plek moeten staan. Later laten we zien dat deze analogie juist ontstaat tussen 2 tegenovergestelde coördinaten op de polaire as.

Voor een analogie dient de afgrenzing tussen twee coördinaten qua daaraan gekoppelde data zo volledig als mogelijk gerealiseerd te worden, evenwel zijn alle mogelijke analogieën slechts benaderingen van mogelijke verschillen en mogelijke overeenkomsten.

De overeenkomst verhoudt zich tot de polaire as en het verschil verhoudt zich tot de duale as. Aangezien verschil en overeenkomst de analogie bepalen, hebben we zowel de duale as als de polaire as nodig in het dynamische kruis.


Afbeelding teken, plaatje, gram, symbool (pilaar/boom/carduceus)



Macro en micro kosmos in relatie tot de assen


De assen zijn uitgelegd in relatie tot systeem dynamiek. We kunnen ze ook nog uitleggen in relatie tot een macro kosmos en micro kosmos.

Het grondpatroon is deels kosmo morf en deels antropomorf. Als grondpatroon is de kosmo morfe variant een weergave van kosmische oerkrachten en als grondpatroon is de antropomorfe variant een projectie van menselijke vermogens. 

  • Kosmo morf, gelijkend aan de kosmos vormt een macro kosmos.
  • Antropomorf, gelijkend aan de mens vormt een micro kosmos.


Kosmo morf en antropomorf worden later verder uitgewerkt in relatie tot dynagram en diagram.

Een oude mythische stelregel luidt  als volgt:

  • Wil je de kosmos leren kennen dan dien je de mens te bestuderen.
  • Wil je de mens leren kennen dan dien je de kosmos te bestuderen.

De assen zijn verhoudingen tussen 2 tegen over elkaar staande bronpunten. 2 bronpunten die van dynamiek totaal verschillen. Elke as heeft ook een eigen specifieke dynamiek, een eigen specifieke verhouding. Elke as staat weer in relatie tot de andere assen. Er verschijnen kruizen.

Een kruis is een veel gebruikt oud symbool. Een symbool voor o.a. kosmische krachten en voor de mens.  Het is dan ook intressant om (enkele) kosmische krachten en (enkele) menselijke vermogens aan de assen te relateren.

Macro kosmos:
impuls as: positieve tijd
plaats as: positieve ruimte
duale as: negatieve tijd
polaire as: negatieve ruimte

Zo de positieve tijd de positieve ruimte vervult, zo vervult de negatieve ruimte de negatieve tijd.
Zo de positieve tijd de negatieve tijd vervult, zo vervult  de negatieve ruimte de positieve ruimte .

Micro kosmos:
impuls as: Zelf-functie
plaats as: Ik-functie
duale as: Wordings-functie
polaire as: Zijns-functie

Zo het Ik in functie staat van het Zelf, zo staat  het Worden in functie van het Zijn.
Zo Ik tijd en ruimte maak voor mij Zelf, zo mag Ik er Zijn en zelf vormgeven aan mijn Wording.

Zelf-functie, Ik-functie, Wordings-functie en Zijns-functie benoemen we te samen 'aspecten van de persoonlijkheid'

Er zijn vele soorten kosmische krachten, we illustreren hier de 4 assen aan de volgende 4 kosmische krachten:
  • Impuls as: Positieve tijd, Chairos
  • Duale as: Negatieve tijd, Chronos
  • Plaats as: Positieve ruimte
  • Polaire as: Negatieve ruimte



Tijd assen


Impuls as: positieve tijd, Zelf-functie.

De impuls as heeft een 'sprong' karakter. Een tijdstip, een momentum die een ledig karakter krijgt en verbindend werkt.

Een tijd die niet vervliegt maar doet stil staan. Zij kan het 'nu' pakken. Het midden is 'grijpbaar'.

Macro kosmisch  zien we dit terug in de positieve tijd . Er ontstaat een moment waarin de tijd stil staat. Het doet stil staan en vervuld.
Deze tijd kunnen we niet meten, vastleggen. Het zijn cruciale momenten die allemaal tot elkaar in verbinding staan. Het cruciale moment is 'grijpbaar' maar niet vast te houden.

Het is een paradox. Een grijpbare tijd voor zo ver we het momentum kunnen pakken. Die we echter niet meetbaar kunnen maken. In de zin van niet berekenbaar en niet voorspelbaar.

In de Griekse mythologie wordt deze vorm van tijd gepersonifieerd als Chairos

Micro kosmisch zien we dit terug in de Zelf-functie.
Een functie waarmee we het moment kunnen pakken. Cruciale momenten waar in je 'Je kans kan grijpen' en het je  'niet laat ontglippen' doordat je in contact staat met je Zelf. Deze Zelf-functie is op dat  moment 'grijpbaar' maar niet vast te houden.
Het is een subject betrokken functie. Het is er op  een moment dat je wordt geraakt, ontroert en je ervaart 'alles valt op zijn plek'. De Zelf-functie heeft een verbindend vermogen.




Duale as: negatieve tijd, Wordings-functie.


De duale as heeft een 'doorlopend' karakter. Een doorlopende tijd die een delig karakter krijgt en scheidend werkt.

Een tijd die vervliegt 'Nu is 'nu' niet die 'nu' meer, hij hoort al bij het verleden. Het midden is 'ongrijpbaar'.

Macro kosmisch zien we dit terug in de  negatieve tijd. De tijd gaat keer op keer voorbij. Hij vervliegt en blijft onvervuld.
Wel kunnen we deze tijd meten, vast leggen.  Hij is lineair. Hij loopt van het verleden naar de toekomst.

Paradox. Een 'ongrijpbare' tijd voor zo ver we het 'nu' niet kunnen pakken. Die we echter wel trachten meetbaar te maken. En daar mee berekenbaar en voorspelbaar.

In de Griekse mythologie wordt deze vorm van tijd gepersonifieerd als Chronos.

Micro kosmisch zien we dit terug in de Wordings-functie.
Een functie met een doorlopend karakter in de tijd. Waarmee we continu (doorlopend) in Wording zijn. De Wordings-functie is 'ongrijpbaar' maar we trachten hem wel meetbaar en grijpbaar te maken. De Wordings-functie brengt bijvoorbeeld het vermogen om onderscheid te kunnen maken tussen verschillende levensfases met daarbij passende ontwikkelingen en inwikkelingen. De Wordings-functie geeft object betrokken zicht op hoe je wie/wat bent geworden en hoe je wie/wat wilt worden. Door een planning te maken, trachten we deze Wording voorspelbaar te maken.


 


Ruimte assen


Plaats as: positieve ruimte, Ik-functie

De Plaats as heeft een 'sprong karakter' in de ruimte. Een 'specifieke ruimte' die een delig karakter krijgt en scheidend werkt.

Een ruimte die 'vast staat' maar waarin het midden niet te pakken is. Deze dient nog bemiddeld te worden.

Macro kosmisch zien we dit terug in de positieve ruimte. De ruimte die zich 'vastlegt' waardoor  een duidelijke begrenzing zichtbaar wordt. Deze positieve ruimte is meetbaar en plaatsbaar.

Het is  een paradox. Een 'specifieke' ruimte die je vast kan leggen maar waarvan je het midden niet pakken kan.

Micro kosmisch zien we dit terug in de Ik-functie. Een functie waarmee je, je duidelijk afscheidt en begrenst. Een functie waarmee je een 'specifiek ruimte' inneemt en waarmee je kunt 'vast leggen'.  Het geeft je de mogelijkheid om afstand te nemen en 'ergens voor te gaan staan'. De Ik-functie is een object betrokken functie die kan onderscheiden en scheiden. Dat veronderstelt het kunnen afgrenzen en begrenzen.

Polaire as: negatieve ruimte, Zijns-functie

De polaire as heeft een 'doorlopend' karakter in de ruimte. Een doorlopende ruimte die een ledig karakter krijgt en verbindend werkt.

Een ruimte die als maar 'doorloopt'  en toch haar midden behoudt.

Macro kosmisch zien we dit terug in de negatieve ruimte. Een ruimte die zich alsmaar ontvouwt waardoor ze onbegrensd blijft. Des ondanks behoudt ze haar mogelijkheid om haar centrum in stand houden. Deze negatieve ruimte is onmeetbaar.

Het is een paradox. Een 'doorlopende ruimte' waar geen begin of eind aan zit en toch een 'midden', een 'centrum' heeft.

Micro kosmisch zien we dit terug in de Zijns-functie. Een functie waardoor je aan alles verbonden bent zonder je centrum te verliezen.  De Zijns-functie is een subject betrokken functie. Waarin lichaam, ziel en geest met elkaar in een 'doorlopende' ruimte verkeren. Een 'doorlopende' ruimte waarin het immateriële en het materiële onmiddellijk wederkerig functioneren. Een ruimte die verbindend werkt.




'Positieve' tijd en ruimte en 'negatieve' tijd en ruimte



'Positieve' tijd en ruimte


'Positieve' tijd en ruimte hebben beide een
'sprong karakter'.

De plaats as beeldt een sprong karakter in de ruimte. In de ruimte functioneert 'na-elkaar' als een hier of daar. Ongeacht 'wanneer' er een impuls plaats vindt, is het bepalend 'waar' de impuls plaats vindt, of de ene plaats of de ander plaats, hoe die impuls zou kunnen impulseren en wat het met de ruimte kan doen. Hierbij merk je al hoe plaats en impuls van elkaar te onderscheiden zijn.

De impuls as geeft een mogelijkheid tot verbinding. Tegelijkertijd, het zelfde moment kan er een zelfde impuls plaats vinden.

De plaats as geeft een mogelijkheid tot afgrenzen. Er loopt een grens tussen de ene of andere plaats, waardoor we kunnen spreken van een hier of daar.

Al beeldt de positieve ruimte door haar of-of karakter een gescheidenheid dan nog kan er een positieve tijd met een en-en karakter plaats vinden (en vice versa).

Op een ander of op het zelfde moment.
Op een ander moment door de 'negatieve' tijd (duale as, Wordings-functie).
Op het zelfde moment door de 'positieve' tijd (impuls as, Zelf- functie).

Een 'specifieke' tijd en een 'specifieke' ruimte die met elkaar in wisselwerking staan. Ze zijn van elkaar te onderscheiden maar kunnen ook samen vallen.
Op de juiste tijd en op de juiste plek kan er iets cruciaals ontstaan.
Zowel micro- kosmisch als macro kosmisch.



'Negatieve' tijd en ruimte



''Negatieve' tijd en 'negatieve' ruimte hebben beide een 'doorlopend' karakter.


In de tijd wordt (na-elkaar) met een gegeven 'polariteit in de ruimte' een dualiteit 'verbonden'.

Denk bijvoorbeeld aan een tijdspad. Al gaat de tijd 1 kant op, dan nog kun je in het ‘hier en nu’ (een polariteit met een midden) tussen het verleden en toekomst  (dualiteit met een tussen) staan. Terug kijkend naar het verleden of vooruit kijkend naar de toekomst. Verleden en toekomst zijn in de tijd of-of. Ze volgen elkaar op. Je kunt afwisselend kijken naar het een of de ander. Hierbij merk je al hoe dualiteit en polariteit met elkaar verweven zijn.



Denk bijvoorbeeld aan een ladder. Al gaat de ruimte meerdere kanten op, dan nog kun je in het ‘het verleden of toekomst’ (een dualitiet met een tussen) je boven of beneden op de ladder bevinden. De boven en onderkant van de ladder zijn in de ruimte en-en, ze zijn er tegelijkertijd. Je kunt je tegelijktijd bewust zijn van de onder en bovenkant.   Hierbij merk je al hoe polariteit en dualiteit met elkaar verweven zijn.

Al beeldt de 'negatieve' tijd door haar of-of  karakter een gescheidenheid dan nog kan er een 'negatieve' ruimte (met een en-en karakter) gerealiseerd worden (en vice versa).

Een 'doorlopende' tijd en een 'doorlopende' ruimte die met elkaar in wisselwerking zijn. Ze vallen samen maar zijn ook van elkaar te onderscheiden.

De doorlopende tijd brengt veranderingen met zich mee (Wordings-functie).
De doorlopende ruimte voortdurendheid (Zijns-functie).

Zowel micro- kosmisch als macro- kosmisch.

Een klein zaadje kan zich in de loop der tijd ontwikkelen tot een grote eik.

Maar was van begin af aan al wel een eik en kon niet iets anders zijn.


Het statische en dynamische kruis



Ledige en delige verhoudingen uitgesplitst over twee assen vormen een  sub-veld.

2 assen vormen met elkaar een kwartet. Ze hebben 4 verbindende coördinaten die op zich zelf staan zodat ze met elkaar kunnen wisselwerken in een mogelijk veld. De op zich zelf staande coördinaten vormen een samenhangend sub-veld, deze kan statisch of dynamisch zijn.




Op het eerste gezicht lijken het statische kruis en het dynamische kruis een en dezelfde kruis alleen een kwartslag gedraaid. Beide tijds assen worden in de grammen grafisch weer gegeven in een golvende lijn. Beide ruimte assen worden in de grammen grafisch weer gegeven in een gestreepte lijn.

Ze zijn dan niet een gedraaide vorm van de ander maar vormen ieder een andere vorm met verschillende betrekkingen van ruimte en tijd met na-elkaar en tegelijkertijd.

Ter herinnering:
  • De impuls as van het statische kruis verhoudt zich tot de tijd als een tegelijkertijd (en –en).
  • De duale as van het dynamische kruis verhoudt zich tot de tijd maar dan als een na-elkaar (of-of).
  • De plaats as van het statische kruis verhoudt zich tot de ruimte als een na-elkaar (of-of)
  • De polaire as van het dynamische kruis verhoudt zich tot de ruimte maar dan als een tegelijkertijd (en-en).
Als je de twee kruisen bekijkt als een plaatje dan zie je dat het statische kruis op 2 assen 'staat' en het dynamische kruis op 1 as 'staat'; hiermee beeldt de afbeelding de 'statiek' en 'dynamiek' uit.  Niet alleen in het plaatje maar ook in hun systeem dynamische betekenis beeldt het statische kruis 'statiek' en het dynamische kruis 'dynamiek' uit. 
De grafische vorm van de assen met hun betekenis maakt het dynamische kruis dynamischer en het statische kruis statischer.
  • De polaire as (dynamisch kruis) en de impuls as (statisch kruis) zijn door hun en-en verhouding (tegelijkertijd) 'statischer' dan de duale as (dynamisch kruis) en de plaats as (statisch kruis) .
  • De duale as (dynamische kruis) en de plaats as (statisch kruis) zijn 'dynamischer' door hun of-of verhouding (na elkaar).
  • Doordat de duale as (dynamische kruis) nog een verband heeft met de tijd en die tijd alsmaar door loopt is deze 'dynamischer' dan de plaats as (statisch kruis) die meer een sprong karakter heeft.

Het statische kruis beeldt een sprong karakter en een dynamisch kruis een doorlopend karakter:

  • De duale as beeldt een doorlopend karakter van de tijd, richting de toekomst. De plaats as beeldt meerdere mogelijke richtingen de ruimte in. Het diagram beeldt meerdere te denken richtingen en het dynagram beeldt een gerichte gedachtegang.
  • Bij de impuls as en de polaire as gaat het om een tegelijkertijd en geen na elkaar, een richting (van 1 of meerdere) is niet van toepassing. De polaire as beeldt een doorlopend karakter van de ruimte. De impuls as beeldt een sprong karakter in de tijd. In de tijd vindt op verschillende 'plaatsen' een impuls plaats.



De assen in relatie tot micro kosmische vermogen.

Mens en enkele van zijn vermogens:

We kunnen de menselijke vermogens verdelen over 3 lagen:

  • Lichaamsvermogen
  • Zielsvermogen
  • Geestesvermogen

Dit is gerelateerd aan een 3 ledig mensbeeld.


Lichaamsvermogen.

Het kruis/kruizen van het lichaamsvermogen is het kruis van de lichamelijkheid. Het kruis van de lichamelijkheid is ons lichaamskruis. Ons lichaamskruis is de basis voor ons lichaamsgevoel.

Dit lichaamskruis kunnen we fysiek zien. Zie Afbeelding Da vinci.


Het lichaam kan een houding aannemen in de vorm van een statisch kruis en een dynamisch kruis. We kunnen een links, rechts en een boven, onder ervaren. Zo ook een binnen en buiten.

Met ons lichaamsgevoel kunnen we het kruis, voelen, denken en willen. Het lichaamsgevoel is meer dan het voelen van je lichaam.

Voorbeelden:

  • Innerlijke ruimte en tijd en uiterlijke ruimte en tijd te kunnen ervaren.
  • Het kunnen ervaren in meerdere lagen van het mens zijn zoals bijvoorbeeld denken voelen  en willen
  • Denken relateren we aan het hoofd
  • Voelen, relateren we aan de borst
  • Willen, relateren we aan de buik



Ze worden hier dan wel gerelateerd aan deze lichaamsleden maar we gebruiken bijvoorbeeld niet alleen onze borst als we voelen, we gebruiken ons volledige lichaam. Zo voelen we met ons hele lichaam, we denken met ons hele lichaam  en willen met ons hele lichaam.
Al maken we hier onderscheid tussen deze lichaamsvermogens met hun bijpassende lichaamsleden, zijn deze wel te onderscheiden maar niet te scheiden.









Zielsvermogen.

We hebben menselijke vermogens verdeelt over 3 lagen:

  • Lichaamsvermogen
  • zielsvermogen
  • geestesvermogen

Ook hier maken we onderscheid tussen lagen  die niet te scheiden zijn. Het zielsvermogen vormt een midden tussen het lichaamsvermogen en geestesvermogen. Aan het zielsvermogen wordt van oudsher 3 vermogens toegekend, in deze het denken, voelen en willen.

Zo kunnen denken, voelen en willen niet alleen relateren aan lichaamsleden maar ook aan deze menselijke vermogens:

  • Denken, gerelateerd aan geestesvermogen
  • Voelen,  gerelateerd aan zielsvermogen
  • Willen, gerelateerd aan lichaamsvermogen

Waarbij de geest een midden vormt tussen het denken en de hemel (het immateriële).

Waarbij het lichaam een midden vormt tussen het willen en de aarde (het materiële).

Denken, voelen en willen zijn meer antropomorf (rood)

Hemel en aarde zijn meer kosmo-morf (blauw). Waarin de mens tussen deze twee bemiddeld en waarbij het voelen en de ziel dit midden kunnen vormen.

Deze zielsvermogens van de mens komen tot uitdrukking in wat we noemen:

Aspecten van de persoonlijkheid:

  • Zelf-functie (impuls as)
  • Ik-functie (plaats as)
  • Wordings-functie (duale as)
  • Zijns-functie (polaire as)

Later leggen we deze nog verder uit bij het statische kruis en het dynamisch kruis.

Persoon in deze niet verstaan als persona (masker) maar als per sonare (door de persoon kan iets klinken/resoneren, zowel van zich zelf als van het anderen dan zich zelf).

Het ziels vermogen van de mens karakteriseert zich door zijn vermogen om bewust van zich zelf te worden en van het andere dan zich zelf. Dat betekent dat de mens zich tot zichzelf kan verhouden van uit zijn Ik-functie en in staat is tot een kritische zelf reflectie. Precies in relatie tot dit vermogen kan de mens deze functie ook projecteren in een antropomorf grondpatroon.

We kunnen de Zelf functie, Ik functie in relatie brengen tot de assen, dan vormen ze een verband met de Zijns-functie en de Wordings-functie als aspecten van de persoonlijkheid. Binnen het verband van de 4 karakteristieken van de persoonsontwikkeling worden ze in verband gebracht met de Ego-functie en de Identiteit-functie.

Voor meer informatie zie link: 4 karakteristieken van de persoonlijke ontwikkeling.

Verdieping: (schuin gedrukt, in link plaatsen)

4 karakteristieken van de persoonlijke ontwikkeling

  • Zuid -Oost. zelf- functie: Het vermogen van de mens om bij zichzelf te blijven (te verbinden met zichzelf) en tegelijkertijd zich te verbinden met iets anders dan zichzelf, waarin zij zich zelf kan verliezen of waarin zij volledig op kan gaan. De nadruk valt bij de zelf-functie meer op het verbinden met de ander of het andere. Het betreft een actief actueel verbinden. Dit verbinden vindt veelal op een onbewuste wijze plaats.
  • Noord-West. identiteit- functie: Het vermogen van de mens dat zij ondeelbaar samenvalt met zichzelf.  Dit samen vallen met zichzelf laat zien dat het zelf on-deelbaar (in-dividere) samen valt met zich zelf en daar mee identiek wordt aan zich zelf. De nadruk valt bij de identiteit-functie meer op het verbinden met zichzelf. Het betreft een permanent passief vermogen. Het is latent steeds aanwezig, maar het kan zich zelf daar steeds opnieuw van bewust worden. Zodat het verbinden op een veelal bewuste wijze kan plaats vinden. Vanuit deze identiteit kan het zelf zich ondeelbaar verbinden met de ander of het andere.

De as van de Zelf-functie blijft aanwezig (beide verbindend,subject betrokken enz). We zouden kunnen zeggen dat deze 2 karakteristieken van de persoonlijkheid specificaties zijn van deze algemene as.


  • Zuid-West. ego-functie:  Het vermogen van de mens om zich af te scheiden en of af te grenzen van zich zelf en/of van de ander en het andere. De nadruk valt bij de ego-functie meer op het zich afscheiden van de ander of het andere. Ik ben niet de ander of het andere en de ander is mij niet. In deze afscheiding heeft het ik het vermogen om zijn eigen ik vorm te gaan geven. Dit afscheiden betreft een passief permanent vermogen. Dit afscheiden vindt veelal op een onbewuste wijze plaats.
  • Noord-Oost. ik- functie: Het vermogen van de mens om zich af te scheiden en of af te grenzen van zichzelf.  Dat betekent dat het Ik zich tegen over zich zelf kan stellen en tegen over ieder ander object dan zich zelf. Daarmee objectiveert het Ik het zelf.  De nadruk valt bij de ik-functie meer op het zich kunnen afscheiden en/of afgrenzen van zichzelf. In deze afscheiding heeft het Ik het vermogen om het niet-Ik vorm  te geven. Hier mee ontstaat ruimte voor het andere dan zich zelf. Door deze ruimte of in deze ruimte kan het Ik een object betrokken dimensie scheppen. Deze object betrokken benadering geeft het Ik de vrijheid om te kiezen tussen het ene en/of het andere.  Dit scheidende vermogen betreft een actief actueel vermogen. Dit afscheiden vindt veelal op een bewuste wijze plaat. Het maakt het mogelijk om je ik bewust objectbertokken te aanschouwen en los van jezelf en de ander/het andere.





Binnen de persoonlijke ontwikkeling onderscheiden we 4 karakteristieke functies:
  • zelf-functie (zuid-oost), 0-7 jaar
  • ego-functie (zuid-west). 7-14 jaar
  • identiteit-functie (noord-west), 14-21 jaar
  • ik-functie (noord-oost), 21-28 jaar

Waarbij in het dynagram zichtbaar wordt op welke leeftijd deze karakteristieke functie in de persoonlijke ontwikkeling haar aanvang neemt.





Waarbij in het diagram zichtbaar wordt dat er een object betrokken opponerende strategie als wel een subject betrokken participerende strategie in acht dient te worden genomen.


  • ik-functie (noord-oost), startend op Oost, linksom, object betrokken opponerende route.
  • zelf-functie (zuid-oost) startend op Oost, rechtsom, subject betrokken participerende route.

Op west  kruisen deze twee routes elkaar, waarmee tot uitdrukking gebracht kan worden dat ze respectievelijk met elkaar kunnen conflicteren dan wel in een vruchtbare functionele wisselwerking kunnen staan. Het voelen speelt in deze functionele wisselwerking een cruciale rol.

Wanneer we deze 3 ledige zielsvermogen 4 ledig uitwerken dan introduceren we daar toe het handelen. Onder het handelen verstaan we een actuele oorspronkelijke 'geboorte' moment, waarin en waardoorheen de mens denkend, voelend, willend kan handelen, verschijnen en doen worden.

  • Oost, handelen.
  • Zuid, willen.
  • West, voelen.
  • Noord, denken.


Geestesvermogen

Het geestesvermogen bestaat deels uit vrijgekomen zielsvermogens.

Zielsvermogens kunnen zich dusdanig ontwikkelen en inwikkelen dat de persoon over de mogelijkheid beschikt zich vrij te bewegen over aspecten van de persoonlijkheid: Zelf-functie, Ik-functie, Wordings-functie en Zijns-functie.

Er ontstaat een (deels) vrij komen van de persoon. Waarin het denken, voelen en willen niet alleen ten dienste staat van de persoon maar ten dienste staat van hetgeen groter is dan deze persoon..

  • Helder denken, niet ik denk maar Het denkt helder in mij
  • zuiver voelen, niet ik voel maar Het voelt zuiver in mij
  • Duidelijk willen, niet ik wil maar Het wilt duidelijk in mij

(verdieping link gram ontwikkeling leeftijden)

Het geestesvermogen relateren we aan het denken. Waarbij de geest het midden vormt tussen het denken en de hemel (het immateriële)

Systeem dynamiek vraagt je om helder te leren denken.

Binnen systeem dynamiek hebben we het grondpatroon als instrument om data te onderzoeken op hun onderscheiden betekenis lagen. Dat maakt dat we het grondpatroon zowel kunnen nutten voor de structuur als voor de ordening die we aan die structuur verbinden. De zelfde structuur kunnen we nutten om onderscheiden ordeningen aan de orde te stellen.  Wat betreft structuur kunnen we dat zien in het grondpatroon waarin we tijdens het maken van grammen bewust worden van de verschillende dynamieken van de bronpunten. Deze tegenovergestelde bronpunten worden enerzijds  dienstbaar aan elkaar maar anderzijds ook aan de ordening.  Dit geldt niet alleen voor een gram maar ook  voor de mens die dat grammetje visualiseert en hanteert.

Zo leren we met en vanuit dit geestelijke vermogen ons  vrij te bewegen tussen verschillende optieken en zo ook tussen diverse perspectieven:

  • toeschouwersperspectief.
  • vogelperspectief,
  • getuigeperspectief
  • wormperspectief
Voor meer informatie klik dan verder op deze link

Het lichaamsvermogen, zielsvermogen, geestesvermogen scholen wij door systeem dynamiek. De wisselwerking tussen deze 3 vermogens bepaalt de mate waarin je systeem dynamiek kan denken en werken. Omgekeerd schoolt systeem dynamisch denken en werken deze 3 onderscheiden vermogens in hun ontwikkeling.

Met en via ons lichaamsgevoel kunnen we het systeem dynamische veld leren verkennen en kennen. Omgekeerd, via systeemdynamiek leren we ons lichaamsgevoel ook weer in te schakelen. Jij als mens functioneert zowel als midden en als tussen.

Systeem dynamiek is niet mogelijk zonder begrip en beeld, het beeld is niet zonder de lichamelijkheid en de lichamelijkheid is niet zonder lichaamsgevoel. Zonder lichaam krijgen we geen toegang tot het beeld en zonder geest krijgen we geen toegang tot het begrip. Systeem dynamiek integreert zowel dit beeld vermogen als dit begripsvermogen van de mens.

De kruizen hebben niet alleen een belangrijke functie binnen systeem dynamiek maar ze kunnen ook belangrijke functies van het menselijke functioneren in beeld en tot begrip brengen, in zoverre zijn ze dienstbaar aan elkaar.


Het statische kruis en dynamische kruis in relatie tot  mens en enkele van zijn vermogens:


Het statische kruis

De impuls as en de plaats as vormen samen het statische kruis. Een statisch kruis staat op 2 assen.

Dit kruis kunnen  we aan een houding van de fysieke mens relateren. Er ontstaat een focus op spreidende ledematen.

Het statische kruis symboliseert ook de mogelijkheid van de mens om de dynamiek tussen hemel en aarde, mannelijke en vrouwelijke, geest en lichaam te integreren en tot stand te brengen in de werkelijkheid.

Je leert er handen en voeten aan te geven.

Het statische kruis combineert de Zelf-functie en Ik-functie:


Impuls as, Zelf-functie:

Bronpunt NW (water) en bronpunt ZO (vuur) vormen samen een Impuls as. Deze diagonale as symboliseert de Zelf-functie.
  • Die de mogelijkheid geeft om de tijd te exploreren doordat het zelf zich kan verbinden.
  • Er is geen verbinding zonder een tegelijkertijd.

Een functie waarmee we het moment kunnen pakken. Cruciale momenten waar in je 'Je kans kan grijpen' en het je  'niet laat ontglippen' doordat je in contact staat met je Zelf. Deze Zelf-functie is op dat  moment 'grijpbaar' maar niet vast te houden.
Het is een subject betrokken functie. Het is er op  een moment dat je wordt geraakt, ontroert en je ervaart 'alles valt op zijn plek'. De Zelf-functie heeft een verbindend vermogen.

Met de Zelf-functie bedoelen we het vermogen van de mens om bij zichzelf te blijven en tegelijkertijd zich te verbinden met iets anders dan zichzelf. Door bij jezelf te blijven in verschillende situaties of verbanden, wordt zichtbaar hoe dit zelf de uitdrukking kan vormen van het wezen dat in al die verbanden iets van zich zelf laat zien. Zonder dat dit wezen verdwijnt maar telkens op een unieke wijze verschijnt. Mede daar door kunnen we spreken van de Zelf-functie in subject betrokken zin.

De Zelf-functie verhoudt zich tot het wel of niet samen vallen met zich zelf en met de ander en het andere. Is de Zelf-functie krachtig dan blijft hij/zij bij zich zelf ook al ‘verliest’ (verbindt) hij zichzelf in de ander of het andere. Dit samen vallen met zichzelf laat zien dat het zelf on-deelbaar (in-dividere) samen valt met zich zelf (identiek aan jezelf). Het zelf wordt ondeelbaar verbonden met de ander of het andere.
Als je jezelf niet kan voelen (gewaar worden) dan kan je jezelf zodanig kwijt raken dat je iets aan het doen bent wat absoluut niet bij je past. De ware verbinding met de ander of het andere impliceert altijd de ware verbinding met je zelf.


Plaats as,  Ik-functie:

Bronpunt NO (aarde) en bronpunt ZW (lucht) vormen samen een Plaats as.  Deze diagonale as symboliseert de Ik-functie,

  • Die de mogelijkheid geeft om de ruimte te exploreren doordat het ik zich kan afscheiden (onderscheiden, afgrenzen).
  • Er is geen afgrenzing zonder een bepaalde ruimte. Er is geen na elkaar zonder een afscheiding.

Een functie waarmee je, je duidelijk afscheidt en begrenst. Een functie waarmee je een 'specifiek ruimte' inneemt en waarmee je kunt 'vast leggen'.  Het geeft je de mogelijkheid om afstand te nemen en 'ergens voor te gaan staan'. De Ik-functie is een object betrokken functie die kan onderscheiden en scheiden. Dat veronderstelt het kunnen afgrenzen en begrenzen.

Met de Ik-functie bedoelen we het vermogen van de mens om zich af te scheiden en of af te grenzen van zich zelf en/of van de ander en het andere. In deze afscheiding heeft het Ik het vermogen om het niet-Ik vorm  te geven. Dat betekent dat het Ik zich tegen over zich zelf kan stellen en tegen over ieder ander object dan zich zelf. Daarmee objectiveert het Ik het zelf. Hier mee ontstaat ruimte voor het andere dan zich zelf. Door deze ruimte of in deze ruimte kan het Ik een object betrokken dimensie scheppen. Deze object betrokken benadering geeft het Ik de vrijheid om te kiezen tussen het ene en/of het andere. Mede daar door kunnen we spreken van de Ik-functie in object betrokken zin. (ego-functie in weven in deze tekst)

De Ik-functie relateren we hier aan de plaats as als een verbijzonderde ruimte en in deze ruimte verschijnen onderscheiden wezens als onderscheiden objecten die nooit en te nimmer kunnen samen vallen. Want waar de een is, is niet de ander. De een sluit de ander uit. Ze kunnen alleen een ‘naast elkaar hebben’ en ‘na elkaar plaats vinden’ in de ruimte.

.

De wisselwerking tussen Zelf-functie en Ik-functie maakt het systeem dynamisch denken en werken mogelijk.

Door gebruik te maken van configuratieve componenten oefen je je Zelf-functie en Ik-functie:

  • Het leren werken met contouren/verbanden en resonanties/raak-vlakken oefen je je Zelf-functie (subject betrokken)
  • Het leren werken met bronpunten/coördinaten en assen/verhoudingen oefen je je Ik-functie (object betrokken).


Denkraam?

De dynamiek tussen Zelf-functie en Ik-functie relateren we aan het statische kruis. Zonder de aanwezigheid van deze twee functies is er geen functioneel denkraam om te kunnen subjectiveren en/of te kunnen objectiveren. Om zowel verandering (Ik) als durendheid (Zelf) van elkaar te kunnen onderscheiden als met elkaar te kunnen verbinden.

  • Zelf-functie, subject betrokken, tijds continuüm (durendheid)
  • Ik-functie, object betrokken, ruimte discontinuüm (verandering)

Het statische kruis beeldt een gelijktijdig verband, in dit voorbeeld tussen 2 dynamische persoonsfuncties, de Zelf functie en de Ik functie. De één kan niet zonder de ander. Ze staan hier in een en-en verband. Meer informatie over en-en verbanden worden geven bij hoofdstuk 'verbanden en contouren'.


Teken, plaatje, gram, symbool


Het dynamische kruis

De horizontale en verticale as vormen samen het dynamische kruis. Een dynamisch kruis staat op 1 as.

Dit kruis kunnen  we aan een houding van de fysieke mens relateren. Hier ligt de focus op de ruggengraat (verticaal) en zijn armen (horizontaal).

Het dynamisch kruis symboliseert de werkelijkheid waarin de mens tot gestalte komt in de verticale dimensie (ruggengraat) en op zijn beurt weer gestalte geeft aan de werkelijkheid in de horizontale dimensie (ledematen).

Ondanks alle veranderingen is het een kunst om overeind te blijven. Je rug leren rechten wil zo veel zeggen als je Ik overeind houden en daar mee je zijn.

Het dynamische kruis combineert de Wordings-functie en de Zijns-functie.

Duale as, Wordings-functie.

Bronpunt Oost (droog) en Bronpunt West (nat) vormen samen een duale as. Deze horizontale as symboliseert de Wordings-functie.

  • Die de mogelijkheid geeft om in de doorlopende tijd, die verstrijkt, te kunnen veranderen, te kunnen worden, het geen nog niet is, (de tijdspijl).
  • Er is geen wording,  verandering (scheiding) zonder de tijd als een na-elkaar (of-of).

Een functie met een doorlopend karakter in de tijd. Waarmee we continu (doorlopend) in Wording zijn. De Wordings-functie is 'ongrijpbaar' maar we trachten hem wel meetbaar en grijpbaar te maken. De Wordings-functie brengt bijvoorbeeld het vermogen om onderscheid te kunnen maken tussen verschillende levensfases met daarbij passende ontwikkelingen en inwikkelingen. De Wordings-functie geeft object betrokken zicht op hoe je wie/wat bent geworden en hoe je wie/wat wilt worden. Door een planning te maken, trachten we deze Wording voorspelbaar te maken.

Met de Wordings-functie bedoelen we het vermogen van de mens om zich zelf en de werkelijkheid te veranderen. Als de werkelijkheid verandert dan kan je de vraag stellen wie of wat brengt verandering tot stand. Wat de mens betreft ben ik in verleden heden en toekomst mezelf, maar kan door de loop van de tijd veranderen en andere vormen aannemen. 


Polaire as, Zijns-functie

Bronpunt Zuid (warm) en bronpunt Noord (koud) vormen samen een polaire as . Deze verticale as symboliseert de Zijns-functie.

  • Die de mogelijkheid geeft om in de doorlopende ruimte, die blijft, die voortduurt, te kunnen zijn, het geen altijd is. In welke vorm dan ook.
  • Er is geen zijn, duurheid (verbinding) zonder de ruimte in een gelijktijdigheid (en-en).

Een functie waardoor je aan alles verbonden bent zonder je centrum te verliezen.  De Zijns-functie is een subject betrokken functie. Waarin  lichaam, ziel en geest met elkaar in een 'doorlopende' ruimte verkeren. Een 'doorlopende' ruimte waarin het immateriële en het materiële onmiddellijk wederkerig functioneren. Een ruimte die verbindend werkt.

Met de Zijns-functie bedoelen we het vermogen van de mens om in de werkelijkheid het Ik te kunnen opsporen als een voortdurend fenomeen. Als de werkelijkheid voortduurt kan je de vraag stellen wie of wat brengt continuiteit. Wat de mens betreft ervaar ik een kracht, die ondanks alle veranderingen, mij doet zijn als 'staande in mijn centrum'. Ik ben en blijf als wezen in mijn totaliteit staan, met en ondanks al mijn mogelijke functies en rollen.


De wisselwerking tussen Wordings-functie en Zijns-functie maakt het systeem dynamisch denken en werken mogelijk.

Door gebruik te maken van configuratieve componenten oefen je je Wordings-functie en Zijns-functie:

  • Het leren werken met cruciale configuratieve componenten (grondpatroon) oefen je je Wordings-functie (object betrokken).
  • Het leren werken met alternatieve configuratieve componenten (gram) oefen je je Zijns-functie (subject betrokken).


Werkraam?

De dynamiek tussen Wordings-functie en Zijns-functie relateren we aan het dynamische kruis. Zonder de aanwezigheid van deze twee functies is er geen functioneel werkraam om zowel verandering (wording) als durendheid (zijn) van elkaar te kunnen onderscheiden als met elkaar te kunnen verbinden. Om te kunnen subjectiveren en/of te kunnen objectiveren.

  • Wordings-functie, object betrokken, tijds discontinuüm (verandering)
  • Zijns-functie, subject betrokken, ruimte continuüm (durendheid)

Zijn heft het worden op en worden heft het zijn op. Als alles is, kan niks worden. Als alles wordt, kan niks blijvend zijn.
Dit geeft de mogelijkheid om zijn en worden van elkaar te scheiden. Ze staan hier in een  of-of verband.

Meer informatie over of-of verbanden worden geven bij hoofdstuk 'verbanden en contouren'.


Korte opsomming assen:
  • Impuls as, Verbindend, Ledig, Tijds continuüm, Zelf functie, 'sprong karakter', Positieve tijd, subject betrokken,
  • plaats as, Scheidend, Delig, Ruimte discontinuüm, Ik functie, 'sprong karakter' Positieve ruimte,  object betrokken,
  • duale as,Scheidend, Delig,Tijd discontinuüm, Wordings functie, 'doorlopend karakter', Negatieve tijd, object betrokken, 
  • polaire as, Verbindend, Ledig, Ruimte continuüm,  Zijns functie, 'doorlopend karakter' Negatieve ruimte, subject betrokken,

We kunnen deze 4 functies, Zelf functie, Ik functie, Wordings-functie en Zijns-functie zien in het ziels vermogen van de mens. Maar ook als vermogens van de wereld om ons heen. De wereld buiten ons kan zich subjectief en objectief  zich verhouden tot jou als mens. De wereld buiten ons is in wording en heeft een zijn, die zich kan verhouden tot jou zijn en wording als mens.

We maken onderscheid tussen Zelf-functie en Ik-functie. Onderscheid tussen Wordings-functie en Zijns-functie. Onderscheid tussen het statische kruis en het dynamische kruis. Maar een scheiding is er niet.

Het belangrijkste van de assen om te weten is dat deze aan verbindend of scheidend en aan ruimte of tijd worden gerelateerd.
En dat we deze op verschillende manieren kunnen lezen.
Bijvoorbeeld:
Als hoe 2 bronpunten zich tot elkaar kunnen verhouden.
De dynamiek van de verhouding op zich zelf staand.

Zo kan het zijn dat je in een gram kan lezen hoe de begrippen (op de bronpunten en coördinaten) zich tot elkaar verhouden.
Maar ook bij voorbeeld welke aspecten van de persoonlijkheid worden aangesproken door die begrippen.


Het dynamische en statische kruis samen.


Twee sub velden (2 velden met elk 4 kwartetten en 2 assen) vormen met elkaar een dynamische interactie waardoor ze elkaar versterken in hun werking. Ze vormen met elkaar een 8 ledig veld (1 veld met 8 octetten en 4 assen)

Deze vier assen hebben 2x4 verbindende bronpunten die te samen met elkaar een systeem dynamisch veld vormen.



Het dynamische en statische kruis vormen samen een patroon van 4 assen: impuls as, plaats as, duale as en polaire as. Elke as verbindt 2 tegen over elkaar staande coördinaten. De verbinding tussen die 2 coördinaten kunnen gerelateerd worden aan ruimte of tijd. Zoals voor heen bij elke as is uitgelegd. De assen blijven in hun functie onafhankelijk van het gegeven of in de te onder zoeken data ruimte of tijd eventueel een rol dienen te spelen. De assen blijven hun vaste plek behouden in een systeem dynamisch veld. Ze vormen een vast staand systeem.


Kwadrant en octetten bestaande uit 3 punten. Alle kwadranten en octetten hebben een gemeenschappelijk midden.
 

Kwartetten:



Octetten:


Zo heb je:
  • 2 tijd octetten
  • 2 ruimte octetten
  • 4 ruimte/tijd octetten
Als we ze relateren aan de assen kunnen we ze zo benoemen.

Maar binnen deze octetten en kwartetten spelen meerdere 'tijd' en 'ruimte' een rol. Zoals die van de verbanden en contouren.

De door de assen verbonden bronpunten hebben ook een verbinding met elkaar. Die onderlinge verbinding zal stap voor stap worden gedifferentieerd vanaf ‘verbanden en contouren’.
 
Het 8 voudige wiel vormt een grondpatroon met de vaste assen en ongedifferentieerde verbanden en dynamieken van de coördinaten onderling.

Het grondpatroon kun je lezen over 1 heel systeem dynamisch veld maar ook elke begrip op een coördinaat kan dit grondpatroon funderen als werkraam.

Te onderzoeken data kunnen zich op 1 van de bronpunten bevinden maar kunnen zich ook tussen deze cruciale coördinaten gepositioneerd worden, op mogelijke coördinaten.  Hier uit zijn weer verschillende verhoudingen, kwartetten en octetten te lezen en te verbinden.


Teken, plaatje (platina), gram (een dia en een dyna maar nog geen duo) symbool (8voudig pad boeddha)

Teken, afbeelding, gram, symbool.

Ter herinnering:

Alternatieve verhoudingen

In een gram kunnen alternatieve coördinaten in alternatieve verbanden, in alternatieve verhoudingen uitgewerkt worden. Al blijven deze alternatieven gerelateerd aan de cruciale verhoudingen.

Ook kunnen  in een gram de bronpunten zoals.. in een alternatieve verhouding uitgewerkt worden zoals in het volgende voorbeeld ....Ze blijven echter in 1 gram gerelateerd aan het grondpatroon, .. blijft tegen over ...staan. Elke coördinaat op zich kan weer in een grondpatroon worden uitgewerkt.  (alternatieve  verhoudingen in relatie tot octet)

Ook kunnen  in een gram de bronpunten zoals Oost en Zuid in een alternatieve verhouding uitgewerkt worden zoals in het volgende voorbeeld (2 a antithesis).??????  Zuid en Oost staan in een diagonale verhouding, ....as. Ze blijven echter in 1 gram gerelateerd aan het grondpatroon, Oost blijft tegen over West staan. Elke coördinaat op zich kan weer in een grondpatroon worden uitgewerkt. (alternatieve verhouding in relatie tot extra toegevoegte diagonale)

Te onderzoeken data

Binnen de gevonden woorden zoek je naar bepaalde verhoudingen, die onstabiel en/of stabiel kunnen zijn.

Binnen de te onderzoeken data kunnen woorden/begrippen in verschillende verhoudingen komen te staan. Wat staat ten opzichte van wat. Er zijn vele verhoudingen mogelijk; binnen systeem dynamiek beperken we ons door middel van de assen. Tijdens het onderzoek kun je je afvragen wat is het verschil en wat is de overeenkomst tussen deze begrippen. Denk aan antoniemen die op zich verschillend zijn maar toch zich tot elkaar kunnen verhouden, overeenkomstig hun logische klasse.

Plaatsen we meerdere 2 ledige verhoudingen in een gram, dan dien je te onderzoeken welke begrippen tot een bepaalde klasse behoren. Want een klasse bepaalt de specifiekere betekenis van elk begrip afzonderlijk, in relatie tot andere begrippen met hun specifiekere betekenissen. Zo kan in een klasse van begrippen onderling verschillende betekenissen zichtbaar worden. De samenhang in een bepaalde gram brengt dan mogelijke wisselwerkingen  tussen meerdere 2 ledige/delige verhoudingen aan het licht

Voorbeeld van begrippen die tot dezelfde klasse behoren: Lente, zomer, herfst en winter, behoren bij de klasse seizoenen.

Binnen systeemdynamiek hanteren we het verschil tussen ledige en delige verhoudingen, maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en of werkelijkheid.

Welk woord/begrip je tegen over een ander woord/begrip zet en in welke verhouding (as) je ze plaats is afhankelijk van de context.

Afhankelijk  je begrippen, hun logische klasse, referentie kader en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kan binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde begrippen in een andere verhoudingen en in een andere context komen te staan.


Brug tussen Assen en contouren


Functioneel mythisch en Functioneel ontologisch.


We onderscheiden 3 paradigma’s:

  • Mythisch paradigma
  • Ontologisch paradigma
  • Functioneel paradigma
Systeem dynamiek is voort gekomen uit het besef dat de mens in beelden (mythisch/oude kennis) en in begrippen (ontologisch/ nieuwe kennis) kan denken. Beeld en begrip in samenhang denken is ook het doel van systeem dynamiek (functioneel).

Mythisch paradigma
De mythische mens denkt in beelden. Die beelden maakte hij zichtbaar in symbolen (verhalende beelden) en hoorbaar in mythen (beeldende verhalen).
  • Het symbool heeft een beeld karakter. Het woord symbool betekent letterlijk ‘het bij elkaar werpen’. In en via het symbool is de mens opzoek naar essentiële verhoudingen. Het hoe van de verhouding komen we op de meest oer/basale manier tegen als beeld in de symbolen. Een aantal voorbeelden, Ingrid Riedel Formen, Alfons Rosenberg –Kreuzmeditation (link).
  • Mythe heeft een begrips karakter. Het woord 'mythos' betekend 'het gezegde', 'het opgezegde verhaal'. De mythe is een vertelling die uitlegt.  In en via het verhaal is de mens opzoek naar verklaringen. Wisselwerkingen tussen verschillende werelden, (boven en onder wereld) verschillende goden (goed en kwaad) en verschillende mensen (man en vrouw)  en de wisselwerking tussen al deze onderling verbonden aspecten worden in een mythe uitgelegd. De mythe heeft als functie te leren van het verhaal. In het verhaal wordt het geleerde functioneel in samenhang gebracht.
  • Riten zijn handelingen waar symbool en mythe bij elkaar komen voor de mythische mens.De rite heeft als functie de kosmische ordening te ondersteunen. Bijvoorbeeld, om hemel en aarde in harmonie te brengen. Resten van deze riten vinden we deels nog terug in de natuur en jaarfeesten. Denk hier bij bijvoorbeeld aan midzomerfeest, kerstfeest, lichtfeest, suikerfeest enz.
Ontologisch paradigma
De ontologische mens denkt in begrippen. Begrippen maakt hij zichtbaar met hiërogliefen (Egyptisch geschrift), tekens (spijkerschrift), ideogrammen (Chinese karakters) en letters (alfabet). Met die letters vormde hij begrippen (woorden), die een verbinding proberen te leggen tussen een feit (wat je kan zien of pakken) en een idee (wat je niet kan pakken maar wel kan denken). Zo kan een begrip afhankelijk van de context en afhankelijk van de manier waarop je het uitspreekt (toon hoogte) heel veel betekenissen krijgen. Zoals bijvoorbeeld het begrip ratio in het latijn 33 betekenissen heeft. Hier zijn vele voorbeelden van.

(Link 33 betekenissen ratio) Als een begrip zo veel betekenissen kan hebben wordt duidelijk dat het begrip steeds meer eenabstracte functie krijgt.Je weet waar het een beetje over gaat, maar je kunt niet meer uit het begrip alleen alle nuances halen. Die moet je nog concretiseren via andere begrippen en/of ervaringen. Denk aan het begrip pijn die op tig manieren ervaren en omschreven kan worden. Dat betekent dat de betekenis van een begrip deels afhankelijk is van de context. Zoals dat bij voorbeeld onderzocht wordt in de semantiek. (link semiotisch vierkant, Greimar).

Functioneel paradigma
De functionele mens wil begrippen en beelden weer met elkaar in verband brengen en ze op een heldere manier denken.

Systeemdynamiek opereert binnen het domein van het functionele paradigma. Het functionele paradigma herneemt en integreert het mythische en het ontologische paradigma. Het beoogt een synthese tussen beiden.
  • Mythisch paradigma: onmiddellijke verhouding tussen subject en object.
  • Ontologisch paradigma: middellijke verhouding tussen object en subject
  • Functioneel paradigma: synthese van onmiddellijke en middellijke verhouding.
  • Onmiddellijke verhouding: Subject en object vloeien samen en vormen een insluitende eenheid.
  • Middellijke verhouding: subject en object vallen uit elkaar en vormen een uitsluitende tweeheid.
In het functionele paradigma dient de onmiddellijke verhouding tussen subject en object (mythisch paradigma) zich te verhouden tot de middellijke verhouding tussen object en subject (ontologisch paradigma). De ene verhouding verhoudt zich tot de andere verhouding. Bij gevolg staat binnen het functionele paradigma de verhouding als verhouding centraal. Dat wil zeggen dat alles zich tot alles dient te verhouden. Een verhouding karakteriseert zich door een meerledige/delige structuur. (2 - 3 - 4- meerledige/delige verhoudingen). Link naar uitleg. Evt link naar de 3 paradigma’s (dia gram en presentatie christel)

Gebruiken we hierboven bij  het bergip verhouding of is wisselwerking, samenhang, in een aantal gevallen passender???

Systeemdynamiek wil de wisselwerking tussen subject en object, tussen waarnemer en waargenomene, tussen waarnemend systeem en waar te nemen systeem aan de orde stellen in een structureel herleidbaar verband. Systeemdynamiek wil en kan de onderlinge verwevenheid van gegeven wisselwerkingen zodanig aan de orde stellen dat ze rationeel denkbaar kan worden in en vanuit een functioneel paradigma: een synthese tussen mythos en logos.
  • Mythos:
  • Logos:



Web en matrix.


Het veld van assen kun je verder door trekken, denken en weven. Het wordt 1 groot veld van web en matrix.

Matrix en web zijn van elkaar te onderscheiden maar niet te scheiden. Ze behoren beide tot het zelfde netwerk.

Een netwerk bestaande uit vele coordinaten met onderlinge wisselwerkingen, verbanden, verhoudingen, raak-vlakken. Waarin we ons binnen systeem dynamiek beperken tot enkele coordinaten (bronpunten) met hun vele wisselwerkingen maar ook beperkte contouren, assen en resonanties.

Het weefsel als kosmisch netwerk dat weeft en leeft.

Netwerken kenmerken zich door het feit dat ze zichzelf organiseren door middel van een vormende kracht die werkzaam is in het te vormen netwerk, ze zijn zelforganiserend.


Weven betekent in het Sanskriet tantra, tantra wil zoveel zeggen als weven en verwijst naar de onderlinge verwevenheid van gegeven coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken.

Buitenwereld en binnenwereld, bovenwereld en onderwereld zijn slechts vier zijden van hetzelfde weefsel waarin de draden van alle krachten en machten, van alle posities en betrekkingen verweven zijn in een deelbare matrix en een ondeelbaar web van eindige en eindeloze, elkaar wederkerig bepalende processen en inhouden.

Richten we onze aandacht op contouren. Dan krijgt een web een ondeelbaar karakter  en een matrix een deelbaar karakter:

  • Ondeelbaar web, statische kruis gerelateerd aan en-en verbanden (inhouden en betrekkingen).
  • Deelbare matrix, het dynamische kruis gerelateerd aan of-of verbanden (processen en posities).
  • Het ondeelbare relateren we aan statiek
  • Het deelbare relateren we aan dynamiek

Richten we onze aandacht op een veld dan:

  • Relateren we een tijdruimte veld aan dynamiek (processen en inhouden)
  • Relateren we een ruimtetijd veld aan statiek (posities en betrekkingen)

Het ondeelbare web (van statische kruizen) verhoudt zich tot een tijdruimte veld, een dynamisch veld.
Het deelbare Matrix (van dynamische kruizen) verhoudt zich tot een ruimtetijd veld, een statisch veld

  • Het ondeelbare kent een subject betrokken karakter. Het web en een tijdruimte veld kent een subject betrokken karakter meer ordenend (functioneel mythisch).
  • Het deelbare kent een object betrokken karakter. De matrix en een ruimtetijd veld kent een object betrokken karakter meer structurerend (functioneel ontologisch).

Het kosmische  netwerk  kan vergeleken worden met het relativistische web (volgens sommige filosofieën aangaande de moderne fysica), waarin subject en object in functie van elkaar staan als relatieve grootheden die zich tot elkaar dienen te verhouden omwille van de harmonie. Want wie veroorzaakt wat en wat veroorzaakt wie, subject en object zijn binnen het functionele paradigma zowel onmiddellijk als bemiddeld.

Richten we onze aandacht op  verhoudingen (assen) dan zien we nog een wisselwerking,

Ter herinnering:

De dynamiek tussen Zelf-functie (subject betrokken) en Ik-functie (object betrokken)  relateren we aan het statische kruis. Zonder de aanwezigheid van deze twee functies is er geen functioneel denkraam om te kunnen subjectiveren en/of te kunnen objectiveren.  evt aanpassing nodig

Het statische kruis beeldt een gelijktijdig verband, in dit voorbeeld tussen 2 dynamische persoonsfuncties, de Zelf functie en de Ik functie. De één kan niet zonder de ander. Ze staan in een en-en verband.

In het statische kruis lezen we hier ook het ondeelbare.

De dynamiek tussen Wordings-functie (object betrokken)  en Zijns-functie (subject betrokken) relateren we aan het dynamische kruis. Zonder de aanwezigheid van deze twee functies is er geen functioneel werkraam om zowel verandering (wording) als durendheid (zijn) van elkaar te kunnen onderscheiden als met elkaar te kunnen verbinden. evt aanpassing nodig

Zijn heft het worden op en worden heft het zijn op. Als alles is, kan niks worden. Als alles wordt, kan niks blijvend zijn.
Dit geeft de mogelijkheid om zijn en worden van elkaar te scheiden.
Ze staan in een  of-of verband.

In het dynamische kruis lezen we hier ook het deelbare.

Maar ook kunnen we in het statische kruis het deelbare lezen en in het dynamische kruis het ondeelbare.

Een web met een sprong karakter (een specifieke tijd en ruimte) en
een matrix met een doorlopend karakter (algemene tijd en ruimte):

Impuls as en plaats as (statisch kruis) beide met een 'sprong' karakter zijn gerelateerd aan een web.
Polaire as en duale as (dynamisch kruis) beide met een 'doorlopend' karakter zijn gerelateerd aan een Matrix.

Het web met een 'sprong' karakter krijgt iets deelbaars.
De matrix met een 'doorlopend' karakter krijgt iets ondeelbaars.

Zowel in een matrix als in een web doet zich een werkelijkheid voor waarin alles onderling verbonden is binnen een netwerk en of raamwerk. Dien tengevolge is het dan ook van groot belang om een gepast systeem dynamisch denkraam te ontwikkelen waarin web-denken en matrix-denken met elkaar verbonden kunnen worden, subject betrokken denken en object betrokken denken.

Een web doet ons een matrix zien en een matrix doet ons een web zien. Met een continue mogelijke wisselwerking tussen beide. Om deze verschillende wisselwerkingen aan het licht te brengen maken we een onderscheid maar een werkelijke scheiding is er niet.



(?nu de contouren en de assen een interessante relatie hebben tussen het statische en dynamische kruis)
positie en betrekking tot een statisch kruis (sprong karakter)
inhoud en proces tot een dynamisch kruis (doorlopend karakter)
kunnen we hier boven in het groen nog wel zo weergeven?) 
Ja, waneer je verbanden over de verhoudingen plaatst dan zie je een wisselwerking deze is wel sec. Deze wisselwerking sluit weer aan op sprong en doorlopend van de assen.




Web

De diagonalen verhouden zich tot elkaar in een web. Dit kun je verbeelden in een als maar doorlopend weefsel van diagonale impuls assen en plaats assen. Het weefsel als kosmisch web dat weeft en leeft. De impuls en plaats assen, die een statisch kruis vormen, weven met elkaar een dynamisch veld.

Richten we onze aandacht op contouren:
  • Ondeelbaar web, statische kruis gerelateerd aan en-en verbanden (inhouden en betrekkingen). De en-en verbanden vormen een 4 kant.
  • Het ondeelbare relateren we aan statiek.

Richten we onze aandacht op een veld dan:

  • Relateren we een tijdruimte veld aan dynamiek (processen en inhouden)
  • Het ondeelbare web (van statische kruizen) verhoudt zich tot een tijdruimte veld, een dynamisch veld. Waarin de tijd primair is aan de ruimte. Het web verbindt 4 bronpunten in een dynamisch veld, ze vormen een ruit.

Het ondeelbare kent een subject betrokken karakter. Het web en een tijdruimte veld kent een subject betrokken karakter en is meer ordenend (functioneel mythisch).

Bij de mythische mens is zo wel het subject als het object een 'wie'.

Mythisch paradigma: onmiddellijke verhouding tussen subject en object.

Onmiddellijke verhouding: Subject en object vloeien samen en vormen een insluitende eenheid (en-en).

De impuls as (subject betrokken) en de plaats as (object betrokken) staan in een en-en verband (statisch kruis).

Voor de mythische mens is het web, het dynamische veld en de tijd primair.

Bij de mythische mens vormt ‘de  tijd als een tegelijkertijd ’en ‘de ruimte als een na-elkaar’ een belangrijk gegeven in hun wereld benadering.

De verbondenheid die de impuls as beeldt, is een tijds gerelateerde 'lid' van een subject betrokken benadering.

Ongeacht de afstand tussen het een en het ander, tussen jou en het andere, of wanneer je iets doet, denkt, voelt, wilt; alles heeft direct invloed op de wereld en visa versa. Je draagt dan een verantwoordelijkheid over hoe (en wat) je doet, denkt, voelt, en wilt. Er is een continue betrekking tussen de mythische mens en zijn omgeving. 

De gescheidenheid die de plaats as brengt is een ruimte gerelateerd 'deel' van een object betrokken benadering. Deze object betrokken benadering is secundair (komt op de tweede plaats)  aan de subject betrokken benadering. Waar een object staat, een gebouw, een beeld, een altaar kan niet zomaar op elke positie komen te staan. Religieuze overtuigingen bepalen of iets hier of daar dient plaatst te vinden.


In het mythisch beeld van het kosmische web wordt de  werkelijkheid op een simplexe wijze in beeld gebracht, als een netwerk van onderling verweven dynamieken.  De mythische  mens wil  leren lezen wat er aan wil leeft in de werkelijkheid, zowel tussen subjecten onderling als tussen objecten onderling, als wel specifiek tussen subject en object onderling. Door deze wil te leren verstaan, kan ze ook geleefd en gerealiseerd worden als een levend wevend web.
Met het willen komt zicht op 'wie is'  de werkelijkheid en wat vraagt de werkelijkheid van mij om als subject in een harmonieuze verbinding te kunnen leven. Een werkelijkheid waarin het subject het primaat heeft, vandaar de term subject betrokken.



Teken, afbeelding, gram, symbool.

Matrix


De horizontale en verticale assen verhouden zich tot elkaar in een matrix. Dit kun je verbeelden als een als maar doorlopend patroon van polaire assen (en-en) en duale assen (of-of). De polaire en duale as, die samen komen in een dynamisch kruis, vormen een statisch veld.


Richten we onze aandacht op contouren:
  • Deelbare matrix, het dynamische kruis gerelateerd aan of-of verbanden (processen en posities). De of-of verbanden vormen een ruit.
  • Het deelbare relateren we aan dynamiek.

Richten we onze aandacht op een veld dan:

  • Relateren we een ruimtetijd veld aan statiek (posities en betrekkingen)
  • Het deelbare Matrix (van dynamische kruizen) verhoudt zich tot een ruimtetijd veld, een statisch veld. Waarin de ruimte primair is aan de tijd. De matrix verbind 4 bronpunten in een statisch veld ze vormen een vierkant.

Het deelbare kent een object betrokken karakter. De matrix en een ruimtetijd veld kent een object betrokken karakter meer structurerend (functioneel ontologisch).

Bij de ontologische mens is zowel het object als het subject een 'wat'.

Ontologisch paradigma: middellijke verhouding tussen object en subject.

Middellijke verhouding: subject en object vallen uit elkaar en vormen een uitsluitende tweeheid. (of-of)

De duale as (object betrokken) en de polaire as (subject betrokken) staan in een of-of verband (dynamisch kruis).

Bij de ontologische mens vormt ‘de tijd als een na-elkaar’ en ‘de ruimte als een tegelijkertijd’ een belangrijk gegeven in hun wereld benadering.

De gescheidenheid die de duale as beeldt, is een tijd gerelateerd 'deel' van een object betrokken benadering.

Het object vraagt om een gescheidenheid, het object dient los van mij te staan.. Wat ik (als subject) wil, voel en denk mag geen invloed hebben op het object. Het object is onderhevig aan processen; hoe een object eerst dit en dan dat kan worden, staat los van mij als subject. De ontologische  benadering gaat uit van een na-elkaar in de tijd. Als er 'dit' gebeurt dan gebeurt er 'dat', telkens weer. 

De verbondenheid die de polaire as beeldt, is een ruimte gerelateerd 'lid' van een subject betrokken benadering.
Deze subject betrokken benadering is secundair (komt op de tweede plaats)  aan de object betrokken benadering.
Het subject bepaalt de inhoud, een inhoud die zowel wie of wat kan zijn. Deze inhoud kan wel bedacht en berekend worden door het subject, maar uiteindelijk dient het subject zich te onderwerpen aan de objectieve werkelijkheid.


Door het ontologische begrip van de matrix wordt de werkelijkheid betreffende haar complexe dynamieken begrijpelijk gemaakt.  De matrix als een netwerk van onderling te onder/scheiden dynamieken, je moet onderzoeken 'wat bepaalt wat'.
De ontologische mens denkt de werkelijkheid te kunnen begrijpen  door haar te denken en te berekenen  op basis van uit te zetten coördinaten in tijd en ruimte. Daar door is hij instaat om middels de onderzochte werkelijkheid nieuwe relaties uit te denken waar door er een nieuwe werkelijkheid kan ontstaan. Objecten worden uit elkaar gehaald om op een andere wijze te worden samengevoegd. 
Met het denken komt zicht op 'wat is' en waaraan het subject zich heeft te houden, wil het zich kunnen invoegen in een uitgedachte werkelijkheid waarin het object het primaat heeft, vandaar de term object betrokken.


Functioneel netwerk
Bij de functionele mens staat het statische kruis niet los van het dynamische kruis. De mythische en de ontologische benadering komen te samen in een functionele benadering waarbij het web en de matrix samenkomen in een systeem dynamisch te onderzoeken netwerk.
Dynamiek en statiek behoren niet tot het ene of het andere maar verhouden zich als een en-en verband. We kunnen ze wel onderscheide.  Een dynagram verhoudt zich meer tot een dynamisch veld en een diagram verhoudt zich meer tot een statisch veld. Zowel de één als de ander verhouden zich tot tijd en ruimte, dynamisch en statisch kruis,
web en matrix..

Bij de mythische mens is zo wel het subject als het object een 'wie'
Bij de ontologische mens is zowel het object als het subject een 'wat'

Bij de functionele mens wordt zowel het subject als het object als een wat en als een wie verstaan. Zowel het wie als het wat zijn bepalend, zij vormen met elkaar processen en inhouden, posities en betrekkingen. In ruimte en in tijd zijn ze zowel tegelijkertijd als na elkaar. Ze staan zowel in een onmiddelijke als een middelijke verhouding tot elkaar. Ze vormen zowel een insluitende eenheid als een uitsluitende tweeheid.


Subject betrokken en object betrokken leggen we verder uit bij de  bouwpatronen dynagram en diagram

Verbanden en contouren (processen en inhouden, posities en betrekkingen) leggen we in het aankomende hoofdstuk 'verbanden en contouren' verder uit.






Verbanden en de contouren


Algemeen, Verbanden en de contouren 

(tussen coördinaten en bronpunten).


Verband, is een dynamiek tussen het ene en het andere. Mogelijk tussen 2 of meerdere coördinaten. Dit verband kan aan ruimte of tijd gerelateerd worden.  Een verband in de tijd (configuratie, is een ordening in de tijd) of een verband in de ruimte (compositie, is een structuur in de ruimte).

Een verhouding is een verbijzondering van een verband. Een verband kan leiden tot een verhouding, in dier voege is het verband meer algemeen en de verhouding meer bijzonder.

Cruciale verbanden

De bronpunten staan in relatie tot de cruciale verbanden, die we contouren noemen.

We spreken over 4 contouren:
  • Proces, met een tijd verband en een of-of verband.
  • Inhoud, met een ruimte verband en een en-en verband.
  • Positie, met een ruimte verband en een of-of verband.
  • Betrekking, met een tijd verband en een en-en verband.
Tijd en ruimte:
  • Tijd, is een dynamiek van het veld waardoor alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken zich in een statische ruimte ordenen. (ordening: moet samenhangend zijn)
  • Ruimte, is een statiek van het veld waarin alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken zich in een dynamische tijd structureren.(structuur: moet hetzelfde blijven)


Tijd en ruimte spelen de belangrijkste rol in  het verdelen van de contouren of in een tijdruimte veld of in een ruimtetijd veld.

  • In een tijdruimte veld is de tijd primair, proces en inhoud. We spreken over processen en inhouden in een tijdruimte. In een tijdruimte (dynagram) is de tijd primair (de ruimte ontstaat hier uit de dynamiek van de tijd).
  • In een ruimteveld is de ruimte primair, positie en betrekking. We spreken over posities en betrekkingen in een ruimtetijd. In een ruimtetijd (diagram) is de ruimte primair (de tijd ontstaat hier uit de dynamiek van de ruimte).

Bij de contouren spelen tijd en ruimte verbanden een belangrijke rol in de wisselwerking tussen kwaliteit en kwantiteit.

  • De tijd heeft in het verband een meer kwalitatief karakter
  • De ruimte heeft in het verband een meer kwantitatief karakter

Bij de contouren reguleren de wisselwerkingen van 'tijd/ruimte' en de wisselwerkingen 'ledig/delig', ordening en structuur.

De wisselwerking tussen tijd en ruimte verbanden zorgt voor de ordening van de contouren.
De wisselwerking tussen ledige en delige verbanden zorgt voor de structuur van de contouren.
.

  • 4 ledige (en-en) verband situeren we in het verlengde van het statische kruis (2 diagonale assen)
  • 4 delige (of-of) verband situeren we in het verlengde van het dynamische kruis (horizontale en verticale as)


De ordening van de contouren zorgt voor de ordening van het grondpatroon.

  • Contouren  en resonanties  zorgen voor mogelijke ordening van het grondpatroon
  • Contouren en resonanties zijn fluctuerend rond een bewegelijke lijn, homeorhese

Bij de contouren licht de nadruk meer op ordening.


Ook de contouren verhouden zich tot configuratie en compositie.

  • Proces en betrekking verhouden zich meer tot tijd (configuratie)
  • Positie en inhouden verhouden zich meer tot ruimte (compositie)

Contouren en bronpunten zijn meer aantoonbaar dan de assen en resonanties.


Statisch kruis en dynamisch kruis in ledige en delige verbanden

Niet alleen de assen kunnen we uitwerken in ledige en/of delige verhouding en tijd en/of ruimte verhoudingen. Ook verbanden tussen de coördinaten kunnen we dus danig uitwerken we spreken dan van ledige en/of delige verbanden en een tijd en/of ruimte verbanden.

Deel staat voor een scheidbaar onderdeel (mechaniek) en lid voor een onscheidbaar medelid (organiek).
Organiek:
Mechaniek:

Een verband is mogelijk als een na elkaar (of-of) en als een tegelijkertijd (en en) en een combi van beiden.
In een of-of verband komt het ene na het andere. In een en-en verband is het ene en het andere tegelijkertijd aanwezig.



Niet alleen de assen maar ook de contouren tussen de bronpunten maken een dynamisch kruis dynamischer en een statisch kruis statischer. Een of-of verband is dynamischer dan een en-en verband.

Een statisch kruis kent een en-en verband. Een meer mythisch karakter.
Een  dynamisch kruis kent een of-of verband. Een meer ontologisch karakter.




In elke gram mogen we spreken we van een statisch veld en een dynamische veld en een dynamisch kruis en een statisch kruis.

Tijdruimte in relatie tot ledige, delige, tijd en/of ruimte verbanden


We spreken over processen en inhouden in een tijdruimte. In een tijdruimte (dynagram) is de tijd primair (de ruimte ontstaat hier uit de dynamiek van de tijd).

  • Proces, met een tijd verband en een of-of verband.
  • Inhoud, met een ruimte verband en een en-en verband.

In een tijdruimte verhoudt de tijd zich tot een of-of verband.
in een tijdruimte verhoudt de ruimte zich tot een en-en verband.


Ruimtetijd in relatie tot ledige, delige, tijd en/of ruimte verbanden

We spreken over posities en betrekkingen in een ruimtetijd. In een ruimtetijd (diagram) is de ruimte primair (de tijd ontstaat hier uit de dynamiek van de ruimte).
  • Positie, met een ruimte verband en een of-of verband.
  • Betrekking, met een tijd verband en een en-en verband.
In een ruimtetijd verhoudt de tijd zich tot een -en-en verband.
In een ruimtetijd verhoudt de ruimte zich tot een of-of verband.






Een tijdruimte veld met een of-of verband aan het verlengde van het dynamische kruis, is dynamischer dan een ruimtetijd veld met een of-of verband aan het verlengde van het dynamische kruis, die dan statischer wordt door zijn relatie met ruimte.

Binnen de verbanden vormen de en-en en of-of relatie een combi. We spreken van een wederkerig wisselwerking wanneer het ene (of-of) niet zonder het andere (en-en) kan. In een of-of verband komt het ene na het andere. In een en-en verband is het ene en het andere tegelijkertijd aanwezig. Wanneer beide verbanden met elkaar in functie treden spreken we van een wederkerige dynamiek.



Contouren in een tijdruimte en ruimtetijd.

Tijd en ruimte verbanden in een tijdruimte en ruimtetijd



In een tijdruimte en ruimtetijd staan de verbanden in een wederkerige dynamiek.

Bronpunten (cruciale coördinaten) hebben een vaste plek in relatie tot elkaar (d.m.v de assen) en een variabele plek in relatie tot ruimte (diagram) en tijd (dynagram). Deze variabele plek  kan een cruciale verband (positie, betrekking, inhoud of proces) weergeven van de bronpunten in het grondpatroon.  Afhankelijk van de ingevoegde en te onderzoeken data kunnen plekken en functies in een gram variëren.

Tijd en/of ruimte kunnen verdeeld worden over  8(9) bronpunten. Deze bronpunten zijn te verdelen tussen systeem dynamisch cruciale verbanden:

  • tijd gerelateerde verbonden coördinaten  (processen en betrekkingen) 
  • ruimte gerelateerde verbonden coördinaten  (posities en inhouden). 


In 1 systeem dynamisch veld zijn er 4 door ruimte verbonden bronpunten en 4 door tijd verbonden bronpunten. Alle tijd en ruimte  verbonden bronpunt hebben een centrale bronpunt.

Naar gelang een verdere specificatie kunnen we deels spreken van posities en betrekkingen (in het diagram) en deels van inhouden en processen (in het dynagram), beiden respectievelijk ruimte en tijd gerelateerd. Hierbij aangetekend dat in het dynagram het proces primair is en de inhoud secundair, in het diagram is de positie primair en de betrekking secundair, feitelijk afgeleid vanuit het verband tussen meerdere coördinaten .


 
Tijdruimte

In een tijdruimte (dynagram) staan 4 door tijd verbonden coördinaten in het verlengde van een dynamisch kruis en 4 door ruimte verbonden coördinaten in het verlengde van een statisch kruis.
Op deze 8 coördinaten met een 9de midden zetelen 8 bronpunten in een tijdruimte verhouding. Het 9de midden valt hier samen met de spil functie van de tijdruimte.

In een tijdruimte vormt de tijd de ruimte.





Ruimtetijd


In een ruimtetijd (diagram) staan 4  door ruimte verbonden coördinaten in het verlengde van een dynamisch kruis en 4 door  tijd verbonden coördinaten in het verlengde van een statisch kruis. Op deze 8 coördinaten met een 9de midden zetelen 8 bronpunten in een ruimtetijd verhouding. Het 9de midden valt hier samen met de spil functie van de ruimtetijd.

In een ruimtetijd vormt de ruimte de tijd.







Contouren in een tijdruimte en ruimtetijd.

De bronpunten staan in relatie tot de cruciale verbanden, die we contouren noemen.

We spreken over 4 contouren:

  • Proces, met een tijd verband en een of-of verband.
  • Inhoud, met een ruimte verband en een en-en verband.
  • Positie, met een ruimte verband en een of-of verband.
  • Betrekking, met een tijd verband en een en-en verband.


Tijdruimte, processen en inhouden
Van uit een functioneel mythische visie staat het proces primair.

We preken over processen en inhouden in een tijdruimte. In een tijdruimte (dynagram) is de tijd primair (de ruimte ontstaat hier uit de dynamiek van de tijd). Van uit een functioneel mythische visie staat het proces primair.

  • Processen zijn tijd gerelateerd.
  • Processen hebben een tijd verband en een of-of verband.
  • Processen zijn subject betrokken
  • Een proces voltrekt zich met een mate van zekerheid door een tijdscontinuüm.
  • Een proces loopt met een mate van zekerheid door een tijdscontinuüm.

Het proces vormt de inhoud waardoor de ruimte ontstaat.

  • Inhouden zijn ruimte gerelateerd.
  • Inhouden, heeft een ruimte verband en een en-en verband.
  • Inhouden, zijn object betrokken
  • Een inhoud betrekt met een mate van zekerheid een ruimte discontinuüm.
  • Een inhoud staat met een mate van zekerheid in een ruimte discontinuum.

De ruimte ontstaat hier uit de dynamiek van de tijd.

  • De stroming vormt een bedding voor het water.
Processen en inhouden vormen een samenhangend geheel, in deze een dynagram, gekenmerkt door een statisch kruis in een dynamisch veld.

  • een proces beeldt een heel kwadrant.
  • een inhoud beeldt een heel punt

Mythische denkwijze, proces primair:
  • Begint bij het bepalen van proces, in welke beweging dan ook, wat in principe vooraf gaat aan het bepalen van inhouden (vorm).
  • Denkend van uit een tijd perspectief, waardoor wordt geordend.
  • Verhoudt zich tot een dynagram.


Ruimtetijd, posities en betrekkingen
Van uit een functioneel ontologische visie staat de positie primair.


We spreken over posities en betrekkingen in een ruimtetijd. In een ruimtetijd (diagram) is de ruimte primair (de tijd ontstaat hier uit de dynamiek van de ruimte).
  • Posities zijn ruimte gerelateerd.
  • Posities hebben een ruimteverband en een of-of verband.
  • Posities zijn object betrokken.
  • Een positie bestaat met een mate van waarschijnlijkheid op een bepaalde plaats in de ruimte, in een ruimte discontinuum.
De onderlinge posities vormen een betrekking waardoor de tijd ontstaat.
  • Betrekkingen zijn tijd gerelateerd.
  • Betrekkingen hebben een tijds verband en een en-en verband.
  • Betrekkingen zijn subjectbetrokken.
  • Een betrekking voltrekt zich met een mate van waarschijnlijkheid op een bepaald moment in de tijd, door een tijds continuum.
De tijd ontstaat hier uit de dynamiek van de ruimte.
  • De bedding vervormt de stroming van het water.
Posities en betrekkingen vormen een onsamenhangend geheel, in deze een diagram, gekenmerkt door een dynamisch kruis in een statisch veld.
  • een positie beeldt een heel punt
  • een betrekking beeldt een heel kwadrant

Ontologische denkwijze, positie primair
  • begint bij het bepalen van posities, in welke vorm dan ook, wat in principe vooraf gaat aan het bepalen van betrekkingen (beweging).
  • Denkende van uit een ruimte perspectief, waarin wordt gestructureerd.
  • Verhoudt zich tot een diagram.



Statisch en dynamisch gerelateerd aan ruimte en tijd


Statisch en dynamisch veld gerelateerd aan de tijd.



  • Een dynamisch veld verhoudt zich met haar processen tot de tijd.
  • Processen in de tijd vormen met elkaar een recursief verband, weer gegeven in een ruit. Een recursief verband brengt processen in een cyclische dynamiek (na elkaar).
  • Een statisch veld verhoudt zich met zijn betrekkingen tot de tijd.
  • Betrekkingen in de tijd vormen met elkaar een discursief verband, weer gegeven in een vierkant. Een discursief verband houdt betrekkingen in een cyclische statiek (tegelijkertijd).

Statisch en dynamisch kruis aan de ruimte gerelateerd.


  • Een statisch kruis verhoudt zich met haar inhouden tot de ruimte.
  • Inhouden in de ruimte vormen met elkaar een statisch verband. Bijvoorbeeld, de straten in een stad vormen een statisch verband.
  • Een dynamisch kruis verhoudt zich met zijn posities tot de ruimte.
  • Posities in de ruimte vormen met elkaar een dynamisch verband. Bijvoorbeeld, je kunt van straat x naar straat y wandelen.

Processen en inhouden vormen een 'samenhangend geheel'
(gedachte gang), in deze een dynagram, gekenmerkt door een statisch kruis in een dynamisch veld. 

Posities en betrekkingen vormen een 'onsamenhangend geheel'
(geeft te denken), in deze een diagram, gekenmerkt door een dynamisch kruis in een statisch veld. 

Beide grammetjes vormen een visueel model van mogelijke waarschijnlijkheidspatronen in respectievelijk een relatieve ruimtetijd / diagram en of een relatieve tijdruimte / dynagram.



Assen en contouren aan elkaar relateren

De assen en contouren zijn onderlingen relaties tussen tijd/ruimte en ledige/delige wisselwerkingen.

Tijd en ruimte primair.

Alle mogelijke verbanden en verhoudingen zijn tijd en/of ruimte gerelateerd en in wisselwerking met ledig en delig.

Ter herinnering:
Bij de assen spelen de ledige en delige verhoudingen een belangrijke rol in de wisselwerking tussen kwaliteit en kwantiteit.
  • Het ledige heeft in de verhouding een meer kwalitatief karakter. In 'kwaliteit' speelt de verbindende factor van de leden een rol.
  • Het delige heeft in de verhouding een meer kwantitatief karakter. In 'kwantiteit' speelt de scheidende factor van de delen een rol

Bij de contouren spelen tijd en ruimte verbanden een belangrijke rol in de wisselwerking tussen kwaliteit en kwantiteit.

  • De tijd heeft in het verband een meer kwalitatief karakter
  • De ruimte heeft in het verband een meer kwantitatief karakter

Systeem dynamisch cruciale verhoudingen (assen) samenbrengen met systeem dynamisch cruciale verbanden (contouren).

Tijd primair in tijdruimte veld.

Van uit een functioneel mythische visie is het proces primair en het proces krijgt vorm in de tijd. Deze processen verhouden zich tot elkaar in een dynamisch veld (web). Deze 4 processen in een dynamisch veld verhouden zich tot een statisch kruis met 4 inhouden.

4 processen:
  • 2 processen verhouden zich tot elkaar in een polaire dynamiek (en-en)
  • 2 processen verhouden zich tot elkaar in een  duale dynamiek (of-of).
4 inhouden:
  • 2 inhouden kunnen elkaar tegelijkertijd impulseren (en-en)
  • 2 inhouden kunnen op de ene of andere plaats bevinden (of-of).
Wanneer je de ruimte en tijd van de assen en ruimte en tijd van de coördinaten met elkaar verbind hebben de duale as en plaats as een interessante verhouding.
  • 2 processen (tijd) hebben een duale verhouding (tijd)
  • 2 inhouden (ruimte,) hebben een plaats verhouding (ruimte)
De duale en plaats as worden gekenmerkt door een na elkaar (of-of verhouding).
Het functioneel mythische veld krijgt door dit na elkaar een meer ontologisch karakter.

Een statisch kruis heeft een 'tegelijkertijd' verband (en-en), een meer mythisch karakter.
In een tijdruimte (functioneel mythisch veld) staan 2 processen en 2 inhouden in een 'na elkaar' verhouding en krijgt door dit 'na elkaar' een meer ontologisch karakter.




Ruimte primair in ruimtetijd veld

Van uit een functioneel ontologische visie is de positie primair en deze posities vormen de ruimte. Deze posities verhouden zich tot elkaar in dynamisch kruis. Deze 4 posities op het dynamische kruis verhouden zich tot een statisch veld (matrix) met 4 betrekkingen.

4 posities:
  • 2 posities verhouden zich tot elkaar in een polaire dynamiek (en-en)
  • 2 posities verhouden zich tot elkaar in een duale dynamiek (of-of).



4 betrekkingen:
  • 2 betrekkingen kunnen elkaar tegelijkertijd impulseren(en-en)
  • 2 betrekkingen kunnen op de ene of andere plaats bevinden (of-of).
Wanneer je de ruimte en tijd van de assen en ruimte en tijd van de coördinaten met elkaar verbind hebben de polaire as en impuls as een interessante verhouding.
  • 2 posities (ruimte) hebben een polaire verhouding (ruimte)
  • 2 betrekkingen (tijd) hebben een impuls verhouding (tijd)
De polaire as en de impuls as worden gekenmerkt door een tegelijkertijd (en-en verhouding).
Het functioneel ontologische veld krijgt door dit tegelijkertijd een meer mythisch karakter.

Een dynamisch kruis heeft een 'na-elkaar' verband (of-of), een meer ontologisch karakter.
In een ruimtetijd (functioneel ontologisch veld) staan 2 posities en 2 betrekkingen in een 'tegelijkertijd' verhouding en krijgt door dit 'tegelijkertijd' een meer mythisch karakter. 
 



Mythische ordening en ontologische structuur.



  • Processen en betrekkingen verhouden zich tot de tijd.
  • Inhouden en betrekkingen verhouden zich tot een ledig includerend verband  (vanwege hun en-en relatie).
  • Posities en inhouden verhouden zich tot de ruimte.
  • Processen en posities verhouden zich tot een delig excluderend verband (vanwege hun of-of relatie).
  • Inhoud en betrekking verhouden zich tot elkaar in een statische ordening (functioneel mythisch).
  • 4 inhouden verhouden zich tot 4 betrekkingen. 2 inhouden en 2 betrekkingen staan op het verlengde van de impuls as en 2 inhouden en 2 betrekkingen staan op het verlengde van de plaats as.
  • Proces en positie verhouden zich tot elkaar in een dynamische structuur (funtioneel ontologisch).
  • 4 processen verhouden zich tot 4 posities. 2 processen en 2 posities staan in het verlengde van de duale as en 2 processen en 2 posities staan op het verlengde van de polaire as.

De 4 assen en de 8 coördinaten vormen te samen een functioneel patroon waarin positie, betrekking, proces en inhoud ieder op zich naar gelang de te onderzoeken data ieder afzonderlijk of in samenhang met ieder ander kunnen oplichten.

De contouren over de assen heen plaatsen


De continue wisselwerking tussen functioneel mythische ordening en functioneel ontologische structuur, tussen het ene en het andere, vinden we ook verder in de relatie tussen de assen en de contouren.

Een verhouding is een verbijzondering van een verband. Een verband kan leiden tot een verhouding, in dier voege is het verband meer algemeen en de verhouding meer bijzonder.

Wanneer we de contouren over de assen heen plaatsen:


  • Tijd in of-of: 'duale as verhouding' en een 'proces verband'.

We kunnen een relatie zien tussen 'de verhouding van de duale as' en één van de 'contouren' (verbanden). De duale as en 'proces' (als contour), hebben beide een relatie met tijd en zijn beide delig. De duale as heeft een of-of verhouding in de tijd en een 'proces' heeft een of-of verband in de tijd.

  • Ruimte in en-en: 'polaire as verhouding' en een 'inhoud verband'.

We kunnen een relatie zien tussen 'de verhouding van de polaire  as' en één van de 'contouren' (verbanden). De polaire as en 'inhoud' (als contour), hebben beide een relatie met ruimte en zijn beide ledig. De polaire as heeft een en-en verhouding in de ruimte  en een 'inhoud' heeft een en-en verband in de ruimte.

  • Tijd in en-en: 'Impuls as verhouding' en een 'betrekking verband'.
We kunnen een relatie zien tussen 'de verhouding van de impuls as' en één van de 'contouren' (verbanden). De impuls as en 'betrekking' (als contour), hebben beide een relatie met tijd en zijn beide ledig. De impuls as heeft een en-en verhouding in de tijd  en een betrekking heeft een en-en verband in de tijd.
  • Ruimte in of-of: 'Plaats as verhouding' en een 'positie verband'.

We kunnen een relatie zien tussen 'de verhouding van de plaats as' en één van de 'contouren' (verbanden). De plaats as en 'positie' (als  contour), hebben beide een relatie met ruimte en zijn beide delig. De plaats as heeft een of-of verhouding in de ruimte  en een 'positie' heeft een of-of verband in de ruimte.

Combineren we dat met 4 aspecten van de persoonlijkheid kunnen we het volgende formuleren:

  • Proces heeft en Wordings tendens en de Wordings-functie heeft een tendens om processen te vormen.
  • Inhoud heeft een Zijns tendens en de Zijns-functie heeft een tendens om inhouden te vormen
  • Positie heeft een Ik tendens en de Ik-functie heeft een tendens om te positioneren
  • Betrekking heeft een Zelf tendens en de Zelf-functie heeft een tendens om te betrekken


Wanneer we de verbanden over de assen plaatsen zien we overeenkomsten tussen de assen en de verbanden maar er zijn ook verschillen:

Meer kosmo-morf?:

  • Proces (subject betrokken) met een tijds continuum  staat in relatie tot een Wordings tendens (object betrokken) met een tijds discontinuum (doorlopend karakter, duale as)
  • Inhoud (object betrokken) met een ruimte discontinuum staat in relatie tot een Zijns (subject betrokken) tendens met een ruimte continuum (doorlopend karakter, polaire as)

Meer antropomorf?

  • Positie (object betrokken) met ruimte discontinuum staat in relatie tot een Ik (object betrokken) tendens met een ruimte discontinuum (sprong karakter plaats as)
  • Betrekking (subject betrokken) met een tijds continuum  staat in relatie tot een Zelf (subject betrokken) tendens met een tijd continuum (sprong karakter impuls as)

Bij de contouren zijn de ruimte en tijd verbanden bepalender dan de ledige en delige verbanden. De contouren worden gefixeerd door tijd en ruimte.
Bij de assen zijn de ledige en delige verhoudingen bepalender dan de ruimte en tijd verhoudingen. De assen worden gefixeerd door ledige en delige.


Wisselwerking tussen functioneel mythisch en functioneel ontologisch

  • het dynamische kruis (meer ontologisch door of-of verband) verhoudt zich tot proces en inhoud (meer mythisch aangezien de tijd hier primair is)
  • het statische kruis (meer mythisch door en-en verband) verhoudt zich tot positie en betrekking (meer ontologisch aangezien de ruimte hier primair is)


Alternatieve verbanden

In een gram kunnen alternatieve coördinaten in een mogelijke alternatieve verband gebracht worden. Toch blijven deze alternatieve verbanden in relatie tot de contouren staan.

Bijvoorbeeld. In deze 'casus gram' (link) staan alle 12 maanden (inhouden) in een jaarloop (proces). Dit proces wordt gekoppeld aan 'de maanden waarin de dagen korter worden' en 'aan de maanden waarin de dagen langer worden'. Het proces is in het grondpatroon aanwezig maar wordt niet in deze 'casus gram' letterlijk benoemd.

nog interessant om te vermelden: verband, verbondenheid in tijd en of ruimte, gescheidenheid in tijd en of ruimte in een tijdruimte en ruimtetijd??

De onderlinge verbondenheid en of gescheidenheid van cruciale posities en mogelijke betrekkingen, noodzakelijke betrekkingen en mogelijke posities, zijn een fundamenteel kenmerk van systeem dynamiek en daarmee van alle werkelijkheid. Dit geldt evenzeer voor de onderlinge verbondenheid en of gescheidenheid van noodzakelijke processen en mogelijke inhouden, noodzakelijke inhouden en mogelijke processen.

groene tekst hierboven vervangen door:

De onderlinge verbonden en/of gescheidenheid van cruciale contouren en mogelijke alternatieve verbanden, zijn een fundamenteel kenmerk van systeem dynamiek.

Al blijven alternatieve verbanden  altijd in het bereik en in relatie tot de cruciale verbanden. In elke gram kan er verscheidene wisselwerkingen zichtbaar worden. Bijvoorbeeld:

Cruciale posities en alternatieve betrekkingen en cruciale betrekkingen en alternatieve posities.

Zo ook cruciale processen en alternatieve inhouden en cruciale inhouden en alternatieve processen.

En/Of

De onderlinge verbondenheid en/of gescheidenheid van noodzakelijke structuur en mogelijke ordening. Noodzakelijke ordening en mogelijke structuur, zijn fundamenteel kenmerk van systeem dynamiek en daarmee zijn 'werkelijkheid' ... (dan wel verplaatsen)

Ster verbanden

Een veel voorkomend alternatief verband zijn 3 hoek / 6 ster/ 12 ster verbanden. De begrippen op de punten en lijnen van de ster blijven geordend aan het grondpatroon en een (bij de te onderzoeken data passend) bouwpatroon. Zo zijn er stervormige grammen in een diagram, dynagram, duogram dictogram en hologram mogelijk uit te werken.

Een ster bestaat uit driehoeks verbanden.

  • De begrippen op de 3 punt coördinaten van het 3 hoekverband hebben een overeenkomst. Het geen wat ze met elkaar verbind.
  • In een 6 ster verband staan 2 maal een 3 hoekverband met elkaar in wisselwerking.
  • In een 12 ster verband staan 4 maal een 3 hoeksverband met elkaar in wisselwerking.

Voorbeelden:

Dynagram, Stress, Interne stressor reacties

Diagram, Transforming your organisation

Duogram,

Dictogram, Sophia in Beeld 2013-02-15

Hologram, Holograms

Bijvoorbeeld: Hologram, windroos in relatie tot elementen in kleuren: (Link)

Elementen: Vuur, lucht, water en aarde staan met elkaar in verband.

De 4 wind -streken/-richtingen: oost, zuid, west en noord staan met elkaar in verband.

De 4 in/uitwerkingen:  zuidoost, zuidwest, noordwest en noordoost staan met elkaar in verband.

In het midden op diagram  in een ruimtetijd veld.

In de periferie op dynagram in een tijdruimte veld.

De groene driehoek heeft een verband met oost dynamieken

De roze driehoek heeft een verband met zuid dynamieken

De gele driehoek heeft een verband met west dynamieken

De blauwe driehoek heeft een verband met noord dynamieken



Verbanden in relatie tot de te onderzoeken data

Binnen de gevonden woorden van de te onderzoeken data zoek je naar bepaalde verbanden, die  permanent en semi permanent kunnen zijn. Je zoekt een dynamiek tussen het ene en  het andere(n) woord(en).

In de te onderzoeken data zijn nog vele andere verbanden mogelijk, binnen systeem dynamiek beperken we tot de contouren en alternatieve verbanden. 

Tijdens het onderzoek kun je je afvragen wat het overeenkomstige verband is tussen deze woorden. Bijvoorbeeld,  gaat het hier meer om een tijd verband of meer om een ruimte verband. Binnen systeem dynamiek hanteren we tijd gerelateerde en ruimte gerelateerde verbanden (contouren) maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en/of werkelijkheid.

Een belangrijke vraag die je je kan stellen is: tot welke logische klasse behoren deze woorden?

Met logische klasse bedoelen we bijvoorbeeld:

Lente, zomer, herfst, winter. Ze behoren tot de logische klasse van 4 seizoen. Deze seizoenen hebben een cyclisch tijd verband. Zo volgen elkaar,  na elkaar op, in een specifieke volgorde. Ze zijn of-of in de tijd.

Afhankelijk  je begrippen, de context, referentie kader en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kan binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde logische klasse in een ander verband komen te staan.


Onderscheid tussen strak in de regel en speels in de uitwerking.

Gram Inleiding, opbouw van een systeem dynamisch veld.
Contouren en Resonantie staan in het verlengde van de impuls as. Verbindende(en-en) , tijd verhouding. Meer ordening.
Assen en bronpunten staan in het verlengde van de plaats as. Scheidende (of-of) , ruimte verhouding. Meer structuur.

Dit zien we terug bij gemaakte grammen en te maken grammen. Waar de assen en bronpunten zorgen voor structuur en herhaling en deze in de regel strenger zijn. Zorgen contouren en resonantie voor ordening en verandering en zijn deze meer spelenderwijs uit te werken.

Ter herinnering:
Tijd, is een dynamiek van het veld waardoor alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken  zich in een statische ruimte ordenen. (ordening: moet samenhangend zijn).

Ruimte, is een statiek van het veld waarin alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken    zich in een dynamische tijd structureren.(structuur: moet hetzelfde blijven).


De cruciale verbanden die aan tijd en ruimte gerelateerd zijn zijn net als tijd en ruimte, wel te onderscheiden maar niet te scheiden.
  • Proces heeft een positie in de ruimte
  • Positie heeft een proces in de tijd
  • Inhoud heeft een betrekking in de ruimte
  • Betrekking heeft een inhoud in de tijd

Proces heeft een positie in de ruimte: Processen vinden primair hun aanvang in en vanuit een tijdsgerelateerde dynamiek. Een proces kan een dermate krachtige `entiteit´ vormen dat ze vergelijkbaar wordt met wat de ontologie positie noemt. Zo een proces heeft een eigenstandigheid en of beter eigendurendheid. Een positie is primair gerelateerd aan een ruimte gerelateerde statiek, vandaar dat we kunnen spreken van de eigenstandigheid van een positie. 

Positie heeft een proces in de tijd: Positie vinden primair hun aanvang in en vanuit een ruimtegerelateerde statiek. Een positie kan een dermate zachte 'entiteit' vromen dat hij vergelijkbaar wordt met wat de mythologie proces noemt. Zo een positie verliest zijn eigenstandigheid en of beter eigendurendheid. Een proces is primair gerelateerd aan een tijd gerelateerde dynamiek, vaandaar dat we kunnen spreken van een on-eigenstandigheid van een proces.

Inhoud heeft een betrekking in de ruimte/tijd: Inhouden vinden  primair hun aanvang in en vanuit een ruimtegerelateerde statiek. Een inhoud kan dermate zachte 'entiteit' vormen dat hij vergelijkbaar wordt met wat de onthologie betrekking noemt. Zo een inhoud verliest zijn eigenstandigheid en/of beter eigendurendheid. Een betrekking is primair gerelateerd aan een tijd gereleerde dynamiek, vandaar dat we kunnen spreken van een on-eigenstandigheid van een betrekking.

Betrekking heeft een inhoud in de tijd/ruimte: Betrekkingen vinden primair hun aanvang in en vanuit een tijdgerelateerde dynamiek. Een betrekking kan een dermate krachtige 'entiteit 'vormen dat ze vergelijkbaar wordt met wat de mythologie inhoud noemt. Zo een betrekking heeft een eigenstandigehied en of beter een eigendurendheid. Een inhoud is primair gerelateerd aan een ruimte gerelateerde statiek, vandaar dat we kunnen spreken van de eigenstandigheid van een inhoud. 


Nog te onderzoeken vraag:  proces heeft een positie in werkelijkheid Of alleen  in systeem dynamiek krijgt proces een positie en positie een proces aangezien op elk con-figuratief component, ruimte en tijd deels samen vallen door middel van beeld en begrip en configuratie en compositie.

We onderscheiden de verbanden tussen tijd en ruimte. Waarin tijd verbonden coördinaten een heel kwadrant beeldt en ruimte verbonden coördinaten een heel punt beeldt.

  • een proces en beeldt een heel kwadrant.
  • een inhoud beeldt een heel punt
  • een positie beeldt een heel punt
  • een betrekking beeldt een  heel kwadrant

We maken hier weer onderscheid tussen ruimte en tijd die niet te scheiden is. De te onderzoeken data met de daar bij behorende woorden (incl dynamieken) zullen niet zo strak te scheiden zijn.
Zo zullen er processen zijn met een meer puntig karakter en posities met een meer kwadrantig kararakter (zo ook voor betrekkingen en inhouden).


Nu is de verdeling tussen positie en betrekking, gerelateerd aan het diagram, en proces en inhoud, gerelateerd aan het dynagram zeer wel een helder uitgangspunt binnen systeem dynamiek. Het maakt helder of je vanuit een ruimte perspectief of vanuit een tijdsperspectief wil denken. Uiteindelijk echter is er geen ruimte zonder tijd en geen tijd zonder ruimte. Vandaar dat we het diagram relateren aan de ruimtetijd (ruimte wordt tijd) en het dynagram aan de tijdruimte (tijd wordt ruimte).

Dat maakt dat enerzijds het vertrekpunt helder gesteld kan worden maar laat anderzijds onverlet dat uiteindelijk het ruimteperspectief en het tijdsperspectief binnen het verband van een systeem, toch dynamisch kunnen interacteren, zodat in beide grammen met posities en betrekkingen, processen en inhouden gewerkt kan worden. Ondanks alle mogelijke wisselwerkingen, blijft het uitgangspunt als een kritische toetssteen staan.

Elke ontwikkeling tendeert naar verbinding en of afscheiding, verdwijning en of verschijning.

De dualiteit tussen verbinden en afscheiden verhoudt zich tot de polariteit van verdwijnen en verschijnen.

Zo ook tussen delen en leden, posities en betrekkingen, inhouden en processen, vorming en werking.

In diagram en dynagram hebben alle 4 assen een en de zelfde plek in een systeem dynamisch veld. De tijd en ruimte coördinaten zijn gerelateerd aan tijdruimte en ruimtetijd. Maar ook kunnen deze coördinaten elk op zich een ruimte of tijd functie toebedeeld worden ( proces, inhoud, positie,betrekking).

In een dynagram staat de tijd primair. Globaal verhoudt een dynagram zich meer tot processen en inhouden. Maar ook hier in kunnen posities en betrekkingen een functie krijgen. Zo kunnen ook processen bijvoorbeeld zowel op het dynamisch als statische kruis worden uitgewerkten/of in een combinatie van die twee. Zo kunnen inhouden op een zelfde wijze uitgewerkt worden

In het dynagram staan 4 coordinaten in het verlengde van het statische kruis. Deze vormen altijd een 4 deligheid of ledigheid. Vuur-lucht-water-aarde (betrekking), actie-reactie-interactie-transactie (proces). Aangezien het hier over dynagrammen gaat blijft de tijd en het proces een grote rol spelen. Binnen een dynagram kunnen deze coördinaten een mogelijke nog te denken verhouding weer geven.

In een diagram staat de ruimte primair. Globaal verhoudt een diagram zich meer tot posities en betrekkingen. Maar ook hier in kunnen processen en inhouden een functie krijgen. Zo kunnen posities bijvoorbeeld zowel op het dynamische als het statische kruis worden uitgewerkt en/of in een combinatie van die twee. Zo kunnen betrekkingen op een zelfde wijze uitgewerkt worden.

In een diagram staan de betrekkingen in het verlengde van statisch kruis. Deze is niet cyclisch van aard maar bestaat uit twee wegen een sympathische en een antipathische weg. Maar ook hier kunnen mogelijke processen in worden weer gegeven.

Niet alleen de contouren bepalen of een gram uitgewerkt wordt in een dynagram of diagram. Een meer kosmo-morfe optiek of een meer antropomorfe optiek kunnen net zo doorslag gevend zijn.









Coördinaten en Bronpunten

Algemeen, coördinaten en bronpunten

Ter herinnering:

Coördinaten

Coördinaat, is een knooppunt in een ruimtetijd en/of tijdruimte veld
.

In een gram plaatsen we woorden/begrippen in relatie tot de te onderzoeken data op en/of gerelateerd aan coördinaten.

Er zijn vele coördinaten mogelijk met vele onderlinge relaties.

Systeem dynamiek poogt de vele mogelijke data te herleiden tot een beperkt aantal coördinaten waarmee je toch alle mogelijke wisselwerkingen, dynamieken, verbanden en verhoudingen, tussen gegeven data kunt onderzoeken. De kunst is dan hoe je al die data terug kan brengen tot een beperkt aantal kardinale coördinaten, in deze 8/9 bronpunten.

Cruciale coördinaten, bronpunten:

De 8/9 bronpunten zijn de cruciale coördinaten. Waarbij het woord cruciaal een dubbele betekenis heeft. Ze staan in het verlengde van de 2 kruizen en ze zijn voor systeem dynamiek cruciaal. Ze zijn leden/delen van het grondpatroon en zonder dit grondpatroon worden grammen niet compatibel.

Deze bronpunten hebben ieder een eigen specifieke interne dynamiek, beeldend in de tijd en begrijpend in de ruimte. Aan deze bronpunten verbinden we de volgende begrippen : Oost, Zuidoost, Zuid, Zuidwest, West, Noordwest, Noord, Noordoost. 

  • O, droog, met een  autonoom
  • Z, warm, met een  discentrisch
  • W, nat,  met een heteronoom
  • N, koud, met een concentrisch
  • ZO, vuur element, met een  autonoom discentrische dynamiek
  • ZW, lucht element, met een heteronoom discentrische dynamiek
  • NW, water element, met een  heteronoom concentrische dynamiek
  • NO, aarde element, met een autonoom concentrische dynamiek 

9de midden

Het midden functioneert op twee wijzen tussen de 8 bronpunten:

  • Als midden tussen de 8 bronpunten kan het midden zelf een bepalende bronpunt worden. Afhankelijk van de ingebrachte data kan het midden, positie, inhoud, betrekking of proces zijn. Bij gevolg kan het midden een 9de bronpunt vormen. Dit midden krijgt dan een specifieke bemiddelende functie.
  • Als midden kan het ook een logische klasse weergeven doordat het centrale begrip de overkoepelende term wordt, die de andere begrippen onderbrengt of de centrale spil vormt waaruit de andere begrippen voortkomen. Bijvoorbeeld: windrichtingen, elementen en etmaal.

Dit centrum als bronpunt heeft een spil functie ten opzichte van de andere (8) bronpunten. In deze spil functie kan iets verschijnen of verdwijnen, een midden of een tussen vormen. De 8 anderen bronpunten hebben een veld functie.

Te samen vormen deze 9 coördinaten (bronpunten) de basis om een systeem dynamisch veld (gram) in te richten en te leren lezen.


Configuratie en compositie van de bronpunten

Binnen elk afzonderlijk systeem dynamisch veld spelen configuraties en composities een rol.  De mogelijke verbanden en verhoudingen van de bronpunten zijn uitgelegd, in relatie tot de assen en tot de contouren. De 8/9 bronpunten worden in een tijdruimte (dynagram) en/of ruimtetijd (diagram) aan de orde gesteld.

De 8/9 kardinale coördinaten verhouden zich tot ordening en structuur, tot configuratie en compositie het zijn 8/9 bronpunten. 

ter herinnering:

  • Spreken we van een mogelijke configuratie spreken we van een mogelijke ordening, nog vorm te krijgen in de tijd: een ordening wordt, ontstaat. Binnen een configuratie van leden. (meer dynagram)
  • Spreken we van een mogelijke compositie, spreken we feitelijk van een mogelijke structuur, vorm gekregen in de ruimte: een structuur is, staat. Binnen een compositie spreken we nog aanvankelijk van delen. (meer diagram)

Het spreekt delen kunnen leden worden en leden weer delen. Het hoe kan worden bepaald door de aard van de mechaniek en of organiek om maar een voorbeeld te noemen. Afhankelijk wat in het geheel leidend is compositie of configuratie. Uiteindelijk gaat het om een complexe wisselwerking van zowel compositie als configuratie binnen een samenhangend nader te bepalen (systeem dynamisch) veld en of geheel.

Hoe je het ook draait of keert uiteindelijk kunnen coördinaten een samenhangend veld vormen, mits die coördinaten op zo een wijze in de ruimte `staan´ dat we kunnen gaan spreken van een bepaalde compositie en op zo een wijze in de tijd `lopen´ dat we kunnen spreken van een bepaalde configuratie. Compositie en configuratie van en tussen coördinaten doen een samenhangend veld vermoeden, zo mogelijk systematisch uit te werken, mits het dynamisch ingericht kan worden als een archetypisch veld. Het komt dus erop aan uit te zoeken of coördinaten, verbanden en verhoudingen zodanig gespecificeerd kunnen worden tot bijvoorbeeld posities en betrekkingen in het diagram en processen en inhouden in het dynagram en mogelijk nog andere specificaties.

Ook de bronpunten verhouden zich tot configuratie en compositie, mede door de assen en contouren.

Deze bronpunten staan in configuratie en in compositie met elkaar. Door dat elk bronpunt een eigen specifieke dynamiek heeft en door de assen meer tot een vaste compositie (structuur).  Door de contouren (en resonanties) meer tot een variabele configuratie (ordening).

In relatie tot hun eigen specifieke dynamiek: De 8/9 bronpunten hebben ieder een eigen specifieke dynamiek waardoor ze kunnen beantwoorden aan een noodzakelijke structuur. Ongeacht of ze in een tijdruimte veld of een ruimtetijd veld staan. Ze blijven beantwoorden aan een noodzakelijke structuur van het grondpatroon. 
De dynamieken van bronpunten oost en noord verhouden zich meer tot compositie en de dynamieken van bronpunten west en zuid verhouden zich meer tot configuratie.

 In relatie tot de assen; Oost verhoudt zich tot West over de horizontaal (configuratie, meer in de tijd) en Noord verhoudt zich tot Zuid over de verticaal (compositie, meer in de ruimte). 
  • Bronpunten  en assen zorgen voor noodzakelijke structuur van het grondpatroon.
  • Bronpunten en assen zijn fluctuerend rond een vast punt, homeostase.
Bij de bronpunten ligt de nadruk meer op homeostase. Ze zijn fluctuerend rond een vast punt, het 9de centrum bronpunt. Ook kan elk bronpunt weer een centrum zijn waar alternatieve coördinaten om heen fluctueren. De bronpunten zijn dan ook een vast punt.

In relatie tot de contouren: Het onderscheid tussen een tijdruimte en ruimtetijd is een verschil van de mogelijke ordening van het grondpatroon, dit verschil is mede afhankelijk van de cruciale verbanden (de contouren). De bronpunten verhouden zich  onderling tot elkaar: hoe ze in de tijd lopen (configuratie) en hoe ze in de ruimte staan (compositie).

Kleur en herkenning

Door de mogelijkheid dat processen, posities, inhouden en betrekkingen in beide grammen uitgewerkt kunnen worden, hebben we de grammen in de schoenveter tot nu toe zwart gekleurd. Gaande de uitwerking van de schoenveter ben je langzamerhand wakker geworden aan  verschillen en overeenkomsten tussen dynagram en diagram.

De configuratieve componenten worden grafisch vorm gegeven door:
de dynagrammen (tijdruimte) in blauw te kleuren
de diagrammen (ruimtetijd) in rood te kleuren.

Voor de beginnende leerling zal dit helpend kunnen zijn om systeem dynamisch te leren denken en werken.

Niet alleen de kleuren blauw en rood van een gram brengen inbeeld of het gaat om een dia of dynagram. Ook de compositie van de vier wind-streken/richtingen (bronpunten) kunnen tot begrip brengen over welke gram het gaat. Zij hebben onderling een vaste structuur (o.a. door middel van de assen, in een systeem dynamisch veld. Het oosten staat altijd tegenover het westen. Het zuiden staat altijd tegenover het noorden).
Deze bronpunten, oost, zuid, west en noord hebben in een dynagram een andere ordening dan in een diagram. Een dyngram heeft het zuiden boven en het noorden onder. Het diagram heeft het noorden boven en het zuiden onder. Dit door dat het dynagram zich meer verhoudt tot de tijdruimte en het diagram zich meer verhoudt tot de ruimtetijd.


Het lezen van de onderliggende configuratieve componenten zal voor een gevorderde leerling al voldoende zijn om te herkennen of je met een diagram of een dynagram van doen hebt. Toch blijft het van belang om met behulp van kleur te zien vanuit welk referentiekader jij of de ander denkt. Immers als je met begrippen en beelden werkt, heb je altijd te maken met een referentiekader. De kleur kan dan ondersteunend werken om dit zichtbaar te maken.

  • Blauw wordt doorgaans getypeerd als een koude kleur. Koud wordt gekarakteriseerd door een concentrische dynamiek.
  • In een dynagram (dynamisch veld) geven we een 'gedachte gang' weer.  Een gedachte gang is rond wanneer het een en ander zodanig heeft verbonden dat het insluitend op zichzelf staat. Een gedachte gang krijgt hier mee een concentrisch karakter (blauw).

  • Rood wordt doorgaans getypeerd als een warme kleur.Warm wordt gekarakteriseerd door een discentrische dynamiek.
  • In een diagram (statisch veld) exploreren we hetgeen 'nog te denken' valt. Een diagram geeft te denken omdat de samenhang tussen de begrippen op meerder manieren uitgedacht kunnen worden. Het geen nog te denken valt krijgt hiermee een discentrisch karakter (rood).

Bronpunten

We spreken van 8 bronpunten (met 9de midden).

Deze 8/9 bronpunten worden geordend door door middel van de contouren.
  • Rechts in het blauw in een tijdruimte veld.
  • Links in het rood in een ruimtetijd veld.



  • 4 wind –streken/richtingen staan op het verlengde van het dynamische kruis (gerelateerd aan proces en positie)
  • 4 wind –uit/in –werkingen staan op het verlengde van het statische kruis (gerelateerd aan inhoud en betrekking)

De wisselwerking tussen dynagram en diagram, ordening en structuur, configuratie en compositie, ruimte en tijd kunnen we ook terug vinden bij elk bronpunt.

Elk bronpunt verhoudt zich tot tijd en ruimte:

  • ieder een eigen punt in de ruimte
  • ieder een eigen dynamiek in de tijd.
Deze bronpunten hebben ieder een eigen specifieke interne dynamiek, beeldend in de tijd en begrijpend in de ruimte
Bronpunten geven we betekenis door middel van beeld en begrip en daarmee aan hun eigen functie.

Overeenkomst


Door de bronpunten te bepalen kunnen we werken met overeenkomstige coördinaten in meerdere velden.

De 4 windstreken hebben met de 4 windrichtingen een overeenkomstige dynamiek.
In de afbeelding zie je al dat de kleine pijltjes rond om O, Z, W en N in het blauwe dynagram en het rode diagram het zelfde zijn.

  • O, heeft de pijltjes naar binnen toe
  • Z, heeft de pijltjes naar buiten toe
  • W, heeft de pijltjes naar buiten toe
  • N, heeft de pijltjes naar binnen toe

Tijdens de uitleg van de contouren kwam aanbod dat in een tijdruimte het proces (tijd) primair is (de inhoud secundair) en dat in een ruimtetijd de positie (ruimte) primair is (de betrekking secundair). Hierbij werd zichtbaar dan wanneer we over tijd en ruimte verbanden spreken, op het verlengde van het dynamische kruis de primairen (proces en positie) staan en op het verlangde van het statische kruis de secundaire (inhouden en betrekkingen) staan. Primair en secundair is in deze relatie gericht op de contouren.

Brengen we onze aandacht naar de en-en verbanden en de of-of verbanden dan lees je bij de uitleg van Matrix en Web dat op het verlengde van het statische kruis en-en verbanden staan en op het verlengde van het dynamische kruis de of-of verbanden. Een verband dat we ook terug vinden in de contouren maar waarin primair en secundair wel licht een tegenovergestelde rol spelen. Het op het verlengde van het statische kruis met primaire en-en verband en op het verlengde van het dynamische kruis een secundair of-of verband.

Zo is het mogelijke om de 2 keer 4 werkzame entiteiten van de oudheid (Aristoteles) te verbinden met de overeenkomstige dynamiek van de 4 windstreken en 4 windrichtingen, te samen met de overeenkomstige dynamiek van de 4 uitwerkingen en de 4 inwerkingen.


Windstreken/richtingen kunnen we relateren aan de vier secundaire kwaliteiten, deze waren wel zintuiglijk waarneembaar. Deze staan op het verlengde van het dynamische kruis.

  • O, droog,  autonoom, onafhankelijk (op zich zelf staand) karakter
  • Z, warm,  discentrisch,  centrifugale dynamiek
  • W, nat, heteronoom, afhankelijk karakter
  • N, koud, concentrisch, centripetale dynamiek

De uitwerkingen en inwerkingen kunnen we relateren aan de 4 primaire kwaliteiten (elementen), deze waren niet zintuiglijk waarneembaar. Deze staan op het verlengde van het statische kruis.
  • ZO, vuur element, autonoom discentrische dynamiek
  • ZW, lucht element, heteronoom discentrische dynamiek
  • NW, water element, heteronoom concentrische dynamiek
  • NO, aarde element, autonoom concentrische dynamiek

De primaire en secundaire kwaliteiten hadden een specifieke werking die samenhing.

In combinatie met elkaar werden ze als volgt uitgewerkt. Tussen koud en droog kon je de werking van het aarde element denken, tussen koud en nat het water element, tussen nat en warm het lucht element, tussen warm en droog het vuurelement.

Met deze 2 x 4 kwaliteiten de elk de eigen specifieke dynamieken uitbeelden van elke 8 bronpunten, heb je een eenvoudige indeling die samen met de assen de noodzakelijke structuur vormen van het grondpatroon.

Van oudsher werden de vier elementen, van de oudheid tot ongeveer late middeleeuwen, gehanteerd om onderscheiden dynamieken in beeld te brengen. Een element werd omschreven als een primaire kwaliteit, zijnde an sich niet empirisch (zintuiglijk) waarneembaar, echter had ze een zeer bepaalde te denken werking en of dynamiek wel degelijk waarneembaar via een fenomenologisch te onderzoeken werkelijkheid.

De vier elementen zijn geen krachten en ook geen stoffen, je kunt ze verstaan als een soort van oer ideeën. Oer-ideeën die ten grondslag liggen aan de waarneembare werkelijkheid. De primaire kwaliteiten zijn niet waarneembaar, maar hun werking kan analoog verstaan worden in bijvoorbeeld de vier aggregaat toestanden: het vaste, vloeibare, gasvormige, warme en of in de vier rijken: het minerale, plantaardige, dierlijke en menselijke rijk. De elementen liggen ´ten grondslag´ aan de fenomenale werkelijkheid, je kunt de werking van het water element en het lucht element zien ‘verschijnen´ in bijvoorbeeld het vloeibare en gasvormige. (fenomenon betekent het uit zichzelf verschijnende)

Ter herinnering:

  • Statisch kruis en-en verband, Het ondeelbare kent een subject betrokken karakter. Het web  en een tijdruimte veld kent een subject betrokken karakter. Meer functioneel mythisch.
  • dynamisch kruis of-of verband, Het deelbare kent een object betrokken karakter. De matrix en een ruimtetijd veld kent een object betrokken karakter. Meer functioneel ontologisch.

Wanneer we ons richten op  de en-en verbanden en of-of verbanden (gerelateerd aan de kruizen) dan kunnen we deze ook terug zien in de bronpunten, en juist in de overeenkomstige dynamieken van de bronpunten ongeacht welke contouren een rol spelen.

  • De niet waarneembare primaire kwaliteiten (elementen) verhouden zich tot het statische kruis, subject betrokken, ondeelbare. Wel waarneembaar via Fenomenologisch onderzoek.
  • De waarneembare secundaire kwaliteiten verhouden zich tot het dynamische kruis, object betrokken, deelbare. Waarneembaar via Empirisch onderzoek.

Bronpunten in relatie tot 'tussens' en 'middens'

Ter herinnering:

Tussen' en 'midden':

Van een wisselwerking gaat een bepaalde werking uit. Die werking wordt ervaren in het 'tussen' en 'midden'.

  • 2 'tussens' bewerken een midden,
  • 2 'middens' bewerken een tussen, 

Het verschil tussen het begrip ‘midden’ en het begrip ‘tussen’ zit hierin, dat het ‘tussen’ ontstaat tussen twee ‘middens’ en het ‘midden’ kan ontstaan uit twee ‘tussens’. Dit verschil kunnen we ook weergeven met de begrippen ‘iets’ (midden) en ‘niets’ (tussen). In het midden kan iets verschijnen en in het tussen kan iets verdwijnen of omgekeerd in het midden kan iets verdwijnen en in het tussen kan iets verschijnen. Het midden verhoudt zich tot het tussen als een dynamiek van verschijnen en verdwijnen.

Deze 'tussen/midden' wisselwerking reguleert op alle mogelijke manieren een systeem dynamisch geordend veld. We kunnen zeggen dat de bronpunten, contouren, assen en resonanties gereguleerd worden door 'tussen' en 'midden' wisselwerkingen.


'Tussen' en 'midden'
in relatie tot bronpunten.

Je hebt 4 bronpunten als een 'midden' en daartussen zitten 4 bronpunten als een 'tussen'
Je hebt 4 bronpunten als een 'tussen' en daartussen zitten 4 bronpunten als een 'midden'.

De 'middens' zijn pakbaar, traceerbaar, en waarneembaar.
De 'tussens' zijn onpakbaar, ontraceerbaar en niet waarneembaar.


Windstreken/richtingen kunnen we relateren aan de vier secundaire kwaliteiten, deze waren wel zintuiglijk waarneembaar. Deze staan op het verlengde van het dynamische kruis.
4 bronpunten zijn 4 'middens':
  • Oost
  • Zuid
  • West
  • Noord

De uitwerkingen en inwerkingen kunnen we relateren aan de 4 primaire kwaliteiten (elementen), deze waren niet zintuiglijk waarneembaar. Deze staan op het verlengde van het statische kruis.
4 bronpunten zijn 4 'tussens':
  • Zuidoost
  • Zuidwest
  • Noordwest
  • Nooroost

In die tussenruimte (tussen 'tussen' en 'midden'), kan er een dynamiek (wisselwerking) tot stand komen. Die tussen ruimte probeert systeem dynamiek in beeld en tot begrip te brengen.

We kunnen ook spreken van  een middenruimte. Het midden als het centrale punt van waar uit actie plaats kan vinden. Of waaromheen de actie gecentreerd kan worden. Dit midden is pakbaar, traceerbaar en benoembaar.

Verschil

Door de bronpunten te bepalen kunnen we werken met overeenkomstige coördinaten in meerdere velden.

Doordat de bronpunten behalve hun eigen specifieke dynamiek ook worden beïnvloed door de dynamiek van de contouren kunnen we  onderscheid maken tussen een tijdruimte veld en een ruimtetijd veld.

De bronpunten in een tijdruimte en ruimtetijd veld laten een andere dynamiek zien. De tijdruimte kent een functioneel mythische achtergrond/ referentiekader en de ruimtetijd een functioneel ontologische achtergrond/referentie kader.

De contouren die in wisselwerking zijn met de bronpunten vormen een onderscheid in de dynamieken.

Tijdruimte veld, een dynagram (blauw)

  • 4 windstreken (Oostelijk, Zuidelijk,Westelijk, Noordelijk)
  • 4 uitwerkingen (ZO, ZW, NW, NO) van de windstreken .
  • totaal 8 met een mogelijke 9 (midden/tussen)
  • 4 Windstreken, processen
  • 4 winduitwerkingen, inhouden

De 4 windstreken worden gekarakteriseerd door een tijd (proces) verband, die een kwadrant beeldt. We spreken dan ook van 'streken'. In een tijdruimte veld vormt een tijd een ruimte. De 4 windstreken vormen de 4 uitwerkingen. Deze uitwerkingen worden gekarakteriseerd door een ruimte (inhoud) verband, die een punt beeld. 

Het proces werkt uit zodat er een inhoud ontstaat.
  • Proces en inhoud verhouden zich tot een dynagram (tijd primair).
  • Plaatsen we iets (te onderzoeken data/begrip) in de tijd vanuit een mythisch functionele optiek dan is de tijd met het proces primair. De 4 windstreken komen in beeld.

De bronpunten in het dynagram hangen samen met de gedachte gang die je in kaart wil brengen.

De hanteerbaarheid van het dynagram wordt mogelijk door de vrij gemaakte Zelf-functie. 

Het dynagram brengt de karakteristieke van het mythische paradigma in een functioneel verband

Ruimtetijd veld, een diagram (rood)

  • 4 windrichtingen (Oost, West ,Noord, Zuid)
  • 4 inwerkingen (NO, NW, ZO,ZW) van de 4 windrichtingen
  • totaal 8 met een mogelijke 9 (midden/tussen)
  • windrichtingen, posities
  • windinwerkingen, betrekkingen

De 4 windrichteingen worden gekarakteriseerd door een ruimte (positie) verband, die een punt beeld. We spreken dan ook van 'richtingen'. In een ruimtetijd  veld vervormd een ruimte een tijd. De 4 windrichtingen vervormen de 4 inwerkingen. Deze inwerkingen worden gekarakteriseerd door een tijd (betrekking) verband, die een kwadrant beeld.

De positie werkt in zodat er een betrekking ontstaat.
  • Positie en betrekking verhouden zich tot een diagram (ruimte primair).
  • Plaatsen we iets (te onderzoeken data/begrip) in de ruimte vanuit een ontologisch functionele optiek dan is de ruimte met de posities primair. De 4 windrichtingen komen in beeld.

Bronpunten in het diagram hangen samen met een mogelijke kaart op grond waar van je verschillende denk operaties kan oefenen.

De hanteerbaarheid van het diagram wordt mogelijk door de vrijgemaakte Ik-functie. 

De diagram brengt de karakteristieke van het ontologische paradigma in een functioneel verband.


  • Dynagram, karakteriseert een mate van beweging (ordening) die de vorm (structuur) constitueert.
  • Diagram, karakteriseert een mate van vorm (structuur) die beweging (ordening) mogelijk maakt.
Beweging en vorm zijn dan de meer algemene grootheden die in positie en betrekking (diagram), proces en inhoud (dynagram) een nadere accentuering krijgen.


Niet te scheiden.

Tijd en ruimte, functioneel mytisch en functioneel ontlogisch, structuur en ordening enz hebben een wisselwerking met elkaar. Daar waar de een zich laat zien laat de ander zich uiteindelijk ook zien.
Door deze en-en relatie,  kunnen we ze wel onderscheiden maar niet scheiden.

Zo zien we dat ook terug bij de contouren (de verbanden van de bronpunten)
  • Proces heeft een positie in de ruimte
  • Positie heeft een proces in de tijd
  • Inhoud heeft een betrekking in de tijd.?ruimte
  • Betrekking heeft een inhoud in de ruimte? tijd

 Proces en positie irt de 4 wind –streken/-richtingen


4 wind –streken/-richtingen staan op het verlengde van het dynamische kruis (gerelateerd aan positie en proces)
  • Een streek verhoudt zich tot een proces en beeldt een heel kwadrant. (blauw)
  • Een richting verhoudt zich tot een positie en beeldt een heel punt. (rood)

4 bronpunten worden uitgebeeld door 4 wind streken/richtingen.

Deze 4 wind streken/richtingen zijn:
  • Oost/Oostelijk (O)
  • Zuid/Zuidelijk (Z)
  • West/Westelijk (W)
  • Noord/Noordelijk (N)
 4 windstreken

Proces heeft een positie in de ruimte


Het dynagram is meer gerelateerd aan processen in de tijd. De tijds beleving en proces is primair.

  • Oostelijk: de opkomst van de zon (en maan), de ochtend. Het moment dat de dag begint en de nacht geëindigd is.Het oosten als begin en als eindpunt, van geboorte en wedergeboorte (transmutatie), de lente, het stijgende.
  • Zuidelijk: De warmte in de middag met de zon hoog aan de hemel. de zomer, transcendentie, het verspreidende.
  • Westelijk: De neergaande zon (en maan), de avond wanneer de zon ondergaat. Het westen als moment van omvorming, transformatie, het dalende,
  • Noordelijk: De koude in de nacht, met de zon achter (onder) de aarde. De winter, immanentie, het verzamelende.

 4 Windstreken (proces)
Proces voorbeeld
Levens cyclus
Etmaal
Seizoenen
 Oostelijk  Stijgend  Geboorteproces  Ochtend  Lente
 Zuidelijk  Uitdijend  Levensproces  Middag  Zomer
 Westelijk  Dalend  Stervensproces  Avond  Herfst
 Noordelijk  Samentrekkend  Doodsproces  Midnacht  Winter

Alternatieve
Ze geven mogelijke cyclussen in de tijd van bijv, de dag, seizoenen, van 12 maanden en mogelijke processen weer.
De bronpunten geven mogelijke anker punten van verschillende processen. Bestaande uit bijv. 2, 4, 12, 24, 28 enz stappige processen. Die cyclisch van aard zijn. Deze hoeven dus niet uit een groep van 4 te bestaan zo als de 4 seizoenen (lente, zomer, herfst, winter) maar kunnen ook uit 2 seizoenen bestaan (droog en nat seizoen). Of uit 24 uur, 12 maanden  (meer inhouden) enz. De 8(9) bronpunten behouden wel hun aantal.
Maar krijgen mogelijke alternatieve coördinaten.



 4 windrichtingen

Positie heeft een proces in de tijd.

De diagrammen zijn meer ruimte gerelateerd.
Zo zien we in het diagram het noorden bovenaan staan, zoals we dat kennen van kaarten.

  • Noord: Het noorden heeft overeenkomstige positie met koude en een concentrische dynamiek. Het denken.
  • Zuid: Het zuiden heeft een overeenkomstige positie met met warmte en een discentrische dynamiek. Het willen.
  • Oost: Ruimte maakt route mogelijk. Het oosten als begin punt met 2 bewegingen (die elkaars tegendeel vormen), via het noorden de antipathische route en via het zuiden de sympathische route, die in het
  • West: westen elkaar ontmoeten (als tegenstellingen).
 4 Windrichtingen (Positie)
De aard van positie
Zielsvermogens
Kenvermogen
Kennismanagement
 Oost  Autonoom    handelen
kennis
delen
 Zuid  Discentrisch willen
kunnen
ontwikkelen
 West  Heteronoom voelen
kunst
combineren
 Noord  Concentrisch denken
kennen
borgen

Alternatieve
...


  Inhoud en betrekking irt in/uitwerkingen




4 in/uitwerkingen staan op het verlengde van het statische kruis (gerelateerd aan inhoud en betrekking)
  • Een uitwerking verhoudt zich tot een inhoud en beeldt  een heel punt. (blauw)
  • Een inwerking verhouden zich tot een betrekking en beeldt heel een kwadrant. (rood)


4 bronpunten worden uitgebeeld door 4 in/uitwerkingen.

Deze 4 wind-in/uitwerkingen zijn:
  • zuidoost (ZO)
  • zuidwest (ZW)
  • noordwest (NW)
  • noordoost (NO).
 4 uitwerkingen van de windstreken.

Inhoud heeft een betrekking in de ruimte

  • zuidoost (ZO):
  • zuidwest (ZW):
  • noordwest(NW):
  • noordoost (NO):





 4 uitwerking (inhouden)
Aggregatietoestand (voorbeeld)
Elementen (voorbeeld)
Rijken (voorbeeld)
Wezensdelen (voorbeeld)
ZO
Plasma Vuur
Mens
Ik-organisatie
ZW
Gas Lucht
Dier
Astraal lichaam
NW
Vloeistof
Water
Plant
Ether-lichaam
NO
Vaste stof
Aarde
Mineraal
Fysiek lichaam

Alternatieve

In het dynagram kunnen afhankelijk van de ingevoegde data ook processen op deze 4 elementen geplaats worden. Deze gaat vaak 1 richting op beginnend bij vuur, v,l,w,a. of beginnend bij lucht, l,w,a,v. Deze processen hebben een functioneel mythische optiek.
Af en toe zie je een dynagram met cyclus in een tegenovergestelde richting, Zoals het omkeren van het licht. Primair blijft dan een functioneel mytische optiek waar in kosmomorf/subjectief gekeken wordt naar de wereld om hem heen. (de hemel boven en de aarde onder). De kleuren blijven dan ook nog blauw en bronpunten blijven in dynagram positie.

4 inwerkingen van de windrichtingen


Betrekking heeft een inhoud in de tijd.

  • zuidoost (ZO):
  • zuidwest (ZW):
  • noordwest(NW):
  • noordoost (NO):





 4 inwerkingen (betrekkingen)
De aard van de betrekking
Elementaire werkingen
Graden van beweging
Action research
ZO
Discentrisch-Autonoom
Vuur
Actie
Open dating
ZW
Discentrisch-Heteronoom
Lucht
Reactie
Axial dating
NW
Concentrisch-Heteronoom
Water
Interactie
Conceptual dating
NO
Concentrisch-Autonoom
Aarde
Transactie
Functional dating

Alternatieve

...

Alternatieve coördinaten:

In een gram zijn er tal van mogelijke alternatieve coördinaten. Deze coördinaten blijven zich verhouden tot de 8/9 bronpunten. 

Coördinaten in relatie tot de te onderzoeken data

De woorden/begrippen van de te onderzoeken data verhouden zich in een gram tot cruciale en alternatieve coördinaten.

Binnen de gegeven data zoek je naar bepaalde woorden/begrippen, die je, overeenkomstig hun dynamieken, aan een of andere coördinaat kan relateren. Een belangrijke vraag is dan ook: Welke begrippen lichten op? Afhankelijk van wat je wilt onderzoeken kan een woord/begrip op een cruciale coördinaat of een alternatief coördinaat komen te staan.

Binnen systeem dynamiek hanteren we bronpunten als 'middens' (windstreken en windrichtingen) en 'tussens' (in/uitwerkingen), maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en/of werkelijkheid.

Afhankelijk  je referentie kader, de context, de logische klasse en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kunnen binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde woorden/begrippen op een ander bronpunt/coördinaat komen te staan.

Een begrip (woord) kan meerdere betekenissen hebben. Elke betekenis kan een andere 'interne dynamiek' weergeven. Bijvoorbeeld het begrip 'water' die in verschillende culturen wordt gebruikt om een bepaalde 'dynamiek' weer te geven. 'Water' bekeken vanuit de filosofie van Aristotelis draagt een andere interne dynamiek uit, dan 'water' bekeken vanuit bijvoorbeeld: een Chinese filosofie of een Inheems Amerikaanse filosofie enz. Ook binnen in dezelfde cultuur kunnen verschillende stromingen ontstaan waardoor hetzelfde begrip onderling kan verschillen in hun betekenis en van hun interne dynamiek. Dit kan tijdens het onderzoek maar ook voor de lezer van een gram verwarring geven. Dit vraagt steeds weer te beginnen met een schone lij. Welk begrip licht op? En met welke 'interne dynamiek'?


Raak-vlakken en Resonanties


Algemeen, raak-vlakken en resonanties

Er zijn vele coördinaten mogelijk met vele onderlinge relaties. Deze relaties kunnen o.a. verbanden, verhoudingen, wisselwerkingen enz zijn. Doordat een coördinaat met andere coördinaten meerdere en verschillende relaties heeft, ontstaat er een opstapeling van deze relaties. Door deze opstapeling van relaties ontstaan er raak-vlakken. Doordat er meer of minder relaties zich kunnen opstapelen, kunnen er meer of minder raak-vlakken zijn.

Raak-vlakken zijn wederkerige wisselwerkingen tussen meerdere verhoudingen, meerdere verbanden en meerdere coördinaten.

De coördinaten (knoopunten) met hun raak-vlakken vormen een netwerk.

  • Je hebt netwerken met veel coördinaten en veel raak-vlakken.
  • Je hebt netwerken met weinig coördinaten en weinig raak-vlakken.
  •  Je hebt netwerken met veel coördinaten en weinig raak-vlakken.
  • Je hebt netwerken met weinig coördinaten en veel raak-vlakken.

Raak-vlakken zijn o.a. ruimte/tijd gerelateerde dimensies waarin de wisselwerkingen tussen coördinaten, verbanden en verhoudingen zichtbaar worden. 

Zou je bijvoorbeeld een verhouding weg laten vallen, dan verandert het raak-vlak zodanig, dat het geheel uiteenvalt in delen en leden die elkaar in deze verhouding niet meer raken.

Wanneer de delen en leden helemaal geen raak-vlakken met elkaar hebben dan verlies je aan structuur en als gevolg daarvan aan ordening.


Resonanties (cruciale raakvlakken)


Hieronder zien we in de buitenste cirkel de assen, de middelste cirkel de contouren en de binnenste cirkel 4 van de 8 bronpunten. In deze 2x 3 licht grijze cirkels zijn ze wat meer uit elkaar gelegd. Het zijn lagen van het grondpatroon die elkaar raken. Ze hebben raak-vlakken.



Deze raak-vlakken kan je 'klein pakken' bijvoorbeeld: Een coördinaat raakt verband en raakt verhouding. Of een bronpunt raakt een contour en raakt een as. Maar je kan deze ook 'groter pakken'. Het ZO (zuidoost) kwadrant raakt het ZW (zuidwest) kwadrant en raakt het NO (noordoost) kwadrant en zelfs het NW (noordwest) kwadrant. Dit kun je nog 'groter' pakken bijvoorbeeld: Raak-vlakken  tussen verschillende velden. Dat kunnen kleine veldjes in een grote zijn. Of twee lossen velden.


We hebben hier (in de afbeelding hier boven) een tijdruimte en ruimteveld van elkaar gescheiden. Ook hier geld ze zijn te onderscheiden maar niet te scheiden.

Tussen de velden zit meerdere wisselwerkingen.
In het tijdruimte veld zit een  ruimtetijd veld en in het ruimtetijd veld zit een tijdruimte veld.

Zo kunnen we ook het volgende formuleren.

  • Bronpunt oost heeft een autonoom karakter maar draagt ook het heteronome in zich
  • Bronpunt zuid heeft een discentrische dynamiek maar draagt ook een concentrische dynamiek in zich
  • Bronpunt west heeft een heteronoom karakter maar draagt ook het autonome in zich
  • Bronpunt noord heeft een concentrische dynamiek maar draagt ook een disdentrische dynamiek in zich




Dat we in het één altijd weer het ander terug vinden kan voor verwarring zorgen. Bijvoorbeeld: Sommige te onderzoeken data is het gauw scherp. Het 'begrip'/ 'woord' laat een duidelijke dynamiek zien. Maar er zijn ook 'woorden' waar je beide dynamiek in terug kan vinden. Het wordt dan belangrijk om je gedachten helder te krijgen en deze gelijkmatig over het veld uit te werken.  Dat je bijvoorbeeld bij de 'woorden' die bij dezelfde 'klassen'  toe behoren allemaal gelijkmatig benadert. Welke beweging is primair en welke secundair hangt af van je 'te onderzoeken data'.


Ter herinnering:
  • Ordening maakt verandering mogelijk. Verandering, met een discontinu karakter in de tijd en/of een ongelijkmatig karakter in de ruimte.
  • Structuur maakt herhaling mogelijk. Herhaling, met een gelijkmatig karakter in de ruimte en/of een continu karakter in de tijd.
  • Verandering maakt kwaliteit mogelijk. 
  • Herhaling maakt kwantiteit mogelijk.

 
De wisselwerking tussen verandering en herhaling reguleert op alle mogelijke manieren een systeem dynamisch geordend veld. We kunnen zeggen dat de bronpunten, contouren, assen en resonanties gereguleerd worden door 'verandering' en 'herhaling'.


De raak-vlakken vormen een harmonisch, ritmisch, geheel van verandering en herhaling.

  • De vele onderlinge relaties tussen bronpunten zorgen voor verandering
  • Door het gebruik van weinig bronpunten wordt herhaling mogelijk.

De bronpunten en hun onderlinge relaties (wisselwerkingen, contouren, assen) worden gereguleerd door de wisselwerking tussen verandering en herhaling.

Bijvoorbeeld:

  • Elke as is ledig of delig in combinatie met ruimte of tijd (herhaling).
  • De combinatie is in elke as uniek (verandering).

Zo ook bij de contouren

  • Elke contour heeft een ledig of delig verband in combinatie met een tijd of ruimte verband (herhaling).
  • De combinatie is in elke contour uniek (verandering).

Deze verhoudingen en verbanden vinden 'tussen' en/of 'op' de bronpunten plaats.

  • Twee tegen over elkaar staande  bronpunten hebben een zeer verschillende unieke dynamiek (verandering).
  • Maar hebben een overeenkomstige verhouding (as) en verband (contour) (herhaling).

Bronpunten, contouren, assen  vormen met elkaar cruciale raak-vlakken. Waarbij elk raak-vlak gereguleerd wordt door de wisselwerking tussen verandering en herhaling. Deze cruciale raak-vlakken vormen een harmonisch geheel die resulteert in een resonantie van het grondpatroon. Het grondpatroon is het resultaat van al deze raak-vlakken.


De cruciale raak-vlakken in een systeem dynamisch veld vormen resonanties.

Resonantie, doet afstemmen én is ‘het op elkaar afgestemde'. Door dat het ene en het/de andere/n aanwezig is, zijn er verschillende onderlinge relaties mogelijk. Deze relaties dienen een exact passend, aan elkaar sluitende dynamiek te hebben. Anders ontstaan er verstoringen van resonantie.

Resonantie wordt gereguleerd door de wisselwerking tussen verandering en herhaling.

De wisselwerking tussen verandering en herhaling zien we ook in de verschillende lagen van een systeem dynamisch veld.
Het grondpatroon verhoudt zich meer tot het systeem (structuur) en de werkelijkheid tot dynamiek (ordening). Het grondpatroon zorgt voor herhalingen in de grammen en de te onderzoeken data zorgen voor de veranderingen

Op de assen (verhoudingen) en in de contouren (verbanden) 'tussen' en/of 'op' de bronpunten zijn tijd/ruimte in wisselwerking met ledig/delig. Zij hebben onderlinge raak-vlakken waar een wisselwerking van verandering en herhaling zich op elkaar afstemmen in een harmonisch geheel.

De wederzijdse wisselwerking tussen configuratie (veranderend) en compositie (herhalend) bepaalt de wijze waarop het veld kan resoneren. De sterkte van deze resonantie wordt bepaald door de meest werkende configuratieve compositie. Het zoeken naar een zo krachtig mogelijk resonantie bepaalt binnen systeem dynamiek de werking van het veld en zo doende haar meerwaarde.

Een noodzakelijke resonantie bepaalt de structuur en ordening van het grondpatroon en vice versa, ordening maakt verandering mogelijk en structuur maakt herhaling mogelijk.

We kunnen dan ook het volgende formuleren. De configuratieve componenten zorgen voor ordening en structuur van het grondpatroon. Door dat ordening verandering mogelijk maakt en structuur de herhaling is het grondpatroon een resonerend veld van veranderingen en herhalingen.

Het grondpatroon bepaalt een cruciale resonantie.

De assen en bronpunten zorgen voor de noodzakelijke structuur van het grondpatroon.
Contouren  en resonanties  zorgen voor mogelijke ordening van het grondpatroon
.


Het grondpatroon kan in een tijdruimte of ruimtetijd worden uitgewerkt door de contouren. Hierdoor veranderen ook de onderlinge raak-vlakken. En ook andersom, doordat de cruciale raak-vlakken zorgen voor mogelijke ordening kan het grondpatroon uitgewerkt worden in een tijdruimte en ruimtetijd.

Bij de resonanties ligt de nadruk meer op homeostase. Ze zijn fluctuerend rond een bewegelijke lijn. Een lijn van verandering en herhaling. Ook kan elke resonantie weer een bewegelijke lijn zijn waar alternatieve raak-vlakken om heen fluctueren. De resonanties zijn dan ook een bewegelijke lijn.  


Doordat alle bouwpatronen zich verhouden tot het grondpatroon, worden de bouwpatronen ieder op zich en ten opzichte van elkaar gekenmerkt door een harmonisch geheel van raak-vlakken en de daarmee samenhangende resonanties.

De resonantie van het grondpatroon maakt deze bouwpatronen onderdeel van één systeem.

Het hologram (bouwpatroon) maakt de wisselwerking zichtbaar tussen de twee grondpatronen. De ene geordend in een dynagram en de andere in een diagram. Deze vervlechting tussen dynagram en diagram vormt een harmonisch geheel waarin de synthese tussen deze twee grondpatronen dynamisch in beeld kan worden gebracht met behoud van alle karakteristieke raak-vlakken en de daarmee samenhangende resonanties.

De twee grondpatronen van het dynagram en diagram hebben bronpunten, waarin ze elkaar raken met opstapelende  raak-vlakken. Hierdoor ontstaan in het hologram unieke resonanties.


Ook kan elke bronpunt opnieuw uitgewerkt worden overeenkomstig het grondpatroon.

Alternatieve raak-vlakken


In elke gram vormt het grondpatroon de basis op grond waarvan alle andere alternatieven uitgewerkt kunnen worden.

Door de alternatieve, -coördinaten, -verbanden, -verhoudingen in een gram kunnen er ook alternatieve raak-vlakken ontstaan. Deze alternatieve raak-vlakken blijven gerelateerd aan de cruciale raak-vlakken, binnen het bereik van de resonantie in het grondpatroon.

(Meerdere)  raak-vlakken in 1 veld  vermeerderen en/of verminderen de resonantie in een veld

Resonantie kan minder of meer zijn afhankelijk van de ingevoegde data en het gebruik van bronpunten, contouren en assen.

Raak-vlakken kunnen minder en/of meer zijn In link?
Met elkaar vormen bronpunten, contouren en  assen met de daaraan te koppelen begrippen (data) een resonerend veld met onderlinge raak-vlakken. De onderlinge raak-vlakken kunnen minder en/of meer zijn  afhankelijk van de ingevoegde data en het gebruik van bronpunten, contouren en assen.

Richten we ons op de bronpunten dan kunnen we het volgende formuleren:

  • 2 bronpunten hebben geen resonantie. Ze vormen geen sub-veld
  • 4 bronpunten hebben minder resonantie. Er wordt gebruik gemaakt van 1 sub-veld, (naar binnen verwijzend/naar zich zelf). 4 bronpunten vormen een kwartet.
  • 8 bronpunten hebben meer resonantie. Er wordt gebruik gemaakt van 2 sub-velden (naar buiten verwijzend/naar elkaar). 8 bronpunten vormen een octet.

Richten we ons op de contouren dan kunnen we het volgende formuleren:

  • Geen van de contouren geeft geen resonantie (geen sub-veld)
  • 1 van de contouren hebben minder resonantie. 4 bronpunten verhouden zich tot 1 van de contouren, deze kan tijd of ruimte gerelateerd zijn en een ledig of delig verband hebben. Er wordt gebruik gemaakt van 1 sub-veld, naar binnen verwijzend/naar zich zelf. Gebruik van 1 van de contouren vormen een kwartet.
2 van de contouren hebben meer resonantie. 8 bronpunten verhouden zich tot 2 van de contouren, de contouren staan in een tijdruimte of een ruimtetijd. Er wordt gebruik gemaakt van 2 sub-velden, naar buiten verwijzend/naar elkaar. Gebruik van 2 van de contouren vormen een octet.

Vier assen vormen met elkaar een octet of te wel een 8 ledig veld. Deze vier assen hebben 2x4 verbindende coördinaten die te samen met elkaar zodanig resoneren, dat het veld een sterke/meer  resonantie kan vormen.


Richten we ons op de assen dan kunnen we het volgende formuleren:
  • 1 as heeft geen resonantie
  • 2 assen hebben minder resonantie (1sub-veld, naar binnen verwijzend/naar zich zelf). Twee assen vormen een kwartet.
  • 4 assen hebben meer resonantie (2 sub-velden, naar buiten verwijzend/naar elkaar). Vier assen vormen een octet.

Elke op zichzelf staande gram (met cruciale en alternatieven) kan dusdanig resoneren, dat het een op zichzelf staande veld kan vormen, die als bouwmodel kan functioneren voor het maken van andere grammen. Bouwmodellen zijn grammen waarvan de gevonden unieke basiselementen (cruciale en alternatieven) in andere grammen herhaald kunnen worden.  Afbeelding bouwmodel gram PM archai kai aitiai (als link) is gebruikt voor de gram van  'opbouw van een systeem dynamisch veld'.


Raak-vlakken gerelateerd aan de te onderzoeken data


Binnen de gevonden woorden zoek je naar bepaalde raak-vlakken die mogelijk met elkaar resoneren. Deze raak-vlakken kunnen meer en/of minder zijn. 

In een gram is het mogelijk om vele woorden  (met hun verbanden en verhoudingen) op een coördinaat te plaatsen. Maar niet altijd is meer ook beter. Bij te veel aan woorden of een te weinig aan woorden verzwakt het raak-vlak. Bij een te veel dien je vorm te geven aan een nieuwe gram(model). Bij een te weinig dien je terug te gaan naar de te onderzoeken data.


Er zullen veel meer mogelijke  raak-vlakken bestaan die een veld minder en/of meer doen resoneren. We beperken ons tot de raak-vlakken en wisselwerkingen van het grondpatroon en vullen aan met mogelijke alternatieven in elke gram afhankelijk van de te onderzoeken data.

Binnen systeemdynamiek hanteren we het verschil tussen verandering en herhaling van raak-vlakken, maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en of werkelijkheid.

Wanneer je zoekt naar raak-vlakken:

  •  Kijk je naar welke woorden en de daar aan gerelateerde dynamieken oplichten, en/of nieuwe woorden oproepen. 
  • Verhouden de woorden die je bijeen brengt zich of wel tot een logische klasse?
  • Tot welke context krijgen zij een bepaalde betekenis? Welk woord laat je tegen over welk ander woord verhouden?
  • Vanuit een totaal aan onderlingen relaties kun je je afvragen van uit welk referentie kader je de te onderzoeken data bekijkt of dient te bekijken.

Afhankelijk  je begrippen, hun logische klasse, de context en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kan binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde begrippen, in dezelfde (of andere) logische klasse, in een andere verhoudingen en in een andere context komen te staan. Door deze veranderingen kunnen overeenkomstige begrippen totaal andere resonantie krijgen.

Verschillende referentie kaders kunnen verschillende grammen te weeg brengen al heeft men deels het zelfde onderwerp uitgewerkt. Beide kunnen wel gelijkmatig resoneren. Het verschil dan in waar de na druk op wordt gelegd in het onderzoek, de 'te onderzoeken data'.




 (in link) 3 x 3 ledige dynamiek

De polaire as heeft een ledige verhouding (en-en)  met een 'midden', een 3 ledigheid die terug te lezen is binnen deze 3 polaire assen:

  • 3 lagen binnen het systeem dynamisch veld
  • 3 lagen binnen de zielsvermogens van de mens.
  • 3 lagen binnen systeem dynamiek.


Systeem dynamiek

Binnen systeem dynamiek onderscheiden we drie niveaus van denken en werken.

  • systeem systematiek
  • systeem methodiek
  • systeem logiek
Systeem methodiek als midden tussen 2 uitersten,  systeem systematiek en systeem logiek

Zielsvermogens van de mens

Er zijn vele zielsvermogens 

Zoals:

  • Denken
  • voelen
  • willen

Voelen als midden tussen de 2 uitersten,  het denken en willen.


Systeem dynamisch veld.

In het werken met een systeem dynamisch veld onderscheiden we 5 lagen:

  • Grondpatroon
  • Bouwpatronen
  • Gram
  • Te onderzoeken data
  • Werkelijkheid/werkelijkheidspatronen

Gram als midden tussen de 2 uitersten,  het grondpatroon en de diverse werkelijkheids- patronen.

Voelen als kern vermogen om grammen leren te begrijpen en maken.

Systeem methodiek als.... om grammen leren te begrijpen en maken.


De volgende begrippen hangen samen met 'abstract':

  • Systeem systematiek
  • Denken
  • Grondpatroon

Abstract is een begrip met een zuid en noord karakter.

  • In een dynagram verhoudt het zich tot 'het onpakbare' (zuid).
  • In een diagram verhoudt het zich tot 'het dode' (noord).

De volgende begrippen hangen samen met 'concreet':

  • Systeem logiek
  • Willen
  • Werkelijkheidspatronen
Concreet is een begrip met een noord en zuid karakter.
  • In een dynagram verhoudt het zich tot 'het pakbare' (noord).
  • In een diagram verhoudt het zich tot 'het levende' (zuid).


Oude tekst in donkerblauw. Licht blauwe tekst vertaling naar huidige begrippen gebruik. Wat wel en wat niet nog gebruiken? :

Systeem dynamiek, denkend, voelend en willend leren.
Systeem dynamiek is het kennen en kunnen denken (voelen en willen) in coherente betrekkingen tussen consistente posities van systeem dynamisch geordende structuren (diagram, dynagram en duogram).
Systeem dynamiek leren is het kennen en kunnen denken (voelen en willen) in coherente ordening en consistente structuur van het systeem dynamische veld.

Waarbij op het niveau van het grondpatroon en bouwpatronen, en het leren er van, de systematiek, het denken meer wordt aangesproken.
Waarbij op gram niveau, en  bij het maken van grammen, en het leren maken er van, de methode, je gevoel meer wordt aan gesproken
En de te onderzoeken data en werkelijkheid,  het onderzoek,  en het leren er van, de logiek, je wil meer wordt aangesproken.

Wederom kunnen we hier onderscheiden maar niet scheiden. Alle drie de menselijke vermogens worden  als instrument  gebruikt, op alle 5 de lagen.

Coherentie, samen hangend, ordening dient samenhangend te zijn
Consistentie, het zelfde blijvend, structuur dient het zelfde te blijven.

Wat op alle 5 de lagen een rol speelt en ook onderling.

Een coherente betrekking is een dynamiek op zich, dat evenzeer van zijn posities verschilt, als die posities van elkaar verschillen.
Een coherente ordening is een dynamiek op zich, dat even zeer ??? enz of gewoon weg doen


Een consistente positie is een dynamiek op zich, dat evenzeer van zijn betrekkingen verschilt als die betrekkingen van elkaar verschillen.
Een consistente structuur is een dynamiek opzich, dat evenzeer van zijn ordening verschilt als die ordeningen van elkaar verschillen.??? weg doen?



Systeem dynamisch denken, voelen en willen is het leren opsporen van mogelijke coherente betrekkingen tussen noodzakelijke consistente posities en vice versa.
Systeem dynamisch denken, voelen en willen is het leren opsporen van mogelijke coherente ordening tussen  consisten structuren en vice versa.

Systeemdynamisch denken, voelen en willen is het leren bewegen tussen consistene structuren en coherente ordeningen binnen één systeem dynamisch veld en tussen twee of meer onderling te relateren systeem dynamisch geordende velden, casu quo, systeem dynamisch gemoduleerde en gemodelleerde concepten.
Systeemdynamisch denken, voelen en willen is het leren bewegen tussen consistente posities en coherente betrekkingen binnen één systeem dynamisch veld en tussen twee of meer onderling te relateren systeem dynamisch geordende velden, casu quo, systeem dynamisch gemoduleerde en gemodelleerde concepten.






Bouwpatronen


Opmerking en belangrijk!

De groene teksten zijn oude teksten nog niet theorieboek comptabel. Alleen het onderwerp sluit deels aan.

De schoen veter bestaat deels uit een opsomming van begrippen gerelateerd aan het dynagram en diagram.

Dynagram:
tijd
gedachte gang
verhaal
cosmomorf
subject betrokken
beeld
synthetisch

Diagram:
ruimte
geeft te denken
woord
antropomorf
object
begrip
analytisch


Wat overgaat naar hoe je beide begrippen in een dynagram en diagram zou plaatsen.

De slang zelf is ook weer opgebouwd in een bepaald ritme hou hier rekening mee. (vooral wanneer je het op de schop gaat gooien) 



Moet nog allemaal beter gestructureerd worden.Ik heb daar al wel ideen over. Grondpatroon uitleg staat voor mij nog als prioriteit nummer 1.

idee Grof weg:

  • dynagram en diagram
  • basis dynamiek van beide, diagram in dien mogelijk verder vereenvoudigd.
  • Beide spiraal door denken

  • opsomming begrippen gerelateerd aan dynagram en diagram (referentie kader)
  • Het kosmomorf en antropomorf kan net zo leidend zijn voor een keuze van een gram als tijd en ruimte dat kunnen zijn

  • (evt in weven of) erna dezelfde begrippen in een dynagram en diagram, verschil duidelijk zicht baar te maken. Wat er gebeurt als je bijvoorbeeld subject betrokken en object betrokken in een dynagram plaatst en wanneer je ze in een diagram zou plaatsen.


Bijv. De door wel bekende begrippen uit het diagram. (Waar in ze op gesplitst worden in 2 routes.)

In proces en dynagram:
Object betrokken op oost. (Naar Buiten)
Subject betrokken op west. (Naar Binnen)
Beelden  op zuid.
Begrippen op noord.

Wat weer geeft dat je naar een object betrokken proces je  vervolgens het proces aan gaat deze vindingen tot beeld te brengen.
En vanuit een subject betrokken proces je het proces aan gaat deze vindingen tot begrip te brengen. Als 4 processen die met elkaar in een cyclisch proces aan gaan. 
De beweging van stijgen en dalen blijven in takt.

De begrippen komen dan in het dynagram niet op posities/ of in betrekking te staan met 2 te onderscheiden routes maar als een mogelijk proces. Waarin je het een na het ander kan laten opvolgen. In het diagram komen ze dan wel als twee onderscheiden routes te staan.  

Dus de koppeling tussen stijgen en dalen (pijlen naar boven en na beneden) te samen met sympathische en antipatiche (pijlen links om en rechts om.)

Niet op elkaar leggend maar ze in eerste instantie  strikt gescheiden aan te bieden.

Zo is het interessant, Hoe dezelfde begrippen een diagram anders komen te staan dan in een dynagram.
En juist het verschil tussen positie en proces versterkt.

Zie stukje hoofstuk Bouwpatronen
Analyseren en synthiseren.
Waarin dat ook zo mooi zichtbaar wordt.
Ik wilde nog juist het verschil tussen dynagram en diagram. Verder zichtbaar maken door dezelfde begrippen in een dynagram en in een diagram te plaatsen.

Bijv ook dus de begrippen object betrokken en subject betrokken. Maar het kunnen er ook nog meer worden die dit zo mooi kunnen.

Door eerst streng het verschil te laten zien.

En vervolgens ook voorbeelden te geven waarin er mee gespeeld word. 
Om in dien van toepassing er ook mee te kunnen spelen. (Zoals dus enkele dynagrammen waarin linksom en rechts om wel voorkomen). Waar Mijn laatste mail juist weer over ging. (Speels in de uitwerking) 

Om zo andere
Te laten weten/te leren wat alle mogelijkheden zijn als je een gram maakt. Wat je allemaal rekening mee dient te houden als je een keuze tussen dynagram of  diagram maakt en/of juist achteraf kunt onderzoeken wat je hebt gedaan. 

Wat er allemaal mee speelt en ook hoe je er allemaal mee kan spelen. 
voor mij is het duidelijk dat  het onderscheid nog helder zichtbaar gemaakt dient te worden.
Het stond nog op mijn lange to do lijst.
Helaas gaat het me niet meer lukken, maar graag had ik het hoofdstuk bouwpatronen onder de schop genomen.

Hier ligt nog veel werk zoals je net al las wat nog ingebracht moet worden. Maar ook wat er ligt is veel werk o uit te pluizen wat nog bruikbaar is en wat weg kan. 
Het hoofdstuk bouwpatronen is veel 'oud'. Dit deel van de slang is gemaakt nog voor alle inzichten en definities van de inleiding en het hoofdstuk Grondpatroon.
Groene teksten zijn oud met veel gesmurf. Dat (bijna) niet te lezen is waar het om gaat. Gaat het om verhoudingen, wisselwerkingen, betrekkingen enz. 
Blauwe teksten zijn al pogingen om deze te doen ontwarren maar sommigen zijn ook al verouderd. 

Dus veel werk te doen voor de geen die zich voelt geroepen.
Maar ik zou het ook niet aanraden om mensen het op de schop te laten gooien als ze de hoofdstukken inleiding en Grondpatroon nog niet van binnen en buiten uit kennen, kunnen enz . 
Dus dat mag nog even blijven rusten.

Algemeen, Bouwpatronen

In de bouwpatronen worden de mogelijke ordeningen van het grondpatroon verder gedefinieerd maar zodanig dat ze toch blijven beantwoorden aan het grondpatroon. Elk bouwpatroon kent ook een eigen structuur en ordening.

De (tot nu toe) 5 systeem dynamische bouwpatronen zijn:

  • Dynagram, de tijd is primair, in een tijdruimte veld, gedachte gang, blauw gekleurd (afbeelding)
  • Diagram, de ruimte is primair, in een ruimtetijd veld, geeft te denken, rood gekleurd (afbeelding)
  • Duogram, een diagram in een dynagram, 2 onderscheiden velden ineen, die met elkaar een tegenstelling vormen, teneinde de wisselwerking tussen een diagram en een dynagram te kunnen onderzoeken, (rood en blauw gekleurd) (afbeelding)
  • Dictogram,  (dicto)grammen die ontstaan van uit een onderzoeksveld. In dit onderzoeksveld kan naar aanleiding van een onderzoeksvraag bepaalde ervaringen ter sprake gebracht worden. Metaforisch gezien een 'sprekend veld' waarin men kan lopen en werken, voor zover de bronpunten bepaald worden. In een dictogram wordt hetgeen aan de orde is gekomen (ter sprake komt) in beeld en tot begrip gebracht in 2 gescheiden grammen (dynagram of diagram), die met elkaar een tegendeel vormen.
  • Hologram, bestaat uit een diagram en een dynagram waarin de bronpunten deels gescheiden zijn en deels samenvallen. De wisselwerking tussen een tijdruimte veld en een ruimtetijd veld wordt zichtbaar. Weergegeven in hologram kleuren, elk bronpunt heeft een eigen kleur en/of kleuren combinatie.


Dynagram en Diagram


Tijd en ruimte, diagram en dynagram

Langzamerhand is er al  het één en ander aanbod gekomen over dynagram en diagram.
De assen blijven in een dynagram en diagram hetzelfde, ze worden herhaald.
Maar bij de contouren zagen we al verandering ondanks dat alle vier van de contouren in beide velden uitgewerkt kunnen worden.
  • Het dynagram is een tijdruimte veld (met processen en inhouden)
  • Het diagram een ruimtetijd veld (me posities en betrekkingen)
De 8 bronpunten hebben ieder een eigen specifieke dynamiek.  Deels zijn deze 8 dynamieken het zelfde (overeenkomstig) in een tijdruimte als in een ruimtetijd veld en deels zijn ze door de contouren verschillend de 8 dynamieken in een tijdruimte zijn anders dan die van in een ruimtetijd. Ze worden ook door de contouren anders geordend.
Het verschil tussen dynagram en diagram wordt dan ook voor een groot deel beplaadt door hun relatie met tijd en ruimte.



Tijd en ruimte

Wellicht zijn ruimte en tijd, massa en energie, deeltjes en golven slechts secundaire eigenschappen die afgeleid kunnen worden van het hele al en of de hele ongedeelde werkelijkheid, die wij slechts deels kennen als ruimte en tijd, etc.



We onderscheiden hier tijd (rechterzijde) en ruimte (linkerzijde), het ene is niet bepalender dan het andere. Ze zijn wel te onderscheiden maar niet te scheiden.

Tijd, is een dynamiek van het veld waardoor alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken  zich in een statische ruimte ordenen. (ordening: moet samenhangend zijn)

Ruimte, is een statiek van het veld waarin alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en
raak-vlakken  zich in een dynamische tijd structuren.(structuur: moet hetzelfde blijven)

Bronpunten (cruciale coördinaten) hebben een vaste structuur in relatie tot elkaar. Doordat elk bronpunt een unieke dynamiek heeft en door de assen. Bronpunten hebben een variabele ordening in relatie tot resonanties en de contouren; ruimtetijd  (diagram) en tijdruimte (dynagram).

Deze variabele ordening kan een cruciale verband (positie, betrekking, inhoud of proces) weergeven van de bronpunten in het grondpatroon.  Afhankelijk van de ingevoegde en te onderzoeken data kunnen plekken en functies in een gram variëren.

De assen, te samen met de contouren en de bronpunten vormen een samenhangend complex van web en matrix van ruimte en tijd, ordening en structuur. 

Diagram en dynagram zijn twee te onderscheiden systeem dynamische velden waarin de waarschijnlijkheidsfuncties tussen :
  • processen en inhouden zich laten structureren als een samenhangend geheel (dynagram). Primaire tijd.
  • posities en betrekkingen aan de orde gesteld kunnen worden als een .....(diagram) Primaire ruimte.
We spreken van cruciale contouren in de bouwpatronen met doorgaans een vaste structuur:
  • een dynagram processen en inhouden in een tijdruimte
  • een diagram positie en betreking in een ruimtetijd

We spreken van alternatieve verbanden in de grammen met variabele ordening:

De ordening van data en de hiermee samenhangende begrippen kunnen op grond van onderzoek en gevonden inherente dynamieken en functties vairieren.

Cruciale configuratieve componenten verhouden zich meer tot structuur in relatie tot de alternatieve configuratieve componenten die zich dan meer tot de ordening verhouden. Van de cruciale configuratieve componenten verhouden de assen en de bronpunten zich meer tot structuur en de contouren en resonaties meer tot ordening.

(((in een diagram hebben positie en betrekking doorgaans een vaste plek (structuur/cruciale contouren), zo ook inhoud en proces in het dynagram. De positionering  ordening van data en de hiermee samenhangende begrippen kunnen op grond van onderzoek en de gevonden inherente dynamieken en functies variëren)))

De bronpunten hebben in relatie tot elkaar een structuur (dmv assen) in een diagram of dynagram. Evenwel met dit verschil dat dezelfde bronpunten (N, Z, O, W) in een diagram op een andere plek/(com)positie staan dan in een dynagram (noord in het diagram boven en in het dynagram beneden). In het diagram worden de bronpunten o.a.  geordend in relatie tot ruimte en in het dynagram in relatie tot de tijd.
Hierdoor kunnen diagram en dynagram ten opzichte van elkaar enerzijds duidelijk onderscheiden worden en anderzijds zien we de overeenkomende coördinaten (bronpunten)  met hun dynamieken verbanden.



Tijd en ruimte in een gram geven voor een deel de werkelijkheid weer zoals we die vanuit een subject betrokken optiek kunnen visualiseren. Daarmee komt een stukje werkelijkheid in beeld. Evenwel moeten we niet vergeten dat we altijd te maken hebben met een model waarin we dit stukje werkelijkheid in beeld hebben gebracht. Een model is niet de werkelijkheid, maar de wijze waarop en waarmee we naar de werkelijkheid kunnen kijken. 


Tijd


Tijd, is een dynamiek van het veld waardoor alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken  zich in een statische ruimte ordenen. (ordening: moet samenhangend zijn)

Hoe laat de zon op komt en onder gaat hangt altijd af waar je bent en wanneer je er bent. Uiteindelijk kun je het verloop (proces) modelmatig verdelen in vieren.
  • de zon is in een 'overgang' opkomend
  • de zon staat op zijn 'hoogte punt'
  • de zon is in een 'overgang'  neergaand
  • de zon staat op zijn 'diepte punt'

Of het nou maanden duurt of één dag, het proces blijft hetzelfde voor de waarnemer, kijkend vanuit de aarde.
(meer subject betrokken, mythisch functioneel)

We nemen hier het voorbeeld van het proces van de dagloop, maar je kunt het ook uitwerken voor het proces van de seizoenen in de jaarloop.
ochtend overeenkomend met de lente
middag overeenkomend met de midzomer
avond overeenkomend met de herfst
midnacht overeenkomend met de midwinter

De tijdsloop van de uren in een dag loopt gelijk aan de tijdsloop van de zon in een dag, maar de zon komt niet elke dag op hetzelfde uur op en gaat niet elke dag op hetzelfde uur onder (behalve rond de evenaar).

Overeenkomend met de tijdsloop loopt het proces cyclisch door, waarin zonsopgang, zon hoogte punt, zonsondergang en zon diepte punt zich verhouden tot een ordening waar in we processen structuren positie waar we een proces positioneren.
of een structuur waar in we processen ordenen.

opmerking: ordening en structuur (compositie en configuratie en) zijn meer algemene begrippen, positie heeft ook betekenis bij de contouren. Liever positie, betrekking, proces en inhoud  hier niet als algemeen gebruiken om verwarring te voorkomen.


De uren van de dag, verhouden zich tot een bepaalde maat. In dit geval een afgesproken vaste tijd: een uur met 60 min en een dag met 24 uur. De klokken tijd krijgt een vaste inhoud en de daaraan verbonden structuur positionering (plek):
09:00 het 'midden' van de ochtend.
15:00 het 'midden' van de middag
21:00 het 'midden' van de avond
03:00 het 'midden'  van de nacht.

De klokkentijd als inhoud kunnen we verbinden met de processen in een dag.
Het ochtend proces loopt van 03:00 tot 09:00 met als 'overgangspunt' 06:00, als start van de ochtend
Het dag proces loopt van 09:00 tot 15:00 met als 'hoogte punt' 12:00, als start van de middag
Het avond proces loopt van 15:00 tot 21:00 met als 'overgangspunt' 18:00, als start van de avond
Het nacht proces loopt van 21:00 tot 03:00 met als 'dieptepunt' 00:00, als start van de midnacht.

Koppelen we deze modelmatig aan de assen:
De zon op zijn hoogte punt en de zon op zijn diepte punt vormen samen een polaire dynamiek. Ze staan tegenover elkaar en beiden zijn ze omslagmomenten. De een kan niet zonder de ander bestaan. In het model op de ruimte-as zijn ze er tegelijkertijd, waar het aan de ene kant donker is, is het aan de andere kant licht. Dit geldt in de werkelijkheid alleen voor de poolnacht en de pooldag.
Zonsopgang en zonsondergang zijn overgangen;  in hun beweging zijn ze duaal, ze kunnen niet tegelijkertijd plaats vinden, maar alleen na elkaar.


Modelmatig nemen we de betekenis van de horizon waaraan opkomst en neergang van de zon af te lezen is over in de functie van de horizontale as. Deels komt de horizontaal overeen met de horizon, maar deels ook niet, met name daar waar de horizon als opkomst en ondergang van de zon variabel is (afhankelijk van waar je bent en wanneer je er bent).

De tijds zones op de aarde verlopen verticaal over de horizontale as van oost naar west. Aan het oosten verbinden we met de opkomst van het licht de toekomende tijd en aan het westen verbinden we met het donker worden de verleden tijd.

Met de opkomst en ondergang van de zon (als proces) die niet tegelijkertijd kunnen plaatsvinden, geven we aan de horizontaal de functie van de duale as.

Met het hoogte punt en diepte punt van de zon (als proces) die modelmatig op de verticale as geplaatst worden geven we aan de verticaal de functie van de polaire as. Hoogte punt en diepte punt impliceren een tweeheid die zich kenmerkt door een insluitende, ledige verhouding. Het hoogte punt impliceert het diepte punt en vice versa.

Met het fenomeen van de horizon verschijnt op aarde het direct waarneembare fenomeen van de tijd en de daaraan gerelateerde overgangen in de dagloop.

Daarmee hangt ook samen dat door de horizon de werking van de tijd verschijnt, de zon komt op, ergens aan de horizon en de zon gaat onder, ergens aan die zelfde horizon. Ontstaan, verschijnen, vergaan en verdwijnen ontstaan als fenomenen in een zintuiglijk waarneembare fenomenale werkelijkheid. Met de werking van het licht verschijnt de horizon die aan de dag treedt en met de nacht terug treedt.

Het is deze in vieren gedeelde horizon (ochtend – middag – avond – midnacht), gerelateerd aan de vier windrichtingen, noord en zuid op de verticaal en oost en west op de horizontaal, die van oudsher beschouwd werden als samenhangend met de 4 secundaire en 4 primaire kwaliteiten, de vier elementen, met in hun midden de quinta essentia, de ether werking (zie Ernst Marti, Das Aetherische).


Ruimte


Ruimte, is een statiek van het veld waarin alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken  zich in een dynamische tijd structuren.(structuur
: moet hetzelfde blijven)

Vanuit een subject betrokken optiek maakt het uit waar je staat en van waaruit je kijkt: naar het noorden of naar het zuiden.

Bekijken we de aarde van uit een object betrokken optiek dan maakt het niet uit waar je op aarde staat aangezien je jezelf buiten de aarde denkt. Waar je je ook bevindt, blijft het noorden en het zuiden zich bevinden waar we ze modelmatig hebben gepositioneerd in het diagram (rood).

Uiteindelijk kunnen je de posities  modelmatig verdelen in vieren:

  • Oost punt, rechts,
  • Zuid punt, onder
  • West punt, links
  • Noord punt, boven

In de werkelijkheid kunnen we met het noorden bedoelen het verlengde van de lengte as van de aarde, het middelpunt van het noordelijk halfrond en
de magnetische pool. Ze liggen niet op dezelfde plek.
Zo spreken we ook over het noordelijk halfrond en het zuidelijk halfrond (verticaal) gescheiden door de evenaar (horizontaal). Waar oost en west zich bevinden is afhankelijk waar je je bevindt, maar je oriënteert je wel op het noorden. De kompas naald wijst het magnetische noorden aan en de poolster staat in het noorden in het verlengde van de aard as. Zo is voor de waarnemer op het noordelijk halfrond, kijkend naar het zuiden, het oosten links. Voor de waarnemer op het zuidelijk halfrond, kijkend naar het noorden, het oosten rechts.

De kompas naald werd van oudsher weergegeven met de kleur blauw voor het noorden en de kleur rood voor het zuiden. Aangezien de magnetische noordpool van de aarde de zuidpool van de kompas naald aantrekt, wijst rood het noorden aan en blauw het zuiden. Een wisselwerking tussen noord en zuid impliceert dat er geen noorden is zonder zuiden. Waarmee we komen op de ruimte as met haar polaire dynamiek. De twee magnetische polen vormen de twee uitersten van een tweeledigheid, waarin het noorden de concentrische dynamiek laat zien en het zuiden de discentrische dynamiek.

Modelmatig geven we in het diagram (rood) deze polaire dynamiek weer op de verticale as met eveneens aan het noorden een concentrische dynamiek en aan het zuiden een discentrische dynamiek. Ook in een dynagram blijft deze verticale as dezelfde functie houden maar met dit verschil dat het concentrische noorden beneden komt te staan en het discentrische zuiden boven komt te staan. Het verschil leggen we in het volgende hoofdstuk/deel verder uit.



NO, ZW, NW, ZO, relatie betrekking

Het combineren van tijd en ruimte

Wanneer we tijd en ruimte, subject en object betrokken bijeenbrengen in een gram krijgen we het volgende plaatje waar in we de cyclus van de seizoenen van beide halfronden polair in beeld brengen.


Zowel het dynagram (blauw) op het zuidelijk halfrond als op het noordelijk halfrond geeft de subjectbetrokken positie weer van de waarnemer (rood poppetje).
Op het noordelijk halfrond ziet de waarnemer de zon links  opkomen in het oosten en rechts ondergaan in het westen. De zon gaat van links naar rechts.
Op het zuidelijk halfrond ziet de waarnemer de zon rechts opkomen in het oosten en links ondergaan in het westen. De zon gaat van rechts naar links.

Ondanks het verschil in noord en zuid voor de waarnemers (op het noordelijk en zuidelijk halfrond) blijft de ochtend aan het oosten verbonden en het westen aan de avond. Zo ook respectievelijk de opkomst en ondergang van de zon in de dagloop en wat betreft de jaarloop zien we een zelfde dynamiek: lente met een stijgend zonneboog en de herfst met een dalende zonneboog.

Stijgen (verschijnen) en dalen (verdwijnen) van de zonnebaan plaatsen we op de horizontale as, daar waar we ook proces en tijd in beeld brengen.

Op de vertikale as zien we wel een verschil: voor het noordelijk halfrond verbinden we de zomer aan het zuiden en voor het zuidelijk halfrond wordt de zomer aan het noorden gekoppeld. Wel blijven de zomers warm (gerelateerd aan de zonne stand tussen steenbokskeerkring en kreeftskeerkring) en de winters koud (gerelateerd aan zowel de koude noord-pool als de koude zuid-pool), c.q. mede afhankelijk van lichtinval: schuine stand van de aard-as en de positie van de aarde in een baan om de zon).

Aangezien de jaarloop modelmatig in maanden en dagen wordt verdeeld, is het willekeurig op welke datum de seizoenen plaats vinden. Tussen het noordlijk en zuidelijk halfrond zien we een spiegeling. Als voor de waarnemer op het noordelijk halfrond in maart de lente begint, begint op het zuidelijk halfrond voor de waarnemer de herfst enz.

Zo zie je tussen werkelijkheid en model deels overeenkomsten en deels verschillen. Wanneer we modelmatig werken, hebben we de contouren (proces, inhoud, positie en betrekking) gekoppeld aan de bronpunten (windstreken en windrichtingen: Oost, Zuid, West, Noord). De werkelijkheid is complexer dan het model. Het model is niet de werkelijkheid, maar probeert een aantal dynamieken (functies) uit de werkelijkheid consistent en coherent weer te geven en te onderzoeken.

Dynagram en Diagram



Het functionele paradigma is pas mogelijk bij de wederkerigheid van, Zelf-functie en Ik-functie, Wordings-functie en Zijns-functie, tijd en ruimte,  van mytisch en ontologische van, van ordening en structuur.
Structuur is het systeem, de ordening is de dynamiek.
In een dynagram en diagram vind je structuur en ordening.

  • Dynagram, karakteriseert een mate van beweging (ordening) die de vorm (structuur) constitueert.
  • Diagram, karakteriseert een mate van vorm (structuur) die beweging (ordening) mogelijk maakt.

Toch zijn er onderling verschillen:

Dynagram:


  • De tijd is primair, in een tijdruimte veld
  • De configuratieve componenten verhouden zich meer tot de tijd (configuratie dynamiek, proces)
  • Tijd wordt ruimte, een dynagram, karakteriseert een mate van beweging (ordening/tijd) die de vorm (structuur/ruimte) constitueert.
  • Verhoudt zich meer tot de ordening ,geeft daardoor de gedachte gang weer.
  • Dynagram geeft een gedachtegang weer, brengt het reeds vermoede via beelden en betrekkingen (processen?/configuratie?) tot begrip.
  • Verhaal geeft een gedachte gang weer.
  • Van uit een functioneel mythisch referentie kader.
    • kosmo - morf
    • subject betrokken
    • primair synthetisch maar ook analytisch.
    • Praxis

Link naar dynagrammen op site

Diagram:


  • De ruimte is primair, in een ruimtetijd veld.
  • De con-figuartiev componenten verhouden zich meer tot de ruimte (compositie, statiek, positie)
  • Ruimte wordt tijd, een diagram, karakteriseert een mate van vorm (structuur) die beweging (ordening) mogelijk maakt.
  • Verhoudt zich meer tot de structuur, geeft daar door te denken.
  • Geeft te denken, brengt het nog onvermoede via begrippen en posities in beeld.
  • Woorden geven nog te denken.
  • Vanuit een functioneel ontologisch referentie kader.
    • Antropomorf
    • Object betrokken.
    • Primair Analytisch sec ook synthetisch.
    • Theoria
Link naar diagrammen op site




Te onderscheiden bewegingen in dynagram en diagram



Basis voorbeelden dynagram en diagram

Het verschil tussen dynagram en dyagram zien we het sterkste over de duale as.

Oost en west in een tijdruimte staan ze in relatie tot processen. Het stijgende en het dalende.

Oost en west in relatie tot een ruimtetijd staan ze in relatie tot posities. Van tegendeel en tegenstelling.



Dynagram basis voorbeeld


Oost:     Versnellen         stijgen                 lente        
Zuid:     Exploderen        verspreiden         zomer
West:    Vertragen          dalen                   herfst
Noord:   Imploderen        verzamelen         winter











Diagram basis voorbeeld



Tegendeel,
Tegenstelling,
Polariteit
Relativiteit
Negatie













Door dat bij het diagram de ruimte primair is en de tijd secundair.  Zijn  er verschillende  te denken routes mogelijk. Toch is het van belang om 2 belangrijke routes van het diagram weer te geven. De antipatische en de sympatische route.


Wat hier onder wordt nog niet in andere delen van de tekst in andere woorden beschreven,(inleiding veld, grondpatroon assen verbanden enz) Wat hier van nog bruikbaar voor de verhouding tussen tegendelen en tegenstelling? Of de uitleg van deze? 


Een symmetrische betrekking kunnen we omschrijven als een tegendelige en tegenstellende betrekking, waarin de een het tegendeel vormt van de ander, er is geen subject zonder object en vice versa.
De een kan zich ook tot de ander verhouden in een tegenstelling, het subject is niet het object en het object is niet het subject. Door de tegenstelling kunnen ze elkaar wederzijds uitsluiten. In dier voege is de symmetrische betrekking een wederkerige eliminerende betrekking. Eliminerend wil zeggen, de een kan de ander teniet doen. Waar een object is, is er geen subject en vice versa waar een subject is, is er geen object. Voor een juist begrip dienen beiden gescheiden te worden om een subject object relatie te definiëren.

In een systeemdynamisch verband situeren we deze wederkerige eliminerende betrekking op de horizontale as en duiden haar als de duale as, bestaande uit twee grootheden zonder hun midden. Deze as geeft de uitsluitende dynamiek weer, het ene komt na het andere voor. Deze uitsluitende dynamiek wordt pas mogelijk door de overeenkomstwerking, de een is de ander. Door de overeenkomstwerking wordt de symmetrische dynamiek pas mogelijk tot uiting komende in de dynamiek tussen tegendeel en tegenstelling (aemulatio, de twist tussen het ene en het andere).


Een dynamische eenheid van polaire tegenstellingen ontvouwt zich uit de cirkelvormige beweging als een heen en weergaande oscillerende beweging tussen 2 uiterste punten in een dynamiek van vertragen rond de polen en een versnelling langs de opstijgende en indalende tendensen, de dynamische verhouding tussen tegendelen en tegenstellingen.

Tegen stellingen en tegen delen/ verschijnen en verdwijnen
Alle afzonderlijke delen manifesteren zich als leden van een en dezelfde werkelijkheid, delen en leden, evenals posities en betrekkingen, zijn onverbrekelijk verbonden (als elkaars tegendelen). Daar waar ze verschijnen vormen ze elkaars tegendeel, daar waar ze verdwijnen vormen ze elkaars tegenstelling in zowel de werkelijkheid als in het denken over de werkelijkheid als tussen kennen en de werkelijkheid.

Vergelijken we het kennen met een metafoor als het licht, dan is licht én metafoor voor zichtbaar en denkbaar maken én fysische werkelijkheid en gedraagt licht zich als een grootheid die zich beweegt middels fotonen en of zich gedraagt als golven en of vice versa.



De basis beweging spiralend doordenken


Uitleggen: de regels van de analogie (M.Foucault)

....



Met betrekking tot het begrip analogia goed helder uit leggen wat er hier wordt bedoeld. Let op tekst boven in (overeenkomstige coordinaten en systeem veld link):

Kwalitatieve systeem dynamiek is vormgeven aan analoog (overeenkomst en verschil) denken.  Denken van uit een statische 'grondsteen' (frame map) waardoor modellen met elkaar in verband gebracht kunnen worden. Structuur en ordening in beeld gebracht om vervolgens ze tot begrip te brengen. De modellen vormen een en-en relatie, ze zijn onderling met elkaar te verbinden. Er ontstaat een midden die mogelijke verbanden aan het licht kan brengen.

Kwantitatieve systeem dynamiek is vormgeven aan causaal (oorzaak en gevolg patronen) denken.
Denken in verschillende dynamische 'bouwstenen' (mind-maps) waardoor modellen min of meer  op zich zelf staan. Ordening en structuur in begrip gebracht om vervolgens ze in beeld te brengen. De modellen vormen een of-of relatie, ze zijn onderling niet met elkaar te verbinden. Er ontstaat een tussen die nog bemiddeld dient te worden.

Verschil of overeenkomst van betekenis  van eerder al gebruikte begrippen, helder weer even om uiteindelijke verwarring te voorkomen.  





Dynagram spiraal gedachte gang



Ontwikkeling -worden-
Dynamiek - vervloeiing
Inwikkeling -zijn-
Statiek - verstarring









Diagram te denken spiraal



Antipathia
Analogia
sympathia
Convenietia
Aemulation








Dynagram en diagram irt denken, verhaal, woorden


'Gedachtegang' en 'Geeft te denken'


Gedachtegang


Het dynagram beeldt een gerichte gedachtegang.

Processen en inhouden vormen een samenhangend geheel, in deze een dynagram, gekenmerkt door een statisch kruis in een dynamisch veld.  (gedachte gang)

  • Blauw wordt doorgaans getypeerd als een koude kleur. Koud wordt gekarakteriseerd door een concentrische dynamiek.
  • In een dynagram (dynamisch veld) geven we een 'gedachte gang' weer.  Een gedachte gang is rond wanneer het een en ander zodanig heeft verbonden dat het insluitend op zichzelf staat. Een gedachte gang krijgt hier mee een concentrisch karakter (blauw).
  • Verhoudt zich meer tot de ordening, geeft daardoor de gedachte gang weer.
  • Dynagram geeft een gedachtegang weer, brengt het reeds vermoede via beelden en betrekkingen (processen?) tot begrip.
  • Verhaal geeft een gedachte gang weer

Posities bronpunten in het dynagram hangen samen met de gedachte gang die je in kaart wil brengen.


Geeft te denken


Het diagram beeldt meerdere te denken richtingen.

Posities en betrekkingen vormen een onsamenhangend geheel, in deze een diagram, gekenmerkt door een dynamisch kruis in een statisch veld.  (nog te denken)

  • Rood wordt doorgaans getypeerd als een warme kleur.Warm wordt gekarakteriseerd door een discentrische dynamiek.
  • In een diagram (statisch veld) exploreren we hetgeen 'nog te denken' valt. Een diagram geeft te denken omdat de samenhang tussen de begrippen op meerder manieren uitgedacht kunnen worden. Het geen nog te denken valt krijgt hiermee een discentrisch karakter (rood).
  • Verhoudt zich meer tot de structuur, geeft daar door te denken.
  • Geeft te denken, brengt het nog onvermoede via begrippen en posities in beeld.
  • Woorden geven nog te denken.

Posities bronpunten in het diagram hangen samen met een mogelijke kaart op grond waar van je verschillende denk operaties kan oefenen.

 
Verhaal en woorden


Verhaal



Verhaal geeft een gedachte gang weer

Een gedachte gang is rond wanneer het een en ander zodanig heeft verbonden dat het insluitend op zichzelf staat. Een gedachte gang krijgt hier mee een concentrisch karakter.











Woorden


Woorden geven nog te denken.
 
Geeft te denken omdat de samenhang tussen de begrippen op meerder manieren uitgedacht kunnen worden. Het geen nog te denken valt krijgt hiermee een discentrisch karakter.









Dynagram en diagram irt mens, kosmos, subject en object


Evt gram met stofwisseling en geestwisseling


Cosmo-morf en antropomorf  
Suggestie: 
de termen antropomorf en kosmomorf op een ander plekje in resp diagram en dynagram plaatsen (allebei boven of onder het grammetje)? Met name om eerst de basisbegrippen subject en object toe te kunnen lichten in dia en dynagram. Nadat de subject object relatie zichtbaar en hanteerbaar is gemaakt, kunnen de termen antropomorf en kosmomorf aan de orde worden gesteld. Daarop volgend de termen subject betrokken en object betrokken?

let op onderliggende structuur bij de stets van 4.  cosmomorf en antropomorf meer 'web', subject en object meer 'matrix'.
Ik neem graag alles onder 'resonanties', (na de uitleg van het grondpatroon) Bij de start van bouwpatronen diagram en dynagram op de schop. Heb hier al wel ideeën over...
Grond patroon heeft nog prioriteit nummer 1.




Dynagram kent zijn wortels vanuit een mythische optiek.
Het subject staat centraal. 
Met de optiek dat de kosmos verbonden is met het subject .
Het object komt meer buiten spel.
Het subjectivering van de kosmos.  
En de dynamieken/statieken van de kosmos worden in het subject gewaar. En andersom de dynamieken /statieken van het subject ziet hij/zij terug in de kosmos.
Bij de mythische mens is zo wel het subject als het object een 'wie'

Diagram kent zijn wortels vanuit een onthologische optiek.
Het object staat centraal. 
Met  de optiek dat de mens gescheiden is van met het object.
Het subject komt meer buiten spel.
Het objectiveren van de mens.
En de dynamieken/statieken van de mens worden objectief waargenomen.
Bij de ontologische mens is zowel het object als het subject een 'wat'







Cosmo-morf

Functioneel mythische optiek Dynagram
subject betrokken

Hemel - geest
mens - ziel
aarde- lichaam

(hemel-mens-aarde, als overkoepelend stuk)

(Meerledige verhoudingen

Dit verbindend patroon is op te bouwen uit 2 of meerledige structuren, in het diagram en het dynagram zijn ze feitelijk 2 ledig/delig, 4 ledig/delig en 8 ledig/delig opgebouwd, met een uitstap naar 16 ledig en of 64 ledig enzovoorts. )








Antropomorf

Hemel
-Hoofd- (aardse hemel)
Mens - Borst- mens
Aarde- Buik- (hemelse aarde)

Functioneel ontologische  optiek Diagram
object betrokken











(3 ledige verhouding
Een meerledige verhoudingsstructuur die ook ruimte kan bieden aan de drieledige verhoudingsstructuur en ze bijgevolg aan de orde kan stellen, bijvoorbeeld:

Een 3 ledige dynamiek, van these, antithese en synthese.

Of een drieledige dynamiek met betrekking tot mythisch (onmiddellijke subject object verhouding), ontologisch (middellijke object subject verhouding) en functioneel (de polaire en duale dynamiek tussen subjecten, tussen objecten en tussen subjecten en objecten).

Of een drieledige dynamiek tussen denken, voelen en willen, enzovoorts.

Meerledige verhouding, 1 is geen ding, 2 is een half ding, 3 is een heelding. Van het oude en moderne wereld. De wed van 3 van de interactie van alle verschijnselen.

Bevestigen, ontkennen, verzoenen. Basis formules.)



Subject  betrokken en
object betrokken


En-en verhouding/verband- ledige verhouding/verband- includerend- onmiddelijke verhouding- subject betrokken

of-of verhouding/verband, -delige verhouding/verband- excluderend- middelijke verhouding- objectbetrokken

Subject en object verhouden zich tot elkaar als delen en leden van een en dezelfde werkelijkheid.

Binnen het functionele paradigma en bijgevolg binnen systeemdynamiek komt de subject object verhouding aan de orde als een en-en betrekking en of als een of-of betrekking.

Systeemdynamiek wil de wisselwerking tussen subject en object, tussen waarnemer en waargenomene, tussen waarnemend systeem en waar te nemen systeem aan de orde stellen in een structureel onherleidbaar verband. Systeemdynamiek wil en kan de onderlinge verwevenheid van gegeven posities en betrekkingen zodanig aan de orde stellen dat ze rationeel denkbaar kan worden in en vanuit een functioneel paradigma als een synthese tussen mythos en logos.

Subject en object zijn onmiddellijk verweven en dienen dat weefsel interactief te weven, systeemdynamiek biedt daartoe een dienstbaar instrument.

Subject en object staan niet op zich en voor zich, ze ontsluiten betekenis in de samenhang van de wisselwerking tussen het waargenomene en de waarnemer.

Wat we denken is niet alleen de werkelijkheid zelf, maar de werkelijkheid die wil verschijnen in en vanuit een systeem dynamische interactie tussen subject en object, subject en subject, object en object.

Subject en object worden in een systeem dynamische wisselwerking deelnemers van en aan elkaars ontwikkeling en inwikkeling, subject en object werken complementair en zijn complementair symmetrisch werkende deelnemers.


In systeemdynamisch verband inter-acteren subject en object in twee onderscheiden routes, te weten een subjectbetrokken participerende route en een objectbetrokken opponerende route, de eerste leidend naar beeldvorming en de tweede leidend naar begripsvorming.

Subject  betrokken

Een subjectbetrokken participerende route leidend naar beeldvorming.

In een subject betrokken route is het subject leidend en het object lijdend, dat wil zeggen dat het object zich moet richten naar het subject.


Een subject betrokken benadering poogt een waar genomen systeem via beelden en fenomenen in kaart te brengen, mogelijk uit te werken in een dynagram.

Voorbeeld: De maker van een mogelijke dynagram poogt beelden en fenomenen in kaart te brengen.


Object betrokken

Objectbetrokken opponerende route

leidend naar begripsvorming.

In een object betrokken route is het object leidend en het subject lijdend, dat wil zeggen dat het subject zich moet richten naar het object.


Een object betrokken benadering poogt een waar te nemen systeem via begrippen en feiten in kaart te brengen, mogelijk uit te werken in een diagram.

Voorbeeld: De maker van een mogelijke diagram poogt begrippen en feiten objectief in kaart te brengen.


Subject en object zijn wel te onderscheiden, maar niet te scheiden, niet te onderscheiden maar wel te scheiden, zie hier hun paradoxale interactie, die vraagt om een systeem dynamisch geordend ont-moetingsveld.

Aangezien begripsvorming en beeldvorming op een systeemdynamische wijze zich tot elkaar kunnen verhouden, dienen wij de subject object relatie nader te omschrijven in een functioneel verband.

Voorbeeld : De maker van een gram en een gram verhouding zicht tot elkaar als twee delen en als twee leden wanneer de maker en de gram een eenheid vormen. Die met elkaar meer kunnen dan elk afzonderlijk.

Subject en object verhouden zich tot elkaar deels als objecten / delen en deels verhouden ze zich tot elkaar als subjecten / leden.

Voorbeeld: De maker van een gram en een gram zelf verhouden zich tot elkaar als objecten. Ze zijn 2 gescheiden delen. De maker van een gram en een gram verhouden zich tot elkaar als 2 subjecten. Ze zijn 2 verbonden delen. Ze zijn los van elkaar de een is de ander niet. Ook zijn ze verbonden ze beïnvloeden elkaar.

Een subject benoemen we als een waarnemend systeem, anderzijds kan het object ook een waarnemend systeem worden.

Voorbeeld: De maker van een gram leest een gram bekijkt zijn begrippen en beelden. Anderzijds is het met een gram mogelijk om de werkelijkheid en waarschijnlijkheid te onderzoeken. Het wordt een waarnemend systeem.

Een object benoemen we als een waar te nemen systeem, anderzijds kan het subject ook een waar te nemen systeem worden.

Voorbeeld: Een gram kunnen we benoemen als een waar te nemen systeem. We kunnen zien hoe hij er uit ziet en wat het kan. Anderzijds kan de maker ook een waar te nemen systeem worden. Je kunt zien hoe hij te werk gaat.

Een waarnemend systeem verhoudt zich tot een waar te nemen systeem zoals een waar te nemen systeem zich ook weer kan verhouden tot een waarnemend systeem.

Voorbeeld: De maker (waarnemend) verhoudt zich tot een gram (waar te nemen) zoals een gram (waar te nemen systeem) zich weer kan verhouden tot zijn maker (waarnemend systeem)

Een object betrokken benadering poogt een waar te nemen systeem via begrippen en feiten in kaart te brengen, mogelijk uit te werken in een diagram.

Voorbeeld: De maker van een mogelijke diagram poogt begrippen en feiten objectief in kaart te brengen.


Een subject betrokken benadering poogt een waar genomen systeem via beelden en fenomenen in kaart te brengen, mogelijk uit te werken in een dynagram.

Voorbeeld: De maker van een mogelijke dynagram poogt beelden en fenomenen in kaart te brengen.


subjectbetrokken: lichaams vermogen (kruizen), zielsvermogen, geestvermogen,

De vraag is of juist een subjectbetrokkendynagram zich niet het beste leent voor een kwantitatieve systeem dynamische uitwerking en een objectbetrokken diagram voor een kwalitatieve systeem dynamische benadering.

Dynagram en diagram irt tot Beeld, begrip, synthetiseren en analyseren.


Beeld en begrip


Enigszins simplificerend verhouden beeldvorming en begripsvorming zich respectievelijk tot het wilsvermogen en het denkvermogen, anderzijds verhouden denkvermogen en wilsvermogen zich ook tot beeldvorming en begripsvorming. We zien hier de polaire insluitende dynamiek tussen denken en willen, begripsvorming en beeldvorming, het ene is niet zonder het andere, ze kunnen onderscheiden worden, maar niet gescheiden. Het tegendelige denken en willen ontvouwt zich in een dynamiek tussen polariteit en relativiteit en vormen in begripsvorming en beeldvorming elkaars tegenstelling.

Klopt het dat dit grammetje ook nog verwerkt moet worden in de schoenveter, daar staat zowel bij dia als dynagram nog alleen maar positie en betrekking, inmiddels hebben we proces en inhoud toegevoegd als een van de contouren.

De groene teksten zijn oude teksten nog niet web boek comptabel. Alleen het onderwerp sluit deels aan.
De schoen veter bestaat deels uit een opsomming van begrippen gerelateerd aan het dynagram en diagram.

Dynagram:
tijd
gedachte gang
verhaal
cosmomorf
subject betrokken
beeld
synthetisch

Diagram:
ruimte
geeft te denken
woord
antropomorf
object
begrip
analytisch


Wat overgaat naar hoe je beide begrippen in een dynagram en diagram zou plaatsen.


Moet nog allemaal beter gestructureerd worden.Ik heb daar al wel ideen over. Grondpatroon uitleg staat voor mij nog als prioriteit nummer 1.

idee Grof weg:

Basis
  • dynagram en diagram
  • basis dynamiek van beide
  • Beide spiraal door denken

  • opsomming begrippen gerelateerd aan dynagram en diagram (referentie kader)

  • (evt in weven of) erna dezelfde begrippen in een dynagram en diagram, verschil duidelijk zicht baar te maken. Wat er gebeurt als je bijvoorbeeld subject betrokken en object betrokken in een dynagram plaatst en wanneer je ze in een diagram zou plaatsen.


Subvraag als we de schoenveter in zijn geheel willen nutten, waar gaan we die plaatsen op de website?  Als we de schoenveter als eerste benoemen in de tekst staat daar al dat daar de link komt waarin je hem uiteindelijk totaal ziet. Voor het plaatsen van de schoenveter in zijn geheel. Maar daar zijn we nog lang niet. Er moet nog veel gesleutel worden aan de volgorde, grammetjes en teksten.


Begrip en beeld, beeld en begrip zijn de twee keerzijden van een en dezelfde werkelijkheid, ze kunnen zowel duaal als polair intermediëren. Duaal gezien zijn beeld en begrip elkaars tegendelen, een beeld is geen begrip en een begrip is geen beeld. Ze vormen beiden een keerzijde van een en dezelfde werkelijkheid. Als tegendelen van een en dezelfde werkelijkheid kunnen ze ook een tegenstelling vormen waarin de een de ander kan elimineren of uitsluiten. Dat maakt dat er tussen begrip en beeld duidelijk een onoverbrugbare kloof bestaat. Je kunt of een beeld of een begrip van de werkelijkheid vormen. In dat opzicht dient men de beeldvorming streng te scheiden van de begripsvorming.

In en vanuit het functionele paradigma kunnen beeld en begrip zich echter ook tot elkaar verhouden in een polaire dynamiek waarin ze elkaar complementair kunnen aanvullen in een wederkerige constituerende betrekking. Beeld en begrip laten ieder op hun eigen wijze iets van diezelfde werkelijkheid zien. In dit opzicht is de strenge scheiding tussen beeld en begrip juist een voorwaarde teneinde ruimte te scheppen voor de weerspiegeling tussen de onderscheiden domeinen van theoria en praxis, idee en feit, concept en fenomeen, begrip en beeld. Deze weerspiegeling nu maakt het mogelijk om een glimp op te vangen van een werkelijkheid die noch begrip noch beeld is, maar een complementaire ´realiteit´ die evenzeer kan verschijnen als verdwijnen.


Beeld

Proces en inhoud
De ruimte ontstaat uit de dynamiek van de tijd.
  • De stroming vormt een bedding voor het water.
Beeldvorming komt tot stand op een subject betrokken route waarin het subject in relatie tot het object enerzijds participerend en verbindend (synthetisch) en anderzijds analytisch te werk gaat.







Begrip


Positie en betrekking
De tijd ontstaat hier uit de dynamiek van de ruimte.
  • De bedding vervormt de stroming van het water.

Begripsvorming komt tot stand op een objectbetrokken route waarin het subject in relatie tot het object enerzijds opponerend en onderscheidend  (analytische) en anderzijds synthetisch te werk gaat.







Ondanks het verschil tussen begrip en beeld dienen we ons wel te realiseren dat ze beiden, weliswaar op onderscheiden wijzen, deze ene werkelijkheid willen begrijpen dan wel verstaan. Door alle onderscheiden optieken en dito disciplines `vergeten´ we, dat het uiteindelijk maar over één werkelijkheid gaat, of we hem nu bijvoorbeeld mathematisch begripslogisch denken dan wel fenomenologisch beeldlogisch trachten in beeld te brengen.

Anderzijds is de grens tussen beeld en begrip niet altijd zo scherp te trekken, aangezien 1 begrip wel meer betekenissen kan hebben en in dito beelden kan worden weergegeven, evenzo kan 1 beeld door meerdere begrippen omschreven worden. Blijkbaar zijn er vele gradaties en of overgangen mogelijk tussen het domein van het begrippelijke en het domein van het beeldelijke. Niettemin wordt het van belang om in een systeem dynamisch verband de begripsvorming deels strak te scheiden en of deels te onderscheiden van de beeldvorming.

Even zovele begrippen en of beelden voor twee onderscheiden domeinen die een systeemdynamisch instrument behoeven om ze met elkaar in gesprek te brengen. Immers in en vanuit het niets tussen begrip en beeld verschijnt het diagram en het dynagram als twee onderscheiden dimensies van de ruimtetijd en de tijdruimte, ze behoren tot een en dezelfde werkelijkheid die wij dienen te onderscheiden en te verbinden. Tussen beeld en begrip zit een realiteit die we slechts kunnen viseren via een super positionele betrekking middels diagrammen en of dynagrammen. Aangezien beeld en begrip de twee keerzijden vormen van die ene en dezelfde werkelijkheid kunnen ze elkaar weerspiegelen en precies die weerspiegeling kan via een systeemdynamisch instrument in kaart gebracht worden.

Synthetiseren en analyseren




Synthetisch

Samenvoegen
zoals een verhaal woorden samenvoegt
En een beeld mogelijke begrippen.


Het samen voegen van mogelijke leden tot een rond geheel.









Analytisch


Scheiden Ontleden of delen
zoals woorden  een verhaal ontleed
En  begrippen  een mogelijk beeld.

Het in kaart brengen van mogelijke delen











Dynagram en diagram irt Subject betrokken en object betrokken irt praxis en theoria

Subject en object betrokken irt synthetiseren en analyseren

Binnen het functionele paradigma en bijgevolg binnen systeemdynamiek komt de subject object verhouding aan de orde als een en-en betrekking en of als een of-of betrekking.


Subject betrokken

Analytisch
Divergeren
Synthetisch
Convergeren











Object betrokken


Analytisch
Excluderend
Synthetisch
Includeren









Praxis en theoria


Praxis

Incompleet
Compleet
Fenomeen
Concept










Theoria


Compleet
Incompleet
Idee
Feit















Licht en donker in relatie tot dynagram en diagram

2 begrippen 'licht' en 'donker' verwerken in een dynagram en diagram  'gram'

Licht en donker

Licht als voorbeeld van tegenstelling en tegen delen deeltjes en golfjes
Daarmee is licht het ultieme voorbeeld van een fenomeen waarin deeltjes en golven verschijnen als tegendelen en waarin deeltjes en golven verdwijnen in hun tegenstelling, want waar de een is, is de ander niet, een golf is geen deeltje en een deeltje is geen golf. Toch vormen ze als onverbrekelijke tegendelen het fenomeen licht. Maar wat is dan licht?

Het midden tussen supra luminale en sub luminale grootheden en of het midden tussen deeltjes en golven, daar waar deeltjes zich kunnen verdichten tot massa en golven zich kunnen bundelen tot energie?

Licht manifesteert zich in deze tweeledig, ze is deel en lid ineen, foton en golf, terwijl de een niet de ander is. In haar meerledigheid vormt ze interferentiepatronen.

In hoeverre zijn deze interferentiepatronen in de vorm van denkbare diagrammen en of dynagrammen niet ook de inkomst en uitkomst van datzelfde licht. Zonder dat denken kan immers geen licht geworpen worden op de werkelijkheid en of kan deze werkelijkheid niet oplichten in denkbare concepten en of beelden. Welke analogie speelt er tussen denken en licht?

Wellicht kenmerkt licht als manifestatie van werkelijkheid en denkbare werkelijkheid zich door haar dynamische beweeglijkheid, tussen lichtheid en of dichtheid, tussen diagrammen en dynagrammen.

Zo kan de dynamiek van ´het licht´ binnen systeemdynamiek als een metafoor functioneren voor een werkelijkheid waarin lichtheid en dichtheid, linksom en of rechtsom draaiend (spin), opwaarts en neerwaarts bewegend (up en down), tegengesteld en of tegendelig , polair en ofduaal, enige karakteristieken en of functies zijn die op een of andere wijze in het systeem dynamische veld zijn in te huizen.


Licht en donker in relatie tot dynagram proces en diagram positie



Dynagram licht en donker in relatie tot processen


licht en donker 'lopende' in een dynagram proces

Verschijnen en verdwijnen
Immateriële en materiële











Diagram licht en donker in relatie tot posities



Licht en donker 'staande' op diagram posities

Licht
verdwijnen
Stof
verschijnen
Geest
Donker








Veld als insturment van de geest
Systeem dynamiek is een instrument van de geest, los van de vraag wat geest is en of geest wel bestaat, het hoeft niet aangetoond te worden om toch haar werkzaamheid te kunnen tonen.

Geest kan de werkelijkheid denken en of zelfs vormen daar waar de werkelijkheid gewild kan worden door de geest en of beter daar waar de wil van de geest werkelijkheid bewerkt en of doet zijn en worden.

Geest en stof
Geest en stof zijn zowel duale als polaire manifestaties van dat wat is en dat wat niet is, een paradoxale verbinding tussen zijn en niet zijn, zijn en worden. Manifestaties verschijnen en verdwijnen.




Licht en donker in relatie tot inhouden en betrekkingen


Dynagram licht en donker in relatie tot inhouden


 
Licht
Donker
Plasma
Gasvomig
Vloeibaar
Vast








Diagram licht en donker in relatie tot betrekkingen



Licht
Donker
Massa
Energie
Quanta
Golfjes








Duogram


In het functionele paradigma verhoudt het diagram zich tot het denken als ken instrument en het dynagram zich tot het willen als ken instrument, bijgevolg kan het voelen als ken instrument zich pas verhouden tot het tussen als het denken is uitgekristalliseerd tot een diagram en het willen is geboetseerd tot een dynagram. De kristallijne en vloeiende dynamieken in diagram en dynagram spreken respectievelijk het denken en het willen aan en of viceversa.

Zonder een systeemdynamisch veld kan dit `tussen´ niet aan de orde gesteld worden en bijgevolg kan het voelen als ken instrument pas aantreden in het functionele paradigma en bijgevolg in een verhouding tussen diagram en dynagram als resultante van het denken en het willen. Denken en willen verhouden zich tot elkaar als twee vermogens waarin zowel duale symmetrische als polaire complementaire dynamieken aan de orde gesteld kunnen worden. Pas met het voelen als ken vermogen kunnen we het relatieve midden `behartigen´. Deze drie kenvermogens ofwel dit drieledige kenvermogen verhoudt zich weer tot het vierledige veld van kennen en kunnen, kennis en kunst.

Begripsvorming en beeldvorming dienen zich, binnen het functionele paradigma, systeemdynamisch tot elkaar te verhouden in een complementair en symmetrisch werkend veld, in deze een duogram, waarin diagram en dynagram zich tot elkaar verhouden als een wederkerige constituerende dynamiek waarin denken en willen zich zodanig tot elkaar verhouden dat ze beiden ruimte scheppen voor het voelen. Bijgevolg kan het een noch het andere ooit met elkaar samenvallen, vandaar dat dit ´tussen´ hetgeen is wat het functionele paradigma wil behartigen en viseren in een systeemdynamisch veld.




Een achtledig veld is een kleinst mogelijke eenheid van vier gedefinieerde posities en vier gedefinieerde betrekkingen en of een kleinst mogelijke eenheid van vier bepaalde processen en 4 bepaalde inhouden (zo doende spiegelt een duogram een 16 ledig veld waarin diagram en dynagram elkaar wederkerig spiegelen als tegendeel en tegenstelling, vandaar haar positie op west).

Een grondpatroon is een kleinst mogelijke eenheid van de configuratieve componenten,  8 bronpunten met een 9de midden, 4 contouren die ieder 4 bronpunten in verband brengen, 4 assen die de 8 bronounten tot elkaar doen verhouden. 8 raakvlakken die door de contouren verschillend resoneren maar wel indezelfde gelijkmatigheid, en 9de midden.

In een duo gram staan 2 grondpatronen de één in een tijdruimte en de ander in een ruimtetijd. Een duogram worden alle contouren gebruikt. Dynagram en diagram zijn in een duogram afhankelijk van elkaar (heteronoom). Ze komen bij elkaar als een synthese
3a Synthesis Vertical Caduceus   maar blijven ook van elkaar gescheiden en vormen dan ook een tegenstelling. Het hertonomen karakter van bronpunt west, het proces van synthese en de positie van een tegenstelling komt het duogram op West.


Dicto gram
Wanneer er gesproken wordt van supra luminale verbindingen dan kunnen we er ontologisch gezien niets bij voorstellen, niettemin kunnen we al werkend in het dictogram wel het een en ander aan verbinden, maar hoe, hetgeen ervaren wordt in werking kan treden, vraagt toch een heel nieuw referentiekader en het supra luminale is in dat opzicht het dictogram niet vreemd, maar dan dienen we opnieuw aansluiting te vinden met het aloude veld van de sjamanen die nog werkten binnen het mythische paradigma, waarin de onmiddellijke relatie tussen subject en object aan de orde gesteld werd.

Het dictogram als veld is in en vanuit het mythische paradigma gebaseerd op het gegeven dat er niet alleen verbindingen sneller dan het licht bestaan, supra luminaal, tussen ruimteachtig afgezonderde gebeurtenissen, maar dat deze tevens gebruikt kunnen worden op een controleerbare wijze om te communiceren, maar evenwel communicatie tussen wat en wie?

Je zou kunnen opperen dat in het dictogram een supra luminale overdracht van negentropie (orde) plaats vindt zonder signalen, zonder tarnsport van massa en of energie. Er vindt een onmiddellijke en ogenblikkelijke verandering plaats in de hoedanigheid van het veld en de deelnemers zowel in ruimte als in tijd. Communicatie sneller dan licht is fysisch gezien nog deels speculatieve theorie, maar toch kan de realiteit soms de theorie vooruit zijn.


Hologram:
Het hologram (bouwpatroon) maakt de wisselwerking zichtbaar tussen de twee grondpatronen. De ene geordend in een dynagram en de andere in een diagram. Deze vervlechting tussen dynagram en diagram vormt een harmonisch geheel waarin de synthese tussen deze twee grondpatronen dynamisch in beeld kan worden gebracht met behoud van alle karakteristieke raak-vlakken en de daarmee samenhangende resonanties. Waarbij in een duogram het dynagram en diagram los van elkaar blijven staan worden ze in een hologram met elkaar vervlochten.

Hologram Windroos in relatie tot elementen in kleur.

De 4 bronpunten, Noord, Oost, zuid en west hebben een overlappend bereik. Het bereik wordt met een cirkel grafisch weergegeven. De omtrek van het bereik van bronpunt Noord loopt tot het bronpunt Zuid en vice versa. De omtrek van het bereik van bronpunt Oost loopt tot het bronpunt West en vice versa. Hierdoor komen de twee tegenover elkaar staande bronpunten naast elkaar/ op elkaar te liggen. Wanneer bij te onderzoeken data de wisselwerking tussen de ene bronpunt en de andere bronpunt zeer dichtbij elkaar licht komt een hologram te voorschijn. De overlap van het bereik van de bronpunten is niet een werkzame/ werkelijke overlap. Er zou dan in het centrum een ratjetoe van van alles zijn waar geen structuur of ordening zichtbaar wordt. Door dat het bereik van bronpunt Noord tot bronpunt zuid komt en vice versa, wisselen ze van positie. Het Noord van beneden komt in het midden boven te staan en het Zuid van boven komt in het midden onder te staan. We zouden dan eerder kunnen gaan spreken over een verband dat grafisch word vorm gegeven door een lijn in een vorm van een cirkel. De buitenste coördinaten staan in een tijdruimte (dynagram), de coördinaten in het centrum staan in een ruimtetijd (diagram). De bronpunten die deze bemiddelen kunnen worden gelezen zowel als een dynagram als zowel een diagram. Wanneer er gebruik wordt gemaakt van 3 hoeks verbanden kan dat betekenen dat er gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld het Zuidelijke bronpunt (dyna)  die met  2 coördinaten een verband vormt. Die 2 coördinaten blijven in het bereik van het zuid van het diagram (bouwpatroon)



Bouwpatronen in relatie tot elkaar

Tussen deze bouwpatronen bestaan mogelijke wisselwerkingen. Door de 5 bouwpatronen in een gram te plaatsen kunnen er verschillende wisselwerkingen, verhoudingen, verbanden enz aan het licht worden gebracht. 


Dynagram en diagram zijn de 2 al besproken bouwpatronen. We kunnen ze op verschillende manier zich tot elkaar laten verhouden. (8 fold)

In een duale verhouding, 2b Antithesis Horizontal
in een polaire verhouding 3a Synthesis Vertical Caduceus





Gram


Ter herinnering


Elke gram dient te beantwoorden aan het grondpatroon en aan 1 van de bouwpatronen. De cruciale configuratieve componenten van het grondpatroon hebben een bereik (een marge) waarin mogelijke alternatieven kunnen oplichten afhankelijk van de te onderzoeken data.

Een gram kent alternatieve configuratieve componenten:

  • Alternatieve coördinaten
  • Alternatieve verbanden
  • Alternatieve verhoudingen
  • Alternatieve  raak-vlakken

Deze vier alternatieve configuratieve componenten worden gekenmerkt door hun onderlinge alternatieve (mogelijke) wisselwerkingen.

Alternatieve coördinaten
In een gram zijn er tal van mogelijke alternatieve coördinaten. Deze coördinaten blijven zich verhouden tot de 8/9 bronpunten. De windstreken, windrichtingen, en hun inwerkingen en uitwerkingen....

Alternatieve verbanden
In een gram kunnen alternatieve coördinaten in een mogelijke alternatieve verband gebracht worden. Toch blijven deze alternatieve verbanden in relatie tot de contouren staan.

Bijvoorbeeld. In deze 'casus gram' (link) staan alle 12 maanden (inhouden) in een jaarloop (proces). Dit proces wordt gekoppeld aan 'de maanden waarin de dagen korter worden' en 'aan de maanden waarin de dagen langer worden'. Het proces is in het grondpatroon aanwezig maar wordt niet in deze 'casus gram' letterlijk benoemd. 

De onderlinge verbonden en/of gescheidenheid van cruciale contouren en mogelijke alternatieve verbanden, zijn een fundamenteel kenmerk van systeem dynamiek.

Al blijven alternatieve verbanden  altijd in het bereik en in relatie tot de cruciale verbanden. In elke gram kan er verscheidene wisselwerkingen zichtbaar worden. Bijvoorbeeld:

Cruciale posities en alternatieve betrekkingen en cruciale betrekkingen en alternatieve posities.

Zo ook cruciale processen en alternatieve inhouden en cruciale inhouden en alternatieve processen.

Ster verbanden

Een veel voorkomend alternatief verband zijn 3 hoek / 6 ster/ 12 ster verbanden. De begrippen op de punten en lijnen van de ster blijven geordend aan het grondpatroon en een (bij de te onderzoeken data passend) bouwpatroon. Zo zijn er stervormige grammen in een diagram, dynagram, duogram dictogram en hologram mogelijk uit te werken.

Een ster bestaat uit driehoeks verbanden.

  • De begrippen op de 3 punt coördinaten van het 3 hoekverband hebben een overeenkomst. Het geen wat ze met elkaar verbind.
  • In een 6 ster verband staan 2 maal een 3 hoekverband met elkaar in wisselwerking.
  • In een 12 ster verband staan 4 maal een 3 hoeksverband met elkaar in wisselwerking.
Alternatieve verhoudingen
In een gram kunnen alternatieve coördinaten in alternatieve verbanden, in alternatieve verhoudingen uitgewerkt worden. Al blijven deze alternatieven gerelateerd aan de cruciale verhoudingen.

Ook kunnen  in een gram de bronpunten zoals.. in een alternatieve verhouding uitgewerkt worden zoals in het volgende voorbeeld ....Ze blijven echter in 1 gram gerelateerd aan het grondpatroon, .. blijft tegen over ...staan. Elke coördinaat op zich kan weer in een grondpatroon worden uitgewerkt.  (alternatieve  verhoudingen in relatie tot octet)

Ook kunnen  in een gram de bronpunten zoals Oost en Zuid in een alternatieve verhouding uitgewerkt worden zoals in het volgende voorbeeld (2 a antithesis).??????  Zuid en Oost staan in een diagonale verhouding, ....as. Ze blijven echter in 1 gram gerelateerd aan het grondpatroon, Oost blijft tegen over West staan. Elke coördinaat op zich kan weer in een grondpatroon worden uitgewerkt.
(alternatieve verhouding in relatie tot extra toegevoegte diagonale)

Alternatieve  raak-vlakken

In elke gram vormt het grondpatroon de basis op grond waarvan alle andere alternatieven uitgewerkt kunnen worden.

Door de alternatieve, -coördinaten, -verbanden, -verhoudingen in een gram kunnen er ook alternatieve raak-vlakken ontstaan. Deze alternatieve raak-vlakken blijven gerelateerd aan de cruciale raak-vlakken, binnen het bereik van de resonantie in het grondpatroon.

(Meerdere)  raak-vlakken in 1 veld  vermeerderen en/of verminderen de resonantie in een veld

Resonantie kan minder of meer zijn afhankelijk van de ingevoegde data en het gebruik van bronpunten, contouren en assen.

Elke op zichzelf staande gram (met cruciale en alternatieven) kan dusdanig resoneren, dat het een op zichzelf staande veld kan vormen, die als bouwmodel kan functioneren voor het maken van andere grammen. Bouwmodellen zijn grammen waarvan de gevonden unieke basiselementen (cruciale en alternatieven) in andere grammen herhaald kunnen worden.  Afbeelding bouwmodel gram PM archai kai aitiai (als link) is gebruikt voor de gram van  'opbouw van een systeem dynamisch veld'.


Een gram kan gebruikt worden als bouwmodel, dit bouwmodel beantwoordt aan het grondpatroon en aan 1 van de bouwpatronen. De coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken die in deze gram aan het licht zijn gekomen, worden deels of geheel gebruikt in andere gram(men). Elke gram heeft in zekere zin de mogelijkheid om tot een bouwmodel uitgewerkt te worden..

Een gram is een systeem dynamisch veld/model.

In het werken met een open systeem model (een systeem dynamisch veld) onderscheiden we 5 lagen:

  • Grondpatroon (meer veld)
  • Bouwpatronen
  • Gram (meer model)
  • Te onderzoeken data
  • Werkelijkheid

Een gram is het midden waarin al deze 5 lagen van een systeem dynamisch veld zich gelijktijdig voor doen.


Een systeem dynamisch veld wordt grafisch vorm gegeven door middel van een beeld structuur waarin op bepaalde punten (coördinaten) de begrippen geordend kunnen worden. Dit systeem dynamische veld noemen we een gram. Het woord ‘gram’ komt van grafein en betekent ‘beschrijven’, ‘samenstellen’ en ‘weergeven ‘. Dus een gram is een veld waarin woorden staan die met elkaar een samenhang vormen. Systeem dynamiek integreert zowel de dimensie van het begrip (woorden) als de dimensie van het beeld (grafische vormgeving). Een gram is een weergave van een samenstelling die iets beschrijft.


Mogelijke apriories om systeem dynammisch veld te karakteriseren.

  • sfeer
  • veld
  • werking
  • vorming
Sfeer en veld.
Vormen een wisselwerking.


Sfeer verhoudt zich tot het immateriële. Het is niet makkelijk pakbaar, toch ervaren we het op een of andere wijze wel. Of je nu in een vergadering zit, in een familie opstelling of naar een schilderij kijkt. Sfeer doet iets met je. Het brengt iets te weeg. En toch kun je het niet ‘iets’ noemen want het is ook weer ‘niets’. Het is er altijd maar is niet continu. Deels verschijnt het en verdwijnt het en deels is het er altijd op een of ander wijze.

Veld verhoudt zich tot het materiële. Je kunt het veld begrenzen maar tegelijkertijd is het veld onbegrensd. Zoals deze systeem velden in de schoenveter. Je kunt het systeem dynamisch ‘veld’ als een eigen opzichzelfstaand veld zien en als zodanig begrenzen, maar tegelijkertijd vormt hij met sfeer, werking en vorming een nieuw veld. De hele schoenveter vormt met alle veldjes weer een veld. Alle tot nu toe gevormde grammen vormen met elkaar ook een veld. En zo kun je door gaan want het ene veld vormt met het andere veld een veld. Met mij als schrijver een veld. Met ons creatief artes team een veld. Met ons en de lezer een veld. Met ons en de wereld een veld, met ons en de kosmos een veld. Kortom tussen het ene veld en het andere veld vormt zich een nieuw veld. Het veld is onbegrensd in vorm en inhoud. In de ruimte maar ook in de tijd is het veld eindig en oneindig. Het is eindig ‘hij is af’ en staat compleet op papier en op de site maar hij is ook oneindig in relatie tot jouw als lezer en mij als maker. Je kunt er mee blijven spelen.

Werking en vorming
Vormen een wisselwerking.


Werking geeft ordening aan de structuur van de vorming. Werking verhoudt zich tot het immateriële. De vorming is (wordt) onzichtbaar. Sfeer is de onzichtbare werking. Waar sfeer iets te weeg brengt, daar geeft werking uitvoering. Het doet iets. Het doet ontsluiten en omsluiten. De werking maakt het mogelijk dat iets zichtbaar of onzichtbaar kan worden. Het ontsluit het geslotene én omsluit het ongeslotene. Wat er toe doet, wordt ingesloten, wat er niet toe doet wordt uitgesloten. De werking verloopt via bepaalde fasen waardoor we kunnen spreken van een proces/betrekking (tijd).

Werking maakt configuratie mogelijk. Een bepaalde werking leidt tot een bepaalde configuratie. Zonder tijd is er geen werking.

Vorming geeft structuur aan de ordening van de werking. Vorming verhoudt zich tot het materiële. De werking wordt (is) zichtbaar. Veld is de zichtbare vorming. Waar veld iets laat zien,daar geeft vorming invoering. Het vormt iets. Een schilder kan met punten of lijnen, rechten en krommen vormen schilderen. Pas op het doek wordt het zichtbaar. Krijgen ze onderling een zichtbare relatie met elkaar zodat het schilderij steeds meer vorm krijgt. Uiteindelijk wordt het steeds meer zichtbaar. Op dezelfde wijze kan een gram steeds meer zichtbaar worden, via haar coördinaten en assen vormt het een gram, een duogram, in relatie tot mens, aarde, kosmos, etc. De vorming krijgt gestalte door middel van bepaalde facetten waardoor we kunnen spreken van een positie/inhoud (ruimte).

Vorming maakt compositie mogelijk. Een bepaalde vorming leidt tot een bepaalde compositie. Zonder ruimte is er geen vorming.

Zoals sfeer en veld zich tot elkaar verhouden, zo verhouden zich werking en vorming, het immateriële en het materiële tot elkaar. Sfeer en werking verhouden zich tot het immateriële, veld en vorming tot het materiële.
Sfeer, veld, werking en vorming zijn belangrijke apriories (‘wat van tevoren gegeven is’) van een nog ongedifferentieerd systeem veld. Samen vormen zij het nog witte doek: het doek en zijn context, het doek en de maker, de maker en zijn ideeën, de maker en zijn omgeving, de maker en wij allen, wij allen en de kosmos.

Een systeem dynamisch veld verhoudt zich tot een veld in een veld, in een veld...


Er is geen geheel zonder deel en geen deel zonder geheel.
Deel en geheel vormen een wisselwerking waardoor een samenhang ontstaat. Lees hier ‘deel’ ook als ‘lid’, ze hebben echter een verschillende betekenis. Deel staat voor een scheidbaar onderdeel (mechaniek) en lid voor een onscheidbaar medelid (organiek).


Organiek:

Mechaniek:




Geheel
Een geheel is alles bij elkaar. Binnen systeem dynamiek is het mogelijk om een gram (een systeem dynamisch veld) als een geheel te zien van de desbetreffende wisselwerkingen tussen coördinaten, verbanden, verhoudingen etc. Maar dit zelfde geheel kan een deel zijn binnen een ander systeem dynamisch veld. Die op zijn beurt een deel kan vormen van een te onderzoeken werkelijkheid of waarschijnlijkheid. Het geheel is niets en iets, tegelijkertijd. Zo kan niet iets uitgesloten worden en tegelijkertijd kunnen niet alle ietsen omsloten worden. We kunnen niets uitsluiten en niets omsluiten. Het geheel is daardoor meer dan de som der delen.

Bijvoorbeeld, binnen het geheel van de Chinese orgaanfuncties kun je de Yin organen op bepaalde coördinaten plaatsen. Lever, Hart, Milt, Long en Nieren staan allemaal in 1 gram. Ook kan elk orgaan qua functie weer in onderscheiden coördinaten in een nieuw dynagram uitgewerkt worden zoals bijvoorbeeld de Lever functie. (links grammen)

Afbeelding voorbeeld plaatje geheel met uitleg
Afbeelding voorbeeld gram geheel met uitleg
Afbeelding voorbeeld symbool geheel met uitleg (plant)


deel
Een deel is een onlosmakelijk onderdeel of lid van een functionerend geheel. Elk afzonderlijk deel of lid bepaalt de wijze waarop het geheel in functie treedt. Verander je het deel, verandert mogelijk het geheel, haar functie, de werking van en de verhouding tot andere delen/leden. Alles hangt met alles samen. Binnen systeem dynamiek wordt onderzocht welke delen/leden zich binnen 1 verzameling of klasse zich tot elkaar kunnen verhouden. Alles kan mogelijk met alles samenhangen, maar je dient wel degelijk te onderzoeken wat zich tot wat verhoudt binnen een geheel. Met name hoe de verhouding tussen de delen/leden binnen 1 geheel zich op haar beurt weer kunnen verhouden tot andere delen en leden in hun verhouding binnen een ander geheel.

Bij voorbeeld binnen systeem dynamiek kun je de verschillende te onderscheiden grammen: diagram (link), dynagram (link), duogram (link), dictogram (link)en hologram (link)die elk een apart gram vormen, afzonderlijk uitwerken, maar met elkaar vormen ze de delen/leden van een systeem dynamisch veld en vormen ze met elkaar een geheel. Zie voorbeeld.

Zo kan elk ingevulde coördinaat (begrip/beeld) weer een gram op zich zelf vormen. Je kan eindeloos in en uitzoomen. De te onderzoeken data vergroten en verkleinen.

Alles hangt met alles samen en elk deel representeert het geheel. Bijgevolg leidt dit,
binnen een systeem dynamisch verband, niet  tot verlies van ordening en structuur.

Afbeelding voorbeeld plaatje deel met uitleg
Afbeelding voorbeeld gram deel met uitleg
Afbeelding voorbeeld symbool deel met uitleg (zaad)


Punt omtrek
Punt en omtrek vormen een verhouding. Waarbij de een niet zonder de anderen kan. Er is geen punt zonder omtrek en geen omtrek zonder punt. Ze vormen samen een 2 ledige verhouding.


Punt

Een punt vormt een midden in zich zelf. Een nauwkeurige compleetheid. Een afgerond geheel. Elke coördinaat heeft een puntig karakter. Zo is elke positie, betrekking, proces en inhoud ook puntig.
Een punt kan ook het midden vormen van een veld. Binnen een systeem dynamisch veld noemen we deze middelste punt o.a. de 9de kardinale coördinaat, de spil, het centrum.

De omtrek Is het bereik van de punt, zijn buitenste deel. Daar waar de punt grenst aan zijn omgeving of aan het bereik van andere punten.
  • De omtrek kan verschillende vormen aan nemen, o.a. driehoekig, vierkantig, cirkelvormig, organisch, in relatie  tot een veld en/of coördinaat.
  • Het bereik van inhouden en posities is in verhouding tot processen en betrekkingen puntiger door dat ze zich meer verhouden tot de ruimte. Processen en betrekkingen verhouden zich meer tot de tijd, en krijgen hier door een kwadrantiger karakter.
  • Het bereik van een 1 bronpunt kan van omvang verschillen. Zo kunnen meer begrippen zich verhouden tot 1 en dezelfde bronpunt. Deze begrippen staan dan op een alternatief coördinaat. 
  • Toch vormt elk begrip op zichzelf weer een afgesloten eenheid.
  • De begrippen rond 1 bronpunt kunnen weer systeem dynamisch geordend worden (door middel van het grondpatroon).
Afbeelding plaatje waarin punt en omtrek zichtbaar wordt
Afbeelding gram waar punt en omtrek zichtbaar wordt
Afbeelding symboliek van punt en omtrek (zonnecirkel)


Hoe je stap voor stap een gram kan maken lees je in Methodische stappen: link

We maken onderscheid tussen verschillende fases/ uitwerkingen van 'te onderzoeken' naar een gram.

Schema, plaatje, model en patroon. Zie gram (nog in voegen link)

Een gram is een systeem dynamisch model. Waarin werkelijkheid en grondpatroon worden bemiddeld. Er zijn grammen waarin die wat meer patroon in zich hebben en er zijn grammen die wat meer 'te onderzoeken data' in zich hebben. Waar het grondpatroon nog maar weinig of zelfs helemaal niet aanwezig is. Dan is het meer een plaatje of een schema. Waar het grondpatroon sterk of gelijkmatig aanwezig is dan is het meer een model of patroon.

Te onderzoeken data


In de te onderzoeken data bestaan niet alleen vele mogelijke coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken. Maar ook nog vele mogelijke systemen, dynamieken, structuren en ordeningen. Al beperk je jezelf tot hetgeen je wilt onderzoeken dan nog zijn er immens veel mogelijkheden. Binnen systeem dynamiek dien je je te beperken door middel van het grondpatroon. Binnen de gegeven data ga je op zoek naar relevante dynamieken, op grond waarvan het pas mogelijk wordt ze al of niet te relateren aan de dynamieken van het grondpatroon. Met daarbij de hypothetische kanttekening dat de werkelijkheid ondanks al haar complexiteit in wezen stoelt op een aantal wezenlijke dynamieken op grond waarvan een grondpatroon als simplex kan functioneren ten einde die complexiteit te kunnen onderzoeken. 
  • Coördinaten zoeken: binnen de gegeven data zoek je naar bepaalde woorden die je, overeenkomstig hun dynamieken, aan een of andere coördinaat kan relateren.
  • Verbanden zoeken: binnen de gevonden woorden zoek je naar bepaalde verbanden
  • Verhoudingen zoeken: binnen de gevonden verbanden zoek je naar bepaalde verhoudingen
  • Raak-vlakken zoeken: binnen de gevonden verhoudingen zoek je naar bepaalde raak-vlakken

In het zoeken naar coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken suggereren we een na-elkaar. Dat is voor elk begin ook nodig, maar al gauw ontdek je dat je mogelijke onderlinge wisselwerkingen tegelijkertijd aan het onderzoeken bent. We kunnen ze van elkaar onderscheiden, maar ze zijn niet te scheiden.



Wisselwerking in relatie tot de te onderzoeken data:

Ter herinnering:
De begrippen: coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken worden 'algemeen' gebruikt.

De begrippen: bronpunten, contouren, assen en resonanties zijn specificaties van deze 'algemene' begrippen, die zich specifiek verhouden tot het grondpatroon.

Bij de te onderzoeken data speelt de wissel werking tussen ontregelend en regelend een rol. Deze wisselwerking vinden we terug in de coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken. De begrippen: coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken worden hier 'algemeen' gebruikt, in relatie tot de te onderzoeken data.

Richt je je bij je onderzoek op hetgeen wat ontregelt en/of regelt.


  • De omcirkelde gradaties: minder, onstabiel, semi- permanent en onbepaald hebben een ontregelend karakter.
  • De gradaties in de vierkantjes: meer, stabiel, permanent en bepaald hebben een regelend karakter.

Alle 10 de gradaties spelen bij alle 'algemene' coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken een rol. Ook spelen bij elk van deze afzonderlijke 'algemene' begrippen, 2 gradaties een specifieke rol:

  • Coördinaten kunnen onbepaald en/of bepaald zijn.
  • Verbanden kunnen semi- permanent en/of permanent zijn.
  • Verhoudingen kunnen onstabiel en/of stabiel zijn.
  • Raak-vlakken kunnen meer of minder zijn. 

Helpende vragen in relatie tot te onderzoeken data:

  • Welke begrippen?
  • Welke logische klasse?
  • Welke context?
  • Welk referentie kader?

Alle 4 de vragen spelen bij het zoeken naar de configuratieve componenten een rol. Ook spelen bij elk van de configuratieve componenten, 1 vraag een specifieke rol.

  • Coördinaten en bronpunten, welke begrippen?
  • Verbanden en contouren, welke logische klasse?
  • Verhoudingen en assen, welke context?
  • Raak-vlakken en resonanties, welk referentie kader?

Hieronder in het duogram zijn deze 4 vragen geplaatst in relatie tot de configuratieve componenten en tot 4 vragen in het centrum (een diagram).

  • Wie/wat wil je in beeld brengen?
  • Waar gaat het om? en/of wanneer zie je dat?
  • Waarom zie je dat verschijnen?
  • Hoe verhouden de begrippen zich tot elkaar?

De 2x 4 vragen kun je op verschillende manieren aan elkaar relateren.

Bijvoorbeeld:

Waarom zie je dat verschijnen? Hangt samen met vanuit welk referentie kader je denkt en in welke context de begrippen worden gebruikt.

Waar het om gaat zien we terug in de context en wanneer je iets wel of niet ziet hangt af van welk referentie kader je gebruikt.

Coördinaten en bronpunten in relatie tot te onderzoeken data.

De woorden/begrippen van de te onderzoeken data verhouden zich in een gram tot cruciale en alternatieve coördinaten.

Binnen de gegeven data zoek je naar bepaalde woorden/begrippen, die je, overeenkomstig hun dynamieken, aan een of andere coördinaat kan relateren. Een belangrijke vraag is dan ook: Welke begrippen lichten op? Afhankelijk van wat je wilt onderzoeken kan een woord/begrip op een cruciale coördinaat of een alternatief coördinaat komen te staan.

Binnen systeem dynamiek hanteren we bronpunten als 'middens' (windstreken en windrichtingen) en 'tussens' (in/uitwerkingen), maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en/of werkelijkheid.

Afhankelijk  je referentie kader, de context, de logische klasse en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kunnen binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde woorden/begrippen op een ander bronpunt/coördinaat komen te staan.

Een begrip (woord) kan meerdere betekenissen hebben. Elke betekenis kan een andere 'interne dynamiek' weergeven. Bijvoorbeeld het begrip 'water' die in verschillende culturen wordt gebruikt om een bepaalde 'dynamiek' weer te geven. 'Water' bekeken vanuit de filosofie van Aristotelis draagt een andere interne dynamiek uit, dan 'water' bekeken vanuit bijvoorbeeld: een Chinese filosofie of een Inheems Amerikaanse filosofie enz. Ook binnen in dezelfde cultuur kunnen verschillende stromingen ontstaan waardoor hetzelfde begrip onderling kan verschillen in hun betekenis en van hun interne dynamiek. Dit kan tijdens het onderzoek maar ook voor de lezer van een gram verwarring geven. Dit vraagt steeds weer te beginnen met een schone lij. Welk begrip licht op? En met welke 'interne dynamiek'?

Coördinaten in relatie tot onbepaald/bepaald:

Een coördinaat kan onbepaald en/of bepaald zijn.

Een onbepaalde coördinaat is een coördinaat die je nog niet kan bepalen omdat die zich nog niet aandient.

Binnen systeem dynamiek kan een bepaalde coördinaat een cruciaal- en/of alternatief- coördinaat worden. Door de cruciale coordinaten te bepalen kunnen we werken met overeenkomstige coördinaten in meerdere velden.


Verbanden en contouren in relatie tot te onderzoeken data.

Binnen de gevonden woorden van de te onderzoeken data zoek je naar bepaalde verbanden, die  permanent en semi permanent kunnen zijn. Je zoekt een dynamiek tussen het ene en  het andere(n) woord(en).

In de te onderzoeken data zijn nog vele andere verbanden mogelijk, binnen systeem dynamiek beperken we tot de contouren en alternatieve verbanden. 

Tijdens het onderzoek kun je je afvragen wat het overeenkomstige verband is tussen deze woorden. Bijvoorbeeld,  gaat het hier meer om een tijd verband of meer om een ruimte verband. Binnen systeem dynamiek hanteren we tijd gerelateerde en ruimte gerelateerde verbanden (contouren) maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en/of werkelijkheid.

Een belangrijke vraag die je je kan stellen is: tot welke logische klasse behoren deze woorden?

Met logische klasse bedoelen we bijvoorbeeld:

Lente, zomer, herfst, winter. Ze behoren tot de logische klasse van 4 seizoen. Deze seizoenen hebben een cyclisch tijd verband. Zo volgen elkaar,  na elkaar op, in een specifieke volgorde. Ze zijn of-of in de tijd.
Gecombineerd met het proces van het jaar waarin de zomer dagen het langst duren en de nachten het kortst, en waarin de winter dagen het kortst duren en de nachten het langst. Gram...

Afhankelijk  je begrippen, de context, referentie kader en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kan binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde logische klasse in een ander verband komen te staan.

Verband in relatie tot semi-permanent/permanent:

Een verband geeft een wisselwerking weer tussen meerdere coördinaten.

Een verband kan semi-permanent en/of permanent zijn. Mede afhankelijk van de logische klasse van de begrippen, vormen zij een permanent of semi- permanent verband. Er zijn verbanden die zich permanent voordoen en/of er zijn verbanden die zich soms wel en soms niet voordoen.

Zijn het begrippen met bijvoorbeeld  processen met een specifieke volgorde, zoals de seizoenen, dan krijgen ze een permanenter verband in de tijd.

Zijn het begrippen die zowel een proces als een positie verband laten zien, dan zijn  ze semi-permanent, je kunt zowel als proces en als positie lezen, er is dan geen sprake van een specifieke volgorde meer.


Verhoudingen en assen in relatie tot te onderzoeken data

Binnen de gevonden woorden zoek je naar bepaalde verhoudingen, die onstabiel en/of stabiel kunnen zijn.

Binnen de te onderzoeken data kunnen woorden/begrippen in verschillende verhoudingen komen te staan. Wat staat ten opzichte van wat. Er zijn vele verhoudingen mogelijk; binnen systeem dynamiek beperken we ons door middel van de assen. Tijdens het onderzoek kun je je afvragen wat is het verschil en wat is de overeenkomst tussen deze begrippen. Denk aan antoniemen die op zich verschillend zijn maar toch zich tot elkaar kunnen verhouden, overeenkomstig hun logische klasse.

Plaatsen we meerdere 2 ledige verhoudingen in een gram, dan dien je te onderzoeken welke begrippen tot een bepaalde klasse behoren. Want een klasse bepaalt de specifiekere betekenis van elk begrip afzonderlijk, in relatie tot andere begrippen met hun specifiekere betekenissen. Zo kan in een klasse van begrippen onderling verschillende betekenissen zichtbaar worden. De samenhang in een bepaalde gram brengt dan mogelijke wisselwerkingen  tussen meerdere 2 ledige/delige verhoudingen aan het licht

Voorbeeld van begrippen die tot dezelfde klasse behoren: Lente, zomer, herfst en winter, behoren bij de klasse seizoenen.

Binnen systeemdynamiek hanteren we het verschil tussen ledige en delige verhoudingen, maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en of werkelijkheid.

Welk woord/begrip je tegen over een ander woord/begrip zet en in welke verhouding (as) je ze plaats is afhankelijk van de context.

Afhankelijk  je begrippen, hun logische klasse, referentie kader en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kan binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde begrippen in een andere verhoudingen en in een andere context komen te staan.

Verhouding in relatie tot onstabiel/stabiel: 

Een verhouding kan onstabiel en/of stabiel zijn. Mede afhankelijk van de context kan de verhouding tussen 2 begrippen op de verschillende assen worden geplaatst.

  • Een onstabiele verhouding is een verhouding tussen begrippen die soms wel en soms niet zich tot elkaar kunnen verhouden. 
  • Een onstabiele verhouding is ook een verhouding tussen twee begrippen die op meerdere assen kan komen te staan.
  • Een stabiele verhouding is een verhouding tussen begrippen die permanent zich tot elkaar verhouden.
  • Een stabiele verhouding is ook een verhouding tussen twee begrippen die steeds op de zelfde as staan.

Voorbeeld: zo zijn er begrippen met een stabielere verhouding zoals bijv hemel en aarde (polair), top down en bottum up (polair), verleden en toekomst (duaal) en 'zelf' en 'de ander' (duaal).


Raak-vlakken en resonantie in relatie tot te onderzoeken data

Binnen de gevonden woorden zoek je naar bepaalde raak-vlakken die mogelijk met elkaar resoneren. Deze raak-vlakken kunnen meer en/of minder zijn. 

In een gram is het mogelijk om vele woorden  (met hun verbanden en verhoudingen) op een coördinaat te plaatsen. Maar niet altijd is meer ook beter. Bij te veel aan woorden of een te weinig aan woorden verzwakt het raak-vlak. Bij een te veel dien je vorm te geven aan een nieuwe gram(model). Bij een te weinig dien je terug te gaan naar de te onderzoeken data.


Er zullen veel meer mogelijke  raak-vlakken bestaan die een veld minder en/of meer doen resoneren. We beperken ons tot de raak-vlakken en wisselwerkingen van het grondpatroon en vullen aan met mogelijke alternatieven in elke gram afhankelijk van de te onderzoeken data.

Binnen systeemdynamiek hanteren we het verschil tussen verandering en herhaling van raak-vlakken, maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en of werkelijkheid.

Wanneer je zoekt naar raak-vlakken:

  •  Kijk je naar welke woorden en de daar aan gerelateerde dynamieken oplichten, en/of nieuwe woorden oproepen. 
  • Verhouden de woorden die je bijeen brengt zich of wel tot een logische klasse?
  • Tot welke context krijgen zij een bepaalde betekenis? Welk woord laat je tegen over welk ander woord verhouden?
  • Vanuit een totaal aan onderlingen relaties kun je je afvragen van uit welk referentie kader je de te onderzoeke data bekijkt of dient te bekijken.

Afhankelijk  je begrippen, hun logische klasse, de context en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kan binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde begrippen, in dezelfde (of andere) logische klasse, in een andere verhoudingen en in een andere context komen te staan. Door deze veranderingen kunnen overeenkomstige begrippen totaal andere resonantie krijgen.

Raak-vlakken in relatie tot minder/meer

Raak-vlakken zijn wederkerige wisselwerkingen tussen meerdere verhoudingen, meerdere verbanden en meerdere coördinaten. Door deze wisselwerkingen kunnen de raak-vlakken vermeerderen en/of verminderen.

Er kunnen tussen de begrippen meerdere of mindere raak-vlakken zijn. Het aantal raak-vlakken wordt bepaald door het aantal verbanden, verhoudingen en coördinaten. Meerdere  verbanden, verhoudingen, coördinaten tussen de begrippen verhogen nog niet de resonantie. Meer en/of minder kunnen beiden het evenwicht verstoren tussen herhaling en verandering. 

Het kan zijn dat je nog een begrip mist, of dat het begrip niet past in bijvoorbeeld een verband, of dat  het begrip een andere verhouding krijgt in relatie tot een ander begrip.

Het is zoeken naar herhalende raak-vlakken tussen de begrippen die allemaal anders zijn.  

Het is zoeken naar een evenwicht van niet te weinig (minder) en niet te veel (meer) raak-vlakken.

Afhankelijk van je referentiekader bepaal je welke begrippen met elkaar een raak-vlak vormen.

Dat we in het één altijd weer het ander terug vinden kan voor verwarring zorgen. Bijvoorbeeld: Sommige te onderzoeken data is het gauw scherp. Het 'begrip'/ 'woord' laat een duidelijke dynamiek zien. Maar er zijn ook 'woorden' waar je beide dynamiek in terug kan vinden. Het wordt dan belangrijk om je gedachten helder te krijgen en deze gelijkmatig over het veld uit te werken.  Dat je bijvoorbeeld bij de 'woorden' die bij dezelfde 'klassen'  toe behoren allemaal gelijkmatig benadert. Welke beweging is primair en welke secundair hangt af van je 'te onderzoeken data'.

Probeer om zoveel mogelijk gelijkmatig uit te werken.




Werkelijkheid -patronen


Waarschijnlijkheid  en werkelijkheid zijn net als ordening en structuur, verandering en herhaling fundamentele kenmerken voor systeem dynamiek. Waarin twee grootheden die  zowel polair en duaal zich tot elkaar verhouden. Ze zijn verbinden en scheidend.

De een en de ander vormt ieder op hun wijze samen een mogelijk 'systeem' en de wijze waarop dit systeem kan functioneren haar 'dynamiek'.

De noodzakelijke structuur 'het systeem' dient een zekerheid verschaffen die 'werkt'.

De mogelijke ordening 'het dynamimische' dient in mate werkelijkheden, te onderzoeken data, met hun wisselwerkingen te laten 'verschijnen'.

Beeld en begrip proberen ieder op hun eigen wijze een karakteristieke verhouding aan de orde te stellen; het beeld de verhouding tussen concept en fenomeen (coherentie theorie van de waarheidsvatting) en het begrip de verhouding tussen idee en feit (correspondentie theorie van de waarheidsvatting). Meer informatie zie..(evt link naar hoofdstuk werkelijkheid en waarschijnlijkheid).

  • Waarschijnlijkheid: de mate waarin werkelijkheid in beeld en tot begrip gebracht kan worden.
  • Werkelijkheid: de mate waarin feiten en ideeën zich verwerkelijken tot werkzame contributies (bij dragen). Zonder een idee kan je geen feit inwikkelen en zonder een feit kan je geen idee ontwikkelen.


De werkelijkheid is een gecompliceerd veld van wisselwerkingen tussen verschillende composities en verschillende configuraties in een samenhangend geheel.

Data uit de werkelijkheid zijn enerzijds op te splitsen en/of samen te brengen in, afzonderlijk bestaande, systeem dynamische velden, anderzijds slechts voor zover zij in samenhang functioneren met andere bestaande systeem dynamische velden en voor zover ieder feit zich verhoudt tot een nog te denken samenhang, die zich wil inwikkelen en ontwikkelen als een pulserende dynamiek van verschijnen en verdwijnen.



Een systeem dynamisch veld wordt een functioneel instrument om werkelijkheid en waarschijnlijkheid te onderzoeken tussen verschillende werk velden. Het systeem dynamisch onderzoek bevordert mogelijke kruisbestuivingen.

Diverse systeem velden zijn noodzakelijke en mogelijke elementaire combinaties, waardoor de werkelijkheid zich als een gebroken en een ongebroken geheel kan manifesteren.

Systeem dynamische modellen beelden waarschijnlijkheidspatronen van, in samenhang gedachte, begrippen. De waarschijnlijkheid van mogelijke en/of noodzakelijke wisselwerkingen (tussen beeld en begrip) ordenen zich binnen 1 systeem dynamisch veld en tussen meerdere systeem dynamische velden.


De werkelijkheid is een gecompliceerd web van configuratieve componenten (en nog veel meer).


Op zich zelf betekenen ze nog niets, maar kunnen ze betekenis ontwikkelen en inwikkelen.

Zoals al beschreven is een model geen werkelijkheid maar slechts een medium (midden / instrument) om een mogelijke optiek op de werkelijkheid te visualiseren.

De werkelijkheid is echter vaak minder eenvoudig en/of eenduidig en dat komt omdat er vaak sprake is van complexe samenhangen. Het ene is in wisselwerking met het andere.

Met name om deze complexe samenhangen op een simplexe wijze in beeld te brengen kan systeem dynamiek van betekenis worden, mits we systeem dynamiek verstaan als het zoeken naar een te bepalen samenhang van hetgeen nog onbepaald lijkt samen te hangen. Want wat bepaalt wat, is dat een na elkaar of juist een tegelijkertijd.

Om die samenhang in kaart te brengen, maken we gebruik van cruciale (en alternatieve) configuratieve componenten. Het moge duidelijk worden dat dit nog heel simpel is, want er zijn vele mogelijke coördinaten, verbanden en verhoudingen en vele mogelijke soorten van elk. Want wat maakt een coördinaat tot  coördinaat, een verband tot
verband, een verhouding tot  verhouding? Vandaar dat binnen systeem dynamiek deze begrippen nader omschreven moeten worden naar gelang hun functie binnen een systeem dynamisch veld.

De werkelijkheid bestaat uit tal van mogelijkheden. In ieder geval moeten we ons bewust zijn en of worden van het verschil én van de overeenkomst tussen denken en werkelijkheid. Dit bewustzijn impliceert niet alleen een deemoedige houding, maar juist en vooral een onderzoekende houding. Het enige wat telt is niet zozeer het weten als wel het niet weten.

Dat maakt het unieke uit van de wijze waarop wij vorm willen geven aan systeem dynamiek. Systeem dynamiek kunnen we kortheidshalve omschrijven als het zoeken naar hetgeen kan leiden tot een systeem en wel zo, dat elk systeem zich op een dynamische wijze weer kan verhouden tot een ander systeem. Zo ook dient het systeem zich op een dynamische wijze te verhouden tot de werkelijkheid, deels middels het opsporen van haar dynamieken en deels door de wijze waarop ze die dynamieken in beeld en tot begrip kan brengen.


Werkelijkheid en waarschijnlijkheid in relatie tot dynagram en diagram






 

Werkelijkheid binnen een dynagram


Idealisme
Realisme

Idee
Fenomeen
concept
feit






Waarschijnlijkheid binnen een diagram




Theoria
Praxis

Object betrokken begrips vorming
Subject betrokken beeldvorming








Waarschijnlijkheid binnen een dynagram


Ordening
Structuur

Kunnen
Kunst
Kennen
Kennis







Werkelijkheid binnen een diagram




Begrip
Beeld

Kwantiteit
Kwaliteit
Eenduidig
Meerduidig








Superpositionele betrekking
(wat weg en blijft na meta perspectief)

Opmerking: oude teksten in groen, niet web boek compatable . Blauw teksten zijn pogingen om de tekst wel web boek compatable te maken. die dienen dan nog een hun juiste plaats te krijgen in het theorieboek.

Conjunctieve begrippen constitueren de super positionele betrekking.




Een mogelijk op te sporen dynamiek tussen twee systeem dynamisch geordende velden kan geactualiseerd worden in een superpositionele betrekking.



Een mogelijk op te sporen dynamiek tussen twee systeem dynamisch geordende velden (grammen) kan geactualiseerd worden via een meta perspectief

Tussen 2 systeem dynamisch geordende velden kunnen achtereenvolgens mogelijke superpositionele betrekkingen in beeld en tot begrip gebracht worden.


Tussen 2 systeem dynamisch geordende velden (grammen) kunnen achtereenvolgens mogelijke wisselwerkingen in beeld en tot begrip gebracht worden

 Een superpositionele betrekking tussen twee mogelijke, systeemdynamisch geordende, velden moduleert coherente interferenties.

Deze wisselwerkingen tussen twee mogelijke, systeem dynamische geordende, velden (grammen) moduleert samenhangende interferenties. Ze werken op elkaar in. Afhankelijk van hun raak-vlakken, het geen wat bij beide herhaald wordt en het geen wat is veranderd, kunnen de velden vergelijkbaar of verschillend resoneren.

Een coherente en of consistente superpositionele betrekking schept een relatief midden; dit tussen wordt gekarakteriseerd door een mogelijke en of noodzakelijke samenhang van betrekkingen en posities in elk van de te relateren systeem dynamisch geordende velden en tussen de wederzijds gerelateerde velden.

De herhaling, structuur, dient het zelfde te blijven. De verandering, ordening, dient samenhangend te zijn. De wisselwerking tussen het ene en het ander schept  van uit een meta perspectief een relatief midden. Dit midden wordt gekarakteriseerd door de de cruciale en alternatieve configuratieve componenten, hun mogelijke ordening en noodzakelijke structuur,  in elk van de te relateren systeem dynamische geordende velden (grammen) en de  wisselwerking tussen beide.


Een coherente superpositionele betrekking is een tussen dat evenzeer van zijn delen (velden en posities) verschilt als die leden (velden en betrekkingen) van elkaar verschillen.

De wisselwerkingen van uit een meta perspectief is een tussen dat evenzeer van zijn gestructureerde delen verschilt als de geordende leden van elkaar verschillen.

Een coherente superpositionele betrekking kan gevisualiseerd worden middels een duogram, een samenhang tussen diagram en dynagram, een ruimtetijd in verhouding tot een tijdruimte.

De wisselwerking tussen 2 grammen kan gevisualiseerd worden middels een duogram, een samenhang tussen dynagram (tijdruimte)  en diagram (ruimtetijd)

In systeem dynamiek is niets ofwel dit ofwel dat, zonder dat daar tussen (in het niets) ´iets´ bestaat.



Tussen elk dit en of dat, positie en of betrekking, proces en of inhoud, diagram en of dynagram, veld 1 en of veld 2, concept 1 en of concept 2 ontstaan mogelijke (hypothetische) wisselwerking van primaire en of secundaire aard.



Primaire betrekkingen kunnen zowel duaal als polair geactualiseerd worden in respectievelijk horizontale als verticale dynamieken als in diagonaal geordende dynamieken.

Systeem dynamiek is een methode om ieder 'dit' dusdanig aan elk 'dat' te relateren waardoor het resultaat noch het oorspronkelijke 'dit' is, noch het oorspronkelijke 'dat', maar iets volkomen nieuws.



Dit actuele nieuwe midden wordt in het systeem dynamisch geordende kennen een coherente en of consistente superpositionele betrekking, die op onderscheiden wijzen in samenhang valt te denken (diagram), te voelen (duogram) en te willen (dynagram).

Dit actuele nieuwe midden wordt in het systeem dynamisch geordende kennen meta perspectief, die op onderscheiden wijzen in samenhang valt te denken, te voelen en te willen.

Systeem dynamiek tracht waarschijnlijke (mogelijke en of noodzakelijke) coherente / consistente superpositionele betrekkingen zichtbaar te maken.

Systeem dynamiek tracht waarschijnlijke cruciale en alternatieve wisselwerkingen zichtbaar te maken.

Systeem dynamiek is uiteindelijk het creatief, flexibel, efficiënt en effectief leren kennen in mogelijke en of noodzakelijke coherente en of consistente superpositionele betrekkingen (navolgend weergegeven c/c ~ SPB).

Systeem dynamiek is uiteindelijk het creatief, flexibel, efficiënt en effectief leren kennen in cruciale en alternatieve wisselwerkingen van uit een meta perspectief. 

Mogelijke coherente superpositionele betrekkingen kunnen via systeem dynamische interferenties zich ontwikkelen tot momentane noodzakelijke consistente superpositionele betrekkingen en vice versa. Het ene kan het andere insluiten en uitsluiten, het noodzakelijk consistente kan zich ompolen naar het mogelijke coherente. Want wat is noodzakelijk en of mogelijk, ieder op zich zijn ze non-sense (zonder zin en betekenis), pas in de wisselwerking wordt de een de keerzijde van de ander en daarmee worden het relatieve grootheden.

Mogelijke ordening kunnen via systeem dynamische werking zich ontwikkelen tot noodzakelijke structuur en vice versa. Het ene kan het andere insluiten en uitsluiten, noodzakelijke structuur kan zich ompolen naar een mogelijke ordening. Afhankelijk van je te onderzoeken data. Want wat is nou mogelijk en/of noodzakelijk. Welke structuur is noodzakelijk en welke ordening is nou mogelijk. Ieder op zich zijn ze non-sense (zonder betekenis), pas in de wisselwerking wordt de één de keerzijde van de ander en daarmee worden het relatieve grootheden.

Een systeem dynamisch geordend veld representeert een in samenhang gebracht systeem als een op zich zelf staande dynamische eenheid, zonder hetwelk het systeem dynamisch geordende veld niet existeert (ex-sistere), dat wil zeggen kan uitstaan naar andere systeem dynamisch geordende veld(en), evenzeer op zichzelf staand.

Een systeem dynamisch veld (gram) representeert een in  samenhang gebracht systeem als een op zich zelf staande dynamische eenheid, zonder dat deze gram kan uitstaan naar een andere gram(men), die evenzeer op zich zelf staan. De éne gram en de andere gram hebben systeem dynamische overeenkomsten maar de één kan niet de ander worden.

Een systeem dynamisch geordend veld kan geviseerd worden als een te observeren systeem dynamische samenhang.

Een gram kan geviseerd worden als een te observeren systeem dynamische samenhang.

Een observerend systeem  dient zich dynamisch te verhouden tot een geobserveerd systeem.
Het grondpatroon dient zich dynamisch te verhouden tot een gram. Een gram dient zich dynamisch te verhouden tot  te onderzoeken data.

Ze verhouden zich functioneel tot elkaar als subject en object.

Hun verhouding krijgt gestalte via een systeem dynamisch onderbouwde hypo – these. Hypo-these als een voorstel tot een mogelijke onderliggende samenhang

Elke systeem dynamische hypothese vertrekt vanuit te observeren en te relateren deelsystemen.


In samenhang met een geobserveerd systeem worden specifieke interferenties tussen gegeven posities en betrekkingen (al dan niet noodzakelijk en of mogelijk) in een systeem dynamisch geordend veld geconceptualiseerd. Ieder geobserveerd systeem heeft een karakteristieke interferentie. Deze karakteristieke interferentie kan oplichten en of inlichten in een c/c ~ SPB.

In samenhang met een geobserveerd systeem worden specifieke samenwerkingen en wisselwerkingen tussen de configuratieve componenten  (cruciale en alternatief) in een gram geconceptualiseerd. Ieder geobserveerd systeem heeft een karakteristieke werking en resonantie. Die kunnen oplichten en inlichten van uit een meta perspectief.

Systeem dynamiek als discipline excelleert in het scheppen van mogelijke / noodzakelijke, coherente / consistente superpositionele betrekkingen, tussen even zo mogelijke diagrammen (posities en betrekkingen) en of dynagrammen (processen en inhouden).

Systeem dynamiek als discipline maakt onderscheid in het scheppen van mogelijke ordening en noodzakelijke structuur met hun wisselwerkingen, tussen bouwpatronen diagram en dynagram.

De interferenties in een bepaald geobserveerd systeem (door middel van een dynamisch observerend systeem) kunnen interfereren met de interferenties van elk ander geobserveerd systeem en wel zodanig dat elke mogelijke interferentie een unieke superpositionele betrekking vormt die zich vervolgens kan weerspiegelen in een op ervaring gebaseerde casus.

De  wisselwerkingen in een gram (door middel van het grondpatroon) kunnen wisselwerken met wisselwerkingen van elk ander gram en wel zo danig dat elke werking een unieke 'nieuw' wisselwerking vormt. Nieuwe kennis die oplicht en/of inlicht en die zich vervolgens kan weerspiegelen in en op ervaring gebaseerde casus.

Deze superpositionele betrekking is noch louter idee, noch louter feit, ze actualiseert slechts een mogelijke interferentie tussen 2 of meer geobserveerde systemen in 2 of meer systeemdynamisch geordend(e) veld(en) , die zich ontwikkelen tot tijdruimtelijke of ruimtijdelijke verhoudingen c.q. dimensies.

Deze wisselwerking vanuit een meta perspectief is noch louter idee, noch louter feit, ze actualiseert slechts een mogelijke wisselwerking tussen 2 of meer grondpatronen,tussen 2 of meer bouwpatronen in 2 of meer grammen. Die zich mogelijk ontwikkelen in een nieuwe gram, met de daar bij passende bouwpatroon.

Tussen deze RT en TR continua kunnen discontinue superpositionele betrekkingen oplichten en of inlichten.

Zo kan  tussen een dynagram en een diagram van uit een mata perspectief wisselwerkingen oplichten en inlichten.

Een coherente / consistente superpositionele betrekking is een discontinue samentrekking van alle mogelijke resultaten van een interactie tussen observerend systeem en geobserveerd systeem, derhalve toont een c/c ~ SPB actuele mogelijkheden en of noodzakelijkheden.

Een wisselwerking van uit een meta perspectief is een discontinue samenwerking van alle mogelijke resultaten van een observerend systeem (het grondpatroon) en geobserveerd systeem (een gram). De wisselwerking toont dan ook crucale en alternatieve wisselwerkingen. Ook  'licht bron' vormt een observerend systeem en het grondpatroon het geobserveerde systeem. Het meta perspectie toont een wisselwerking tussen actuele mogelijkheden en noodzakelijkheden.

Een c/c SPB ontstaat in een driehoeks betrekking tussen 2 geobserveerde, systeem dynamisch geordende, systemen en een observerend, systeem dynamisch structurerend, systeem.

Kijkend vanuit een meta perspectief ontstaat een 4 ledige wisselwerking tussen 'lichtbron' en 'grondpatroon' als  observerende denk en werk systemen en  2 geobserveerde grammen

Op ieder gegeven moment wanneer de noodzaak zich voordoet kan een c/c SPB middels een observerend systeem het licht zien, evenwel slechts als een actuele mogelijkheid.

Op ieder gegeven moment wanneer de noodzaak zich voordoet kan  wisselwerking middels een observerend systeem het licht zien, evenwel slechts als een actuele mogelijkheid.

Een c/c SPB is een functionele waarschijnlijkheid ofwel een waarschijnlijkheidsfunctie van de ervaring, daar ze noch louter idee, noch louter feit is, slechts het tussen kan weerspiegelen, dan wel dynagram en of diagram in beeld en tot begrip brengt.


Een wisselwerking van uit een meta perspectief is een functionele waarschijnlijkheid ofwel een waarschijnlijkheidsfunctie van de ervaring, daar ze noch louter idee, noch louter feit is, slechts het tussen kan weerspiegelen, dan wel een  dynagram en/of diagram  in beeld en tot begrip kan brengen.

Een c/c SPB weerspiegelt een EVENT.

Een wisselwerking weerspiegelt een EVENT

Een event karakteriseert zich veelal door tig mogelijkheden, elke conceptualisering vat slechts een bepaald aspect c.q. mogelijkheid van de ervaringswerkelijkheid.
Dit vatten poogt iets tot structuur te maken, daarentegen karakteriseert een event zich als een dynamisch ordening in ontwikkeling en of inwikkeling.


Systeemdynamiek  tracht ordening en structuur, verandering en herhaling, ledige en of delige verhoudingen, inhoud en proces, positie en betrekking, eenduidige en meerduidige dynamieken, etc. zodanig te verbinden dat deze events als wisselwerkingen zichtbaar en denkbaar kunnen worden.

Events vormen webben, tussen webben kunnen c/c SPB ´s gevormd worden die noch dit web noch dat web zijn,
wellicht gaan events vooraf aan Ruimte en Tijd.

Events vormen netwerken, tussen netwerken kunnen wisselwerkingen gevormd worden die nog  dit netwerk noch dat netwerk zijn, wellicht gaan events vooraf aan ruimte en tijd.


 

Content

  1. 1 Inleiding
    1. 1.1 5 lagen in een systeem dynamisch veld
    2. 1.2 Opbouw van een systeem dynamisch veld.
      1. 1.2.1 Introductie configuratieve componenten
      2. 1.2.2 Het veld is complementair en symmetrisch ingericht
      3. 1.2.3 Meerwaarde van samenhang tussen systeem dynamische velden.
      4. 1.2.4 Meta perspectief
      5. 1.2.5 Het belang van onder/scheiden.
    3. 1.3 Systeem dynamiek leren en studeren
  2. 2 Grondpatroon
    1. 2.1 Verhoudingen en assen
      1. 2.1.1 Algemeen,Verhoudingen en assen  
      2. 2.1.2 Impuls as en plaats as
      3. 2.1.3 De duale as en polaire as
      4. 2.1.4 Macro en micro kosmos in relatie tot de assen
      5. 2.1.5 Tijd assen
      6. 2.1.6 Ruimte assen
      7. 2.1.7 'Positieve' tijd en ruimte en 'negatieve' tijd en ruimte
      8. 2.1.8 Het statische en dynamische kruis
      9. 2.1.9 De assen in relatie tot micro kosmische vermogen.
      10. 2.1.10 Het statische kruis en dynamische kruis in relatie tot  mens en enkele van zijn vermogens:
      11. 2.1.11 Het dynamische en statische kruis samen.
      12. 2.1.12 Alternatieve verhoudingen
      13. 2.1.13 Te onderzoeken data
    2. 2.2 Brug tussen Assen en contouren
      1. 2.2.1 We onderscheiden 3 paradigma’s:
      2. 2.2.2 Web en matrix.
    3. 2.3 Verbanden en de contouren
      1. 2.3.1 Algemeen, Verbanden en de contouren 
      2. 2.3.2 Statisch kruis en dynamisch kruis in ledige en delige verbanden
      3. 2.3.3 Statisch en dynamisch gerelateerd aan ruimte en tijd
      4. 2.3.4 Assen en contouren aan elkaar relateren
      5. 2.3.5 De contouren over de assen heen plaatsen
      6. 2.3.6 Alternatieve verbanden
    4. 2.4 Onderscheid tussen strak in de regel en speels in de uitwerking.
    5. 2.5 Coördinaten en Bronpunten
      1. 2.5.1 Algemeen, coördinaten en bronpunten
      2. 2.5.2 Bronpunten
      3. 2.5.3 Overeenkomst
      4. 2.5.4 Verschil
      5. 2.5.5  Proces en positie irt de 4 wind –streken/-richtingen
      6. 2.5.6   Inhoud en betrekking irt in/uitwerkingen
      7. 2.5.7 ...Alternatieve coördinaten:
      8. 2.5.8 Coördinaten in relatie tot de te onderzoeken data
    6. 2.6 Raak-vlakken en Resonanties
      1. 2.6.1 Algemeen, raak-vlakken en resonanties
      2. 2.6.2 Resonanties (cruciale raakvlakken)
      3. 2.6.3 Alternatieve raak-vlakken
      4. 2.6.4 Raak-vlakken gerelateerd aan de te onderzoeken data
  3. 3 Bouwpatronen
    1. 3.1 Algemeen, Bouwpatronen
    2. 3.2 Dynagram en Diagram
  4. 4 Gram
  5. 5 Te onderzoeken data
Comments