Theory book - under construction3


  • 4 wind –streken/richtingen staan op het verlengde van het dynamische kruis (gerelateerd aan proces en positie)
  • 4 wind –uit/in –werkingen staan op het verlengde van het statische kruis (gerelateerd aan inhoud en betrekking)

De wisselwerking tussen dynagram en diagram, ordening en structuur, configuratie en compositie, ruimte en tijd kunnen we ook terug vinden bij elk bronpunt.

Elk bronpunt verhoudt zich tot tijd en ruimte:

  • ieder een eigen punt in de ruimte
  • ieder een eigen dynamiek in de tijd.
Deze bronpunten hebben ieder een eigen specifieke interne dynamiek, beeldend in de tijd en begrijpend in de ruimte
Bronpunten geven we betekenis door middel van beeld en begrip en daarmee aan hun eigen functie.

Overeenkomst


Door de bronpunten te bepalen kunnen we werken met overeenkomstige coördinaten in meerdere velden.

De 4 windstreken hebben met de 4 windrichtingen een overeenkomstige dynamiek.
In de afbeelding zie je al dat de kleine pijltjes rond om O, Z, W en N in het blauwe dynagram en het rode diagram het zelfde zijn.

  • O, heeft de pijltjes naar binnen toe
  • Z, heeft de pijltjes naar buiten toe
  • W, heeft de pijltjes naar buiten toe
  • N, heeft de pijltjes naar binnen toe

Tijdens de uitleg van de contouren kwam aanbod dat in een tijdruimte het proces (tijd) primair is (de inhoud secundair) en dat in een ruimtetijd de positie (ruimte) primair is (de betrekking secundair). Hierbij werd zichtbaar dan wanneer we over tijd en ruimte verbanden spreken, op het verlengde van het dynamische kruis de primairen (proces en positie) staan en op het verlangde van het statische kruis de secundaire (inhouden en betrekkingen) staan. Primair en secundair is in deze relatie gericht op de contouren.

Brengen we onze aandacht naar de en-en verbanden en de of-of verbanden dan lees je bij de uitleg van Matrix en Web dat op het verlengde van het statische kruis en-en verbanden staan en op het verlengde van het dynamische kruis de of-of verbanden. Een verband dat we ook terug vinden in de contouren maar waarin primair en secundair wel licht een tegenovergestelde rol spelen. Het op het verlengde van het statische kruis met primaire en-en verband en op het verlengde van het dynamische kruis een secundair of-of verband.

Zo is het mogelijke om de 2 keer 4 werkzame entiteiten van de oudheid (Aristoteles) te verbinden met de overeenkomstige dynamiek van de 4 windstreken en 4 windrichtingen, te samen met de overeenkomstige dynamiek van de 4 uitwerkingen en de 4 inwerkingen.


Windstreken/richtingen kunnen we relateren aan de vier secundaire kwaliteiten, deze waren wel zintuiglijk waarneembaar. Deze staan op het verlengde van het dynamische kruis.

  • O, droog,  autonoom, onafhankelijk (op zich zelf staand) karakter
  • Z, warm,  discentrisch,  centrifugale dynamiek
  • W, nat, heteronoom, afhankelijk karakter
  • N, koud, concentrisch, centripetale dynamiek

De uitwerkingen en inwerkingen kunnen we relateren aan de 4 primaire kwaliteiten (elementen), deze waren niet zintuiglijk waarneembaar. Deze staan op het verlengde van het statische kruis.
  • ZO, vuur element, autonoom discentrische dynamiek
  • ZW, lucht element, heteronoom discentrische dynamiek
  • NW, water element, heteronoom concentrische dynamiek
  • NO, aarde element, autonoom concentrische dynamiek

De primaire en secundaire kwaliteiten hadden een specifieke werking die samenhing.

In combinatie met elkaar werden ze als volgt uitgewerkt. Tussen koud en droog kon je de werking van het aarde element denken, tussen koud en nat het water element, tussen nat en warm het lucht element, tussen warm en droog het vuurelement.

Met deze 2 x 4 kwaliteiten de elk de eigen specifieke dynamieken uitbeelden van elke 8 bronpunten, heb je een eenvoudige indeling die samen met de assen de noodzakelijke structuur vormen van het grondpatroon.

Van oudsher werden de vier elementen, van de oudheid tot ongeveer late middeleeuwen, gehanteerd om onderscheiden dynamieken in beeld te brengen. Een element werd omschreven als een primaire kwaliteit, zijnde an sich niet empirisch (zintuiglijk) waarneembaar, echter had ze een zeer bepaalde te denken werking en of dynamiek wel degelijk waarneembaar via een fenomenologisch te onderzoeken werkelijkheid.

De vier elementen zijn geen krachten en ook geen stoffen, je kunt ze verstaan als een soort van oer ideeën. Oer-ideeën die ten grondslag liggen aan de waarneembare werkelijkheid. De primaire kwaliteiten zijn niet waarneembaar, maar hun werking kan analoog verstaan worden in bijvoorbeeld de vier aggregaat toestanden: het vaste, vloeibare, gasvormige, warme en of in de vier rijken: het minerale, plantaardige, dierlijke en menselijke rijk. De elementen liggen ´ten grondslag´ aan de fenomenale werkelijkheid, je kunt de werking van het water element en het lucht element zien ‘verschijnen´ in bijvoorbeeld het vloeibare en gasvormige. (fenomenon betekent het uit zichzelf verschijnende)

Ter herinnering:

  • Statisch kruis en-en verband, Het ondeelbare kent een subject betrokken karakter. Het web  en een tijdruimte veld kent een subject betrokken karakter. Meer functioneel mythisch.
  • dynamisch kruis of-of verband, Het deelbare kent een object betrokken karakter. De matrix en een ruimtetijd veld kent een object betrokken karakter. Meer functioneel ontologisch.

Wanneer we ons richten op  de en-en verbanden en of-of verbanden (gerelateerd aan de kruizen) dan kunnen we deze ook terug zien in de bronpunten, en juist in de overeenkomstige dynamieken van de bronpunten ongeacht welke contouren een rol spelen.

  • De niet waarneembare primaire kwaliteiten (elementen) verhouden zich tot het statische kruis, subject betrokken, ondeelbare. Wel waarneembaar via Fenomenologisch onderzoek.
  • De waarneembare secundaire kwaliteiten verhouden zich tot het dynamische kruis, object betrokken, deelbare. Waarneembaar via Empirisch onderzoek.

Bronpunten in relatie tot 'tussens' en 'middens'

Ter herinnering:

Tussen' en 'midden':

Van een wisselwerking gaat een bepaalde werking uit. Die werking wordt ervaren in het 'tussen' en 'midden'.

  • 2 'tussens' bewerken een midden,
  • 2 'middens' bewerken een tussen, 

Het verschil tussen het begrip ‘midden’ en het begrip ‘tussen’ zit hierin, dat het ‘tussen’ ontstaat tussen twee ‘middens’ en het ‘midden’ kan ontstaan uit twee ‘tussens’. Dit verschil kunnen we ook weergeven met de begrippen ‘iets’ (midden) en ‘niets’ (tussen). In het midden kan iets verschijnen en in het tussen kan iets verdwijnen of omgekeerd in het midden kan iets verdwijnen en in het tussen kan iets verschijnen. Het midden verhoudt zich tot het tussen als een dynamiek van verschijnen en verdwijnen.

Deze 'tussen/midden' wisselwerking reguleert op alle mogelijke manieren een systeem dynamisch geordend veld. We kunnen zeggen dat de bronpunten, contouren, assen en resonanties gereguleerd worden door 'tussen' en 'midden' wisselwerkingen.


'Tussen' en 'midden'
in relatie tot bronpunten.

Je hebt 4 bronpunten als een 'midden' en daartussen zitten 4 bronpunten als een 'tussen'
Je hebt 4 bronpunten als een 'tussen' en daartussen zitten 4 bronpunten als een 'midden'.

De 'middens' zijn pakbaar, traceerbaar, en waarneembaar.
De 'tussens' zijn onpakbaar, ontraceerbaar en niet waarneembaar.


Windstreken/richtingen kunnen we relateren aan de vier secundaire kwaliteiten, deze waren wel zintuiglijk waarneembaar. Deze staan op het verlengde van het dynamische kruis.
4 bronpunten zijn 4 'middens':
  • Oost
  • Zuid
  • West
  • Noord

De uitwerkingen en inwerkingen kunnen we relateren aan de 4 primaire kwaliteiten (elementen), deze waren niet zintuiglijk waarneembaar. Deze staan op het verlengde van het statische kruis.
4 bronpunten zijn 4 'tussens':
  • Zuidoost
  • Zuidwest
  • Noordwest
  • Nooroost

In die tussenruimte (tussen 'tussen' en 'midden'), kan er een dynamiek (wisselwerking) tot stand komen. Die tussen ruimte probeert systeem dynamiek in beeld en tot begrip te brengen.

We kunnen ook spreken van  een middenruimte. Het midden als het centrale punt van waar uit actie plaats kan vinden. Of waaromheen de actie gecentreerd kan worden. Dit midden is pakbaar, traceerbaar en benoembaar.

Verschil

Door de bronpunten te bepalen kunnen we werken met overeenkomstige coördinaten in meerdere velden.

Doordat de bronpunten behalve hun eigen specifieke dynamiek ook worden beïnvloed door de dynamiek van de contouren kunnen we  onderscheid maken tussen een tijdruimte veld en een ruimtetijd veld.

De bronpunten in een tijdruimte en ruimtetijd veld laten een andere dynamiek zien. De tijdruimte kent een functioneel mythische achtergrond/ referentiekader en de ruimtetijd een functioneel ontologische achtergrond/referentie kader.

De contouren die in wisselwerking zijn met de bronpunten vormen een onderscheid in de dynamieken.

Tijdruimte veld, een dynagram (blauw)

  • 4 windstreken (Oostelijk, Zuidelijk,Westelijk, Noordelijk)
  • 4 uitwerkingen (ZO, ZW, NW, NO) van de windstreken .
  • totaal 8 met een mogelijke 9 (midden/tussen)
  • 4 Windstreken, processen
  • 4 winduitwerkingen, inhouden

De 4 windstreken worden gekarakteriseerd door een tijd (proces) verband, die een kwadrant beeldt. We spreken dan ook van 'streken'. In een tijdruimte veld vormt een tijd een ruimte. De 4 windstreken vormen de 4 uitwerkingen. Deze uitwerkingen worden gekarakteriseerd door een ruimte (inhoud) verband, die een punt beeld. 

Het proces werkt uit zodat er een inhoud ontstaat.
  • Proces en inhoud verhouden zich tot een dynagram (tijd primair).
  • Plaatsen we iets (te onderzoeken data/begrip) in de tijd vanuit een mythisch functionele optiek dan is de tijd met het proces primair. De 4 windstreken komen in beeld.

De bronpunten in het dynagram hangen samen met de gedachte gang die je in kaart wil brengen.

De hanteerbaarheid van het dynagram wordt mogelijk door de vrij gemaakte Zelf-functie. 

Het dynagram brengt de karakteristieke van het mythische paradigma in een functioneel verband

Ruimtetijd veld, een diagram (rood)

  • 4 windrichtingen (Oost, West ,Noord, Zuid)
  • 4 inwerkingen (NO, NW, ZO,ZW) van de 4 windrichtingen
  • totaal 8 met een mogelijke 9 (midden/tussen)
  • windrichtingen, posities
  • windinwerkingen, betrekkingen

De 4 windrichteingen worden gekarakteriseerd door een ruimte (positie) verband, die een punt beeld. We spreken dan ook van 'richtingen'. In een ruimtetijd  veld vervormd een ruimte een tijd. De 4 windrichtingen vervormen de 4 inwerkingen. Deze inwerkingen worden gekarakteriseerd door een tijd (betrekking) verband, die een kwadrant beeld.

De positie werkt in zodat er een betrekking ontstaat.
  • Positie en betrekking verhouden zich tot een diagram (ruimte primair).
  • Plaatsen we iets (te onderzoeken data/begrip) in de ruimte vanuit een ontologisch functionele optiek dan is de ruimte met de posities primair. De 4 windrichtingen komen in beeld.

Bronpunten in het diagram hangen samen met een mogelijke kaart op grond waar van je verschillende denk operaties kan oefenen.

De hanteerbaarheid van het diagram wordt mogelijk door de vrijgemaakte Ik-functie. 

De diagram brengt de karakteristieke van het ontologische paradigma in een functioneel verband.


  • Dynagram, karakteriseert een mate van beweging (ordening) die de vorm (structuur) constitueert.
  • Diagram, karakteriseert een mate van vorm (structuur) die beweging (ordening) mogelijk maakt.
Beweging en vorm zijn dan de meer algemene grootheden die in positie en betrekking (diagram), proces en inhoud (dynagram) een nadere accentuering krijgen.


Niet te scheiden.

Tijd en ruimte, functioneel mytisch en functioneel ontlogisch, structuur en ordening enz hebben een wisselwerking met elkaar. Daar waar de een zich laat zien laat de ander zich uiteindelijk ook zien.
Door deze en-en relatie,  kunnen we ze wel onderscheiden maar niet scheiden.

Zo zien we dat ook terug bij de contouren (de verbanden van de bronpunten)
  • Proces heeft een positie in de ruimte
  • Positie heeft een proces in de tijd
  • Inhoud heeft een betrekking in de tijd.?ruimte
  • Betrekking heeft een inhoud in de ruimte? tijd

 Proces en positie irt de 4 wind –streken/-richtingen


4 wind –streken/-richtingen staan op het verlengde van het dynamische kruis (gerelateerd aan positie en proces)
  • Een streek verhoudt zich tot een proces en beeldt een heel kwadrant. (blauw)
  • Een richting verhoudt zich tot een positie en beeldt een heel punt. (rood)

4 bronpunten worden uitgebeeld door 4 wind streken/richtingen.

Deze 4 wind streken/richtingen zijn:
  • Oost/Oostelijk (O)
  • Zuid/Zuidelijk (Z)
  • West/Westelijk (W)
  • Noord/Noordelijk (N)
 4 windstreken

Proces heeft een positie in de ruimte


Het dynagram is meer gerelateerd aan processen in de tijd. De tijds beleving en proces is primair.

  • Oostelijk: de opkomst van de zon (en maan), de ochtend. Het moment dat de dag begint en de nacht geëindigd is.Het oosten als begin en als eindpunt, van geboorte en wedergeboorte (transmutatie), de lente, het stijgende.
  • Zuidelijk: De warmte in de middag met de zon hoog aan de hemel. de zomer, transcendentie, het verspreidende.
  • Westelijk: De neergaande zon (en maan), de avond wanneer de zon ondergaat. Het westen als moment van omvorming, transformatie, het dalende,
  • Noordelijk: De koude in de nacht, met de zon achter (onder) de aarde. De winter, immanentie, het verzamelende.

 4 Windstreken (proces)
Proces voorbeeld
Levens cyclus
Etmaal
Seizoenen
 Oostelijk  Stijgend  Geboorteproces  Ochtend  Lente
 Zuidelijk  Uitdijend  Levensproces  Middag  Zomer
 Westelijk  Dalend  Stervensproces  Avond  Herfst
 Noordelijk  Samentrekkend  Doodsproces  Midnacht  Winter

Alternatieve
Ze geven mogelijke cyclussen in de tijd van bijv, de dag, seizoenen, van 12 maanden en mogelijke processen weer.
De bronpunten geven mogelijke anker punten van verschillende processen. Bestaande uit bijv. 2, 4, 12, 24, 28 enz stappige processen. Die cyclisch van aard zijn. Deze hoeven dus niet uit een groep van 4 te bestaan zo als de 4 seizoenen (lente, zomer, herfst, winter) maar kunnen ook uit 2 seizoenen bestaan (droog en nat seizoen). Of uit 24 uur, 12 maanden  (meer inhouden) enz. De 8(9) bronpunten behouden wel hun aantal.
Maar krijgen mogelijke alternatieve coördinaten.



 4 windrichtingen

Positie heeft een proces in de tijd.

De diagrammen zijn meer ruimte gerelateerd.
Zo zien we in het diagram het noorden bovenaan staan, zoals we dat kennen van kaarten.

  • Noord: Het noorden heeft overeenkomstige positie met koude en een concentrische dynamiek. Het denken.
  • Zuid: Het zuiden heeft een overeenkomstige positie met met warmte en een discentrische dynamiek. Het willen.
  • Oost: Ruimte maakt route mogelijk. Het oosten als begin punt met 2 bewegingen (die elkaars tegendeel vormen), via het noorden de antipathische route en via het zuiden de sympathische route, die in het
  • West: westen elkaar ontmoeten (als tegenstellingen).
 4 Windrichtingen (Positie)
De aard van positie
Zielsvermogens
Kenvermogen
Kennismanagement
 Oost  Autonoom    handelen
kennis
delen
 Zuid  Discentrisch willen
kunnen
ontwikkelen
 West  Heteronoom voelen
kunst
combineren
 Noord  Concentrisch denken
kennen
borgen

Alternatieve
...


  Inhoud en betrekking irt in/uitwerkingen




4 in/uitwerkingen staan op het verlengde van het statische kruis (gerelateerd aan inhoud en betrekking)
  • Een uitwerking verhoudt zich tot een inhoud en beeldt  een heel punt. (blauw)
  • Een inwerking verhouden zich tot een betrekking en beeldt heel een kwadrant. (rood)


4 bronpunten worden uitgebeeld door 4 in/uitwerkingen.

Deze 4 wind-in/uitwerkingen zijn:
  • zuidoost (ZO)
  • zuidwest (ZW)
  • noordwest (NW)
  • noordoost (NO).
 4 uitwerkingen van de windstreken.

Inhoud heeft een betrekking in de ruimte

  • zuidoost (ZO):
  • zuidwest (ZW):
  • noordwest(NW):
  • noordoost (NO):





 4 uitwerking (inhouden)
Aggregatietoestand (voorbeeld)
Elementen (voorbeeld)
Rijken (voorbeeld)
Wezensdelen (voorbeeld)
ZO
Plasma Vuur
Mens
Ik-organisatie
ZW
Gas Lucht
Dier
Astraal lichaam
NW
Vloeistof
Water
Plant
Ether-lichaam
NO
Vaste stof
Aarde
Mineraal
Fysiek lichaam

Alternatieve

In het dynagram kunnen afhankelijk van de ingevoegde data ook processen op deze 4 elementen geplaats worden. Deze gaat vaak 1 richting op beginnend bij vuur, v,l,w,a. of beginnend bij lucht, l,w,a,v. Deze processen hebben een functioneel mythische optiek.
Af en toe zie je een dynagram met cyclus in een tegenovergestelde richting, Zoals het omkeren van het licht. Primair blijft dan een functioneel mytische optiek waar in kosmomorf/subjectief gekeken wordt naar de wereld om hem heen. (de hemel boven en de aarde onder). De kleuren blijven dan ook nog blauw en bronpunten blijven in dynagram positie.

4 inwerkingen van de windrichtingen


Betrekking heeft een inhoud in de tijd.

  • zuidoost (ZO):
  • zuidwest (ZW):
  • noordwest(NW):
  • noordoost (NO):





 4 inwerkingen (betrekkingen)
De aard van de betrekking
Elementaire werkingen
Graden van beweging
Action research
ZO
Discentrisch-Autonoom
Vuur
Actie
Open dating
ZW
Discentrisch-Heteronoom
Lucht
Reactie
Axial dating
NW
Concentrisch-Heteronoom
Water
Interactie
Conceptual dating
NO
Concentrisch-Autonoom
Aarde
Transactie
Functional dating

Alternatieve

...

Alternatieve coördinaten:

In een gram zijn er tal van mogelijke alternatieve coördinaten. Deze coördinaten blijven zich verhouden tot de 8/9 bronpunten. 

Coördinaten in relatie tot de te onderzoeken data

De woorden/begrippen van de te onderzoeken data verhouden zich in een gram tot cruciale en alternatieve coördinaten.

Binnen de gegeven data zoek je naar bepaalde woorden/begrippen, die je, overeenkomstig hun dynamieken, aan een of andere coördinaat kan relateren. Een belangrijke vraag is dan ook: Welke begrippen lichten op? Afhankelijk van wat je wilt onderzoeken kan een woord/begrip op een cruciale coördinaat of een alternatief coördinaat komen te staan.

Binnen systeem dynamiek hanteren we bronpunten als 'middens' (windstreken en windrichtingen) en 'tussens' (in/uitwerkingen), maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en/of werkelijkheid.

Afhankelijk  je referentie kader, de context, de logische klasse en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kunnen binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde woorden/begrippen op een ander bronpunt/coördinaat komen te staan.

Een begrip (woord) kan meerdere betekenissen hebben. Elke betekenis kan een andere 'interne dynamiek' weergeven. Bijvoorbeeld het begrip 'water' die in verschillende culturen wordt gebruikt om een bepaalde 'dynamiek' weer te geven. 'Water' bekeken vanuit de filosofie van Aristotelis draagt een andere interne dynamiek uit, dan 'water' bekeken vanuit bijvoorbeeld: een Chinese filosofie of een Inheems Amerikaanse filosofie enz. Ook binnen in dezelfde cultuur kunnen verschillende stromingen ontstaan waardoor hetzelfde begrip onderling kan verschillen in hun betekenis en van hun interne dynamiek. Dit kan tijdens het onderzoek maar ook voor de lezer van een gram verwarring geven. Dit vraagt steeds weer te beginnen met een schone lij. Welk begrip licht op? En met welke 'interne dynamiek'?


Raak-vlakken en Resonanties


Algemeen, raak-vlakken en resonanties

Er zijn vele coördinaten mogelijk met vele onderlinge relaties. Deze relaties kunnen o.a. verbanden, verhoudingen, wisselwerkingen enz zijn. Doordat een coördinaat met andere coördinaten meerdere en verschillende relaties heeft, ontstaat er een opstapeling van deze relaties. Door deze opstapeling van relaties ontstaan er raak-vlakken. Doordat er meer of minder relaties zich kunnen opstapelen, kunnen er meer of minder raak-vlakken zijn.

Raak-vlakken zijn wederkerige wisselwerkingen tussen meerdere verhoudingen, meerdere verbanden en meerdere coördinaten.

De coördinaten (knoopunten) met hun raak-vlakken vormen een netwerk.

  • Je hebt netwerken met veel coördinaten en veel raak-vlakken.
  • Je hebt netwerken met weinig coördinaten en weinig raak-vlakken.
  •  Je hebt netwerken met veel coördinaten en weinig raak-vlakken.
  • Je hebt netwerken met weinig coördinaten en veel raak-vlakken.

Raak-vlakken zijn o.a. ruimte/tijd gerelateerde dimensies waarin de wisselwerkingen tussen coördinaten, verbanden en verhoudingen zichtbaar worden. 

Zou je bijvoorbeeld een verhouding weg laten vallen, dan verandert het raak-vlak zodanig, dat het geheel uiteenvalt in delen en leden die elkaar in deze verhouding niet meer raken.

Wanneer de delen en leden helemaal geen raak-vlakken met elkaar hebben dan verlies je aan structuur en als gevolg daarvan aan ordening.


Resonanties (cruciale raakvlakken)


Hieronder zien we in de buitenste cirkel de assen, de middelste cirkel de contouren en de binnenste cirkel 4 van de 8 bronpunten. In deze 2x 3 licht grijze cirkels zijn ze wat meer uit elkaar gelegd. Het zijn lagen van het grondpatroon die elkaar raken. Ze hebben cruciale raak-vlakken.



Deze raak-vlakken kan je 'klein pakken' bijvoorbeeld: Een coördinaat raakt verband en raakt verhouding. Of een bronpunt raakt een contour en raakt een as. Maar je kan deze ook 'groter pakken'. Het ZO (zuidoost) kwadrant raakt het ZW (zuidwest) kwadrant en raakt het NO (noordoost) kwadrant en zelfs het NW (noordwest) kwadrant.  Dit kun je nog 'groter' pakken bijvoorbeeld: Raak-vlakken  tussen verschillende velden. Dat kunnen kleine veldjes in een grote zijn. Of twee lossen velden.


We hebben hier (in de afbeelding hier boven) een tijdruimte en ruimteveld van elkaar gescheiden. Ook hier geld ze zijn te onderscheiden maar niet te scheiden.

Tussen de velden zit meerdere wisselwerkingen.
In het tijdruimte veld zit een  ruimtetijd veld en in het ruimtetijd veld zit een tijdruimte veld.

Zo kunnen we ook het volgende formuleren.

  • Bronpunt oost heeft een autonoom karakter maar draagt ook het heteronome in zich
  • Bronpunt zuid heeft een discentrische dynamiek maar draagt ook een concentrische dynamiek in zich
  • Bronpunt west heeft een heteronoom karakter maar draagt ook het autonome in zich
  • Bronpunt noord heeft een concentrische dynamiek maar draagt ook een disdentrische dynamiek in zich




Dat we in het één altijd weer het ander terug vinden kan voor verwarring zorgen. Bijvoorbeeld: Sommige te onderzoeken data is het gauw scherp. Het 'begrip'/ 'woord' laat een duidelijke dynamiek zien. Maar er zijn ook 'woorden' waar je beide dynamiek in terug kan vinden. Het wordt dan belangrijk om je gedachten helder te krijgen en deze gelijkmatig over het veld uit te werken.  Dat je bijvoorbeeld bij de 'woorden' die bij dezelfde 'klassen'  toe behoren allemaal gelijkmatig benadert. Welke beweging is primair en welke secundair hangt af van je 'te onderzoeken data'.


Ter herinnering:
  • Ordening maakt verandering mogelijk. Verandering, met een discontinu karakter in de tijd en/of een ongelijkmatig karakter in de ruimte.
  • Structuur maakt herhaling mogelijk. Herhaling, met een gelijkmatig karakter in de ruimte en/of een continu karakter in de tijd.
  • Verandering maakt kwaliteit mogelijk. 
  • Herhaling maakt kwantiteit mogelijk.

 
De wisselwerking tussen verandering en herhaling reguleert op alle mogelijke manieren een systeem dynamisch geordend veld. We kunnen zeggen dat de bronpunten, contouren, assen en resonanties gereguleerd worden door 'verandering' en 'herhaling'.


De raak-vlakken vormen een harmonisch, ritmisch, geheel van verandering en herhaling.

  • De vele onderlinge relaties tussen bronpunten zorgen voor verandering
  • Door het gebruik van weinig bronpunten wordt herhaling mogelijk.

De bronpunten en hun onderlinge relaties (wisselwerkingen, contouren, assen) worden gereguleerd door de wisselwerking tussen verandering en herhaling.

Bijvoorbeeld:

  • Elke as is ledig of delig in combinatie met ruimte of tijd (herhaling).
  • De combinatie is in elke as uniek (verandering).

Zo ook bij de contouren

  • Elke contour heeft een ledig of delig verband in combinatie met een tijd of ruimte verband (herhaling).
  • De combinatie is in elke contour uniek (verandering).

Deze verhoudingen en verbanden vinden 'tussen' en/of 'op' de bronpunten plaats.

  • Twee tegen over elkaar staande  bronpunten hebben een zeer verschillende unieke dynamiek (verandering).
  • Maar hebben een overeenkomstige verhouding (as) en verband (contour) (herhaling).
De assen en contouren zijn combinaties van ledig of delig en ruimte of tijd (herhaling). Maar een verhouding (as) is een andere relatie dan een verband (contour). (verandering).

Bronpunten, contouren, assen  vormen met elkaar cruciale raak-vlakken. Waarbij elk raak-vlak gereguleerd wordt door de wisselwerking tussen verandering en herhaling. Deze cruciale raak-vlakken vormen een harmonisch geheel die resulteert in een resonantie van het grondpatroon. Het grondpatroon is het resultaat van al deze raak-vlakken.


De cruciale raak-vlakken in een systeem dynamisch veld vormen resonanties.

Resonantie, doet afstemmen én is ‘het op elkaar afgestemde'. Door dat het ene en het/de andere/n aanwezig is, zijn er verschillende onderlinge relaties mogelijk. Deze relaties dienen een exact passend, aan elkaar sluitende dynamiek te hebben. Anders ontstaan er verstoringen van resonantie.

Resonantie wordt gereguleerd door de wisselwerking tussen verandering en herhaling.

De wisselwerking tussen verandering en herhaling zien we ook in de verschillende lagen van een systeem dynamisch veld.
Het grondpatroon verhoudt zich meer tot het systeem (structuur) en de werkelijkheid tot dynamiek (ordening). Het grondpatroon zorgt voor herhalingen in de grammen en de te onderzoeken data zorgen voor de veranderingen

Op de assen (verhoudingen) en in de contouren (verbanden) 'tussen' en/of 'op' de bronpunten zijn tijd/ruimte in wisselwerking met ledig/delig. Zij hebben onderlinge raak-vlakken waar een wisselwerking van verandering en herhaling zich op elkaar afstemmen in een harmonisch geheel.

De wederzijdse wisselwerking tussen configuratie (veranderend) en compositie (herhalend) bepaalt de wijze waarop het veld kan resoneren. De sterkte van deze resonantie wordt bepaald door de meest werkende configuratieve compositie. Het zoeken naar een zo krachtig mogelijk resonantie bepaalt binnen systeem dynamiek de werking van het veld en zo doende haar meerwaarde.


Denk bijvoorbeeld aan verschillende begrippen (met dezelfde logische klasse) die op verschillende manieren uitgewerkt kunnen worden. 
Bijvoorbeeld:  In het verlengde van het statische kruis of in het verlengde van het dynamische kruis. (binnen het zelfde bouw patroon).
Bijvoorbeeld: In een ander bouwpatroon. Kan het in een dynagram en/of in een diagram uitgewerkt worden.
Door het één of de ander te kiezen veranderen de raak-vlakken. Uiteindelijk zoek je het geen (de gram) die het meeste resoneert. 

Een noodzakelijke resonantie bepaalt de structuur en ordening van het grondpatroon en vice versa, ordening maakt verandering mogelijk en structuur maakt herhaling mogelijk.

We kunnen dan ook het volgende formuleren. De configuratieve componenten zorgen voor ordening en structuur van het grondpatroon. Door dat ordening verandering mogelijk maakt en structuur de herhaling is het grondpatroon een resonerend veld van veranderingen en herhalingen.

Het grondpatroon bepaalt een cruciale resonantie.

De assen en bronpunten zorgen voor de noodzakelijke structuur van het grondpatroon.
Contouren  en resonanties  zorgen voor mogelijke ordening van het grondpatroon
.


Het grondpatroon kan in een tijdruimte of ruimtetijd worden uitgewerkt door de contouren. Hierdoor veranderen ook de onderlinge raak-vlakken. En ook andersom, doordat de cruciale raak-vlakken zorgen voor mogelijke ordening kan het grondpatroon uitgewerkt worden in een tijdruimte en ruimtetijd.

Of iets in een tijdruimte of ruimtetijd wordt uitgewerkt hangt samen met het referentie kader wat past bij de te onderzoeken data. Een kosmo-morfe en een antropomorfe referentie kader zijn beide een op één stapelingen van raak-vlakken die op elkaar zijn afgestemd. 


Bij de resonanties ligt de nadruk meer op homeorhese. Ze zijn fluctuerend rond een bewegelijke lijn. Een lijn van verandering en herhaling. Ook kan elke resonantie weer een bewegelijke lijn zijn waar alternatieve raak-vlakken om heen fluctueren. De resonanties zijn dan ook een bewegelijke lijn.  


Doordat alle bouwpatronen zich verhouden tot het grondpatroon, worden de bouwpatronen ieder op zich en ten opzichte van elkaar gekenmerkt door een harmonisch geheel van raak-vlakken en de daarmee samenhangende resonanties.

De resonantie van het grondpatroon maakt deze bouwpatronen onderdeel van één systeem.

Het hologram (bouwpatroon) maakt de wisselwerking zichtbaar tussen de twee grondpatronen. De ene geordend in een dynagram en de andere in een diagram. Deze vervlechting tussen dynagram en diagram vormt een harmonisch geheel waarin de synthese tussen deze twee grondpatronen dynamisch in beeld kan worden gebracht met behoud van alle karakteristieke raak-vlakken en de daarmee samenhangende resonanties.

De twee grondpatronen van het dynagram en diagram hebben bronpunten, waarin ze elkaar raken met opstapelende  raak-vlakken. Hierdoor ontstaan in het hologram unieke resonanties.


Ook kan elke bronpunt opnieuw uitgewerkt worden overeenkomstig het grondpatroon.

In het algemeen kunnen we formuleren dat alles wisselwerking heeft met alles. Maar niet altijd hoeft alles ook met alles te resoneren. En tussen wel en geen resonantie zitten verschillende gradaties. 


Alternatieve raak-vlakken


In elke gram vormt het grondpatroon de basis op grond waarvan alle andere alternatieven uitgewerkt kunnen worden.

Door de alternatieve, -coördinaten, -verbanden, -verhoudingen in een gram kunnen er ook alternatieve raak-vlakken ontstaan. Deze alternatieve raak-vlakken blijven gerelateerd aan de cruciale raak-vlakken, binnen het bereik van de resonantie in het grondpatroon.

(Meerdere)  raak-vlakken in 1 veld  vermeerderen en/of verminderen de resonantie in een veld

Resonantie kan minder of meer zijn afhankelijk van de ingevoegde data en het gebruik van bronpunten, contouren en assen.


Elke op zichzelf staande gram (met cruciale en alternatieven) kan dusdanig resoneren, dat het een op zichzelf staande veld kan vormen, die als bouwmodel kan functioneren voor het maken van andere grammen. Bouwmodellen zijn grammen waarvan de gevonden unieke basiselementen (cruciale en alternatieven) in andere grammen herhaald kunnen worden.  Afbeelding bouwmodel gram PM archai kai aitiai (als link) is gebruikt voor de gram van  'opbouw van een systeem dynamisch veld'.

Raak-vlakken in relatie tot minder/meer

Raak-vlakken zijn wederkerige wisselwerkingen tussen meerdere verhoudingen, meerdere verbanden en meerdere coördinaten. Door deze wisselwerkingen kunnen de raak-vlakken vermeerderen en/of verminderen.

Er kunnen tussen de begrippen meerdere of mindere raak-vlakken zijn. Het aantal raak-vlakken wordt bepaald door het aantal verbanden, verhoudingen en coördinaten. Meerdere  verbanden, verhoudingen, coördinaten tussen de begrippen verhogen nog niet de resonantie. Meer en/of minder kunnen beiden het evenwicht verstoren tussen herhaling en verandering. 

Het kan zijn dat je nog een begrip mist, of dat het begrip niet past in bijvoorbeeld een verband, of dat  het begrip een andere verhouding krijgt in relatie tot een ander begrip.

Het is zoeken naar herhalende raak-vlakken tussen de begrippen die allemaal anders zijn.  

Het is zoeken naar een evenwicht van niet te weinig (minder) en niet te veel (meer) raak-vlakken.

Afhankelijk van je referentiekader bepaal je welke begrippen met elkaar een raak-vlak vormen.

Resonantie in relatie tot minder/meer

In elke gram verschilt de resonantie. Contouren en  resonantie zijn meer ordening in relatie tot bronpunten en assen (die zijn meer structuur). Bronpunten en assen zijn strenger in de regel en bij de contouren en resonanties is er spelenderwijs meer mogelijk. Bij te weinig of geen resonantie is er geen spraken meer van een gram (op model of patroon niveau) maar wordt het een schema of plaatje.


Met elkaar vormen bronpunten, contouren en  assen met de daaraan te koppelen begrippen (data) een resonerend veld met onderlinge raak-vlakken. De onderlinge raak-vlakken kunnen minder en/of meer zijn  afhankelijk van de ingevoegde data en het gebruik van bronpunten, contouren en assen.

Richten we ons op de bronpunten dan kunnen we het volgende formuleren:

  • 2 bronpunten hebben geen resonantie. Ze vormen geen sub-veld
  • 4 bronpunten hebben minder resonantie. Er wordt gebruik gemaakt van 1 sub-veld, (naar binnen verwijzend/naar zich zelf). 4 bronpunten vormen een kwartet.
  • 8 bronpunten hebben meer resonantie. Er wordt gebruik gemaakt van 2 sub-velden (naar buiten verwijzend/naar elkaar). 8 bronpunten vormen een octet.

Richten we ons op de contouren dan kunnen we het volgende formuleren:

  • Geen van de contouren geeft geen resonantie (geen sub-veld)
  • 1 van de contouren hebben minder resonantie. 4 bronpunten verhouden zich tot 1 van de contouren, deze kan tijd of ruimte gerelateerd zijn en een ledig of delig verband hebben. Er wordt gebruik gemaakt van 1 sub-veld, naar binnen verwijzend/naar zich zelf. Gebruik van 1 van de contouren vormen een kwartet.

2 van de contouren hebben meer resonantie. 8 bronpunten verhouden zich tot 2 van de contouren, de contouren staan in een tijdruimte of een ruimtetijd. Er wordt gebruik gemaakt van 2 sub-velden, naar buiten verwijzend/naar elkaar. Gebruik van 2 van de contouren vormen een octet.

Vier assen vormen met elkaar een octet of te wel een 8 ledig veld. Deze vier assen hebben 2x4 verbindende coördinaten die te samen met elkaar zodanig resoneren, dat het veld een sterke/meer  resonantie kan vormen.


Richten we ons op de assen dan kunnen we het volgende formuleren:
  • 1 as heeft geen resonantie
  • 2 assen hebben minder resonantie (1sub-veld, naar binnen verwijzend/naar zich zelf). Twee assen vormen een kwartet.
  • 4 assen hebben meer resonantie (2 sub-velden, naar buiten verwijzend/naar elkaar). Vier assen vormen een octet.


Raak-vlakken gerelateerd aan de te onderzoeken data


Binnen de gevonden woorden zoek je naar bepaalde raak-vlakken die mogelijk met elkaar resoneren. Deze raak-vlakken kunnen meer en/of minder zijn. 

In een gram is het mogelijk om vele woorden  (met hun verbanden en verhoudingen) op een coördinaat te plaatsen. Maar niet altijd is meer ook beter. Bij te veel aan woorden of een te weinig aan woorden verzwakt het raak-vlak. Bij een te veel dien je vorm te geven aan een nieuwe gram(model). Bij een te weinig dien je terug te gaan naar de te onderzoeken data.


Er zullen veel meer mogelijke  raak-vlakken bestaan die een veld minder en/of meer doen resoneren. We beperken ons tot de raak-vlakken en wisselwerkingen van het grondpatroon en vullen aan met mogelijke alternatieven in elke gram afhankelijk van de te onderzoeken data.

Binnen systeemdynamiek hanteren we het verschil tussen verandering en herhaling van raak-vlakken, maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en of werkelijkheid.

Wanneer je zoekt naar raak-vlakken:

  •  Kijk je naar welke woorden en de daar aan gerelateerde dynamieken oplichten, en/of nieuwe woorden oproepen. 
  • Verhouden de woorden die je bijeen brengt zich of wel tot een logische klasse?
  • Tot welke context krijgen zij een bepaalde betekenis? Welk woord laat je tegen over welk ander woord verhouden?
  • Vanuit een totaal aan onderlingen relaties kun je je afvragen van uit welk referentie kader je de te onderzoeken data bekijkt of dient te bekijken.

Afhankelijk  je begrippen, hun logische klasse, de context en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kan binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde begrippen, in dezelfde (of andere) logische klasse, in een andere verhoudingen en in een andere context komen te staan. Door deze veranderingen kunnen overeenkomstige begrippen totaal andere resonantie krijgen.

Verschillende referentie kaders kunnen verschillende grammen te weeg brengen al heeft men deels het zelfde onderwerp uitgewerkt. Beide kunnen wel gelijkmatig resoneren. Het verschilt dan in waar de na druk op wordt gelegd in het onderzoek, de 'te onderzoeken data'.


Bouwpatronen


Opmerking en belangrijk!

Ondertussen heb ik al wat voor werk gedaan en deze heb ik in overleg met Alfons niet in de link maar naar de voorggrond geplaatst en het verouderde tekst en beeld juist in een link geplaats .

Link naar hoofdstuk bouwpatronen van vóór 2017

In ieder geval nog interessant om te hernemen en in te voegen is de tekst in het groen bij  licht en donker in relatie tot  proces en in relatie tot positie. En licht en donker in relatie tot inhoud en betrekking. Ook praxis en theoria zijn nog niet ingeweven. 

De groene teksten zijn oude teksten nog niet theorieboek comptabel. Alleen het onderwerp sluit deels aan.

De schoen veter bestaat deels uit een opsomming van begrippen gerelateerd aan het dynagram en diagram.

De schoenveter zelf is ook weer opgebouwd in een bepaald ritme hou hier rekening mee. (vooral wanneer je het op de schop gaat gooien. 
Het kosmomorf en antropomorf kan net zo leidend zijn voor een keuze van een gram als tijd en ruimte dat kunnen zijn
evt in weven of) erna dezelfde begrippen in een dynagram en diagram, verschil duidelijk zicht baar te maken.  

Zo is het interessant, Hoe dezelfde begrippen een diagram anders komen te staan dan in een dynagram.
En juist het verschil tussen positie en proces versterkt.
Door eerst streng het verschil te laten zien.

En vervolgens ook voorbeelden te geven waarin er mee gespeeld word. 
Om in dien van toepassing er ook mee te kunnen spelen. (Zoals dus enkele dynagrammen waarin linksom en rechts om wel voorkomen). Waar Mijn laatste mail juist weer over ging. (Speels in de uitwerking) 

Om zo andere
Te laten weten/te leren wat alle mogelijkheden zijn als je een gram maakt. Wat je allemaal rekening mee dient te houden als je een keuze tussen dynagram of  diagram maakt en/of juist achteraf kunt onderzoeken wat je hebt gedaan. 

Wat
er allemaal mee speelt (referentie kader) en ook hoe je er allemaal mee kan spelen (mogelijke ordening)
voor mij is het duidelijk dat  het onderscheid nog helder zichtbaar gemaakt dient te worden.
 

Algemeen, Bouwpatronen

In de bouwpatronen worden de mogelijke ordeningen van het grondpatroon verder gedefinieerd maar zodanig dat ze toch blijven beantwoorden aan het grondpatroon. Elk bouwpatroon kent ook een eigen structuur en ordening.

De (tot nu toe) 5 systeem dynamische bouwpatronen zijn:

  • Dynagram, de tijd is primair, in een tijdruimte veld, gedachte gang, blauw gekleurd (afbeelding)
  • Diagram, de ruimte is primair, in een ruimtetijd veld, geeft te denken, rood gekleurd (afbeelding)
  • Duogram, een diagram in een dynagram, 2 onderscheiden velden ineen, die met elkaar een tegenstelling vormen, teneinde de wisselwerking tussen een diagram en een dynagram te kunnen onderzoeken, (rood en blauw gekleurd) (afbeelding)
  • Dictogram,  (dicto)grammen die ontstaan van uit een onderzoeksveld. In dit onderzoeksveld kan naar aanleiding van een onderzoeksvraag bepaalde ervaringen ter sprake gebracht worden. Metaforisch gezien een 'sprekend veld' waarin men kan lopen en werken, voor zover de bronpunten bepaald worden. In een dictogram wordt hetgeen aan de orde is gekomen (ter sprake komt) in beeld en tot begrip gebracht in 2 gescheiden grammen (dynagram of diagram), die met elkaar een tegendeel vormen.
  • Hologram, bestaat uit een diagram en een dynagram waarin de bronpunten deels gescheiden zijn en deels samenvallen. De wisselwerking tussen een tijdruimte veld en een ruimtetijd veld wordt zichtbaar. Weergegeven in hologram kleuren, elk bronpunt heeft een eigen kleur en/of kleuren combinatie.
 
Dynagram en Diagram

Langzamerhand is er al het één en ander aan bod gekomen over dynagram en diagram.
Gaan we naar de 5 lagen dan is bouwpatroon laag een midden tussen grondpatroon laag en gram laag. Dit te samen met de contouren (tijdruimte en ruimtetijd) die ordende rol spelen, maakt dat er veel mogelijkheden ontstaan over hoe/waar je begrippen in een gram kan plaatsen. Waar we van het grondpatroon verschillende restricties gebruiken (d.m.v. cruciale configratieve componenten) om te kunnen onderzoeken in een alles met alles samenhangende werkelijkheid, herhalen we niet alleen deze restricties in de bouwpatronen maar dienen we ze nog verder te verhelderen en/of uit te breiden.
De bouwpatronen brengen vele mogelijkheden met zich mee. Twee belangrijke bouwpatronen zijn dynagram en diagram. Een dynagram is geen diagram op de kop en/of vice versa. Dat impliceert wederom dat je scherp dient te krijgen vanuit welk referentie kader en/of optiek je de werkelijkheid onderzoekt.
Dat vraagt om dynagram en diagram in eerste instantie strikt van elkaar te scheiden.

Dynagram
kent zijn wortels vanuit een functioneel mythische optiek.  
Kosmo-morf referentie kader.
Het subject staat centraal. 
Met de optiek dat de kosmos verbonden is met het subject .
Het object komt meer buiten spel.
Het subjectivering van de kosmos.  
En de dynamieken/statieken van de kosmos worden in het subject gewaar. En andersom de dynamieken /statieken van het subject ziet hij/zij terug in de kosmos.
Meer synthetisch
Bij de mythische mens is zo wel het subject als het object een 'wie'

Diagram
kent zijn wortels vanuit een onthologische optiek.
Antropomorf referentie kader.
Het object staat centraal. 
Met  de optiek dat de mens gescheiden is van met het object.
Het subject komt meer buiten spel.
Het objectiveren van de mens.
En de dynamieken/statieken van de mens worden objectief waargenomen.
Meer analytisch
Bij de ontologische mens is zowel het object als het subject een 'wat'


Ondanks het verschil tussen een kosmo-morfe  en een antropmomorfe referentie kader dienen we ons wel te realiseren dat ze beiden, weliswaar op onderscheiden wijzen, deze ene werkelijkheid willen begrijpen dan wel verstaan. Door alle onderscheiden optieken en dito disciplines `vergeten´ we, dat het uiteindelijk maar over één werkelijkheid gaat, of we hem nu bijvoorbeeld mathematisch begripslogisch denken dan wel fenomenologisch beeldlogisch trachten in beeld te brengen.

Kosmo-morf en Antropomorf.



Onder anderen beschreven we al een verschil bij de assen in relatie tot onze menselijke vermogens.
Waar in we zowel in een dynagram als in een diagram een polaire 3 ledigheid verhouding zien.


Dynagram (blauw), heeft een kosmo-morfe referentie kader:
Hemel- geest-het immaterieel- zuid- discentrisch- boven
Mens- ziel- midden-bemiddeld- midden
Aarde- lichaam- het materiële- noord- concentrisch- onder


Diagram (rood), heeft een antropomorfe referentie kader:
Hoofd- denken- noord- concentrisch- boven
Borst-voelen-midden-bemiddeld-midden
Buik-willen-zuid-concentrisch-onder




Kosmo-morf: Wanneer je de mens als een midden ziet tussen hemel en aarde. Niet als een midden tussen 2 gescheiden werelden waarin hij/zij zich om geeft, maar als een derde mede lid volledig verbonden met zijn omgeving (subject betrokken) worden dynamieken van de kosmos ook als dynamieken van hen zelf. Door dat de mens zich zelf te midden van deze kosmo-morfe referentie kader kan plaatsen, brengt het tijdsbesef met zich mee.


De zon komt op, de zon is hoog aan de hemel, de zon gaat onder, de zon zit diep achter de aarde.


Antropomorf: Ons hoofd, borst, buik zijn leden van ons lichaam. Ons lichaam brengt ruimte besef met zich mee. Door het lichaam ontstaat de mogelijkheid om je te onderscheiden van je omgeving (object betrokken) . En kan je vervolgens 'vrij' bewegen in een ruimte.


De mens kan zich alle windrichtingen (oost, noord, zuid, west) op verplaatsen en in die zin uit verschillende routes kiezen.





We maken hier onderscheid tussen twee verschillende referentie kaders. Al hoewel deze goed te onderscheiden zijn dienen we ook hier te herhaling dat ze te onderscheiden zijn maar niet te scheiden.


Tijd en ruimte, subject betrokken en object betrokken worden in relatie tot dynagram en diagram hier onder verder uitgelegd.

Tijd en ruimte

De assen blijven in een dynagram en diagram hetzelfde, ze worden herhaald.


Maar zoals we net zagen dat zowel het kosmo-morfe referentiekader als het antropomorfe referentiekader de polaire as een belangrijke rol speelt, is er wel een verschil met het noord en zuid van een dynagram in vergelijking met het noord en zuid van een diagram en visa versa.


Bij de contouren zagen we al verandering ondanks dat alle vier van de contouren in beide velden uitgewerkt kunnen worden.

Het dynagram is een tijdruimte veld (met processen en inhouden)
Het diagram een ruimtetijd veld (me posities en betrekkingen)
De contouren zorgen meer voor de ordening en de assen voor structuur. Zo is het mogelijk om bijvoorbeeld processen en inhouden in een diagram te zien en posities en betrekkingen in een dynagram. Maar dan dient men wel (onderliggend) vast te houden of aan een kosmo-morfe referentiekader (dynagram) of aan een antropomorfe referentiekader (diagram).


De 8 bronpunten hebben ieder een eigen specifieke dynamiek. Deels zijn deze 8 dynamieken het zelfde (overeenkomstig) in een tijdruimte als in een ruimtetijd veld en deels zijn ze door de contouren verschillend de 8 dynamieken in een tijdruimte zijn anders dan die van in een ruimtetijd. Ze worden ook door de contouren anders geordend.
Het verschil tussen dynagram en diagram wordt dan ook voor een deel bepaalt door hun relatie met tijd en ruimte.


We onderscheiden hier tijd (rechterzijde) en ruimte (linkerzijde), het ene is niet bepalender dan het andere. Ze zijn wel te onderscheiden maar niet te scheiden.

Tijd, is een dynamiek van het veld waardoor alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken zich in een statische ruimte ordenen. (ordening: moet samenhangend zijn)

Ruimte, is een statiek van het veld waarin alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken zich in een dynamische tijd structuren.(structuur: moet hetzelfde blijven)


Bronpunten (cruciale coördinaten) hebben een vaste structuur in relatie tot elkaar. Doordat elk bronpunt een unieke dynamiek heeft en door de assen. Bronpunten hebben een variabele ordening in relatie tot resonanties en de contouren; ruimtetijd (diagram) en tijdruimte (dynagram).


Deze variabele ordening kan een cruciale verband (positie, betrekking, inhoud of proces) weergeven van de bronpunten in het grondpatroon. Afhankelijk van de ingevoegde en te onderzoeken data kunnen plekken en functies in een gram variëren.
De assen, te samen met de contouren en de bronpunten vormen een samenhangend complex van web en matrix van ruimte en tijd, ordening en structuur.


We spreken van cruciale contouren in de bouwpatronen met doorgaans een vaste structuur:
een dynagram processen en inhouden in een tijdruimte
een diagram positie en betreking in een ruimtetijd


We spreken van alternatieve verbanden in de grammen met variabele ordening:


De ordening van data en de hiermee samenhangende begrippen kunnen op grond van onderzoek en gevonden inherente dynamieken en functties vairieren.

Cruciale configuratieve componenten verhouden zich meer tot structuur in relatie tot de alternatieve configuratieve componenten die zich dan meer tot de ordening verhouden. Van de cruciale configuratieve componenten verhouden de assen en de bronpunten zich meer tot structuur en de contouren en resonaties meer tot ordening.


Tijd en ruimte in een gram geven voor een deel de werkelijkheid weer zoals we die vanuit een subject betrokken optiek kunnen visualiseren. Daarmee komt een stukje werkelijkheid in beeld. Evenwel moeten we niet vergeten dat we altijd te maken hebben met een model waarin we dit stukje werkelijkheid in beeld hebben gebracht. Een model is niet de werkelijkheid, maar de wijze waarop en waarmee we naar de werkelijkheid kunnen kijken. 

Tijd



Tijd, is een dynamiek van het veld waardoor alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken zich in een statische ruimte ordenen. (ordening: moet samenhangend zijn)

Hoe laat de zon op komt en onder gaat hangt altijd af waar je bent en wanneer je er bent. Uiteindelijk kun je het verloop (proces) modelmatig verdelen in vieren.

de zon is in een 'overgang' opkomend
de zon staat op zijn 'hoogte punt'
de zon is in een 'overgang' neergaand
de zon staat op zijn 'diepte punt'
Of het nou maanden duurt of één dag, het proces blijft hetzelfde voor de waarnemer, kijkend vanuit de aarde.


(meer subject betrokken, mythisch functioneel)

We nemen hier het voorbeeld van het proces van de dagloop, maar je kunt het ook uitwerken voor het proces van de seizoenen in de jaarloop.

ochtend overeenkomend met de lente 
middag overeenkomend met de  midzomer
avond overeenkomend met de herfst 
midnacht overeenkomend met de midwinter

De tijdsloop van de uren in een dag loopt gelijk aan de tijdsloop van de zon in een dag, maar de zon komt niet elke dag op hetzelfde uur op en gaat niet elke dag op hetzelfde uur onder (behalve rond de evenaar).  

Overeenkomend met de tijdsloop loopt het proces cyclisch door, waarin zonsopgang, zon hoogte punt, zonsondergang en zon diepte punt zich verhouden tot een ordening waar in we processen structuren of een structuur waar in we processen ordenen. 

De uren van de dag, verhouden zich tot een bepaalde maat. In dit geval een afgesproken vaste tijd: een uur met 60 min en een dag met 24 uur. De klokken tijd krijgt een vaste inhoud en de daaraan verbonden structuur :

09:00 het 'midden' van de ochtend
15:00 het 'midden' van de middag
21:00 het 'midden' van de avond 
03:00 het 'midden' van de nacht 

De klokkentijd als inhoud kunnen we verbinden met de processen in een dag.
Het ochtend proces loopt van 03:00 tot 09:00 met als 'overgangspunt' 06:00, als start van de ochtend
Het dag proces loopt van 09:00 tot 15:00 met als 'hoogte punt' 12:00, als start van de middag
Het avond proces loopt van 15:00 tot 21:00 met als 'overgangspunt' 18:00, als start van de avond
Het nacht proces loopt van 21:00 tot 03:00 met als 'dieptepunt' 00:00, als start van de midnacht.

Koppelen we deze modelmatig aan de assen:
De zon op zijn hoogte punt en de zon op zijn diepte punt vormen samen een polaire dynamiek. Ze staan tegenover elkaar en beiden zijn ze omslagmomenten. De een kan niet zonder de ander bestaan. In het model op de ruimte-as zijn ze er tegelijkertijd, waar het aan de ene kant donker is, is het aan de andere kant licht. Dit geldt in de werkelijkheid alleen voor de poolnacht en de pooldag.
Zonsopgang en zonsondergang zijn overgangen; in hun beweging zijn ze duaal, ze kunnen niet tegelijkertijd plaats vinden, maar alleen na elkaar.  

Modelmatig nemen we de betekenis van de horizon waaraan opkomst en neergang van de zon af te lezen is over in de functie van de horizontale as. Deels komt de horizontaal overeen met de horizon, maar deels ook niet, met name daar waar de horizon als opkomst en ondergang van de zon variabel is (afhankelijk van waar je bent en wanneer je er bent). 

De tijds zones op de aarde verlopen verticaal over de horizontale as van oost naar west. Aan het oosten verbinden we met de opkomst van het licht de toekomende tijd en aan het westen verbinden we met het donker worden de verleden tijd.  

Met de opkomst en ondergang van de zon (als proces) die niet tegelijkertijd kunnen plaatsvinden, geven we aan de horizontaal de functie van de duale as.
 
Met het hoogte punt en diepte punt van de zon (als proces) die modelmatig op de verticale as geplaatst worden geven we aan de verticaal de functie van de polaire as. Hoogte punt en diepte punt impliceren een tweeheid die zich kenmerkt door een insluitende, ledige verhouding. Het hoogte punt impliceert het diepte punt en vice versa.

De horizon in 4:
 
Met het fenomeen van de horizon verschijnt op aarde het direct waarneembare fenomeen van de tijd en de daaraan gerelateerde overgangen in de dagloop.

Daarmee hangt ook samen dat door de horizon de werking van de tijd verschijnt, de zon komt op, ergens aan de horizon en de zon gaat onder, ergens aan die zelfde horizon. Ontstaan, verschijnen, vergaan en verdwijnen ontstaan als fenomenen in een zintuiglijk waarneembare fenomenale werkelijkheid. Met de werking van het licht verschijnt de horizon die aan de dag treedt en met de nacht terug treedt.

Het is deze in vieren gedeelde horizon (ochtend – middag – avond – midnacht), gerelateerd aan de vier windrichtingen, noord en zuid op de verticaal en oost en west op de horizontaal, die van oudsher beschouwd werden als samenhangend met de 4 secundaire en 4 primaire kwaliteiten, de vier elementen, met in hun midden de quinta essentia, de ether werking (zie Ernst Marti, Das Aetherische).

Ruimte



Ruimte, is een statiek van het veld waarin alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken zich in een dynamische tijd structuren.(structuur: moet hetzelfde blijven)

Vanuit een subject betrokken optiek maakt het uit waar je staat en van waaruit je kijkt: naar het noorden of naar het zuiden.

Bekijken we de aarde van uit een object betrokken optiek dan maakt het niet uit waar je op aarde staat aangezien je jezelf buiten de aarde denkt. Waar je je ook bevindt, blijft het noorden en het zuiden zich bevinden waar we ze modelmatig hebben gepositioneerd in het diagram (rood).

Uiteindelijk kunnen je de posities modelmatig verdelen in vieren:

Oost punt, rechts,
  • Zuid punt, onder
  • West punt, links
  • Noord punt, boven

  • In de werkelijkheid kunnen we met het noorden bedoelen het verlengde van de lengte as van de aarde, het middelpunt van het noordelijk halfrond en de magnetische pool. Ze liggen niet op dezelfde plek.
    Zo spreken we ook over het noordelijk halfrond en het zuidelijk halfrond (verticaal) gescheiden door de evenaar (horizontaal). Waar oost en west zich bevinden is afhankelijk waar je je bevindt, maar je oriënteert je wel op het noorden. De kompas naald wijst het magnetische noorden aan en de poolster staat in het noorden in het verlengde van de aard as. Zo is voor de waarnemer op het noordelijk halfrond, kijkend naar het zuiden, het oosten links. Voor de waarnemer op het zuidelijk halfrond, kijkend naar het noorden, het oosten rechts.


    De kompas naald werd van oudsher weergegeven met de kleur blauw voor het noorden en de kleur rood voor het zuiden. Aangezien de magnetische noordpool van de aarde de zuidpool van de kompas naald aantrekt, wijst rood het noorden aan en blauw het zuiden. Een wisselwerking tussen noord en zuid impliceert dat er geen noorden is zonder zuiden. Waarmee we komen op de ruimte as met haar polaire dynamiek. De twee magnetische polen vormen de twee uitersten van een tweeledigheid, waarin het noorden de concentrische dynamiek laat zien en het zuiden de discentrische dynamiek.


    Modelmatig geven we in het diagram (rood) deze polaire dynamiek weer op de verticale as met eveneens aan het noorden een concentrische dynamiek en aan het zuiden een discentrische dynamiek. Ook in een dynagram blijft deze verticale as dezelfde functie houden maar met dit verschil dat het concentrische noorden beneden komt te staan en het discentrische zuiden boven komt te staan. Het verschil leggen we in het volgende hoofdstuk/deel verder uit.

    NO, ZW, NW, ZO, relatie betrekking

    Het combineren van tijd en ruimte

    Wanneer we tijd en ruimte, subject en object betrokken bijeenbrengen in een gram krijgen we het volgende plaatje waar in we de cyclus van de seizoenen van beide halfronden polair in beeld brengen.


    Zowel het dynagram (blauw) op het zuidelijk halfrond als op het noordelijk halfrond geeft de subjectbetrokken positie weer van de waarnemer (rood poppetje).
    Op het noordelijk halfrond ziet de waarnemer de zon links  opkomen in het oosten en rechts ondergaan in het westen. De zon gaat van links naar rechts.
    Op het zuidelijk halfrond ziet de waarnemer de zon rechts opkomen in het oosten en links ondergaan in het westen. De zon gaat van rechts naar links.

    Ondanks het verschil in noord en zuid voor de waarnemers (op het noordelijk en zuidelijk halfrond) blijft de ochtend aan het oosten verbonden en het westen aan de avond. Zo ook respectievelijk de opkomst en ondergang van de zon in de dagloop en wat betreft de jaarloop zien we een zelfde dynamiek: lente met een stijgend zonneboog en de herfst met een dalende zonneboog.

    Stijgen (verschijnen) en dalen (verdwijnen) van de zonnebaan plaatsen we op de horizontale as, daar waar we ook proces en tijd in beeld brengen.

    Op de vertikale as zien we wel een verschil: voor het noordelijk halfrond verbinden we de zomer aan het zuiden en voor het zuidelijk halfrond wordt de zomer aan het noorden gekoppeld. Wel blijven de zomers warm (gerelateerd aan de zonne stand tussen steenbokskeerkring en kreeftskeerkring) en de winters koud (gerelateerd aan zowel de koude noord-pool als de koude zuid-pool), c.q. mede afhankelijk van lichtinval: schuine stand van de aard-as en de positie van de aarde in een baan om de zon).

    Aangezien de jaarloop modelmatig in maanden en dagen wordt verdeeld, is het willekeurig op welke datum de seizoenen plaats vinden. Tussen het noordlijk en zuidelijk halfrond zien we een spiegeling. Als voor de waarnemer op het noordelijk halfrond in maart de lente begint, begint op het zuidelijk halfrond voor de waarnemer de herfst enz.

    Zo zie je tussen werkelijkheid en model deels overeenkomsten en deels verschillen. Wanneer we modelmatig werken, hebben we de contouren (proces, inhoud, positie en betrekking) gekoppeld aan de bronpunten (windstreken en windrichtingen: Oost, Zuid, West, Noord). De werkelijkheid is complexer dan het model. Het model is niet de werkelijkheid, maar probeert een aantal dynamieken (functies) uit de werkelijkheid consistent en coherent weer te geven en te onderzoeken.
     
    Dynagram en Diagram



    Het functionele paradigma is pas mogelijk bij de wederkerigheid van, Zelf-functie en Ik-functie, Wordings-functie en Zijns-functie, tijd en ruimte, van kosmo-morf envan antropomorf, van mytisch en ontologische, van ordening en structuur.
    Structuur is het systeem, de ordening is de dynamiek.
    In een dynagram en diagram vind je structuur en ordening.


    Dynagram, karakteriseert een mate van beweging (ordening) die de vorm (structuur) constitueert.
    Diagram, karakteriseert een mate van vorm (structuur) die beweging (ordening) mogelijk maakt.
    Toch zijn er onderling verschillen:

    Dynagram:




    Heeft een kosmo-morf referentie kader (irt de polaire as)
    De tijd is primair, in een tijdruimte veld
    De configuratieve componenten verhouden zich meer tot de tijd (configuratie dynamiek, proces)

    Tijd wordt ruimte, een dynagram, karakteriseert een mate van beweging (ordening/tijd) die de vorm (structuur/ruimte) constitueert.

    Vormt een eenheid in dualiteit.
    Heeft een meer subject betrokken karakter.
    Verhoudt zich meer tot de ordening ,geeft daardoor de gedachte gang weer.
    Dynagram geeft een gedachtegang weer, brengt het reeds vermoede via beelden tot begrip.
    Verhaal geeft een gedachte gang weer.
    Van uit een functioneel mythisch referentie kader.

    Link naar dynagrammen op site (nog in te voegen)

    Diagram:




    Heeft een antropomorf referentie kader (irt de polaire as)
    De ruimte is primair, in een ruimtetijd veld.
    De con-figuartiev componenten verhouden zich meer tot de ruimte (compositie, statiek, positie)

    Ruimte wordt tijd, een diagram, karakteriseert een mate van vorm (structuur) die beweging (ordening) mogelijk maakt.

    Vormt een tweeheid in polariteit.
    Heeft een meer object betrokken karakter.
    Verhoudt zich meer tot de structuur, geeft daar door te denken.
    Geeft te denken, brengt het nog onvermoede via begrippen in beeld.
    Woorden geven nog te denken.

    Vanuit een functioneel ontologisch referentie kader.
    Link naar diagrammen op site 
    (nog in te voegen)


    Basis voorbeelden dynagram en diagram in relatie tot tijdsverbanden

    Het verschil tussen dynagram en dyagram zien we (door middel van de contouren) het sterkste over de duale as.
    Oost en west in een tijdruimte staan ze in relatie tot processen. Het stijgende en het dalende. 
    Oost en west in relatie tot een ruimtetijd staan ze in relatie tot betrekkingen. Van tegendeel en tegenstelling.


    Dynagram basis voorbeeld:
    Door dat bij een dynagram de tijd primair (proces) is en de ruimte secundair. Is er maar 1 belangrijke route: Rechts om.

    Oost: stijgen lente versnellen
    Zuid: verspreiden zomer expolderen
    West: dalen herfst vertragen
    Noord: verzamelen winter inmploderen

    Diagram basis voorbeeld:
     
    Door dat bij het diagram de ruimte primair is en de tijd secundair. Zijn er verschillende te denken routes mogelijk.
    Toch is het van belang om 2 belangrijke routes van het diagram weer te geven. Links om en rechts om. 

    Oost: tegendeel, In het tegendeel zijn linksom en rechtsom nog op zich zelf staand geheel, als 2 zijde van dezelfde munt. De één is er niet zonder het ander.


    Deze twee zijdes vromen een polariteit.
    Links om staat in betrekking tot bronpunt Noord: concentrisch, concentratie
    Rechts om staat in betrekking tot bronpunt Zuid: discentrisch, decentratie


    West: tegenstelling, In de tegenstelling komen linksom en rechtsom tegen over elkaar te staan. De één is niet de ander. De één kan de ander zelfs te niet doen.


    In een dynagram en diagram zien we ook overeenkomsten op Oost en West.
    Oost: verschijnen
    West: verdwijnen


    In dynagram:
    Oost: verschijnen: zoals we zien in het proces van de dag loop. De zon komt op in het oosten, verschijnt. De zon gaat onder in het westen, verdwijnt.
     
    In diagram:
    Daar waar ze verschijnen vormen ze elkaars tegendeel (oost), daar waar ze verdwijnen vormen ze elkaars tegenstelling (west).
     

    We zien hier ook in een betrekking (1 van de contouren)  een overeenkomst met 2 assen:
    De polaire as en tegendeel, De één is er niet zonder het ander. (elkaar insluitend).
    De duale as en tegenstelling, de één is niet de ander. (elkaar uitsluitend). 


    Linksom route en rechtsom route behoren tot 2 mogelijke betrekkingen.
    De posities zorgen voor vele mogelijke betrekkingen. En in tijd zijn er vele verschillende routes mogelijk. Routes die in een statische tijd tegelijkertijd kunnen manifesteren. Een ledig (en-en) verband in de tijd.

    De processen lopen in dezelfde richting, één route. Ze verlopen in een na-elkaar delig verband.


    Deze betrekkingen en processen kun je beide in een spiraal door denken.




    Wanneer we vergelijkbare begrippen gebruiken in een dynagram en diagram wordt het verschil tussen deze tijdsverbanden duidelijker. Dit is maar een voorbeeld. 

    Dynagram: ontwikkeling en inwikkeling staan in het proces (tijd) in een duale verhouding. In de tijd (duale as) en nogmaals in de tijd (proces) verlopen ze na elkaar.
    Diagram: ontwikkeling en inwikkeling staan in een betrekking in een polaire verhouding. In ruimte (polaire as) en in tijd (betrekking) beide tegelijkertijd.
     

    Dynagram: ontwikkeling brengt verandering (zuid) te weeg. Inwikkeling brengt herhaling (noord) met zich mee. In de ruimte kunnen deze verandering en herhaling tegelijkertijd plaats vinden (polaire as).
    Waarbij in het proces de herhaling weer voor nieuwe ontwikkelingen kan gaan zorgen.
     
    Diagram:
    Rechtsom is een sympatische routes, deze route beweegt mee met het kosmo-morfe proces. Startend in oost, naar zuid, naar, west, naar noord.
    Linksom is een antipatische route, deze route loopt tegen het kosmo-morfe proces in. Startend in oost, naar noord, naar west, naar zuid.

     
    In een tegendeel zijn ze nog als twee zijde van dezelfde munt.
     
    Ontwikkeling (zuid), brengt verandering met zich mee.
    Inwikkeling (noord), brengt herhaling met zich mee.


    In een tegenstelling komen verandering en herhaling tegen over elkaar te staan.

    De één is niet de ander. De één kan de ander zelfs te niet doen.
     
    Een tegensteling kan voor een dilemma zorgen. Bijvoorbeeld wanneer je met meerdere mensen tegelijkertijd in de zelfde ruimte bent. Niet alleen fysiek maar ook op andere menselijke vermogens kan de één tegen tegen over de ander komen te staan. En ook binnen een mens zelf kunnen de 2 verschillende routes voor een dilemma komen te staan.


    Door inzicht te krijgen op het dilemma, te zien dat beide routes en zelfs nog meerdere mogelijk zijn. Dat tussen het één en het ander een wisselwerking is. Die op verschillende manieren tot elkaar kunnen verhouden, in verband gebracht kunnen worden, op verschillende coördinaten uit gewerkt kunnen worden en daar door ook weer verschillende raak-vlakken zichtbaar worden. Kan je in het midden in de twisten tussen het één en het ander de onderlinge wisselwerkingen zichtbaar zien worden. Die niet de één of de ander uitsluit maar de schoonheid van beide tot zijn recht kan laten komen. Het dilemma is waardevol. .......(aemulatio?)


    Eenheid in dualiteit en tweeheid in polariteit

    Als we kijken naar de tijdscontouren in relatie tot de assen zien we een verschil tussen dynagram en diagram.
     
    Er is een eenheid in dualiteit:
    In een dynagram zijn 2 belangrijkste pijlen stijgend (o) en dalend (w). Deze hebben een duale verhouding (na elkaar). Door het proces verlopend verband volgen ze dezelfde route (rechtsom).
     
    Er is een tweeheid in polariteit:
    In een diagram zijn 2 belangrijkste pijlen een rechtsom en een linksom gaan route. De één via noord de ander via zuid. Noord en zuid hebben een polaire verhouding (tegelijkertijd)




    Deze 2 x2 pijlen maken voor een groot deel het verschil tussen dynagram en diagram. In de regel blijven ze twee gescheiden bouwpatronen met twee te onderscheiden tijdsverbanden.

     

    Op de gram laag in relatie tot te onderzoeken data zien we wel uitzonderingen op deze regel. 


     
    Twee te onderscheiden routes in het dynagram.
    Een proces van stijgen en dalen in een diagram.
     
    Vaak als een extra toegevoegd verband (meer als een alternatief) bij de prosessen en inhouden (dynagram) of bij de posities en betrekkingen (diagram).
    Als het zich voor doet wordt het van belang om te blijven kijken naar het referentie kader. Een dynagram is geen omgekeerde diagram en vice versa.

    Behalve de contouren spelen nog meer factoren een rol.
     
    Dynagram: Kosmo-morf, subject betrokken, functioneel mythisch.
    Diagram: Antropomorf, object betrokken, functioneel onthologisch.
     

    Want nog zeker interessant is en wat voor verwarring kan zorgen is het volgende. We gebruiken hier begrippen om een bepaalde dynamiek te laten zien van een tijdsverband (proces of betrekking). Sympathisch, anti-pathisch, stijgen, dalen, verschijnen en verdwijnen. Hou er rekening mee dat ook een 'begrip' weer los van het veel gebruikte verband ook in een andere verband gebracht kan worden. 
     
    Bijvoorbeeld:
     
    In dynagram: De begrippen sympathisch en antipathisch
    Sympatisch en antipathisch kunnen ook uitgewerkt worden in een proces.
    Sympatisch op oost (stijgend-opbouwend) Anti-pathisch op west (dalend, afbouwend)


    In diagram: De begrippen opbouwen en afbreken
    Opbouwen en afbouwen kunnen ook uitgewerkt worden in een betrekking met 2 routes .
    Opbouwen rechtsom (sympathische route), afbouwen linksom (antipathische route) .
     
    Wederom speelt referentie kader weer een rol (kosmo-morf, antropomorf, enz) beide keuze tussen je te onderzoeken data uit te werken in een dynagram of diagram.



    Subject betrokken en object betrokken in relatie tot dynagram en diagram





    Dynagram:
    De middenstip in het dynagram hier boven beeld het subject betrokken referentie kader.

    Ter herinnering:
    Kosmo-morf: Wanneer je de mens als een midden ziet tussen hemel en aarde. Niet als een midden tussen 2 gescheiden werelden waarin hij/zij zich om geeft, maar als een derde mede lid volledig verbonden met zijn omgeving (subject betrokken) worden dynamieken van de kosmos ook als dynamieken van hen zelf. Het maakt het mogelijk om zijn/haar omgeving van binnen uit te gewaar worden.

    In een subject betrokken referentie kader is het subject leidend en het object lijdend, dat wil zeggen dat het object zich moet richten naar het subject.

    Een subject betrokken referentie kader poogt een waar genomen systeem via beelden en fenomenen in kaart te brengen, mogelijk uit te werken in een dynagram.

    Voorbeeld: De maker van een mogelijke dynagram poogt beelden en fenomenen in kaart te brengen.

    Dynagram, kent zijn wortels vanuit een functioneel mythische optiek.  
    Kosmo-morf referentie kader.
    Het subject staat centraal. 
    Met de optiek dat de kosmos verbonden is met het subject .
    Het object komt meer buiten spel.
    Het subjectivering van de kosmos.  
    En de dynamieken/statieken van de kosmos worden in het subject gewaar. En andersom de dynamieken /statieken van het subject ziet hij/zij terug in de kosmos.



    Diagram:
    De stippen op 4 bronpunten beeld hier een object betrokken referentie kader.
    Ter herinnering:
    Antropomorf: Ons hoofd, borst, buik zijn leden van ons lichaam. Ons lichaam brengt ruimte besef met zich mee. Door het lichaam ontstaat de mogelijkheid om je te onderscheiden van je omgeving (object betrokken).
    Het maakt het mogelijk om de mens object betrokken vanuit verschillende invalshoeken waar te nemen.

    In een object betrokken referentie kader is het object leidend en het subject lijdend, dat wil zeggen dat het subject zich moet richten naar het object. 

    Een object betrokken referentie kader poogt een waar te nemen systeem via begrippen en feiten in kaart te brengen, mogelijk uit te werken in een diagram.

    Voorbeeld: De maker van een mogelijke diagram poogt begrippen en feiten objectief in kaart te brengen.


    Diagram, kent zijn wortels vanuit een onthologische optiek.
    Antropomorf referentie kader.
    Het object staat centraal. 
    Met  de optiek dat de mens gescheiden is van met het object.
    Het subject komt meer buiten spel.
    Het objectiveren van de mens.
    En de dynamieken/statieken van de mens worden objectief waargenomen.

     


    We maken hier onderscheid maar volledig te scheiden is het niet.
    Subject en object zijn wel te onderscheiden, maar niet te scheiden, niet te onderscheiden maar wel te scheiden, zie hier hun paradoxale interactie, die vraagt om een systeem dynamisch geordend ont-moetingsveld.
    Aangezien begripsvorming en beeldvorming op een systeemdynamische wijze zich tot elkaar kunnen relateren, dienen wij de subject object relatie nader te omschrijven in een functioneel verband.



    Ook de begrippen subject betrokken en object betrokken kunnen we plaatsen in 2 te onderscheiden tijdsverbanden:





    In een dynagram staan ze in en proces.

    Oost, object betrokken waarnemen.
    Zuid, het geen je hebt waar genomen in beeld brengen.
     
    Werkt verbinden tussen subject en object. (ZW)

    West, subject betrokken gewaarworden.
    Noord, je gewaarwording tot begrip brengen. 

    Werkt scheidend, om zo je subject betrokken waarneming weer object betrokken te kunnen waarnemen. (NO)

    In fenomenologisch onderzoek worden de object betrokken route en subject betrokken route in een tijdsverband na elkaar in een proces gebracht. 
      
    In een diagram staan ze in een betrekking.

     

    Subject betrokken en object betrokken.

    Oost, Waarin de een het tegendeel vormt van de ander, er is geen subject zonder object en vice versa.

    Polaire as, Subject en object worden in een systeem dynamische wisselwerking deelnemers van en aan elkaars ontwikkeling en inwijkeling, subject en object werken complementair. 

    In systeemdynamisch verband inter-acteren subject en object in twee onderscheiden routes, te weten een subjectbetrokken participerende route en een objectbetrokken opponerende route, de eerste leidend naar beeldvorming en de tweede leidend naar begripsvorming.

    West, Door de tegenstelling kunnen ze elkaar wederzijds uitsluiten. Het subject is niet het object en het object is niet het subject.
    Ze hebben eliminerende betrekking. Eliminerend wil zeggen, de een kan de ander teniet doen. Waar een object is, is er geen subject en vice versa waar een subject is, is er geen object. Voor een juist begrip dienen beiden gescheiden te worden om een subject object relatie te definiëren.

    Beeldvorming en begripsvorming.

    Een subjectbetrokken participerende route leidend naar beeldvorming.
    Objectbetrokken opponerende route leidend naar begripsvorming.

    (polaire as) Enigszins simplificerend verhouden beeldvorming en begripsvorming zich respectievelijk tot het wilsvermogen en het denkvermogen, anderzijds verhouden denkvermogen en wilsvermogen zich ook tot beeldvorming en begripsvorming . We zien hier de polaire insluitende dynamiek tussen denken en willen, begripsvorming en beeldvorming, het ene is niet zonder het andere, ze kunnen onderscheiden worden, maar niet gescheiden. Het polaire denken en willen ontvouwt zich in een betrekking (relativiteit) in elkaars tegendelen en elkaars tegenstelling.   

    Tegendelen:
    Beeld en begrip zijn de twee keerzijden van een en dezelfde werkelijkheid.
     
    Tegenstelling: ze kunnen ook een tegenstelling vormen waarin de een de ander kan elimineren of uitsluiten. Dat maakt dat er tussen begrip en beeld duidelijk een onoverbrugbare kloof bestaat. Je kunt of een beeld of een begrip van de werkelijkheid vormen. In dat opzicht dient men de beeldvorming streng te scheiden van de begripsvorming.

     


    Begrip en beeld in relatie tot dynagram en diagram.
     
    Net als subject betrokken en object betrokken kunnen we 'beeld' en 'begrip' ook gescheiden uitwerken in een dynagram of diagram.



    Dynagram:

    Processen en inhouden vormen een samenhangend geheel, in deze een dynagram, gekenmerkt door een statisch kruis in een dynamisch veld. (gedachte gang)

    Een dynagram verhoudt zich meer tot de tijd (ordening). Deze tijd is primair (tijdruimte veld). Een proces is meer dynamisch dan een positie omdat we deze aan de tijd koppelen. Deze zelfde tijd kent maar 1 route (rechts om) , dit maakt een proces weer meer statisch. Hier in zien we een wisselwerking van dynamisch en statisch binnen 1 verband.

    Het dynagram beeldt dan ook een gerichte gedachtegang.
    In een dynagram (dynamisch veld) geven we een 'gedachte gang' weer. Een gedachte gang is rond wanneer het een en ander zodanig heeft verbonden dat het insluitend op zichzelf staat. Een gedachte gang krijgt hier mee een concentrisch karakter (blauw).

    Blauw wordt doorgaans getypeerd als een koude kleur. Koud wordt gekarakteriseerd door een concentrische dynamiek.

    Dynagram geeft een gedachtegang weer, brengt het reeds vermoede via beelden tot begrip.
    De te onderzoeken data in een dynagram hangen samen met de gedachte gang die je in kaart wil brengen.
    Verhaal geeft een gedachte gang weer.

    Diagram:

    Posities en betrekkingen vormen een onsamenhangend geheel, in deze een diagram, gekenmerkt door een dynamisch kruis in een statisch veld. (nog te denken) 

    Een diagram verhoudt zich meer tot de ruimte. Deze ruimte is primair (ruimtetijd veld). Een positie is meer statisch dan een proces omdat we deze aan ruimte koppelen. Door deze vaste posities kunnen we ze op meerdere en verschillende manieren met elkaar in verband brengen. De positie wordt dan ook weer meer dynamisch. Hier in zien we ook weer een wisselwerking van statisch en dynamisch binnen 1 verband.
     
    Het diagram beeldt meerdere te denken richtingen
    In een diagram (statisch veld) exploreren we hetgeen 'nog te denken' valt. Een diagram geeft te denken omdat de samenhang tussen de begrippen op meerder manieren uitgedacht kunnen worden. Het geen nog te denken valt krijgt hiermee een discentrisch karakter (rood).
     
    Rood wordt doorgaans getypeerd als een warme kleur.Warm wordt gekarakteriseerd door een discentrische dynamiek.
     
    Geeft te denken, brengt het nog onvermoede via begrippen en posities in beeld.
    Te onder zoeken data in het diagram hangen samen met een mogelijke kaart op grond waar van je verschillende denk operaties kan oefenen.
    Woorden geven nog te denken.



    Dynagram en diagram verhouding zich tot elkaar in een polaire verhouding. (zie gram 5 bouwpatronen).   In en vanuit het functionele paradigma kunnen dynagram (meer beeld, verhaal) en diagram  (meer begrip, woorden) zich dan ook tot elkaar verhouden in een polaire dynamiek waarin ze elkaar complementair kunnen aanvullen. 

    In elke gram spelen beeld en begrip een rol.
    Dynagram en diagram laten ieder op hun eigen wijze iets van diezelfde werkelijkheid zien. In dit opzicht is de strenge scheiding tussen dynagram en diagram juist een voorwaarde teneinde ruimte te scheppen voor de weerspiegeling tussen de onderscheiden domeinen van het kosmo-morfe en het antropomorfe, subject betrokken en object betrokken, begrip en beeld, synthetisch en analytisch. Deze weerspiegeling nu maakt het mogelijk om een glimp op te vangen van een werkelijkheid die noch begrip noch beeld is, maar een complementaire ´realiteit´ die evenzeer kan verschijnen als verdwijnen.

    De grens tussen beeld en begrip niet altijd zo scherp te trekken, aangezien 1 begrip wel meer betekenissen kan hebben en in dito beelden kan worden weergegeven, evenzo kan 1 beeld door meerdere begrippen omschreven worden. Blijkbaar zijn er vele gradaties en of overgangen mogelijk tussen het domein van het begrippelijke en het domein van het beeldelijke. Niettemin wordt het van belang om in een systeem dynamisch verband de begripsvorming deels strak te scheiden en of deels te onderscheiden van de beeldvorming.

    Even zovele begrippen en of beelden voor twee onderscheiden domeinen die een systeemdynamisch instrument behoeven om ze met elkaar in gesprek te brengen. Immers in en vanuit het niets tussen begrip en beeld verschijnt het diagram en het dynagram als twee onderscheiden dimensies van de tijdruimte en de ruimtetijd, ze behoren tot een en dezelfde werkelijkheid die wij dienen te onderscheiden en te verbinden. Tussen beeld en begrip zit een realiteit die we slechts kunnen viseren via een meta perspectief middels een kosmo-morfe  referentie kader (dynagram) en of een antropomorfe referentie kader (diagram). Aangezien beeld en begrip de twee keerzijden vormen van die ene en dezelfde werkelijkheid kunnen ze elkaar weerspiegelen en precies die weerspiegeling kan via een systeemdynamisch instrument in kaart gebracht worden.

    Beeld

    Synthetisch (samen voegend)
    zoals een verhaal woorden samenvoegt
    Zo voegt een beeld mogelijke begrippen samen.
     
    Proces en inhoud
    De ruimte ontstaat uit de dynamiek van de tijd.
    • De stroming vormt een bedding voor het water.
     

    Begrip



    Analytisch (onderscheidend)
    Zoals woorden  een verhaal ontleed
    Zo ontleed begrippen  een mogelijk beeld.

    Positie en betrekking
    De tijd ontstaat hier uit de dynamiek van de ruimte.
    • De bedding vervormt de stroming van het water.

      
     

     

    Synthetiseren en analyseren




    Dynagram 
    Synthese tussen subject en object, in een subject betrokken kosmo-morfe referentie kader.
    Het samen voegen van mogelijke leden tot een rond geheel 
    Meer subject betrokken,  waarin het subject in relatie tot het object enerzijds participerend en verbindend (synthetisch) en anderzijds analytisch te werk gaat.

    Diagram
    Analyse van subject en object, in een object betrokken antropomorfe referentie kader.
    Het in kaart brengen van mogelijke delen. 
    Meer object betrokken,  waarin het subject in relatie tot het object enerzijds opponerend en onderscheidend  (analytische) en anderzijds synthetisch te werk gaat.  

    Ook de begrippen synthetisch en analytisch kunnen we in 2 te onderscheide tijdsverbanden plaatsen.  

     

     

    Dynagram:
    Analytisch en synthetisch in een proces.

    Oost, analyseren
    Zuid, divergeren
    West, sythetiseren
    Noord, convergeren

    Diagram: Analytisch en synthetisch in een betrekking. 

    Rechts om, synthetische route werkt includerend.
    Links om, analytische route werkt excluderen.  

    Ook in elke gram  spelen synthetisch en analytisch een rol.
    In contouren en de assen zien we verbindende en scheidende verbanden en verhoudingen.

    De begrippen 'licht' en 'donker' in relatie tot de 4 contouren in dynagrammen en diagrammen.

    Licht en donker in relatie tot proces in een dynagram en posties in een diagram.




    Dynagram:
    licht en donker 'lopende' in een dynagram proces

    Verschijnen en verdwijnen
    Immateriële en materiële

    Diagram:
    Licht en donker 'staande' op diagram posities

    Licht
    verdwijnen
    Stof
    verschijnen
    Geest
    Donker

    Licht en donker in relatie tot inhouden en betrekkingen.




    Dynagram:
    Licht en donker in relatie tot inhouden.

    Diagram: licht en donker in relatie tot betrekkingen.



    Dynagram en diagram in relatie tot 3 hoeks verbanden.

    In het hologram krijgen 4 bronpunten zoals we die kennen in van dynagram  raak-vlakkeen met 4 bronpunten die we kennen van het diagram. Ze vallen als het waren over elkaar heen.  Dit geeft de mogelijkheid om in het centrum een meer kosmo-morf of meer antropomorfe 3 hoeks verbanden te zien.

    In Hologram, Hier gaat het alleen  over het centrum.



    Dynagram:
    In het centrum komen  dynagram 3 hoeks verbanden in relatie tot posities van het diagram. Meer subject betrokken.
    Bijvoorbeeld:
    Zuid krijgt dan een 3 hoeks verband met de punt omhoog wijzend. Deze verbind een dynagram zuid  met een ZO en ZW van het diagram.  
    Noord krijgt dan een 3 hoeks verband met de punt naar benden wijzend. Deze verbind een dynagram noord met een NO en NW van het diagram.
     
    Voorbeeld:
    Roze 3 hoek 'mannelijke' energie. Hemel  energie verbonden met de buik.
    Blauwe 3 hoek 'vrouwelijke' energie. Aarde energie verbonden met het hoofd.


    Diagram:
    In het centrum staan diagram 3 hoeks verbanden in relatie tot posities in het diagram. Meer object betrokken. 
    Bijvoorbeeld:
    Noord staat in verband met ZO en ZW, Blauwe drie hoeks verband  met de punt omhoog wijzend. 
    Zuid staat in verband met NW en NO, Roze drie hoeks verband met de punt naar beneden wijzend.  



    3 hoeks verbanden in een dynagram en diagram. 



    Dynagram:
    ...

    herinnerings flitsen, concentratie stoornissen en dromen hebben een verband met zuid.
    schrik reacties, stemmings stoornissen en angsten hebben een verband met noord.


    Diagram:  ...

    Nog verder te hernemen :


    Duogram










    In het functionele paradigma verhoudt het diagram zich tot het denken als ken instrument en het dynagram zich tot het willen als ken instrument, bijgevolg kan het voelen als ken instrument zich pas verhouden tot het tussen als het denken is uitgekristalliseerd tot een diagram en het willen is geboetseerd tot een dynagram. De kristallijne en vloeiende dynamieken in diagram en dynagram spreken respectievelijk het denken en het willen aan en of viceversa.

    Zonder een systeemdynamisch veld kan dit `tussen´ niet aan de orde gesteld worden en bijgevolg kan het voelen als ken instrument pas aantreden in het functionele paradigma en bijgevolg in een verhouding tussen diagram en dynagram als resultante van het denken en het willen. Denken en willen verhouden zich tot elkaar als twee vermogens waarin zowel duale symmetrische als polaire complementaire dynamieken aan de orde gesteld kunnen worden. Pas met het voelen als ken vermogen kunnen we het relatieve midden `behartigen´. Deze drie kenvermogens ofwel dit drieledige kenvermogen verhoudt zich weer tot het vierledige veld van kennen en kunnen, kennis en kunst.

    Begripsvorming en beeldvorming dienen zich, binnen het functionele paradigma, systeemdynamisch tot elkaar te verhouden in een complementair en symmetrisch werkend veld, in deze een duogram, waarin diagram en dynagram zich tot elkaar verhouden als een wederkerige constituerende dynamiek waarin denken en willen zich zodanig tot elkaar verhouden dat ze beiden ruimte scheppen voor het voelen. Bijgevolg kan het een noch het andere ooit met elkaar samenvallen, vandaar dat dit ´tussen´ hetgeen is wat het functionele paradigma wil behartigen en viseren in een systeemdynamisch veld.




    Een achtledig veld is een kleinst mogelijke eenheid van vier gedefinieerde posities en vier gedefinieerde betrekkingen en of een kleinst mogelijke eenheid van vier bepaalde processen en 4 bepaalde inhouden (zo doende spiegelt een duogram een 16 ledig veld waarin diagram en dynagram elkaar wederkerig spiegelen als tegendeel en tegenstelling, vandaar haar positie op west).

    Een grondpatroon is een kleinst mogelijke eenheid van de configuratieve componenten,  8 bronpunten met een 9de midden, 4 contouren die ieder 4 bronpunten in verband brengen, 4 assen die de 8 bronounten tot elkaar doen verhouden. 8 raakvlakken die door de contouren verschillend resoneren maar wel indezelfde gelijkmatigheid, en 9de midden.

    In een duo gram staan 2 grondpatronen de één in een tijdruimte en de ander in een ruimtetijd. Een duogram worden alle contouren gebruikt. Dynagram en diagram zijn in een duogram afhankelijk van elkaar (heteronoom). Ze komen bij elkaar als een synthese
    3a Synthesis Vertical Caduceus   maar blijven ook van elkaar gescheiden en vormen dan ook een tegenstelling. Het hertonomen karakter van bronpunt west, het proces van synthese en de positie van een tegenstelling komt het duogram op West.


    Dicto gram
    Wanneer er gesproken wordt van supra luminale verbindingen dan kunnen we er ontologisch gezien niets bij voorstellen, niettemin kunnen we al werkend in het dictogram wel het een en ander aan verbinden, maar hoe, hetgeen ervaren wordt in werking kan treden, vraagt toch een heel nieuw referentiekader en het supra luminale is in dat opzicht het dictogram niet vreemd, maar dan dienen we opnieuw aansluiting te vinden met het aloude veld van de sjamanen die nog werkten binnen het mythische paradigma, waarin de onmiddellijke relatie tussen subject en object aan de orde gesteld werd.

    Het dictogram als veld is in en vanuit het mythische paradigma gebaseerd op het gegeven dat er niet alleen verbindingen sneller dan het licht bestaan, supra luminaal, tussen ruimteachtig afgezonderde gebeurtenissen, maar dat deze tevens gebruikt kunnen worden op een controleerbare wijze om te communiceren, maar evenwel communicatie tussen wat en wie?

    Je zou kunnen opperen dat in het dictogram een supra luminale overdracht van negentropie (orde) plaats vindt zonder signalen, zonder tarnsport van massa en of energie. Er vindt een onmiddellijke en ogenblikkelijke verandering plaats in de hoedanigheid van het veld en de deelnemers zowel in ruimte als in tijd. Communicatie sneller dan licht is fysisch gezien nog deels speculatieve theorie, maar toch kan de realiteit soms de theorie vooruit zijn.


    Hologram:
    Het hologram (bouwpatroon) maakt de wisselwerking zichtbaar tussen de twee grondpatronen. De ene geordend in een dynagram en de andere in een diagram. Deze vervlechting tussen dynagram en diagram vormt een harmonisch geheel waarin de synthese tussen deze twee grondpatronen dynamisch in beeld kan worden gebracht met behoud van alle karakteristieke raak-vlakken en de daarmee samenhangende resonanties. Waarbij in een duogram het dynagram en diagram los van elkaar blijven staan worden ze in een hologram met elkaar vervlochten.

    Hologram Windroos in relatie tot elementen in kleur.

    De 4 bronpunten, Noord, Oost, zuid en west hebben een overlappend bereik. Het bereik wordt met een cirkel grafisch weergegeven. De omtrek van het bereik van bronpunt Noord loopt tot het bronpunt Zuid en vice versa. De omtrek van het bereik van bronpunt Oost loopt tot het bronpunt West en vice versa. Hierdoor komen de twee tegenover elkaar staande bronpunten naast elkaar/ op elkaar te liggen. Wanneer bij te onderzoeken data de wisselwerking tussen de ene bronpunt en de andere bronpunt zeer dichtbij elkaar licht komt een hologram te voorschijn. De overlap van het bereik van de bronpunten is niet een werkzame/ werkelijke overlap. Er zou dan in het centrum een ratjetoe van van alles zijn waar geen structuur of ordening zichtbaar wordt. Door dat het bereik van bronpunt Noord tot bronpunt zuid komt en vice versa, wisselen ze van positie. Het Noord van beneden komt in het midden boven te staan en het Zuid van boven komt in het midden onder te staan. We zouden dan eerder kunnen gaan spreken over een verband dat grafisch word vorm gegeven door een lijn in een vorm van een cirkel. De buitenste coördinaten staan in een tijdruimte (dynagram), de coördinaten in het centrum staan in een ruimtetijd (diagram). De bronpunten die deze bemiddelen kunnen worden gelezen zowel als een dynagram als zowel een diagram. Wanneer er gebruik wordt gemaakt van 3 hoeks verbanden kan dat betekenen dat er gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld het Zuidelijke bronpunt (dyna)  die met  2 coördinaten een verband vormt. Die 2 coördinaten blijven in het bereik van het zuid van het diagram (bouwpatroon)



    Bouwpatronen in relatie tot elkaar

    Tussen deze bouwpatronen bestaan mogelijke wisselwerkingen. Door de 5 bouwpatronen in een gram te plaatsen kunnen er verschillende wisselwerkingen, verhoudingen, verbanden enz aan het licht worden gebracht. 


    Dynagram en diagram zijn de 2 al besproken bouwpatronen. We kunnen ze op verschillende manier zich tot elkaar laten verhouden. (8 fold)

    In een duale verhouding, 2b Antithesis Horizontal
    in een polaire verhouding 3a Synthesis Vertical Caduceus





    Gram


    Ter herinnering


    Elke gram dient te beantwoorden aan het grondpatroon en aan 1 van de bouwpatronen. De cruciale configuratieve componenten van het grondpatroon hebben een bereik (een marge) waarin mogelijke alternatieven kunnen oplichten afhankelijk van de te onderzoeken data.

    Een gram kent alternatieve configuratieve componenten:

    • Alternatieve coördinaten
    • Alternatieve verbanden
    • Alternatieve verhoudingen
    • Alternatieve  raak-vlakken

    Deze vier alternatieve configuratieve componenten worden gekenmerkt door hun onderlinge alternatieve (mogelijke) wisselwerkingen.

    Alternatieve coördinaten
    In een gram zijn er tal van mogelijke alternatieve coördinaten. Deze coördinaten blijven zich verhouden tot de 8/9 bronpunten. De windstreken, windrichtingen, en hun inwerkingen en uitwerkingen....

    Alternatieve verbanden
    In een gram kunnen alternatieve coördinaten in een mogelijke alternatieve verband gebracht worden. Toch blijven deze alternatieve verbanden in relatie tot de contouren staan.

    Bijvoorbeeld. In deze 'casus gram' (link) staan alle 12 maanden (inhouden) in een jaarloop (proces). Dit proces wordt gekoppeld aan 'de maanden waarin de dagen korter worden' en 'aan de maanden waarin de dagen langer worden'. Het proces is in het grondpatroon aanwezig maar wordt niet in deze 'casus gram' letterlijk benoemd. 

    De onderlinge verbonden en/of gescheidenheid van cruciale contouren en mogelijke alternatieve verbanden, zijn een fundamenteel kenmerk van systeem dynamiek.

    Al blijven alternatieve verbanden  altijd in het bereik en in relatie tot de cruciale verbanden. In elke gram kan er verscheidene wisselwerkingen zichtbaar worden. Bijvoorbeeld:

    Cruciale posities en alternatieve betrekkingen en cruciale betrekkingen en alternatieve posities.

    Zo ook cruciale processen en alternatieve inhouden en cruciale inhouden en alternatieve processen.

    Ster verbanden

    Een veel voorkomend alternatief verband zijn 3 hoek / 6 ster/ 12 ster verbanden. De begrippen op de punten en lijnen van de ster blijven geordend aan het grondpatroon en een (bij de te onderzoeken data passend) bouwpatroon. Zo zijn er stervormige grammen in een diagram, dynagram, duogram dictogram en hologram mogelijk uit te werken.

    Een ster bestaat uit driehoeks verbanden.

    • De begrippen op de 3 punt coördinaten van het 3 hoekverband hebben een overeenkomst. Het geen wat ze met elkaar verbind.
    • In een 6 ster verband staan 2 maal een 3 hoekverband met elkaar in wisselwerking.
    • In een 12 ster verband staan 4 maal een 3 hoeksverband met elkaar in wisselwerking.
    Alternatieve verhoudingen
    In een gram kunnen alternatieve coördinaten in alternatieve verbanden, in alternatieve verhoudingen uitgewerkt worden. Al blijven deze alternatieven gerelateerd aan de cruciale verhoudingen.

    Ook kunnen  in een gram de bronpunten zoals.. in een alternatieve verhouding uitgewerkt worden zoals in het volgende voorbeeld ....Ze blijven echter in 1 gram gerelateerd aan het grondpatroon, .. blijft tegen over ...staan. Elke coördinaat op zich kan weer in een grondpatroon worden uitgewerkt.  (alternatieve  verhoudingen in relatie tot octet)

    Ook kunnen  in een gram de bronpunten zoals Oost en Zuid in een alternatieve verhouding uitgewerkt worden zoals in het volgende voorbeeld (2 a antithesis).??????  Zuid en Oost staan in een diagonale verhouding, ....as. Ze blijven echter in 1 gram gerelateerd aan het grondpatroon, Oost blijft tegen over West staan. Elke coördinaat op zich kan weer in een grondpatroon worden uitgewerkt.
    (alternatieve verhouding in relatie tot extra toegevoegte diagonale)

    Alternatieve  raak-vlakken

    In elke gram vormt het grondpatroon de basis op grond waarvan alle andere alternatieven uitgewerkt kunnen worden.

    Door de alternatieve, -coördinaten, -verbanden, -verhoudingen in een gram kunnen er ook alternatieve raak-vlakken ontstaan. Deze alternatieve raak-vlakken blijven gerelateerd aan de cruciale raak-vlakken, binnen het bereik van de resonantie in het grondpatroon.

    (Meerdere)  raak-vlakken in 1 veld  vermeerderen en/of verminderen de resonantie in een veld

    Resonantie kan minder of meer zijn afhankelijk van de ingevoegde data en het gebruik van bronpunten, contouren en assen.

    Elke op zichzelf staande gram (met cruciale en alternatieven) kan dusdanig resoneren, dat het een op zichzelf staande veld kan vormen, die als bouwmodel kan functioneren voor het maken van andere grammen. Bouwmodellen zijn grammen waarvan de gevonden unieke basiselementen (cruciale en alternatieven) in andere grammen herhaald kunnen worden.  Afbeelding bouwmodel gram PM archai kai aitiai (als link) is gebruikt voor de gram van  'opbouw van een systeem dynamisch veld'.


    Een gram kan gebruikt worden als bouwmodel, dit bouwmodel beantwoordt aan het grondpatroon en aan 1 van de bouwpatronen. De coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken die in deze gram aan het licht zijn gekomen, worden deels of geheel gebruikt in andere gram(men). Elke gram heeft in zekere zin de mogelijkheid om tot een bouwmodel uitgewerkt te worden..

    Een gram is een systeem dynamisch veld/model.

    In het werken met een open systeem model (een systeem dynamisch veld) onderscheiden we 5 lagen:

    • Grondpatroon (meer veld)
    • Bouwpatronen
    • Gram (meer model)
    • Te onderzoeken data
    • Werkelijkheid

    Een gram is het midden waarin al deze 5 lagen van een systeem dynamisch veld zich gelijktijdig voor doen.


    Een systeem dynamisch veld wordt grafisch vorm gegeven door middel van een beeld structuur waarin op bepaalde punten (coördinaten) de begrippen geordend kunnen worden. Dit systeem dynamische veld noemen we een gram. Het woord ‘gram’ komt van grafein en betekent ‘beschrijven’, ‘samenstellen’ en ‘weergeven ‘. Dus een gram is een veld waarin woorden staan die met elkaar een samenhang vormen. Systeem dynamiek integreert zowel de dimensie van het begrip (woorden) als de dimensie van het beeld (grafische vormgeving). Een gram is een weergave van een samenstelling die iets beschrijft.


    Mogelijke apriories om systeem dynammisch veld te karakteriseren.

    • sfeer
    • veld
    • werking
    • vorming
    Sfeer en veld.
    Vormen een wisselwerking.


    Sfeer verhoudt zich tot het immateriële. Het is niet makkelijk pakbaar, toch ervaren we het op een of andere wijze wel. Of je nu in een vergadering zit, in een familie opstelling of naar een schilderij kijkt. Sfeer doet iets met je. Het brengt iets te weeg. En toch kun je het niet ‘iets’ noemen want het is ook weer ‘niets’. Het is er altijd maar is niet continu. Deels verschijnt het en verdwijnt het en deels is het er altijd op een of ander wijze.

    Veld verhoudt zich tot het materiële. Je kunt het veld begrenzen maar tegelijkertijd is het veld onbegrensd. Zoals deze systeem velden in de schoenveter. Je kunt het systeem dynamisch ‘veld’ als een eigen opzichzelfstaand veld zien en als zodanig begrenzen, maar tegelijkertijd vormt hij met sfeer, werking en vorming een nieuw veld. De hele schoenveter vormt met alle veldjes weer een veld. Alle tot nu toe gevormde grammen vormen met elkaar ook een veld. En zo kun je door gaan want het ene veld vormt met het andere veld een veld. Met mij als schrijver een veld. Met ons creatief artes team een veld. Met ons en de lezer een veld. Met ons en de wereld een veld, met ons en de kosmos een veld. Kortom tussen het ene veld en het andere veld vormt zich een nieuw veld. Het veld is onbegrensd in vorm en inhoud. In de ruimte maar ook in de tijd is het veld eindig en oneindig. Het is eindig ‘hij is af’ en staat compleet op papier en op de site maar hij is ook oneindig in relatie tot jouw als lezer en mij als maker. Je kunt er mee blijven spelen.

    Werking en vorming
    Vormen een wisselwerking.


    Werking geeft ordening aan de structuur van de vorming. Werking verhoudt zich tot het immateriële. De vorming is (wordt) onzichtbaar. Sfeer is de onzichtbare werking. Waar sfeer iets te weeg brengt, daar geeft werking uitvoering. Het doet iets. Het doet ontsluiten en omsluiten. De werking maakt het mogelijk dat iets zichtbaar of onzichtbaar kan worden. Het ontsluit het geslotene én omsluit het ongeslotene. Wat er toe doet, wordt ingesloten, wat er niet toe doet wordt uitgesloten. De werking verloopt via bepaalde fasen waardoor we kunnen spreken van een proces/betrekking (tijd).

    Werking maakt configuratie mogelijk. Een bepaalde werking leidt tot een bepaalde configuratie. Zonder tijd is er geen werking.

    Vorming geeft structuur aan de ordening van de werking. Vorming verhoudt zich tot het materiële. De werking wordt (is) zichtbaar. Veld is de zichtbare vorming. Waar veld iets laat zien,daar geeft vorming invoering. Het vormt iets. Een schilder kan met punten of lijnen, rechten en krommen vormen schilderen. Pas op het doek wordt het zichtbaar. Krijgen ze onderling een zichtbare relatie met elkaar zodat het schilderij steeds meer vorm krijgt. Uiteindelijk wordt het steeds meer zichtbaar. Op dezelfde wijze kan een gram steeds meer zichtbaar worden, via haar coördinaten en assen vormt het een gram, een duogram, in relatie tot mens, aarde, kosmos, etc. De vorming krijgt gestalte door middel van bepaalde facetten waardoor we kunnen spreken van een positie/inhoud (ruimte).

    Vorming maakt compositie mogelijk. Een bepaalde vorming leidt tot een bepaalde compositie. Zonder ruimte is er geen vorming.

    Zoals sfeer en veld zich tot elkaar verhouden, zo verhouden zich werking en vorming, het immateriële en het materiële tot elkaar. Sfeer en werking verhouden zich tot het immateriële, veld en vorming tot het materiële.
    Sfeer, veld, werking en vorming zijn belangrijke apriories (‘wat van tevoren gegeven is’) van een nog ongedifferentieerd systeem veld. Samen vormen zij het nog witte doek: het doek en zijn context, het doek en de maker, de maker en zijn ideeën, de maker en zijn omgeving, de maker en wij allen, wij allen en de kosmos.

    Een systeem dynamisch veld verhoudt zich tot een veld in een veld, in een veld...


    Er is geen geheel zonder deel en geen deel zonder geheel.
    Deel en geheel vormen een wisselwerking waardoor een samenhang ontstaat. Lees hier ‘deel’ ook als ‘lid’, ze hebben echter een verschillende betekenis. Deel staat voor een scheidbaar onderdeel (mechaniek) en lid voor een onscheidbaar medelid (organiek).


    Organiek:

    Mechaniek:




    Geheel
    Een geheel is alles bij elkaar. Binnen systeem dynamiek is het mogelijk om een gram (een systeem dynamisch veld) als een geheel te zien van de desbetreffende wisselwerkingen tussen coördinaten, verbanden, verhoudingen etc. Maar dit zelfde geheel kan een deel zijn binnen een ander systeem dynamisch veld. Die op zijn beurt een deel kan vormen van een te onderzoeken werkelijkheid of waarschijnlijkheid. Het geheel is niets en iets, tegelijkertijd. Zo kan niet iets uitgesloten worden en tegelijkertijd kunnen niet alle ietsen omsloten worden. We kunnen niets uitsluiten en niets omsluiten. Het geheel is daardoor meer dan de som der delen.

    Bijvoorbeeld, binnen het geheel van de Chinese orgaanfuncties kun je de Yin organen op bepaalde coördinaten plaatsen. Lever, Hart, Milt, Long en Nieren staan allemaal in 1 gram. Ook kan elk orgaan qua functie weer in onderscheiden coördinaten in een nieuw dynagram uitgewerkt worden zoals bijvoorbeeld de Lever functie. (links grammen)

    Afbeelding voorbeeld plaatje geheel met uitleg
    Afbeelding voorbeeld gram geheel met uitleg
    Afbeelding voorbeeld symbool geheel met uitleg (plant)


    deel
    Een deel is een onlosmakelijk onderdeel of lid van een functionerend geheel. Elk afzonderlijk deel of lid bepaalt de wijze waarop het geheel in functie treedt. Verander je het deel, verandert mogelijk het geheel, haar functie, de werking van en de verhouding tot andere delen/leden. Alles hangt met alles samen. Binnen systeem dynamiek wordt onderzocht welke delen/leden zich binnen 1 verzameling of klasse zich tot elkaar kunnen verhouden. Alles kan mogelijk met alles samenhangen, maar je dient wel degelijk te onderzoeken wat zich tot wat verhoudt binnen een geheel. Met name hoe de verhouding tussen de delen/leden binnen 1 geheel zich op haar beurt weer kunnen verhouden tot andere delen en leden in hun verhouding binnen een ander geheel.

    Bij voorbeeld binnen systeem dynamiek kun je de verschillende te onderscheiden grammen: diagram (link), dynagram (link), duogram (link), dictogram (link)en hologram (link)die elk een apart gram vormen, afzonderlijk uitwerken, maar met elkaar vormen ze de delen/leden van een systeem dynamisch veld en vormen ze met elkaar een geheel. Zie voorbeeld.

    Zo kan elk ingevulde coördinaat (begrip/beeld) weer een gram op zich zelf vormen. Je kan eindeloos in en uitzoomen. De te onderzoeken data vergroten en verkleinen.

    Alles hangt met alles samen en elk deel representeert het geheel. Bijgevolg leidt dit,
    binnen een systeem dynamisch verband, niet  tot verlies van ordening en structuur.

    Afbeelding voorbeeld plaatje deel met uitleg
    Afbeelding voorbeeld gram deel met uitleg
    Afbeelding voorbeeld symbool deel met uitleg (zaad)


    Punt omtrek
    Punt en omtrek vormen een verhouding. Waarbij de een niet zonder de anderen kan. Er is geen punt zonder omtrek en geen omtrek zonder punt. Ze vormen samen een 2 ledige verhouding.


    Punt

    Een punt vormt een midden in zich zelf. Een nauwkeurige compleetheid. Een afgerond geheel. Elke coördinaat heeft een puntig karakter. Zo is elke positie, betrekking, proces en inhoud ook puntig.
    Een punt kan ook het midden vormen van een veld. Binnen een systeem dynamisch veld noemen we deze middelste punt o.a. de 9de kardinale coördinaat, de spil, het centrum.

    De omtrek Is het bereik van de punt, zijn buitenste deel. Daar waar de punt grenst aan zijn omgeving of aan het bereik van andere punten.
    • De omtrek kan verschillende vormen aan nemen, o.a. driehoekig, vierkantig, cirkelvormig, organisch, in relatie  tot een veld en/of coördinaat.
    • Het bereik van inhouden en posities is in verhouding tot processen en betrekkingen puntiger door dat ze zich meer verhouden tot de ruimte. Processen en betrekkingen verhouden zich meer tot de tijd, en krijgen hier door een kwadrantiger karakter.
    • Het bereik van een 1 bronpunt kan van omvang verschillen. Zo kunnen meer begrippen zich verhouden tot 1 en dezelfde bronpunt. Deze begrippen staan dan op een alternatief coördinaat. 
    • Toch vormt elk begrip op zichzelf weer een afgesloten eenheid.
    • De begrippen rond 1 bronpunt kunnen weer systeem dynamisch geordend worden (door middel van het grondpatroon).
    Afbeelding plaatje waarin punt en omtrek zichtbaar wordt
    Afbeelding gram waar punt en omtrek zichtbaar wordt
    Afbeelding symboliek van punt en omtrek (zonnecirkel) 

    Gram als een subject en object betrokken instrument

    De maker van een gram en een gram verhouding zicht tot elkaar als twee delen en als twee leden wanneer de maker en de gram een eenheid vormen. Die met elkaar meer kunnen dan elk afzonderlijk. Tussen beide is een wisselwerking.  

    Subject en object verhouden zich tot elkaar deels als objecten / delen en deels verhouden ze zich tot elkaar als subjecten / leden.

    De maker van een gram en een gram zelf verhouden zich tot elkaar als objecten. Ze zijn 2 gescheiden delen. De maker van een gram en een gram verhouden zich tot elkaar als 2 subjecten. Ze zijn 2 verbonden leden. Ze zijn los van elkaar de een is de ander niet. Ook zijn ze verbonden ze beïnvloeden elkaar.

    Een subject benoemen we als een waarnemend systeem, anderzijds kan het object ook een waarnemend systeem worden.

    De maker van een gram leest een gram bekijkt zijn begrippen en beelden, dynamieken. Anderzijds is het met een gram mogelijk om de werkelijkheid en waarschijnlijkheid te onderzoeken. Het wordt een waarnemend systeem.

    Een object benoemen we als een waar te nemen systeem, anderzijds kan het subject ook een waar te nemen systeem worden.

    Een gram kunnen we benoemen als een waar te nemen systeem. We kunnen zien hoe hij er uit ziet en wat het kan. Anderzijds kan de maker ook een waar te nemen systeem worden. Je kunt van de grammen maker (mens) op verschillende manieren onderzoeken door middel van een gram.

    Bijvoorbeeld zijn levensloop in een dynagram plaatsen of zijn rol, functie, taken enz onderzoeken met een diagram.

    Maar ook aspecten van de persoonlijkheid kunnen oplichten. Grammen maken doet een beroep op deze aspecten. In hoe verre kan ik (als mens en als grammen maker) mijn scheidende en verbindende vermogens gebruiken. En wat kan dat vertellen over mijn Ik functie, zelf functie, zijns functie en wordings functie.

    Een waarnemend systeem verhoudt zich tot een waar te nemen systeem zoals een waar te nemen systeem zich ook weer kan verhouden tot een waarnemend systeem.

    De maker (waarnemend) verhoudt zich tot een gram (waar te nemen) zoals een gram (waar te nemen systeem) zich weer kan verhouden tot zijn maker (waarnemend systeem). 

    Systeemdynamiek wil de wisselwerking tussen subject en object, tussen waarnemer en waargenomene, tussen waarnemend systeem en waar te nemen systeem aan de orde stellen in een structureel onherleidbaar patroon. Systeemdynamiek wil en kan de onderlinge verwevenheid van gegeven configuratieve  componenten zodanig aan de orde stellen dat ze rationeel denkbaar kan worden in en vanuit een functioneel paradigma als een synthese tussen mythos en logos.

    Subject en object zijn onmiddellijk verweven en dienen dat weefsel interactief te weven, systeemdynamiek biedt daartoe een dienstbaar instrument.

    Subject en object staan niet op zich en voor zich, ze ontsluiten betekenis in de samenhang van de wisselwerking tussen het waargenomene en de waarnemer.

    Wat we denken is niet alleen de werkelijkheid zelf, maar de werkelijkheid die wil verschijnen in en vanuit een systeem dynamische interactie tussen subject en object, subject en subject, object en object.

    Subject en object zijn wel te onderscheiden, maar niet te scheiden, niet te onderscheiden maar wel te scheiden, zie hier hun paradoxale interactie, die vraagt om een systeem dynamisch geordend ont-moetingsveld.

    Een gram als wisselwerking tussen  het immateriële en het materiele

    Veld als insturment van de geest
    Systeem dynamiek is een instrument van de geest, los van de vraag wat geest is en of geest wel bestaat, het hoeft niet aangetoond te worden om toch haar werkzaamheid te kunnen tonen.

    Geest kan de werkelijkheid denken en of zelfs vormen daar waar de werkelijkheid gewild kan worden door de geest en of beter daar waar de wil van de geest werkelijkheid bewerkt en of doet zijn en worden.

    Geest en stof
    Geest en stof zijn zowel duale als polaire manifestaties van dat wat is en dat wat niet is, een paradoxale verbinding tussen zijn en niet zijn, zijn en worden. Manifestaties verschijnen en verdwijnen.


     3 ledige dynamiek


    Meerledige verhoudingen, verbanden, enz
    Een gram is op te bouwen uit 2 of meerledige componenten, in het diagram en het dynagram zijn ze feitelijk 2 ledig/delig, 4 ledig/delig en 8 ledig/delig opgebouwd, met een uitstap naar 16 ledig en of 64 ledig enzovoorts.

    3 ledige verhouding
    Een meerledige verhoudingsstructuur die ook ruimte kan bieden aan de drieledige verhoudings/verbandstructuur en ze bijgevolg aan de orde kan stellen, bijvoorbeeld:

    Een 3 ledige dynamiek, van these, antithese en synthese.

    Of een drieledige dynamiek met betrekking tot mythisch (onmiddellijke subject object verhouding), ontologisch (middellijke object subject verhouding) en functioneel (de polaire en duale dynamiek tussen subjecten, tussen objecten en tussen subjecten en objecten).

    Of een drieledige dynamiek tussen denken, voelen en willen, enzovoorts.

    Meerledige verhouding, 1 is geen ding, 2 is een half ding, 3 is een heelding. Van het oude en moderne wereld. De wed van 3 van de interactie van alle verschijnselen.

    Bevestigen, ontkennen, verzoenen. Basis formules.

    Een voorbeeld van een 3x3 ledige dynamiek:

    De polaire as heeft een ledige verhouding (en-en)  met een 'midden', een 3 ledigheid die terug te lezen is binnen deze 3 polaire assen:

    • 3 lagen binnen het systeem dynamisch veld
    • 3 lagen binnen de zielsvermogens van de mens.
    • 3 lagen binnen systeem dynamiek.


    Systeem dynamiek

    Binnen systeem dynamiek onderscheiden we drie niveaus van denken en werken.

    • systeem systematiek
    • systeem methodiek
    • systeem logiek
    Systeem methodiek als midden tussen 2 uitersten,  systeem systematiek en systeem logiek

    Zielsvermogens van de mens

    Er zijn vele zielsvermogens 

    Zoals:

    • Denken
    • voelen
    • willen

    Voelen als midden tussen de 2 uitersten,  het denken en willen.


    Systeem dynamisch veld.

    In het werken met een systeem dynamisch veld onderscheiden we 5 lagen:

    • Grondpatroon
    • Bouwpatronen
    • Gram
    • Te onderzoeken data
    • Werkelijkheid/werkelijkheidspatronen

    Gram als midden tussen de 2 uitersten,  het grondpatroon en de diverse werkelijkheids- patronen.

    Voelen als kern vermogen om grammen leren te begrijpen en maken.

    Systeem methodiek als.... om grammen leren te begrijpen en maken.


    De volgende begrippen hangen samen met 'abstract':

    • Systeem systematiek
    • Denken
    • Grondpatroon

    Abstract is een begrip met een zuid en noord karakter.

    • In een dynagram verhoudt het zich tot 'het onpakbare' (zuid).
    • In een diagram verhoudt het zich tot 'het dode' (noord).

    De volgende begrippen hangen samen met 'concreet':

    • Systeem logiek
    • Willen
    • Werkelijkheidspatronen
    Concreet is een begrip met een noord en zuid karakter.
    • In een dynagram verhoudt het zich tot 'het pakbare' (noord).
    • In een diagram verhoudt het zich tot 'het levende' (zuid).


    Oude tekst in donkerblauw. Licht blauwe tekst vertaling naar huidige begrippen gebruik. Wat wel en wat niet nog gebruiken? :

    Systeem dynamiek, denkend, voelend en willend leren.
    Systeem dynamiek is het kennen en kunnen denken (voelen en willen) in coherente betrekkingen tussen consistente posities van systeem dynamisch geordende structuren (diagram, dynagram en duogram).
    Systeem dynamiek leren is het kennen en kunnen denken (voelen en willen) in coherente ordening en consistente structuur van het systeem dynamische veld.

    Waarbij op het niveau van het grondpatroon en bouwpatronen, en het leren er van, de systematiek, het denken meer wordt aangesproken.
    Waarbij op gram niveau, en  bij het maken van grammen, en het leren maken er van, de methode, je gevoel meer wordt aan gesproken
    En de te onderzoeken data en werkelijkheid,  het onderzoek,  en het leren er van, de logiek, je wil meer wordt aangesproken.

    Wederom kunnen we hier onderscheiden maar niet scheiden. Alle drie de menselijke vermogens worden  als instrument  gebruikt, op alle 5 de lagen.

    Coherentie, samen hangend, ordening dient samenhangend te zijn
    Consistentie, het zelfde blijvend, structuur dient het zelfde te blijven.

    Wat op alle 5 de lagen een rol speelt en ook onderling.

    Een coherente betrekking is een dynamiek op zich, dat evenzeer van zijn posities verschilt, als die posities van elkaar verschillen.
    Een coherente ordening is een dynamiek op zich, dat even zeer ??? enz of gewoon weg doen


    Een consistente positie is een dynamiek op zich, dat evenzeer van zijn betrekkingen verschilt als die betrekkingen van elkaar verschillen.
    Een consistente structuur is een dynamiek opzich, dat evenzeer van zijn ordening verschilt als die ordeningen van elkaar verschillen.??? weg doen?



    Systeem dynamisch denken, voelen en willen is het leren opsporen van mogelijke coherente betrekkingen tussen noodzakelijke consistente posities en vice versa.
    Systeem dynamisch denken, voelen en willen is het leren opsporen van mogelijke coherente ordening tussen  consisten structuren en vice versa.

    Systeemdynamisch denken, voelen en willen is het leren bewegen tussen consistene structuren en coherente ordeningen binnen één systeem dynamisch veld en tussen twee of meer onderling te relateren systeem dynamisch geordende velden, casu quo, systeem dynamisch gemoduleerde en gemodelleerde concepten.
    Systeemdynamisch denken, voelen en willen is het leren bewegen tussen consistente posities en coherente betrekkingen binnen één systeem dynamisch veld en tussen twee of meer onderling te relateren systeem dynamisch geordende velden, casu quo, systeem dynamisch gemoduleerde en gemodelleerde concepten.

    Verschillende fases/uitwerkingen van 'te onderzoeken data' naar een gram

    We maken onderscheid tussen verschillende fases/ uitwerkingen van 'te onderzoeken' naar een gram.

    Schema, plaatje, model en patroon. Zie gram (nog in voegen link)

    Een gram is een systeem dynamisch model. Waarin werkelijkheid en grondpatroon worden bemiddeld. Er zijn grammen waarin die wat meer patroon in zich hebben en er zijn grammen die wat meer 'te onderzoeken data' in zich hebben. Waar het grondpatroon nog maar weinig of zelfs helemaal niet aanwezig is. Dan is het meer een plaatje of een schema. Waar het grondpatroon sterk of gelijkmatig aanwezig is dan is het meer een model of patroon. 

    Bronpunten en assen zijn meer structuur en contouren en resonanties zijn meer ordening. Te samen met streng in de regel en speels in de uitvoering. En de wisselwerking tussen cruciale en alternatieve.  Variëren de grammen onderling maar kunnen ze  alle wel als model gezien worden.   

     

    Methodische stappen

    Hoe je stap voor stap een gram kan maken lees je in Methodische stappen: link


    De 5 lagen met enkele concepten in een gram.

    In de inleiding worden 5 lagen geïntroduceerd:

    • Grondpatroon
    • Bouwpatroon
    • Gram
    • Te onderzoeken data
    • Werkelijkheid
    Deze lagen worden daar weergegeven over een verticaal schema. Die deels antropomorf is weergegeven en waarin ze in een polaire verhouding staan. Deze begrippen kunnen we ook in een gram plaatsen. Waardoor het mogelijk wordt om verschillende begrippen met verschillende verbanden, verhoudingen en raakvlakken met elkaar in verschillende wisselwerkingen te laten zien. 

    Helaas pakt de afbeelding niet direct dus voor nu even in een link:





    Te onderzoeken data


    In de te onderzoeken data bestaan niet alleen vele mogelijke coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken. Maar ook nog vele mogelijke systemen, dynamieken, structuren en ordeningen. Al beperk je jezelf tot hetgeen je wilt onderzoeken dan nog zijn er immens veel mogelijkheden. Binnen systeem dynamiek dien je je te beperken door middel van het grondpatroon. Binnen de gegeven data ga je op zoek naar relevante dynamieken, op grond waarvan het pas mogelijk wordt ze al of niet te relateren aan de dynamieken van het grondpatroon. Met daarbij de hypothetische kanttekening dat de werkelijkheid ondanks al haar complexiteit in wezen stoelt op een aantal wezenlijke dynamieken op grond waarvan een grondpatroon als simplex kan functioneren ten einde die complexiteit te kunnen onderzoeken. 
    • Coördinaten zoeken: binnen de gegeven data zoek je naar bepaalde woorden die je, overeenkomstig hun dynamieken, aan een of andere coördinaat kan relateren.
    • Verbanden zoeken: binnen de gevonden woorden zoek je naar bepaalde verbanden
    • Verhoudingen zoeken: binnen de gevonden verbanden zoek je naar bepaalde verhoudingen
    • Raak-vlakken zoeken: binnen de gevonden verhoudingen zoek je naar bepaalde raak-vlakken

    In het zoeken naar coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken suggereren we een na-elkaar. Dat is voor elk begin ook nodig, maar al gauw ontdek je dat je mogelijke onderlinge wisselwerkingen tegelijkertijd aan het onderzoeken bent. We kunnen ze van elkaar onderscheiden, maar ze zijn niet te scheiden.


    Action research model


    De vier stappen in het handelingsgericht onderzoek zijn open dating, axial dating, conceptual dating en functional dating. Elke stap vertegenwoordigt een specifiek te ontwikkelen vermogen. De action research cyclus wordt door ons gesitueerd binnen het functionele paradigma. Zie het diagram van de drie paradigma's onder diagrammen.


    Wisselwerking in relatie tot de te onderzoeken data:

    Ter herinnering:
    De begrippen: coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken worden 'algemeen' gebruikt.

    De begrippen: bronpunten, contouren, assen en resonanties zijn specificaties van deze 'algemene' begrippen, die zich specifiek verhouden tot het grondpatroon.

    Bij de te onderzoeken data speelt de wissel werking tussen ontregelend en regelend een rol. Deze wisselwerking vinden we terug in de coördinaten, verbanden, verhoudingen en raakvlakken. De begrippen: coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken worden hier 'algemeen' gebruikt, in relatie tot de te onderzoeken data.

    Richt je je bij je onderzoek op hetgeen wat ontregelt en/of regelt.


    • De omcirkelde gradaties: minder, onstabiel, semi- permanent en onbepaald hebben een ontregelend karakter.
    • De gradaties in de vierkantjes: meer, stabiel, permanent en bepaald hebben een regelend karakter.

    Alle 10 de gradaties spelen bij alle 'algemene' coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken een rol. Ook spelen bij elk van deze afzonderlijke 'algemene' begrippen, 2 gradaties een specifieke rol:

    • Coördinaten kunnen onbepaald en/of bepaald zijn.
    • Verbanden kunnen semi- permanent en/of permanent zijn.
    • Verhoudingen kunnen onstabiel en/of stabiel zijn.
    • Raak-vlakken kunnen meer of minder zijn. 

    Helpende vragen in relatie tot te onderzoeken data:

    • Welke begrippen?
    • Welke logische klasse?
    • Welke context?
    • Welk referentie kader?

    Alle 4 de vragen spelen bij het zoeken naar de configuratieve componenten een rol. Ook spelen bij elk van de configuratieve componenten, 1 vraag een specifieke rol.

    • Coördinaten en bronpunten, welke begrippen?
    • Verbanden en contouren, welke logische klasse?
    • Verhoudingen en assen, welke context?
    • Raak-vlakken en resonanties, welk referentie kader?

    Hieronder in het duogram zijn deze 4 vragen geplaatst in relatie tot de configuratieve componenten en tot 4 vragen in het centrum (een diagram).

    • Wie/wat wil je in beeld brengen?
    • Waar gaat het om? en/of wanneer zie je dat?
    • Waarom zie je dat verschijnen?
    • Hoe verhouden de begrippen zich tot elkaar?

    De 2x 4 vragen kun je op verschillende manieren aan elkaar relateren.

    Bijvoorbeeld:

    Waarom zie je dat verschijnen? Hangt samen met vanuit welk referentie kader je denkt en in welke context de begrippen worden gebruikt.

    Waar het om gaat zien we terug in de context en wanneer je iets wel of niet ziet hangt af van welk referentie kader je gebruikt.

    Coördinaten en bronpunten in relatie tot te onderzoeken data.

    De woorden/begrippen van de te onderzoeken data verhouden zich in een gram tot cruciale en alternatieve coördinaten.

    Binnen de gegeven data zoek je naar bepaalde woorden/begrippen, die je, overeenkomstig hun dynamieken, aan een of andere coördinaat kan relateren. Een belangrijke vraag is dan ook: Welke begrippen lichten op? Afhankelijk van wat je wilt onderzoeken kan een woord/begrip op een cruciale coördinaat of een alternatief coördinaat komen te staan.

    Binnen systeem dynamiek hanteren we bronpunten als 'middens' (windstreken en windrichtingen) en 'tussens' (in/uitwerkingen), maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en/of werkelijkheid.

    Afhankelijk  je referentie kader, de context, de logische klasse en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kunnen binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde woorden/begrippen op een ander bronpunt/coördinaat komen te staan.

    Een begrip (woord) kan meerdere betekenissen hebben. Elke betekenis kan een andere 'interne dynamiek' weergeven. Bijvoorbeeld het begrip 'water' die in verschillende culturen wordt gebruikt om een bepaalde 'dynamiek' weer te geven. 'Water' bekeken vanuit de filosofie van Aristotelis draagt een andere interne dynamiek uit, dan 'water' bekeken vanuit bijvoorbeeld: een Chinese filosofie of een Inheems Amerikaanse filosofie enz. Ook binnen in dezelfde cultuur kunnen verschillende stromingen ontstaan waardoor hetzelfde begrip onderling kan verschillen in hun betekenis en van hun interne dynamiek. Dit kan tijdens het onderzoek maar ook voor de lezer van een gram verwarring geven. Dit vraagt steeds weer te beginnen met een schone lij. Welk begrip licht op? En met welke 'interne dynamiek'?

    Coördinaten in relatie tot onbepaald/bepaald:

    Een coördinaat kan onbepaald en/of bepaald zijn.

    Een onbepaalde coördinaat is een coördinaat die je nog niet kan bepalen omdat die zich nog niet aandient.

    Binnen systeem dynamiek kan een bepaalde coördinaat een cruciaal- en/of alternatief- coördinaat worden. Door de cruciale coordinaten te bepalen kunnen we werken met overeenkomstige coördinaten in meerdere velden.


    Verbanden en contouren in relatie tot te onderzoeken data.

    Binnen de gevonden woorden van de te onderzoeken data zoek je naar bepaalde verbanden, die  permanent en semi permanent kunnen zijn. Je zoekt een dynamiek tussen het ene en  het andere(n) woord(en).

    In de te onderzoeken data zijn nog vele andere verbanden mogelijk, binnen systeem dynamiek beperken we tot de contouren en alternatieve verbanden. 

    Tijdens het onderzoek kun je je afvragen wat het overeenkomstige verband is tussen deze woorden. Bijvoorbeeld,  gaat het hier meer om een tijd verband of meer om een ruimte verband. Binnen systeem dynamiek hanteren we tijd gerelateerde en ruimte gerelateerde verbanden (contouren) maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en/of werkelijkheid.

    Een belangrijke vraag die je je kan stellen is: tot welke logische klasse behoren deze woorden?

    Met logische klasse bedoelen we bijvoorbeeld:

    Lente, zomer, herfst, winter. Ze behoren tot de logische klasse van 4 seizoen. Deze seizoenen hebben een cyclisch tijd verband. Zo volgen elkaar,  na elkaar op, in een specifieke volgorde. Ze zijn of-of in de tijd.
    Gecombineerd met het proces van het jaar waarin de zomer dagen het langst duren en de nachten het kortst, en waarin de winter dagen het kortst duren en de nachten het langst. Gram...

    Afhankelijk  je begrippen, de context, referentie kader en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kan binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde logische klasse in een ander verband komen te staan.

    Verband in relatie tot semi-permanent/permanent:

    Een verband geeft een wisselwerking weer tussen meerdere coördinaten.

    Een verband kan semi-permanent en/of permanent zijn. Mede afhankelijk van de logische klasse van de begrippen, vormen zij een permanent of semi- permanent verband. Er zijn verbanden die zich permanent voordoen en/of er zijn verbanden die zich soms wel en soms niet voordoen.

    Zijn het begrippen met bijvoorbeeld  processen met een specifieke volgorde, zoals de seizoenen, dan krijgen ze een permanenter verband in de tijd.

    Zijn het begrippen die zowel een proces als een positie verband laten zien, dan zijn  ze semi-permanent, je kunt zowel als proces en als positie lezen, er is dan geen sprake van een specifieke volgorde meer.


    Verhoudingen en assen in relatie tot te onderzoeken data

    Binnen de gevonden woorden zoek je naar bepaalde verhoudingen, die onstabiel en/of stabiel kunnen zijn.

    Binnen de te onderzoeken data kunnen woorden/begrippen in verschillende verhoudingen komen te staan. Wat staat ten opzichte van wat. Er zijn vele verhoudingen mogelijk; binnen systeem dynamiek beperken we ons door middel van de assen. Tijdens het onderzoek kun je je afvragen wat is het verschil en wat is de overeenkomst tussen deze begrippen. Denk aan antoniemen die op zich verschillend zijn maar toch zich tot elkaar kunnen verhouden, overeenkomstig hun logische klasse.

    Plaatsen we meerdere 2 ledige verhoudingen in een gram, dan dien je te onderzoeken welke begrippen tot een bepaalde klasse behoren. Want een klasse bepaalt de specifiekere betekenis van elk begrip afzonderlijk, in relatie tot andere begrippen met hun specifiekere betekenissen. Zo kan in een klasse van begrippen onderling verschillende betekenissen zichtbaar worden. De samenhang in een bepaalde gram brengt dan mogelijke wisselwerkingen  tussen meerdere 2 ledige/delige verhoudingen aan het licht

    Voorbeeld van begrippen die tot dezelfde klasse behoren: Lente, zomer, herfst en winter, behoren bij de klasse seizoenen.

    Binnen systeemdynamiek hanteren we het verschil tussen ledige en delige verhoudingen, maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en of werkelijkheid.

    Welk woord/begrip je tegen over een ander woord/begrip zet en in welke verhouding (as) je ze plaats is afhankelijk van de context.

    Afhankelijk  je begrippen, hun logische klasse, referentie kader en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kan binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde begrippen in een andere verhoudingen en in een andere context komen te staan.

    Verhouding in relatie tot onstabiel/stabiel: 

    Een verhouding kan onstabiel en/of stabiel zijn. Mede afhankelijk van de context kan de verhouding tussen 2 begrippen op de verschillende assen worden geplaatst.

    • Een onstabiele verhouding is een verhouding tussen begrippen die soms wel en soms niet zich tot elkaar kunnen verhouden. 
    • Een onstabiele verhouding is ook een verhouding tussen twee begrippen die op meerdere assen kan komen te staan.
    • Een stabiele verhouding is een verhouding tussen begrippen die permanent zich tot elkaar verhouden.
    • Een stabiele verhouding is ook een verhouding tussen twee begrippen die steeds op de zelfde as staan.

    Voorbeeld: zo zijn er begrippen met een stabielere verhouding zoals bijv hemel en aarde (polair), top down en bottum up (polair), verleden en toekomst (duaal) en 'zelf' en 'de ander' (duaal).


    Raak-vlakken en resonantie in relatie tot te onderzoeken data

    Binnen de gevonden woorden zoek je naar bepaalde raak-vlakken die mogelijk met elkaar resoneren. Deze raak-vlakken kunnen meer en/of minder zijn. 

    In een gram is het mogelijk om vele woorden  (met hun verbanden en verhoudingen) op een coördinaat te plaatsen. Maar niet altijd is meer ook beter. Bij te veel aan woorden of een te weinig aan woorden verzwakt het raak-vlak. Bij een te veel dien je vorm te geven aan een nieuwe gram(model). Bij een te weinig dien je terug te gaan naar de te onderzoeken data.


    Er zullen veel meer mogelijke  raak-vlakken bestaan die een veld minder en/of meer doen resoneren. We beperken ons tot de raak-vlakken en wisselwerkingen van het grondpatroon en vullen aan met mogelijke alternatieven in elke gram afhankelijk van de te onderzoeken data.

    Binnen systeemdynamiek hanteren we het verschil tussen verandering en herhaling van raak-vlakken, maar of bepaalde data zo uitgesplitst kunnen worden hangt mede af van hun eigen aard en of werkelijkheid.

    Wanneer je zoekt naar raak-vlakken:

    •  Kijk je naar welke woorden en de daar aan gerelateerde dynamieken oplichten, en/of nieuwe woorden oproepen. 
    • Verhouden de woorden die je bijeen brengt zich of wel tot een logische klasse?
    • Tot welke context krijgen zij een bepaalde betekenis? Welk woord laat je tegen over welk ander woord verhouden?
    • Vanuit een totaal aan onderlingen relaties kun je je afvragen van uit welk referentie kader je de te onderzoeke data bekijkt of dient te bekijken.

    Afhankelijk  je begrippen, hun logische klasse, de context en de nog verdere te onderzoeken data met hun coördinaten, verhoudingen, verbanden en raak-vlakken. Kan binnen 1 gram en bij meerdere verschillende grammen, dezelfde begrippen, in dezelfde (of andere) logische klasse, in een andere verhoudingen en in een andere context komen te staan. Door deze veranderingen kunnen overeenkomstige begrippen totaal andere resonantie krijgen.

    Raak-vlakken in relatie tot minder/meer

    Raak-vlakken zijn wederkerige wisselwerkingen tussen meerdere verhoudingen, meerdere verbanden en meerdere coördinaten. Door deze wisselwerkingen kunnen de raak-vlakken vermeerderen en/of verminderen.

    Er kunnen tussen de begrippen meerdere of mindere raak-vlakken zijn. Het aantal raak-vlakken wordt bepaald door het aantal verbanden, verhoudingen en coördinaten. Meerdere  verbanden, verhoudingen, coördinaten tussen de begrippen verhogen nog niet de resonantie. Meer en/of minder kunnen beiden het evenwicht verstoren tussen herhaling en verandering. 

    Het kan zijn dat je nog een begrip mist, of dat het begrip niet past in bijvoorbeeld een verband, of dat  het begrip een andere verhouding krijgt in relatie tot een ander begrip.

    Het is zoeken naar herhalende raak-vlakken tussen de begrippen die allemaal anders zijn.  

    Het is zoeken naar een evenwicht van niet te weinig (minder) en niet te veel (meer) raak-vlakken.

    Afhankelijk van je referentiekader bepaal je welke begrippen met elkaar een raak-vlak vormen.

    Probeer om zoveel mogelijk gelijkmatig uit te werken. 

    Dat we in het één altijd weer het ander terug vinden kan voor verwarring zorgen. Bijvoorbeeld: Sommige te onderzoeken data is het gauw scherp. Het 'begrip'/ 'woord' laat een duidelijke dynamiek zien. Maar er zijn ook 'woorden' waar je beide dynamiek in terug kan vinden. Het wordt dan belangrijk om je gedachten helder te krijgen en deze gelijkmatig over het veld uit te werken.  Dat je bijvoorbeeld bij de 'woorden' die bij dezelfde 'klassen'  toe behoren allemaal gelijkmatig benadert. Welke beweging is primair en welke secundair hangt af van je 'te onderzoeken data'.






    Werkelijkheid -patronen


    Waarschijnlijkheid  en werkelijkheid zijn net als ordening en structuur, verandering en herhaling fundamentele kenmerken voor systeem dynamiek. Waarin twee grootheden die  zowel polair en duaal zich tot elkaar verhouden. Ze zijn verbinden en scheidend.

    De een en de ander vormt ieder op hun wijze samen een mogelijk 'systeem' en de wijze waarop dit systeem kan functioneren haar 'dynamiek'.

    De noodzakelijke structuur 'het systeem' dient een zekerheid verschaffen die 'werkt'.

    De mogelijke ordening 'het dynamimische' dient in mate werkelijkheden, te onderzoeken data, met hun wisselwerkingen te laten 'verschijnen'.

    Beeld en begrip proberen ieder op hun eigen wijze een karakteristieke verhouding aan de orde te stellen; het beeld de verhouding tussen concept en fenomeen (coherentie theorie van de waarheidsvatting) en het begrip de verhouding tussen idee en feit (correspondentie theorie van de waarheidsvatting). Meer informatie zie..(evt link naar hoofdstuk werkelijkheid en waarschijnlijkheid).

    • Waarschijnlijkheid: de mate waarin werkelijkheid in beeld en tot begrip gebracht kan worden.
    • Werkelijkheid: de mate waarin feiten en ideeën zich verwerkelijken tot werkzame contributies (bij dragen). Zonder een idee kan je geen feit inwikkelen en zonder een feit kan je geen idee ontwikkelen.


    De werkelijkheid is een gecompliceerd veld van wisselwerkingen tussen verschillende composities en verschillende configuraties in een samenhangend geheel.

    Data uit de werkelijkheid zijn enerzijds op te splitsen en/of samen te brengen in, afzonderlijk bestaande, systeem dynamische velden, anderzijds slechts voor zover zij in samenhang functioneren met andere bestaande systeem dynamische velden en voor zover ieder feit zich verhoudt tot een nog te denken samenhang, die zich wil inwikkelen en ontwikkelen als een pulserende dynamiek van verschijnen en verdwijnen.



    Een systeem dynamisch veld wordt een functioneel instrument om werkelijkheid en waarschijnlijkheid te onderzoeken tussen verschillende werk velden. Het systeem dynamisch onderzoek bevordert mogelijke kruisbestuivingen.

    Diverse systeem velden zijn noodzakelijke en mogelijke elementaire combinaties, waardoor de werkelijkheid zich als een gebroken en een ongebroken geheel kan manifesteren.

    Systeem dynamische modellen beelden waarschijnlijkheidspatronen van, in samenhang gedachte, begrippen. De waarschijnlijkheid van mogelijke en/of noodzakelijke wisselwerkingen (tussen beeld en begrip) ordenen zich binnen 1 systeem dynamisch veld en tussen meerdere systeem dynamische velden.


    De werkelijkheid is een gecompliceerd web van configuratieve componenten (en nog veel meer).


    Op zich zelf betekenen ze nog niets, maar kunnen ze betekenis ontwikkelen en inwikkelen.

    Zoals al beschreven is een model geen werkelijkheid maar slechts een medium (midden / instrument) om een mogelijke optiek op de werkelijkheid te visualiseren.

    De werkelijkheid is echter vaak minder eenvoudig en/of eenduidig en dat komt omdat er vaak sprake is van complexe samenhangen. Het ene is in wisselwerking met het andere.

    Met name om deze complexe samenhangen op een simplexe wijze in beeld te brengen kan systeem dynamiek van betekenis worden, mits we systeem dynamiek verstaan als het zoeken naar een te bepalen samenhang van hetgeen nog onbepaald lijkt samen te hangen. Want wat bepaalt wat, is dat een na elkaar of juist een tegelijkertijd.

    Om die samenhang in kaart te brengen, maken we gebruik van cruciale (en alternatieve) configuratieve componenten. Het moge duidelijk worden dat dit nog heel simpel is, want er zijn vele mogelijke coördinaten, verbanden en verhoudingen en vele mogelijke soorten van elk. Want wat maakt een coördinaat tot  coördinaat, een verband tot
    verband, een verhouding tot  verhouding? Vandaar dat binnen systeem dynamiek deze begrippen nader omschreven moeten worden naar gelang hun functie binnen een systeem dynamisch veld.

    De werkelijkheid bestaat uit tal van mogelijkheden. In ieder geval moeten we ons bewust zijn en of worden van het verschil én van de overeenkomst tussen denken en werkelijkheid. Dit bewustzijn impliceert niet alleen een deemoedige houding, maar juist en vooral een onderzoekende houding. Het enige wat telt is niet zozeer het weten als wel het niet weten.

    Dat maakt het unieke uit van de wijze waarop wij vorm willen geven aan systeem dynamiek. Systeem dynamiek kunnen we kortheidshalve omschrijven als het zoeken naar hetgeen kan leiden tot een systeem en wel zo, dat elk systeem zich op een dynamische wijze weer kan verhouden tot een ander systeem. Zo ook dient het systeem zich op een dynamische wijze te verhouden tot de werkelijkheid, deels middels het opsporen van haar dynamieken en deels door de wijze waarop ze die dynamieken in beeld en tot begrip kan brengen.


    Werkelijkheid en waarschijnlijkheid in relatie tot dynagram en diagram






     

    Werkelijkheid binnen een dynagram


    Idealisme
    Realisme

    Idee
    Fenomeen
    concept
    feit






    Waarschijnlijkheid binnen een diagram




    Theoria
    Praxis

    Object betrokken begrips vorming
    Subject betrokken beeldvorming








    Waarschijnlijkheid binnen een dynagram


    Ordening
    Structuur

    Kunnen
    Kunst
    Kennen
    Kennis







    Werkelijkheid binnen een diagram




    Begrip
    Beeld

    Kwantiteit
    Kwaliteit
    Eenduidig
    Meerduidig








    Superpositionele betrekking
    (wat weg en blijft na meta perspectief)

    Opmerking: oude teksten in groen, niet web boek compatable . Blauw teksten zijn pogingen om de tekst wel web boek compatable te maken. die dienen dan nog een hun juiste plaats te krijgen in het theorieboek.

    Conjunctieve begrippen constitueren de super positionele betrekking.




    Een mogelijk op te sporen dynamiek tussen twee systeem dynamisch geordende velden kan geactualiseerd worden in een superpositionele betrekking.



    Een mogelijk op te sporen dynamiek tussen twee systeem dynamisch geordende velden (grammen) kan geactualiseerd worden via een meta perspectief

    Tussen 2 systeem dynamisch geordende velden kunnen achtereenvolgens mogelijke superpositionele betrekkingen in beeld en tot begrip gebracht worden.


    Tussen 2 systeem dynamisch geordende velden (grammen) kunnen achtereenvolgens mogelijke wisselwerkingen in beeld en tot begrip gebracht worden

     Een superpositionele betrekking tussen twee mogelijke, systeemdynamisch geordende, velden moduleert coherente interferenties.

    Deze wisselwerkingen tussen twee mogelijke, systeem dynamische geordende, velden (grammen) moduleert samenhangende interferenties. Ze werken op elkaar in. Afhankelijk van hun raak-vlakken, het geen wat bij beide herhaald wordt en het geen wat is veranderd, kunnen de velden vergelijkbaar of verschillend resoneren.

    Een coherente en of consistente superpositionele betrekking schept een relatief midden; dit tussen wordt gekarakteriseerd door een mogelijke en of noodzakelijke samenhang van betrekkingen en posities in elk van de te relateren systeem dynamisch geordende velden en tussen de wederzijds gerelateerde velden.

    De herhaling, structuur, dient het zelfde te blijven. De verandering, ordening, dient samenhangend te zijn. De wisselwerking tussen het ene en het ander schept  van uit een meta perspectief een relatief midden. Dit midden wordt gekarakteriseerd door de de cruciale en alternatieve configuratieve componenten, hun mogelijke ordening en noodzakelijke structuur,  in elk van de te relateren systeem dynamische geordende velden (grammen) en de  wisselwerking tussen beide.


    Een coherente superpositionele betrekking is een tussen dat evenzeer van zijn delen (velden en posities) verschilt als die leden (velden en betrekkingen) van elkaar verschillen.

    De wisselwerkingen van uit een meta perspectief is een tussen dat evenzeer van zijn gestructureerde delen verschilt als de geordende leden van elkaar verschillen.

    Een coherente superpositionele betrekking kan gevisualiseerd worden middels een duogram, een samenhang tussen diagram en dynagram, een ruimtetijd in verhouding tot een tijdruimte.

    De wisselwerking tussen 2 grammen kan gevisualiseerd worden middels een duogram, een samenhang tussen dynagram (tijdruimte)  en diagram (ruimtetijd)

    In systeem dynamiek is niets ofwel dit ofwel dat, zonder dat daar tussen (in het niets) ´iets´ bestaat.



    Tussen elk dit en of dat, positie en of betrekking, proces en of inhoud, diagram en of dynagram, veld 1 en of veld 2, concept 1 en of concept 2 ontstaan mogelijke (hypothetische) wisselwerking van primaire en of secundaire aard.



    Primaire betrekkingen kunnen zowel duaal als polair geactualiseerd worden in respectievelijk horizontale als verticale dynamieken als in diagonaal geordende dynamieken.

    Systeem dynamiek is een methode om ieder 'dit' dusdanig aan elk 'dat' te relateren waardoor het resultaat noch het oorspronkelijke 'dit' is, noch het oorspronkelijke 'dat', maar iets volkomen nieuws.



    Dit actuele nieuwe midden wordt in het systeem dynamisch geordende kennen een coherente en of consistente superpositionele betrekking, die op onderscheiden wijzen in samenhang valt te denken (diagram), te voelen (duogram) en te willen (dynagram).

    Dit actuele nieuwe midden wordt in het systeem dynamisch geordende kennen meta perspectief, die op onderscheiden wijzen in samenhang valt te denken, te voelen en te willen.

    Systeem dynamiek tracht waarschijnlijke (mogelijke en of noodzakelijke) coherente / consistente superpositionele betrekkingen zichtbaar te maken.

    Systeem dynamiek tracht waarschijnlijke cruciale en alternatieve wisselwerkingen zichtbaar te maken.

    Systeem dynamiek is uiteindelijk het creatief, flexibel, efficiënt en effectief leren kennen in mogelijke en of noodzakelijke coherente en of consistente superpositionele betrekkingen (navolgend weergegeven c/c ~ SPB).

    Systeem dynamiek is uiteindelijk het creatief, flexibel, efficiënt en effectief leren kennen in cruciale en alternatieve wisselwerkingen van uit een meta perspectief. 

    Mogelijke coherente superpositionele betrekkingen kunnen via systeem dynamische interferenties zich ontwikkelen tot momentane noodzakelijke consistente superpositionele betrekkingen en vice versa. Het ene kan het andere insluiten en uitsluiten, het noodzakelijk consistente kan zich ompolen naar het mogelijke coherente. Want wat is noodzakelijk en of mogelijk, ieder op zich zijn ze non-sense (zonder zin en betekenis), pas in de wisselwerking wordt de een de keerzijde van de ander en daarmee worden het relatieve grootheden.

    Mogelijke ordening kunnen via systeem dynamische werking zich ontwikkelen tot noodzakelijke structuur en vice versa. Het ene kan het andere insluiten en uitsluiten, noodzakelijke structuur kan zich ompolen naar een mogelijke ordening. Afhankelijk van je te onderzoeken data. Want wat is nou mogelijk en/of noodzakelijk. Welke structuur is noodzakelijk en welke ordening is nou mogelijk. Ieder op zich zijn ze non-sense (zonder betekenis), pas in de wisselwerking wordt de één de keerzijde van de ander en daarmee worden het relatieve grootheden.

    Een systeem dynamisch geordend veld representeert een in samenhang gebracht systeem als een op zich zelf staande dynamische eenheid, zonder hetwelk het systeem dynamisch geordende veld niet existeert (ex-sistere), dat wil zeggen kan uitstaan naar andere systeem dynamisch geordende veld(en), evenzeer op zichzelf staand.

    Een systeem dynamisch veld (gram) representeert een in  samenhang gebracht systeem als een op zich zelf staande dynamische eenheid, zonder dat deze gram kan uitstaan naar een andere gram(men), die evenzeer op zich zelf staan. De éne gram en de andere gram hebben systeem dynamische overeenkomsten maar de één kan niet de ander worden.

    Een systeem dynamisch geordend veld kan geviseerd worden als een te observeren systeem dynamische samenhang.

    Een gram kan geviseerd worden als een te observeren systeem dynamische samenhang.

    Een observerend systeem  dient zich dynamisch te verhouden tot een geobserveerd systeem.
    Het grondpatroon dient zich dynamisch te verhouden tot een gram. Een gram dient zich dynamisch te verhouden tot  te onderzoeken data.

    Ze verhouden zich functioneel tot elkaar als subject en object.

    Hun verhouding krijgt gestalte via een systeem dynamisch onderbouwde hypo – these. Hypo-these als een voorstel tot een mogelijke onderliggende samenhang

    Elke systeem dynamische hypothese vertrekt vanuit te observeren en te relateren deelsystemen.


    In samenhang met een geobserveerd systeem worden specifieke interferenties tussen gegeven posities en betrekkingen (al dan niet noodzakelijk en of mogelijk) in een systeem dynamisch geordend veld geconceptualiseerd. Ieder geobserveerd systeem heeft een karakteristieke interferentie. Deze karakteristieke interferentie kan oplichten en of inlichten in een c/c ~ SPB.

    In samenhang met een geobserveerd systeem worden specifieke samenwerkingen en wisselwerkingen tussen de configuratieve componenten  (cruciale en alternatief) in een gram geconceptualiseerd. Ieder geobserveerd systeem heeft een karakteristieke werking en resonantie. Die kunnen oplichten en inlichten van uit een meta perspectief.

    Systeem dynamiek als discipline excelleert in het scheppen van mogelijke / noodzakelijke, coherente / consistente superpositionele betrekkingen, tussen even zo mogelijke diagrammen (posities en betrekkingen) en of dynagrammen (processen en inhouden).

    Systeem dynamiek als discipline maakt onderscheid in het scheppen van mogelijke ordening en noodzakelijke structuur met hun wisselwerkingen, tussen bouwpatronen diagram en dynagram.

    De interferenties in een bepaald geobserveerd systeem (door middel van een dynamisch observerend systeem) kunnen interfereren met de interferenties van elk ander geobserveerd systeem en wel zodanig dat elke mogelijke interferentie een unieke superpositionele betrekking vormt die zich vervolgens kan weerspiegelen in een op ervaring gebaseerde casus.

    De  wisselwerkingen in een gram (door middel van het grondpatroon) kunnen wisselwerken met wisselwerkingen van elk ander gram en wel zo danig dat elke werking een unieke 'nieuw' wisselwerking vormt. Nieuwe kennis die oplicht en/of inlicht en die zich vervolgens kan weerspiegelen in en op ervaring gebaseerde casus.

    Deze superpositionele betrekking is noch louter idee, noch louter feit, ze actualiseert slechts een mogelijke interferentie tussen 2 of meer geobserveerde systemen in 2 of meer systeemdynamisch geordend(e) veld(en) , die zich ontwikkelen tot tijdruimtelijke of ruimtijdelijke verhoudingen c.q. dimensies.

    Deze wisselwerking vanuit een meta perspectief is noch louter idee, noch louter feit, ze actualiseert slechts een mogelijke wisselwerking tussen 2 of meer grondpatronen,tussen 2 of meer bouwpatronen in 2 of meer grammen. Die zich mogelijk ontwikkelen in een nieuwe gram, met de daar bij passende bouwpatroon.

    Tussen deze RT en TR continua kunnen discontinue superpositionele betrekkingen oplichten en of inlichten.

    Zo kan  tussen een dynagram en een diagram van uit een mata perspectief wisselwerkingen oplichten en inlichten.

    Een coherente / consistente superpositionele betrekking is een discontinue samentrekking van alle mogelijke resultaten van een interactie tussen observerend systeem en geobserveerd systeem, derhalve toont een c/c ~ SPB actuele mogelijkheden en of noodzakelijkheden.

    Een wisselwerking van uit een meta perspectief is een discontinue samenwerking van alle mogelijke resultaten van een observerend systeem (het grondpatroon) en geobserveerd systeem (een gram). De wisselwerking toont dan ook crucale en alternatieve wisselwerkingen. Ook  'licht bron' vormt een observerend systeem en het grondpatroon het geobserveerde systeem. Het meta perspectie toont een wisselwerking tussen actuele mogelijkheden en noodzakelijkheden.

    Een c/c SPB ontstaat in een driehoeks betrekking tussen 2 geobserveerde, systeem dynamisch geordende, systemen en een observerend, systeem dynamisch structurerend, systeem.

    Kijkend vanuit een meta perspectief ontstaat een 4 ledige wisselwerking tussen 'lichtbron' en 'grondpatroon' als  observerende denk en werk systemen en  2 geobserveerde grammen

    Op ieder gegeven moment wanneer de noodzaak zich voordoet kan een c/c SPB middels een observerend systeem het licht zien, evenwel slechts als een actuele mogelijkheid.

    Op ieder gegeven moment wanneer de noodzaak zich voordoet kan  wisselwerking middels een observerend systeem het licht zien, evenwel slechts als een actuele mogelijkheid.

    Een c/c SPB is een functionele waarschijnlijkheid ofwel een waarschijnlijkheidsfunctie van de ervaring, daar ze noch louter idee, noch louter feit is, slechts het tussen kan weerspiegelen, dan wel dynagram en of diagram in beeld en tot begrip brengt.


    Een wisselwerking van uit een meta perspectief is een functionele waarschijnlijkheid ofwel een waarschijnlijkheidsfunctie van de ervaring, daar ze noch louter idee, noch louter feit is, slechts het tussen kan weerspiegelen, dan wel een  dynagram en/of diagram  in beeld en tot begrip kan brengen.

    Een c/c SPB weerspiegelt een EVENT.

    Een wisselwerking weerspiegelt een EVENT

    Een event karakteriseert zich veelal door tig mogelijkheden, elke conceptualisering vat slechts een bepaald aspect c.q. mogelijkheid van de ervaringswerkelijkheid.
    Dit vatten poogt iets tot structuur te maken, daarentegen karakteriseert een event zich als een dynamisch ordening in ontwikkeling en of inwikkeling.


    Systeemdynamiek  tracht ordening en structuur, verandering en herhaling, ledige en of delige verhoudingen, inhoud en proces, positie en betrekking, eenduidige en meerduidige dynamieken, etc. zodanig te verbinden dat deze events als wisselwerkingen zichtbaar en denkbaar kunnen worden.

    Events vormen webben, tussen webben kunnen c/c SPB ´s gevormd worden die noch dit web noch dat web zijn,
    wellicht gaan events vooraf aan Ruimte en Tijd.

    Events vormen netwerken, tussen netwerken kunnen wisselwerkingen gevormd worden die nog  dit netwerk noch dat netwerk zijn, wellicht gaan events vooraf aan ruimte en tijd.
    Comments