Louis Bolk Bericht 17

U vindt hier het autoreferaat van de Bolkthemadag, gehouden op 5 november 1988, in Driebergen, met als thema: 'Moet de natuur nog langer op de pijnbank?'

Het refereert aan de oproep van Francis Bacon, dat 'wij de natuur op de pijnbank moeten leggen tot zij haar geheimen prijsgeeft' hetgeen kenmerkend is voor de huidige analytisch ingestelde natuurwetenschap. In hoeverre bestaat er een relatie tussen de huidige milieu problematiek en deze wijze van kijken en denken over de natuur? Door C.A. van Peursen uitgewerkt als het vigerende ontologische paradigma, zie 'Cultuur in Stroomversnelling'.

We zijn inmiddels 32 jaar verder en mogen gerust spreken van een op handen zijnde ecologische crisis op tal van fronten. Het verdient aanbeveling dit Bolkbericht 17 nog eens te herlezen met bijdragen van: Prof.ir. J.S.O. van Asseldonk, landbouwuniversiteit Wageningen, Vakgroep Algemene en Regionale Landbouwkunde; Dr. G.H. van der Bie, huisarts te Zeist en medewerker aan de medische afdeling van het Louis Bolk Instituut. En bij deze onderstaande schets van A. Vandeursen, Stichting Roos en Lelie, Nijmegen, waarin de epistemologische achtergronden van de Goetheanistische fenomenologie nader worden belicht. Eigen aan een voordracht is het verhalende en vertellende karakter, hieronder min of meer achteraf uitgelijnd beschreven.

Dames en heren, waarde vrienden,

Vooraf.

Op de vraag - het thema van het congres - 'Moet de natuur nog langer op de pijnbank?', valt niet met een eenvoudig ja of nee te beantwoorden. Daarvoor moet eerst het ontstaan en bestaan van een heel bijzonder fenomeen: de ontwikkeling van een analytisch ingesteld natuurwetenschappelijk denken, aan de orde gesteld worden.

Gezien de aard en de omvang van de problematiek valt dat nu buiten het kader van deze voordracht. Niettemin is er wel degelijk over deze vraag nagedacht; en de, altijd voorlopige, conclusies en resultaten zijn deels impliciet en deels expliciet verwerkt in mijn voordracht.

Ik geef hier geen begrippelijke uiteenzetting, maar een beeldende. Voor een begrippelijk-analytische uiteenzetting, die ook nog eens tot een stukje synthese wil geraken, bieden de toegemeten vijfenveertig minuten niet het passende kader. Bovendien moet er, zowel qua inhoud als qua vorm, gezocht worden naar een voordracht, die zowel recht doet aan een begrippelijke als aan een beeldende uiteenzetting. Ik wil recht doen aan de noodzaak tot analyse; maar ik wil in de analyse slechts zóver gaan, dat tegelijkertijd recht gedaan kan worden aan de mogelijkheid en de noodzaak een synthese in beeld te brengen.

Analyse is nooit doel in zich: ze dient slechts mogelijke wegen te verhelderen, die tot een doel kunnen leiden. Het doel zélf is altijd méér dan alle analytische componenten bij elkaar. Het doel kan men wel met analytische elementen in beeld brengen, maar met het in beeld brengen moet te allen tijde een sprong uitgevoerd worden. Deze sprong verwijst naar het onthullende en of openbarende aspect van het menselijk beeldvermogen. Het in-beeld-brengen moet altijd iets toevoegen wat er al in wezen is, maar nog niet gezien, geduid kan worden. Het laten zien wat in aanleg is, maar nog onthuld moet worden, kan men geheel en al toeschrijven aan het beeldvermogen van de mens.

Zoals het begripsvermogen geoefend moet worden, zo moet ook het beeldvermogen - dat geheel en al rust op de drie zielevermogens: het menselijk denken, voelen en willen - geoefend worden. Een weg, een methode om die oefening vorm te geven, duiden wij aan met de Goetheaanse fenomenologie. Goethe - en vele anderen na hem - hebben dat spoor reeds getrokken. Ik zou met klem willen verwijzen naar de tot nu toe uitgebrachte Bolkberichten. Daarin liggen onontbeerlijke bouwstenen voor een goed begrip van de Goetheaanse fenomenologie. Ik wil in mijn voordracht onder dank daarop voortbouwen.

Om de Goetheaanse fenomenologie met vrucht te kunnen uitbouwen tot een solide instrument, waarmee de werkelijkheid recht gedaan kan worden, zullen zowel het verstandelijk-begrippelijk vermogen als het redelijk-beeldend vermogen in hun samenhang nader uitgewerkt dienen te worden. Deze, door mij ondernomen, arbeid kan ik helaas binnen dit tijdsbestek niet te berde brengen. Zij is echter voor een goed begrip van de Goetheaanse fenomenologische methode van wezenlijk belang (zie elders op de website).

Ik beperk mij in deze voordracht, gezien de thematiek van het congres, tot een aantal inleidende beelden. Deze beelden heb ik met José Bolt Honing vorm gegeven; ik zou ze nu met u willen bekijken. De beelden, die ik u op sheets wil laten zien, zijn niet abstract; het zijn geen schema's om een begrippelijk-analytische uiteenzetting te ondersteunen. Deze beelden zijn in de loop van mijn eigen fenomenologische scholing ontstaan: het zijn verdichtsels, zaadjes zo u wilt, die hier en nu, met uw medewerking, kunnen ontkiemen en hopelijk uitgroeien om vrucht te dragen.

Beelden zijn nooit absoluut, louter abstract en onpersoonlijk: ze zijn altijd relatief. Hun ontkieming is wezenlijk afhankelijk van de mate waarin u persoonlijk zich ermee kunt verbinden, er een relatie mee kunt krijgen. Dat heeft tot gevolg, dat ik u wil uitnodigen stap voor stap, al mee-denkend, in-voelend en ge-willig in beweging te komen. Hopelijk vormen deze beelden daartoe een welkome aanzet en kunt u zelf beleven hoe, al mee-bewegend zich in de beweging van de beelden een eigen wettelijkheid, een eigen logiek manifesteert, waaraan wij kunnen deelnemen, en waarop wij, ieder persoonlijk, verder kunnen weven.

Een analytisch-verstandelijke benadering loopt het gevaar in schema's te verstarren, voor zover wij ons er zelf noodzakelijk moeten buitensluiten. Een synthetisch-beeldende benadering moet laten zien hoe een verstandelijk-analytische benadering over kan gaan in een scheppende beweging. Alleen voor zover ik in beeldvoorstellingen morele denkprocessen voor het voetlicht kan brengen, kan ik met uw medewerking iets laten op-lichten van wat van ons mensen naar de toekomst toe werkelijk verwacht mag worden. Het verstandelijk denken wezenlijk verbinden met de moraliteit; een verstandelijk analytische houding alléén met betrekking tot de natuur is niet meer voldoende. Zij biedt geen weg uit een door haarzelf uitgeroepen heil-loze, tot in vele facetten uiteen gevallen wereld, die haar slachtoffers niet meer kan tellen.

Al deze slachtoffers doen een appèl aan onze moraliteit: ze vragen niet zozeer om een gevoel van medelijden, ze vragen om een werkelijk moreel denken, voelen en willen, dat op zoek wil gaan naar een authentieke verhouding, waarin zowel de mens als de natuur beiden tot hun recht kunnen komen.

1. Harmonie: het morele denken, voelen en willen.

Knoflook en Mens: Op zoek naar voorwaarden voor een ontmoeting tussen grensgangers.

Daar, waar zowel de mens als de natuur tot hun recht moeten komen, wederzijds recht kunnen doen aan hun wijze van zijn, daar moet in beginsel de noodzaak van een harmonie in beeld gebracht worden. De noodzaak tot deze harmonie uitspreken, impliceert niet, dat wij opteren voor een naïeve, mogelijk paradijselijke en statische harmonie: zulk een harmonie bestaat niet. Harmonie veronderstelt niet een voor-nu-en-voor-altijd, maar een fundamentele mogelijkheid, dat beide partners - zowel de mens als de natuur - zich tot elkaar kunnen verhouden in een dynamische relatie, die pas principieel mogelijk wordt in de mate waarin zij op elkaar aangewezen zijn voor hun beider voortbestaan.

Hun bestaan is onlosmakelijk met elkaar verbonden: zij behoren tot één en dezelfde werkelijkheid, en wel die van deze aarde. Op deze aarde is hen in tijd en ruimte de mogelijkheid geschonken om elkaar werkelijk te ontmoeten, hetgeen verstaan moet worden als een elkander helpen zich te bevrijden van de noodzaak tot wederzijdse onvrijheid. Maar het feit dat ze beiden wezenlijk onvrij zijn, wezenlijk afhankelijk van elkaar zijn, in de beperkende zin, biedt tegelijkertijd ook de mogelijkheid, dat ze juist met behulp van elkander zich kunnen ontplooien.

Welnu, in het gegeven dat mens en natuur elkaar nodig hebben, in het licht van hun wederzijdse ontplooiing, ligt hun principiële gelijkwaardigheid besloten. Het erkennen van deze principiële gelijkwaardigheid vormt het enig mogelijke vertrekpunt van waaruit een weg gevonden kan worden naar de toekomst, waarin het stichten van zinvolheid kan geschieden. Let wel: deze weg biedt geen garantie, dat het stichten van zinvolheid ook zal lukken; hier is geen plaats voor hoogmoed, slechts voor deemoed. Het nederig ont-moeten om in het gemoed de moed te vinden telkens opnieuw recht te willen doen. Het willen recht doen wordt zo vorm gegeven, dat het actieve en het passieve elkaar insluiten. De mens zal, als geestelijk wezen, deze beide vermogens in zich tot ontwikkeling moeten brengen.

Deel uitmakend van deze natuur, draagt hij als mens daartoe de voorwaarden in zich, Dat hij daartoe de voorwaarden in zich kan dragen, heeft de aarde-ontwikkeling, voor zover de natuur daaraan in de schepping heeft deelgenomen, mogelijk gemaakt. Het offer dat daarvoor gebracht is, kan de mens slechts in dankbaarheid na-denken; en dit kunnen na-denken vormt zijn eerste en hoogst belangrijke activiteit. De mens zal het één na het ander in de natuur denkend ter hand moeten nemen; en wel zo, dat hij de werkelijkheid denkend, objectief, met al zijn verstandelijke vermogens, begrippelijk zuiver moet kunnen laten uitspreken. Hier past geen subjectiviteit, te verstaan als willekeur. De mens zal zich actief denkend moeten inzetten om de werkelijkheid helder 'na te denken'. Daarbij heeft hij zich te houden aan haar wetten: deze wetten zijn, objectief gezien, op straffe van onrecht, onovertreedbaar. In die mate zal de mens, met behulp van zijn verstandelijk-analytisch vermogen, moeten leren in de pas te lopen van wat de werkelijkheid te gebieden heeft.

De mens kan niet straffeloos uit de pas lopen; hij heeft daarin de rechten van de natuur te eerbiedigen. Maar het eerbiedigen van wat objectief, vanuit het object, geboden is, geeft de mens juist de mogelijkheid zich uiteen te zetten met dat zelfde object, in casus de natuur. Wat objectief is, wat recht doet aan het object, is niet van meet af aan duidelijk. Dat kan ook niet, omdat de mens, in de mate waarin hij recht kan doen aan het object, zich ook in die mate dient te ontwikkelen. In de noodzaak, zich zodanig te ontwikkelen dat hij recht kan doen aan het object, ligt de mogelijkheid, dat hij zijn mens-zijn in de mate van het objectief mogelijke tot ontwikkeling kan brengen.

Hier ligt een lange, maar ook vreugdevolle weg: mens te kunnen worden aan al datgene, wat hij al denkend ter hand kan nemen. Alleen denkend, kan de mens, met vallen en opstaan, tot in een mogelijke eco-catastrofe toe, zijn denken in cadans brengen met een werkelijkheid, die ook werkelijk na-gedacht kan worden. Maar wie als mens de werkelijkheid kan na-denken, voelt ook de behoefte om de werkelijkheid dóór te denken; en met die mogelijkheid verlaat de mens het terrein van het tot nu toe gebodene, het tot nu toe ontwikkelde; hij betreedt het terrein van het toekomstig mogelijke.

Met behulp van datzelfde verstandelijk-analytische vermogen verschaft hij zich een kunnen, een technologisch vermogen om een nieuwe orde voort te brengen: een cultuur in de natuur. Hij brengt de natuur in cultuur: daar is niets tegen in te brengen, mits hij zich realiseert, dat de cultuur wezensafhankelijk verbonden blijft met de natuur. Dat wil zeggen, dat hij zich slechts zoveel cultuur kan veroorloven als hij in dezelfde mate de natuur objectief recht kan blijven doen. Waar dat laatste in het geding komt, sterft zowel de natuur als uiteindelijk ook de cultuur.

Hier ligt een wezenlijke restrictie, te verstaan als onlosmakelijke verbondenheid. Dat moet niet negatief verstaan worden: alsof de mens zich nog niet mag ontwikkelen, geen cultuur mag voortbrengen. Hier wordt slechts een grens aangegeven, voor zover het in acht nemen van die grens juist het fundament gaat vormen voor een werkelijke ontwikkeling: een werkelijke ontwikkeling van de mens is pas dan cultureel mogelijk, wanneer zij gelijke tred houdt met het eveneens door het menselijk handelen tot ontwikkeling komen van de natuur.

De natuur vormt geen statische pool, geen definitieve barrière, die de mens in zijn ontwikkeling hindert; de natuur vormt precies de voorwaarde voor die ontwikkeling, voor zover zij in die ontwikkeling op gelijkwaardige wijze betrokken kan worden. Een mens in ontwikkeling kan niet straffeloos de natuur buiten die ontwikkeling houden: hier is immers de gelijkwaardigheid van de partners in het geding. Waar deze gelijkwaardigheid verbroken wordt, kan het voorkomen, dat de mens zichzelf ontwikkelt ten koste van zijn partner. Hier wordt het egoïsme met gelijke munt terugbetaald: beide partners worden op zichzelf teruggeworpen en zullen uiteindelijk in isolement, in vervreemding ten onder gaan.

Werkelijke ontplooiing van de mens is dán pas mogelijk, wanneer hij de natuur daadwerkelijk zodanig in cultuur kan brengen, dat de natuur in die mate ook tot ontplooiing kan komen. Al denkend neemt de mens de natuur ter hand, en al handelend moet de mens erop gericht zijn, dat wat gewild wordt ook dienstbaar wordt aan de natuur. Alleen in dat onbaatzuchtige willen, waar de mens zich weet aan te passen aan de grenzen en de mogelijkheden van de natuur, kan hij de ruimte vormen waarin de natuur - mineraal, plant en dier - zichzelf kan worden aan de mens. En precies dáár waar de mens onbaatzuchtig zijn wil in dienst stelt van de natuur, dient hij zó te handelen dat de dynamiek van de menswording en de natuurwording, hand in hand, zich zó kunnen ontwikkelen, dat zij tot hun recht kunnen komen. Dat wil zeggen: wederzijds aan elkaar geschonken tot zichzelf kunnen komen. Ze vinden elkaar dan terug, niet meer in onvrijheid en gebondenheid, maar in een nieuw en vrij verbond.

2. Disharmonie.

De noodzaak op zoek te gaan naar een principiële gelijkwaardigheid van mens en natuur wordt ingegeven door het feit, dat deze relatie even zo goed kan corrumperen. En wel in die mate, dat beide partners daaronder lijden. Dat lijden is manifest geworden. Wil dit lijden niet stranden in een catastrofe, dan dienen wij met elkaar de zinvolheid te onderzoeken van dit lijden. Let wel: het geeft geen pas, dit lijden te rechtvaardigen. De mens kan de morele positie daartoe nooit innemen. Niettemin moet hij evenzeer ontkomen aan het fenomeen van de absurditeit.

De mens is slechts dan in staat de gegeven ontwikkeling te duiden, indien hij daaruit kan leren. Het lijden, dat de natuur de mens aandoet en het lijden dat de mens de natuur aandoet, vormen het onlosmakelijke deel van hun beider ontwikkeling. Heelheid én gebrokenheid; harmonie én disharmonie: ze geven de weg aan, waarop beide partners stoten op hun grenzen. Om te voorkomen, dat deze grenzen onoverkomelijke barrières vormen, waartussen het absurde noodlot zou kunnen heersen, dienen wij na te gaan - alvorens deze grenzen met behoud van een moreel denken, voelen en willen te kunnen overschrijden - waar exact de grens ligt van het moreel ontoelaatbare. Nu, dat is te leren in onze tijd, aan de vooravond van een mogelijke ecologische catastrofe. De enige zin die dit lijden toegeschreven kan worden, wordt gevormd door het appèl, waar wij als mens voor wakker kunnen worden. En wie ontwaakt, brengt de disharmonie in beeld. Het waarom en waartoe moet duidelijk worden aan het stadium waarin de ontwikkeling van mens en natuur op dit moment verkeren.

Dat stadium is zeer goed in beeld te brengen: de mens is als onderzoeker in staat al na-denkend de natuur zódanig te doordenken, dat hij een geheel eigen orde kan scheppen. Deze orde kenmerkt zich door een geheel eigen en te rechtvaardigen logica, begrippelijk te definiëren en experimenteel te toetsen. Het verstandelijk analytisch denken loopt echter in het streven naar objectiviteit het gevaar, dat het de werkelijkheid reduceert tot het zintuiglijk en materieel waarneembare. Deze reductie komt voort uit het feit, dat ze ernaar streeft de levende en complexe natuur verstandelijk analytisch te doorzien op haar causale wetmatigheden. Om verstandelijk greep te krijgen, isoleert ze, nadat ze het proces van de levende natuur stilgelegd heeft, begrippelijk het één na het andere en gaat zó voorbij aan het fenomeen van het wezen van de natuur. De natuur, als levend wezen, onttrekt zich in eerste instantie aan de greep van het analytisch vermogen van het verstandelijke denken. Om tóch greep te kunnen krijgen, moet de natuur op de pijnbank van het analytische mes. Ja, het is zelfs noodzakelijk de patiënt van het leven te beroven, uit het levende proces te isoleren, teneinde op zoek te kunnen gaan naar de materieel vast te stellen determinanten.

Welnu, dit niet te voorkomen gegeven, dat het verstandelijk analytische en berippelijke denken niet anders te werk kan gaan, wordt pas onoverkomelijk wanneer de mens niet tegelijkertijd het vermogen ontwikkelt, dit levende natuurwezen in zijn verschijningsvormen te leren verstaan. Begrippelijke analyse vormt slechts een hulpmiddel. Daarentegen zien wij, dat het groeiende vermogen om verstandelijk greep te krijgen, uitgroeit tot een geheel eigen, rationele werkelijkheid, die los kan komen te staan van het te onderzoeken natuurfenomeen. De onderzoeker kan in zijn onderzoek zodanig gefascineerd raken door de mogelijkheden van wat hij begrippelijk heeft weten te isoleren, dat hij een geheel eigen, slechts door het heldere verstand belichte weg opgaat. Hier verlaat het denken in zijn verstandelijke helderheid het gebied van het morele. Want de vraag, waartoe het tot nu toe begrippelijk helder gewordene moet dienen, wil het niet meer toelaten. Deze vraag hindert slechts de voortgang van het verstandelijke be-grip: het grijpen wordt doel in zich, voor zover het grijpen een toenemend vermogen voortbrengt macht uit te oefenen over een groter wordende rationele werkelijkheid. Deze rationele werkelijkheid gaat haar eigen leven leiden, geleid door geheel eigen wetmatigheden.

Deze rationele werkelijkheid wordt doel-in-zich; en met betrekking tot het scheppend wereldgebeuren, waaruit zij zich voor een deel teruggetrokken heeft, zelfs doel-loos. Hier dient zich een verstandelijk denken aan zonder zedelijkheid, mogelijk slachtoffer van zijn eigen dwanggedachten. De verstandspool van de mens is geweldig uitgegroeid en autonoom geworden; daarin is zij ten dele vrij geworden van een natuur, die haar wetten en begrenzingen dicteerde aan de mens als slachtoffer. Wie slachtoffer wordt, wenst zich te onttrekken aan een voor hem niet inzichtelijk noodlot. Dat lot wenst de mens, in dit geval de boer als ondernemer, heel begrijpelijk zelf ter hand te nemen. Hij wenst een teelt in die mate ter hand te nemen, dat hij haar geheel en al naar zijn hand kan zetten.

In dit streven naar totale handelbaarheid staat de wetenschappelijke onderzoeker hem ten dienste en reikt hem de middelen aan om zijn subjectieve wensen langzaam maar zeker te concretiseren in een rationeel productieproces. Daartoe moet de natuur, in plant en dier, ten dele gereduceerd worden tot het dingmatige, en wel zodanig, dat het organische ingewisseld wordt voor mechanisch beheersbare krachten. Het natuurwezen moet zodanig uiteengelegd worden, dat het zo nodig aangevuld kan worden met al die rationeel en materieel beheersbare componenten, dat de ondernemer in principe de beschikking krijgt over een keur aan mogelijkheden.

Het gevaar bestaat nu precies hierin, dat slechts die mogelijkheden benut worden, die passen in een optimaal mechanisch productieproces, met het oog op een maximaal rendement. Dat rendement is onderhevig aan de slijtageslag van een verstikkende concurrentie, met haar geheel eigen economische wetmatigheden. Uiteindelijk gaan deze wetmatigheden het productieproces opjagen; en het gevaar bestaat, dat ze daartoe natuur-wezens gaan voortbrengen, die geheel en al productioneel inpasbaar moeten zijn. Hier dreigt het willen gedachteloos te ontaarden in een dwangmatig handelen, in een willen zonder redelijkheid. Een redelijkheid, die door de mens slechts verworven kan worden uit de geheel eigen aard van het natuurwezen.

Wij zien, heden ten dage, dat de mens als onderzoeker zijn begeerte verstandelijk analytisch greep te krijgen op het natuurwezen, onbewust verbonden heeft met zijn begeerte als ondernemer beheersbaarheid economisch te effectueren. En uit dat ongelooflijk complexe natuurgebeuren isoleert hij, of benoemt hij, slechts datgene wat daarin past. Hij bewerkt zo een geheel eigen ruimte: een ruimte waarin het denken en het willen met een zekere rugdekking en verborgen medeplichtigheid ondergeschikt gemaakt worden aan het egoïsme. Eigenbelang lokt op deze wijze een confrontatie uit, een uiteenleggen van grenzen, waarin de mens noodzakelijk moet botsen op de natuur. In deze botsing vallen aan beide zijden onherroepelijk slachtoffers. Ze vallen door deze confrontatie uit het proces van het scheppend wereldgebeuren, waarin beiden wezenlijk verbonden en afhankelijk zijn. De relatie tussen mens en natuur is wezenlijk verbroken en uit dit verbroken verbond komen de drop-outs voort: vluchtelingen, grensgangers, uitgestorvenen. De erosie in talloze vormen grijpt om zich heen en paart een onleefbare aarde aan een onmenselijke wereld zonder toekomst.

3. Engagement vanuit een appèl.

De appel, symbool voor de verboden vrucht, waar de mens niet van mocht eten, op straffe van verbanning uit het paradijs. Deze appel kan nog altijd als symbool fungeren voor een grondhouding, waarin de mens zich rekenschap dient te geven van de onherleidbare eigen aard en waarde van de natuur en alle wezens die daartoe behoren. Zolang de mens zijn bestaan en het bestaan van de natuur niet fundamenteel doordacht heeft op de noodzaak van hun voortbestaan, dat alleen in verbondenheid gestalte kan krijgen, kan hij zich op geen enkele wijze veroorloven, op straffe van identiteitsverlies, dat hij door zijn toedoen medeschepselen voortijdig elimineert. Niettemin is de mens daar reeds mee bezig. Dit onloochenbare feit kan misschien duidelijk maken, dat de mens zich onvermijdelijk heeft begeven op het pad van een bepaalde ontwikkeling, waarin hij zich gaat manifesteren als medeschepper.

Wetenschappelijk onderzoek, en daaruit voortspruitende technologie, kunnen al dermate ingrijpen, dat de vraag naar een samenhang van deze ontwikkeling voor de verhouding mens-natuur opnieuw aan de orde gesteld moet worden. In 1. hebben wij aan de orde gesteld hoe de menswording onverbrekelijk samenhangt met de wording van de natuur: mineraal, plant en dier. Deze samenhang is echter al verbroken, summier hebben wij dat in 2. aangegeven. Deze samenhang is in die mate verbroken, dat een bezinning op deze ontwikkeling noodzakelijk verbonden moet worden met het onder de hoede nemen van al die slachtoffers, die het menselijk kennen en kunnen heeft voortgebracht. Deze slachtoffers vormen een mogelijk appèl voor het op gang brengen van een morele bezinning in hoeverre deze ontwikkeling ook werkelijk gewild wordt. Deze morele bezinning moet, wil ze vruchtbaar worden, nu en in de toekomst volledig gebaseerd worden op het concrete hoeden van het slachtoffer; want doordat bijvoorbeeld deze plant, in ons geval de knoflook, die door mensen die tezamen een vriendenkring vormen, onder hun hoede genomen wordt, kan ook letterlijk de verzorging gestalte krijgen.

Die verzorging moet haar bedding krijgen in een tuin, een omheinde ruimte, waarin deze plant kan gedijen. Wil de knoflook in onze tuin kunnen gedijen, dan moeten wij haar onderzoeken en bestuderen. Niet door haar op de pijnbank te leggen, maar door haar groei en bloei in teelten te volgen, jaar in, jaar uit. Zodanig, dat het wezen van de plant zich door onze toewijding en aandacht kan uitspreken. Een spreken, dat wij kunnen leren lezen door de verschijningsvormen zodanig te leren verstaan, dat daarin het wezen van de plant zich kan openbaren. Naarmate de mens zich werkelijk kan verbinden met deze plant, kan hij ook leren zich open te stellen voor wat in deze relatie hem tegemoet wil komen. Wanneer deze ontmoeting hem ten diepste kan raken, kan de mens ook de moed opbrengen datgene te willen wat waar, schoon en goed is voor deze plant en deze mens. Maar voordat de mens daartoe in staat is, zal hij heel concreet in onderzoek en teelt, in begrip en waarneming, in begripsvermogen en beeldvermogen zichzelf tot ontwikkeling moet brengen, opdat hij dit proces, deze relatie tussen déze plant en déze mens ook kan gaan doordenken, bezielen en tot ontplooiing brengen.

Door als mens, met anderen en met deze plant op weg te gaan, kan de mens pas zichzelf tot instrument maken. Een instrumentaliteit, waarin het begripsvermogen én het beeldvermogen zodanig tot ontwikkeling moeten komen, dat er recht gedaan kán worden. Daartoe moet een helder, uitgezuiverd, begripslogisch consistent, zakelijk, werkelijkheidsgetrouw, beweeglijk, verantwoordelijk, verstandelijk begripsvermogen met betrekking tot deze plant tot ontwikkeling gebracht worden, gestoeld op een evenzeer tot ontwikkeling te brengen breed, zintuiglijk waarnemingsvermogen. Dit waarnemingsvermogen moet zich oefenen in concentratie, opmerkzaamheid, een plant-betrokken inleven in het vervolgen van metamorfosegestalten, in de opbouw van een beeldlogische consistentie, in het uitzuiveren van de voorstellingsbeelden.

Alleen door het evenwichtig tot ontwikkeling brengen van deze drie zielsvermogens: het denken, het voelen en het willen, kan er een kiem wortel schieten en tot ontwikkeling komen. Deze kiem dient in haar wording door mensen gekoesterd te worden. Een koestering, die liefdevol de warmte weet op te brengen, waarin de kiem vol vertrouwen kan uitgroeien in de verwachting, dat ze vrucht zal dragen: een toekomstige ontwikkeling genererend. Deze zorg kan alleen opgebracht worden, wanneer de mens met anderen al doende drie deugden in zichzelf tot ontwikkeling weet te brengen, die hem de morele vermogens verschaffen om zin en samenhang te stichten.

De deugd van de liefde, die in het hart zetelt, wekt in de mens, via de verwondering, de interesse en het engagement om hier en nu het op te nemen voor het slachtoffer. In dit liefdevol opnemen van het slachtoffer, moet het zich gratuit inzetten om met alle overgave, geduld en doorzettingsvermogen te blijven oefenen, werken aan een teelt die slechts in wederkerigheid kan gedijen. Om in wederkerigheid het midden te kunnen houden, moet de deugd van het geloof zodanig beoefend worden, dat deze verbondenheid tussen mens en plant verdiept kan worden. Het sluit het cynisme uit, om plaats te maken voor een geloof in het waargenomene. Een geloof in de wijsheid van het bestaan van deze werkelijke plant, dat door wetenschappelijk onderzoek waarheid in deze werkelijkheid kan doen oplichten. Daartoe moet de mens voortdurend in zichzelf het gevaar van zelfgenoegzaamheid en verveling overwinnen.

Het geloof dat wezenlijk samenhangt met het verstandelijk begripsvermogen van de mens, kan zijn geloofwaardigheid echter dán pas behouden, wanneer de mens als tegenhanger de deugd van de hoop aan de waargenomen plant tot ontwikkeling weet te brengen. In het handelen ervaart de mens, hoe de plant zich telkens onttrekt aan een te voorbarig vastgelegde begripsvorming. De mens dient, met name in het waarnemen en het denken deze starheid te vermijden. Hij dient de hoop niet op te geven, door het proces van de beeldvorming onophoudelijk open te houden. Een grenzeloze hoop in het scheppend vermogen, de toekomst in beelden te openbaren. Slechts daar waar in het beeld van de hoop, humus aan humaniteit, door menselijk toegewijd handelen kan groeien, zal het aardse zich met het geestelijke kunnen verzoenen. De hoop op deze verzoening zet het verbond van mens en natuur pas in het juiste perspectief.

4. Dubbele oneindigheid.

'Als de mens, die zich tot een levendige waarneming van de hem omringende wereld geroepen voelt, zijn worsteling met de natuurverschijnselen begint, beleeft hij in eerste instantie een grote drang de objecten aan zich te onderwerpen. Het duurt echter echter niet lang, voordat zij met dermate groot geweld op hem gaan inwerken, dat hij wel ervaart, hoezeer hij genoodzaakt is ook hun macht te erkennen en haar inwerking op hem te eerbiedigen. Nadat hij deze wisselwerking tussen hemzelf en zijn waarnemingen ervaren heeft,wordt hij zich bewust van een dubbele oneindigheid: aan de zijde van de objecten de oneindige veelvuldigheid van hun bestaansvormen, hun wordingsprocessen en hun levendige onderlinge betrekkingen; en aan de zijde van zichzelf de mogelijkheid van een oneindige geestelijke vorming, die zich in hem kan voltrekken, als hij zowel zijn ontvankelijkheid voor de waarnemingen als zijn oordeelsvermogen steeds tot nieuwe vormen van opnemen en verwerken weet te brengen. Deze processen geven een hoge mate van geestelijk genot en zij zouden het geluk van ons leven beslissend bepalen, als zich geen innerlijke en uiterlijke hindernissen zouden voordoen op de schone weg naar de voleinding' (Goethe).

Dit is de eerste alinea van Goethe´s inleiding tot zijn geschrift 'Die Metamorphose der Pflanzen'; deze inleiding is getiteld 'Zur Morphologie'. De vertaling is daar enigszins vrij, waar het Nederlands geen letterlijke weergave mogelijk maakt.

Dit citaat vormt voor de vriendenkring van de Stichting 'Roos en Lelie', die heel concreet de knoflook als plant onder haar hoede heeft genomen, een blijvende bron van inspiratie. Goethe wijst ons hier de weg, om via de - later naar hem vernoemde - fenomenologische methode zicht te krijgen op een dubbel wordingsproces. Zowel vanuit het object, de knoflookplant, als vanuit het subject, de mens die deze plant onder zijn hoede heeft genomen, komt er een onafzienbare stroom van feiten en gebeurtenissen op gang. Op deze stroom dient de mens, tussen subject en object, heen en weer te pendelen. Alleen door met gevoel voor maat het midden te houden, kan de fenomenologische methode als de weg-waarlangs gestalte krijgen. Alleen gaande de weg kan dit worden bereikt.

Er bestaat hier geen droogzwemmen op de stroom der gebeurtenissen; geen objectieve, universele, onveranderlijke, begrippelijk te definië