Concept in diagram

CONCEPT IN DIAGRAM

Concipiëren, is het vermogen van de mens om denkbeelden te kunnen ontvangen en te ontwerpen.

Een concept is letterlijk een opzet, een plan, een ruwe schets leidend naar een meer definitief ontwerp, een poging om een idee de werkelijkheid in te kunnen denken. Dat denken draagt een specifiek karakter wat samen klinkt met conceptie: het is een ontvangend denken. Een bevruchting van het denken: een ontvangenis, nader te karakteriseren als een bevatting, vinding van een denkbeeld.

Deze kleine excursie laat ons in taal iets beleven aangaande de herkomst van dit denken, dat veelal nader aangeduid kan worden als abstract, theoretisch en begripsmatig. In het conceptuele gaat het nog om een gedachte, een idee waarbij de uiterlijke vorm, de bevatting, de inbedding, er nog niet toe doet. Het denken is nog zonder object, het is indalend en mettertijd wordt het belichaamd in de werkelijkheid.

Geheel eigen aan het concipiëren, is dat het welhaast ongrijpbaar verloopt. Het vindt stap voor stap, als het kan methodisch onderbouwd, zijn weg naar de concretisering. De vraag die we ons kunnen stellen, is: hoe dit onzichtbare proces te visualiseren? In het bijzonder wanneer het conceptualiseren niet alleen individueel maar juist en vooral gestalte moet krijgen in een groepsgebeuren. Al denkend is veelal niet in de gaten te houden, te traceren, wanneer en waarop leden van de groep inter-acteren.

Om het veelal beweeglijke proces van het concipiëren in zijn wordingsgang te kunnen traceren, gaan we in feite een methode, let wel, een speelse methode, toepassen om dit beweeglijke denken te vertragen. Je kunt het misschien vergelijken met een slow motion: de filmische snelheid van het denken wordt vertraagd en stap voor stap (van het ene begrip naar het andere) komt het denkproces in beeld. Het concept kan in alle facetten doorgelicht worden en op relevante aspecten bevraagd.

De methode om gezamenlijk te concipiëren, ontstaat in het werken met een diagram (deze wordt hier en in de navolgende tekst exemplarisch vernoemd, hetgeen hier beschreven wordt sluit aan bij de later ontwikkelde grammen).

Een diagram is een grafische voorstelling.

Een diagram brengt in het bijzonder de afhankelijkheid van twee of meer op elkaar betrokken grootheden grafisch in beeld. In het concipiëren, betreffen deze grootheden de relevante begrippen in het diagram. Deze begrippen dienen denkend op elkaar betrokken te worden. Om deze reden kunnen zij niet om het even waar dan ook in het diagram geplaatst worden.

De specifieke posities van de begrippen in het desbetreffende diagram worden bepaald door de in het diagram verankerde mogelijkheden van het denken. Het denken, het denkproces zelf valt uiteen in twee elkaar uitsluitende maar ook aanvullende mogelijkheden: analyseren en synthetiseren, respectievelijk nader uit te werken in begripsvorming en beeldvorming.

In een schema kunnen we het analytisch denkproces visualiseren door het in kaart te brengen. Het schema dient éénduidig te zijn. Je kunt hetzelfde analytische denkproces in meerdere schema's, plaatjes en of modellen weergeven. De vraag is echter hoe je die verschillende schema's zodanig op elkaar kunt leggen, dat het gemeenschappelijke (het abstract algemene en het concreet bijzondere) in beeld komt en wel zodanig dat die schema's elkaar niet uitsluiten maar insluiten, dat ze modelmatig compatibel worden en uitgewerkt kunnen worden in een te denken patroon. Compatible modellen, zo is ons streven, dienen uiteindelijk een verbindend patroon te vormen.

Dat streven komt voort uit het vermogen om al denkend, niet alleen te analyseren, maar ook te synthetiseren. Om analyse en synthese in beeld te kunnen brengen, zijn wij op zoek gegaan naar een soort van ‘oer‑schema’. We onderscheiden 4 begrippen en dito niveaus in dit verband: schema, plaatje, model en patroon. Zo een oer‑schema noemen we, hier samenvattend, een grondpatroon, dat weer uitgewerkt kan worden in diverse bouwpatronen, waaronder bijvoorbeeld een diagram en of een dynagram. Het grondpatroon moet daartoe mogelijke denkoperaties (operaties waartoe het denken in staat is) in zich kunnen verenigen. (zie theorieboek systeem dynamiek)

Gezien de complexiteit van het denkproces waarin we nadenken (of iets bedenken) over een evenzeer gecompliceerde werkelijkheid, dient het grondpatroon daarentegen toch zeer eenvoudig te zijn. Dat wil niet zeggen, dat we alles wat we kunnen bedenken in één grondpatroon, c.q. een bouwpatroon, c.q. een diagram kunnen onderbrengen. Maar het grondpatroon dient wel datgene wat we bedenken op een zodanige wijze te ordenen en te structureren dat alle daarop gebaseerde bouwpatronen en of diagrammen, evenwel methodisch werkend, op elkaar gelegd kunnen worden. Dit is geen geringe eis en opgave en blijft onderhevig aan een voortdurende precisering en afstemming.

Om het principe enigszins te kunnen voorstellen, zou je kunnen denken aan verschillende dia's (doorzichtige diagrammen) die je niet alleen na elkaar kunt projecteren, maar ook achter elkaar. Je laat het licht bij wijze van spreken niet door één dia schijnen maar bijvoorbeeld door meerdere dia's tegelijk. Het licht door meerdere dia's tegelijk laten schijnen vertroebelt het beeld, tenzij de dia's (de diagrammen) zodanig geordend en gestructureerd zijn, dat ze juist het beeld helder, doorzichtig, transparant maken. Diagrammen worden op deze wijze mogelijk compatible. We kunnen de daarin vervatte concepten vergelijken en in samenhang denken met als doel, onder andere, kennisintegratie.

Het denken ordent en structureert de werkelijkheid. Door deze ordening kan het structuur aanbrengen in de werkelijkheid. De werkelijkheid echter staat niet los van het denken. Zo de werkelijkheid in de ordening gestructureerd kan worden, zo kan het denken zichzelf in de ordening structureren. Het diagram vormt het snijvlak, de "dia", tussen denken en werkelijkheid. En omdat denken en werkelijkheid elkaar ergens ‘raken’, kan deze "dia" grafisch geprojecteerd worden in een dia‑gram. En wel zo, dat grafisch gezien, het denken zich spiegelt aan de werkelijkheid en er soms al of niet mee samen kan vallen.

Concipiëren met behulp van bijvoorbeeld een diagram moet gezien worden als een methodisch instrument. Het diagram kan noch het denken noch de werkelijkheid vervangen. Ze vormt slechts een middel (een midden) om de weg waarlangs we met elkaar concipiëren in beeld te brengen. Alleen door met het diagram te werken, kunnen we de werking ontdekken. De tot nu toe ontdekte werkingen hebben we ondergebracht in een visueel te denken grondpatroon, een synthese vormend tussen begrip en beeld.

We moeten ons trainen in het werken met een diagram. Dat kan door ieder afzonderlijk en of gezamenlijk te concipiëren. En elk concipiëren begint met een vrij associëren, in action research termen, open dating, vorm krijgend in mind mapping, bewegend tussen schema en plaatje. Associëren is dan een vorm van inductie, stapsgewijs zoekend, op basis van feiten en of fenomenen naar mogelijke verbanden.

Het associëren aan de hand van een aantal begrippen en of ideeën, feiten en of fenomenen, al of niet weer te geven in een mind map (de pre-figuratieve dimensie waaraan een schema bijdraagt) vormt de eerste stap in dit synthetische denkproces. De tweede stap die we vervolgens moeten zetten, om te voorkomen dat we blijven steken in het vrije associëren, is een meer gebonden associëren, in action research termen, axial dating, vorm krijgend in design mapping, bewegend tussen plaatje en model. (de re-figuaratieve dimensie waaraan het plaatje bijdraagt)

Op deze wijze trainen wij zowel het associatieve denken als, in een meer toegespitste vorm, het amplificerende denken. De term amplificatie is door C.G. Jung ingevoerd om hem af te grenzen van "vrije associatie". Amplificatie is een begrensde associatie. De begrenzing wordt aangegeven door het grondpatroon, c.q. het bouwpatroon, c.q. het diagram en of dynagram.

Amplificatie betekent letterlijk uitbreiding, uitweiding, het in den brede behandelen. Amplificeren betekent ook zoiets als het zoeken naar een context en of een samenhang uitvergroten. In die zin staat amplificeren tegenover reduceren. Bij reduceren wordt in het denken een weg terug afgelegd op grond van een causaal (oorzakelijk) verbonden keten van begrippen, die uiteindelijk noodzakelijk uitmondt bij één enkel begrip en of één enkel feit (of een beperkt aantal begrippen en corresponderende feiten). In het analyseren is het reduceren en deduceren op zijn plaats, om te kunnen synthetiseren dienen we te amplificeren, preciezer induceren en abduceren. Concipiëren is niet mogelijk zonder analyseren én synthetiseren.

In de methode (concept in diagram) passen wij dit amplificeren toe in het bouwen van een weefsel van relaties tussen de begrippen in het desbetreffende diagram (met betrekking tot een te formuleren concept) met behulp van associaties. Amplificeren is een gerichte en gebonden associatie, die telkens weer naar het diagram (c.q. het grondpatroon) terugkeert en daar zoveel mogelijk facetten van belicht. In en door het diagram worden de associaties, amplificerend, in een context geplaatst:

Het diagram ordent

en structureert

het te denken ‘weefsel’

tussen de verschillende begrippen

in een te denken concept

op een mogelijk veld van te exploreren posities en betrekkingen.

Amplificatie is een begrensde associatie. De begrenzing wordt door het diagram aangegeven. Het vrije associëren voert ons naar de aller-individueelste concepten. Amplificeren is een gerichte en gebonden associatie, die telkens weer naar de kern van het concept dient te keren en daar zoveel mogelijk kanten van belicht. Alle verborgen interpretatiekaders, vooronderstellingen, moeten door dit diagram boven tafel komen. Het diagram vormt letterlijk de context van ons gezamenlijk concipiëren. En in dit concipiëren moet zowel het exclusieve als het inclusieve, het onderscheidende als het verbindende samenhangend in beeld gebracht worden. Het diagram verleent daartoe een dienst.

Het diagram zelf vormt de "context" waarbinnen eigen tekst, eigen spreken, eigen verhaal een gezamenlijk verhaal kan worden. In casu kan leiden tot een gezamenlijk concept in een beeld en begripsvormend model, betreffende bijvoorbeeld doelstelling en beleid van een organisatie of anderszins. In deze de derde stap, in action research termen, conceptual dating, vorm krijgend in concept mapping, bewegend tussen model en patroon. (de con-figuratieve dimensie waartoe het model bijdraagt)

Om met het diagram te kunnen werken is het goed vooraf iets over de ordening en structuur van dit diagram (beeldveld, bouwpatroon) uit te leggen.

Het diagram vormt letterlijk de context van het denken. Denken is een proces op grond waarvan de mens kan ordenen en structureren. Al het denken, wil het iets kunnen bedenken, moet afgrenzen. Datgene wat je wilt bedenken moet afgebakend worden. Je kunt niet alles tegelijk bedenken. Het diagram brengt dit in beeld door het veld af te bakenen in de vorm van een cirkel. Op dit afgebakend (speel)veld kan het spel van het denken (concipiëren) zich voltrekken. Dit speelveld heeft het karakter van een diagram (of elk ander bouwpatroon en of gram). Om die reden zou je het ook een beeld‑veld mogen noemen. Een andere typering is blikveld, je kunt in één oogopslag het te denken veld en of concept overzien.

Aangezien dit diagram de beweeglijkheid van het concipiëren in beeld wil brengen, moeten we laten zien hoe dit veld geordend is. De ordening wordt gekenmerkt door een aantal principes die de ordening nader concretiseren tot een beeldveld, een diagram.

Het speelveld is afgebakend door een cirkel. Deze cirkel visualiseert zowel de ruimte waarbinnen gedacht moet worden als de tijd waarin het denkproces zich beweegt.

De tijd.

Denken is een na‑denken, het één na het ander denken, van het één naar het ander. Denken beweegt zich in de tijd. In de cirkel, met de wijzers van de klok meebewegend, kan de denker achtereenvolgens het denkproces in de tijd uitzetten. Het denkproces beweegt zich in een cirkel/spiraal. Voor de goede verstaander in de hermeneutische cirkel.

Je zou dat ook de cirkel kunnen noemen van het leren. Kolb bijvoorbeeld formuleerde op deze wijze een leercirkel en hij gaf daarin aan dat dat leren gekenmerkt wordt door vier stappen: doen ‑ bezinnen ‑ denken ‑ beslissen. We kunnen dat in het diagram in beeld brengen.

De ruimte.

Denken gaat altijd ergens over. Wat wil je bedenken? In de cirkel komt de denker in een ruimtelijk veld waarin hij de begrippen aantreft waarover hij wil denken.

Die begrippen kan je wel zomaar ergens in de cirkel plaatsen, maar dan weet je nog niet in welke relatie die begrippen tot elkaar staan. Om een ingewikkeld probleem te kunnen bedenken moet je het aantal begrippen zover als mogelijk en noodzakelijk reduceren. Een voorlopig zinvol aantal vind je door op de cirkel 4 punten op te zoeken en die zodanig met elkaar te verbinden dat die twee stralen met elkaar een rechte hoek vormen. De ene straal vormt de vertikaal en de andere straal vormt de horizontaal. Met dit kruis wordt de ruimte overzichtelijk ingedeeld in vier velden.

Deze ruimte kun je nog verder indelen, door in alle hoeken van het kruis een straal te tekenen en wel zodanig dat de hoek van 90 graden verdeeld wordt in twee van 45 graden.

Kijken we goed naar deze acht stralen, dan zien we, wanneer we de uiteinden van het eerste kruis met elkaar verbinden een ruit (rechthoekig) ontstaan, wanneer we de uiteinden van het tweede kruis verbinden, dan zien we een vierkant ontstaan.

De diagonalen van de ruit vormen in wezen een +, een rechtopstaand en of dynamisch kruis. Op de uiteinden van dit dynamische kruis, de hoekpunten van de ruit, kunnen we bijvoorbeeld die vier begrippen neer zetten die substantieel zijn voor het te denken concept. Letterlijk datgene wat we theoretisch met betrekking tot de inhoud van het concept willen doordenken.

De diagonalen van het vierkant vormen een x, een liggend en of statisch kruis. Op de uiteinden van dit statische kruis, de hoekpunten van het vierkant, kunnen we die begrippen neer zetten die de werking weergeven van een te denken conceptuele werkelijkheid (in het woord werkelijkheid zit het woord werking, dat wat werkt). Letterlijk datgene wat we praktisch met betrekking tot het te denken proces, qua werking al of niet kunnen denken en bij gevolg al of niet in praktijk kunnen brengen.

Het denken bedenkt, heeft een inhoud, deze inhoud is ruimtelijk weer te geven. Het denken is een nadenken, het nadenken en het na elkaar denken beweegt zich in de tijd.

Denken in diagram

De vraag die hier nog aan de orde moet komen is: op grond van welke ordening kan het denkproces zo in beeld gebracht worden. Daar is heel veel over te zeggen.

Om het enigszins toegankelijk te maken, schetsen we achtereenvolgens drie denkwijzen (paradigma´s) zoals Van Peursen ze heeft beschreven in zijn boek "Cultuur in stroomversnelling".

Hij beschrijft hoe de mens in de loop van de tijd drie denkwijzen heeft ontwikkeld: het mythische denken / paradigma ‑ het ontologische denken / paradigma ‑ het functionele denken / paradigma.

Elke fase in de geschiedenis van de mens wordt gekarakteriseerd door zo een wijze van denken. Tegelijk echter moet je ze niet alleen historisch verstaan, maar ook begrijpen als een wijze om de werkelijkheid te bedenken, te begrijpen en in beeld te brengen. Het is voor ons interessant om te zien hoe deze drie paradigma´s in het diagram kunnen functioneren. Daarmee laten we zien hoe dit diagram hypothetisch de "context" vormt van ons denken hier en nu. Deze "context" is deels drieledig van aard en hangt samen met de hierboven geschetste driedeling van C.A. van Peursen.

We kunnen in deze context de paradigma´s ook weergeven met een aantal simpele woorden.

1. In het denken vraagt de mens altijd naar het wie/wat (waarover gaat het? En wie doet wat?).

2. De mens probeert er ook achter te komen dat zijn denken ergens over gaat, dat wat hij bedenkt is ook aanwijsbaar, aantoonbaar, dat (daarover gaat het! en waar en wanneer tref je het aan?).

3. De mens wil echter vooral bedenken hoe het in elkaar zit, hoe het met elkaar samenhangt, hij vraagt naar het hoe.

4. Ten slotte probeert de mens al denkend erachter te komen waarom dat zo is, hij vraagt naar het waarom. De waarom‑vraag staat niet op zichzelf. Zowel de vraag als de mogelijke beantwoording hangt samen met het desbetreffende paradigma en of denkwijze.

In het mythische denken wordt voorstelbaar hoe de mens op zoek is naar het dát.

In het ontologisch denken wordt voorstelbaar hoe de mens op zoek is naar het wát.

In het functionele denken wordt voorstelbaar hoe de mens op zoek is naar het hóe.

De waarom‑vraag vinden wij terug in de wijze waarop gedacht wordt.

Zo zal het mythische denken de waarom‑vraag oplossen in de mythe, de rite en het symbool.

In het ontologisch denken komt de waarom‑vraag expliciet naar boven in een theorie.

In het functionele denken wordt de waarom‑vraag opgenomen in de te duiden relatie (functie) tussen subject en object.

In de beschrijving van deze drie denkwijzen laten we zien hoe het denken aan de hand van dit diagram zich altijd moet vergewissen van deze grondvragen. Tevens willen we laten zien dat dit diagram, in een eerder stadium ontworpen en experimenteel getoetst, een integratie is van deze drie denkwijzen.

Het mythische denken in relatie tot het diagram.

Een heel essentieel gegeven waarop al ons denken zich dient te richten en zich er ook van dient te vergewissen is het dat. In het denken heeft de denker het object van denken nog niet afgerond. Dat kan ook nog niet want hij is volop aan het denken, zijn denken wordt nog geobsedeerd door alle mogelijke ideeën, begrippen, beelden, verbanden, gedachten die hem nog als vreemde machten doorstromen. Het denken is geobsedeerd, b