Personal dynamics

*The success of an intervention depends on the interior condition of the intervenor*

(Bill O'Brien)

Entrust:

Insights that will find and connect with you

Harmony:

Feeling yourself connected to the laws of the world.

Reverence:

Act in accordance with yourself, with deep respect to others.

Wonder:

Be curious, feel the challenge, explore new horizons and shape in admiration and amazement.

Onderstaande tekst werd in 2003 geschreven door Herma Diesfeldt, psycholoog, indertijd weer student homeopathie op de HVNA. Dit schreef ze naar aanleiding van de colleges aangaande therapeutische vorming, zoals elders op de website beschreven onder Het unieke leren op de HVNA. We plaatsen deze informatieve tekst bij dit diagram, aangezien het helpt te verduidelijken wat daar staat. Wat betreft de leerstijlen, zie ook de andere diagrammen. We hebben gemeend de tekst zo te laten staan, het is hier en daar wat kort en bondig en verdient zeker nuancerende aanvullingen, maar aangezien die elders onder Ken U zelve zijn uitgewerkt, vormt deze tekst een simpele maar adequate samenvattende uiteenzetting, met dank aan Herma.

HET INDIVIDUELE LEERPROCES

In het eerste leerjaar willen we nadrukkelijk stil staan bij het op gang brengen van het individuele leerproces. Wie het eigen leerproces niet in beweging zet kan hier niet leren.

Je eigen leerproces beginnen is vanuit jezelf aan de slag gaan. Dit roept onmiddellijk de vraag op: wat wil jij?

En met die vraag wordt een andere vraag gesteld: waar sta jij?

Je moet je gaan oriënteren.

De oriënt is het oosten, daar waar het licht opkomt.

Als je een probleem tegen komt bevind jij je in de duisternis. Immers als je weet hoe iets in elkaar steekt heb je geen probleem. Er is je ooit een licht op gegaan, "aha, nou snap ik het".

Wat is jouw leerstijl? Hoe pak jij meestal een probleem aan?

Ga je uit van wat jou al helder is en zet jij jouw probleem uiteen in dat heldere veld, of ga jij het duister in en probeer je al tastend en voelend het probleem in beeld te brengen?

Er zijn twee fundamenteel verschillende leerstijlen.

De één vertrekt vanuit zijn ik positie, de ander vanuit zijn zelf positie.

Wie vanuit zijn ik vertrekt, zegt meestal gedecideerd: "ík wil dit probleem aan de órde stellen". Het probleem wordt dan voor het ik neergezet en in het heldere licht van het bewuste ik worden de onderdelen van het probleem helder uiteengelegd in begrippen.

Wie vanuit zijn zelf vertrekt zegt, meestal aarzelend: "ik vòel dat ik dit aan de orde wil stellen". Het probleem wordt dan waargenomen in je zelf en er komt een innerlijk proces van tasten en voelen op gang, dat uiteindelijk uitmond in een beeld.

Het ene leerproces is niet beter of slechter dan het andere leerproces. Je moet alleen helder krijgen hoe dit proces bij jou verloopt.

Jouw vertrekpunt bepaalt namelijk jouw leerdoel.

Iemand die vanuit zijn ik start, vindt het moeilijk om contact te maken met wat zich innerlijk voordoet. Zijn leerdoel is om in te zien dat daar waar het ik "zich tegenover" stelt, het zelf zich nog moet inleven. Dat wil zeggen dat hij redelijk in staat is om dit verhaal begrippelijk te pakken. Maar hij moet nog die lege abstracte begrippen gaan opvullen met levende ervaringen. Zijn zelf moet zich nog gaan verbinden met die begrippen.

Iemand die vanuit zijn zelf start, vindt het moeilijk om zijn probleem helder uiteen te zetten. Zijn leerdoel is om te ontdekken dat daar waar het zelf "zich verbindt", het ik nog geboren moet worden. Dat wil zeggen dat hij dit verhaal niet direct begrippelijk kan pakken, behalve als hij iets hoort wat hij al beleefd heeft. Zoniet dan moet hij dit verhaal aandachtig volgen en de kennis in zich zelf weg laten zakken. Op een gegeven moment zie jij het jezelf doen en dan snap je het. Dan komt in die situatie je ik tot je beschikking.

Het leerdoel is niet een probleem de wereld uit te helpen, maar zorgen dat aan de hand van problemen het mysterie van de persoonsvorming in begrip en beeld verhelderd kan worden.

Alleen bij een probleem waar jijzelf tegen oploopt heb je de kans je ik te ontdekken of jezelf terug te vinden.

Het gaat om de concrete bijzonderheden die jij zelf hebt meegemaakt. Het gaat hier om een persoonlijk leerproces.

DE VIERLEDIGE DIFFERENTIATIE VAN DE PERSOON

Elk persoon bestaat uit een zelf, een zelfbeeld,een identiteit, een ik.

HET ZELF EN HET IK

Elk persoon heeft zijn eigen authentieke, unieke bron. En die bron wil door jou heen klinken. Per sonare betekent letterlijk door heen klinken.

Waar komt die bron vandaan? In onze cultuur zetten wij hier een dik vraagteken bij. Zijn wij een geestelijk wezen? Wat doen wij eigenlijk hier op aarde?

In de persoon zie je iets van jezelf verschijnen. Dit verschijnen is een onbewust iets. Je ziet jezelf dingen doen en zeggen zonder dat je weet waar je het vandaan hebt. Iedereen kent wel van zichzelf een anekdote, meestal al uit je jeugd, die exemplarisch is voor de grondtoon van je psychè.

Deze bron is je zelf.

Als jij je verbindt met jezelf ga je met de stroom mee de onbegrensde ervaring in. Dit meegaan is van zichzelf onbewust.

Het ik daarentegen, gaat tegen de stroom in. Het is een dwarsligger, stelt zich tegenover en grenst af. Dit tegenover stellen maakt je bewust.

Het zelf gedijt in de warmte van het collectief en krimpt in de kou van ieder op zich.

Het ik wordt sterker in de kou van de confrontatie, maar gaat kopje onder in de warmte.

Het zelf gaat er bij liggen en laat het over zich heen komen. Het zelf zegt ja en kan moeilijk nee zeggen.

Het ik gaat er voor staan en recht zich. Zegt basta, afgelopen. Het ik kan ja en nee zeggen, maar zegt moeilijk ja.

Het zelf creëert een centrum, maar kan 'm niet innemen.

Het ik gaat in het centrum staan, het is de punt in het midden.

Het zelf wil zich laten zien.

Het ik wil gezien worden.

Het zelf laat zich leiden en zoekt houvast.

Het ik leidt en geeft houvast.

Het zelf durft geen fouten te maken, het gaat onbewust steeds weer de fout in.

Het ik durft fouten te maken, het is zich bewust van het onderscheid tussen persoon en functie. Het trekt zich los uit de handeling en zegt sorry, dat ging fout, volgende keer beter.

Het zelf heeft het oor als zintuig, het luistert.

Het ik heeft het oog als zintuig, het ziet.

Het zelf is de buik.

Het ik is de rug.

HET ZELFBEELD

Zelfbeeld is wat je gewaar wordt van jezelf. Dit kan pas gebeuren nadat jij je verbonden hebt met jezelf en mee bent gaan bewegen in de stroom van de actualiteit. Hoe was mijn reactie op wat ik mee maakte? Was ik agressief, verdrietig, blij, voelde ik mij slim of stom? Dit terugbuigen echter, dit reflexieve vermogen, is ook afhankelijk van het ik dat zich weer heeft losgemaakt uit die meegaande beweging.

Het zelfbeeld is buigzaam. Ze mag mee veranderen, jouw manier van verschijnen volgend. Het bewuste ik voegt zich hier in het zelf. Het ik geeft hier zijn controle uit handen.

Maar het kwadrant van het zelfbeeld is ook het kwadrant van het ego.

Het ego is het vastgeroeste zelfbeeld. De persoon kan dan niet meer in alle gevallen zichzelf zijn. Hij houdt zich een masker voor (persona = masker). Als je geleerd hebt dat bepaalde verschijningen niet gewenst zijn - je bent bijvoorbeeld een keer flink op je bek gegaan - dan voel je je gedwongen een bepaalde rol op je te nemen.

Het masker wordt door het ik gehanteerd. Het bewustzijn oefent controle uit op iets wat anders spontaan en onbewust gaat. Je kunt ook zeggen dat het ik de warmte uit het handelen haalt waardoor er een verkramping ontstaat.

Hoe ik reageer op het masker van de ander, zegt meer iets over mijzelf dan over de ander.

Het masker van de ander stimuleert jou om in je eigen ego te schieten. Een ego dat op een ego reageert kan een ware hel scheppen. En menig huwelijk is daar een groot voorbeeld van.

Als jij echter jezelf bent doe je geen appèl op iemands masker. De ander zet dan gemakkelijker zijn masker af. Vaak zitten er kleine hartjes onder die zo graag willen verschijnen.

Dat je een masker draagt is meestal niet zo moeilijk te zien, maar wat in mij dwingt mij om dit specifieke masker te dragen? Dat is een mysterie. Dat vraagt om een nauwkeurig onderzoek van alle bijzonderheden van concrete problemen.

Je mag best een rol spelen, daar gaat het niet om. Iemand speelt bijvoorbeeld als docent een bepaalde rol. Dat is functioneel in de geëigende situatie. Als je die rol maar niet bént en die rol, als je niet meer les geeft, kan laten vallen.

Die rollen die je moeilijk kan laten vallen, die zeggen iets over je ego.

DE IDENTITEIT

Identiteit is een instantie van de persoon die volstrekt gelijk is aan mijzelf. Waar het zelf nog niet van zichzelf bewust is, ben je bij je identiteit je bewust geworden van jezelf. Het is datgene van jezelf dat je hebt leren kennen en geaccepteerd hebt. Het is al datgene waarvan je geleerd hebt dat het past bij jou om zo te werken.

Er komen bijvoorbeeld emoties omhoog. Horen die bij jouzelf, mogen ze er zijn, of duw je ze weg, als lastig en niet te gebruiken! Maar als je die emoties accepteert, als bij jou behorend, hoe onaangenaam soms ook, dan kun je er naar luisteren. Dan ga je merken dat die emoties zeer betrouwbare raadgevers zijn.

Dit luisteren naar jezelf is leren trouw te zijn aan jezelf.

DE LEERCIRKEL

De leercirkel is gebaseerd op het werk van David Kolb.

1. Het doen

Elk leerproces vraagt om iets te gaan doen.

2. De beeldvorming

Na het doen kom ik er achter, via reflectie (=terugbuigen) wat en hoe ik het gedaan heb. We gaan ons een beeld vormen van wat zich precies heeft voorgedaan.

Het in kaart brengen van een probleem en vervolgens deze beeldvorming in woorden omschrijven behoort tot dit kwadrant.

3. De oordeelsvorming

Je gaat met je denken nog eens na (nadenken) wat je waargenomen hebt en komt dan tot een oordeel, bijvoorbeeld: hé, er zijn bepaalde samenhangen te zien, wat voor zin zouden die kunnen hebben.

Bij deze fase kan de begeleider, in gesprek met de student, helpen. Met zijn vragen, waarbij hij zich verplaatst in jouw probleem, probeert hij jouw proces te verhelderen.

4. Het besluit

Welke betekenis, die jij denkend bedacht hebt, voelt het prettigst aan? Je kan bijvoorbeeld merken dat je innerlijk helemaal tot rust komt als je een bepaalde betekenis bedacht hebt. Je gaat dan uit meerdere mogelijkheden er eentje kiezen. Het besluit is genomen.

Het rechter gedeelte van de cirkel bevat een progressieve kwaliteit. Zowel in de beslissing als in de actie ga je de toekomst in.

Het linker gedeelte van de cirkel bevat een regressieve kwaliteit. Zowel in het nadenken als in de reflectie kijk je terug op het verleden.

Het bovenste gedeelte van de cirkel heeft een bewuste kwaliteit. Het is het gebied van de geest.

Het onderste gedeelte van de cirkel heeft een onbewuste kwaliteit. Het is het lijflijke gebied.

Je moet je eigen draai vinden.

Hoe ga jij de cirkel door. Je kunt rechtsom of linksom.

Rechtsom is de weg van het zelf. Je begint maar wat te doen, vervolgens ga je waarnemen wat je eigenlijk deed, dan nadenken, past dit bij mij zelf? En tot slot beslis je, de volgende keer doe ik dat anders of precies zo.

Linksom is de weg van het ik. Je neemt eerst een beslissing: ik ga bijvoorbeeld vanavond naar de bioscoop. Nadenken: welke bioscoop, welke film? Beschouwen: wat heb ik er ook al over gehoord, heb ik er eigenlijk wel zin in etc. Uiteindelijk volgt dan de actie.

In de vier kwadranten van de leercirkel kun je bepaalde types zien. De doener, de beschouwer, de denker en de beslisser.

De meeste mensen voelen zich thuis in één kwadrant van de leercirkel.

1. De doener stort zich onmiddellijk in de actie. Dit kan hij omdat hij zijn ik loslaat en zich verbindt met zichzelf. Hij merkt later wel of hij het leuk vond of niet, maar dat is nu niet van belang.

2. De beschouwer zit onmiddellijk in zijn innerlijke gevoelens. Dit kan hij omdat hij zijn ik terug houdt. Hij onttrekt zich aan actie maar zoekt wel contact met zichzelf omdat hij nog met zijn gevoelens in de knoop zit. Hij moet ze nog eerst denkend op een rijtje krijgen. Maar hij uit dat denkwerk op emotionele wijze.

3. De denker heeft onmiddellijk zijn oordeel klaar. Dit kan hij omdat hij zich terug trekt uit zijn gevoelige zelf. Koel presenteert hij zijn conclusies, maar maskeert daarmee zijn eigen gevoel. Eigenlijk presenteert hij een gevoelsmatig oordeel als een objectief oordeel.

4. De beslisser wordt zijn besluit onmiddellijk gewaar. Dit kan hij omdat hij zijn ik inzet. Hij gaat boven de situatie staan en maakt zich los van de actie. Hij weet wat er gedaan moet worden, maar doet zelf niet mee, want anders verliest hij het overzicht.

De denkers en beschouwers stellen altijd beslissingen en aktie uit. Het linker gedeelte van het diagram heeft een passieve kwaliteit.

De beslissers en doeners zijn aktie georiënteerd. Het rechter gedeelte van het diagram heeft een aktieve kwaliteit.

Elk type heeft een speciale relatie met de naastliggende types.

De doener beschouwt en beslist ook. Je kunt immers niets doen zonder dat je voortdurend in ogenschouw neemt wat je aan het doen bent én meteen beslissingen neemt wat je wel en niet moet doen. Het beschouwen en beslissen gebeurt echter in de actie en is onbewust.

De beschouwer remt het doen af, maar denkt wel. Het denken is hier niet bewust.

De denker remt het beslissen af, maar beschouwt wel. Dit beschouwen gebeurt onbewust.

De beslisser aktiveert het doen, door zelf niet te doen en niet te denken.

DE VRIJE PERSOON

Met de therapeutische vorming willen we bevorderen dat jij als persoon vrijer wordt. Dit proces van vrij - autonoom - worden is een proces waar je je hele leven mee bezig blijft.

Je bent onvrij als je alleen onder bepaalde condities je zelf kan laten zien. Je bent dan gebonden aan die condities.

In de therapeutische vorming gaan we die bindingen opsporen. Dit doen we door te letten op de persoonlijke consistentie. In het versterken van de relatie tussen ik en het zelf kun je je bevrijden van de condities die jou in je eigen mogelijkheden beperken.

Het ik en het zelf komen pas in relatie tot elkaar als je ze kunt onderscheiden als twee afzonderlijke grootheden met een geheel eigen functie. Er ontstaat dan een spanningsveld waarin een pendelbeweging mogelijk wordt, zodat het ik en het zelf elkaar in de afwisseling gaan aanvullen.

1. HET ZELF

De eerste stap is, om er achter te komen waar jij warm voor loopt. Waar jouw enthousiasme is, daar vind jij je zelf. In je enthousiasme kun je jezelf laten zien. Daar verschijn jij zelf, vol zelfvertrouwen. Dit is de Basic trust van Erikson.

Het zelf is daarin buitengewoon naïef. Het is het eeuwige kind in jou. Het kleine kind zegt onbevangen ja tegen het leven. Het opent zich voor wat aan hem voordoet en gaat er enthousiast op in. Waarom? Dat weet het niet. Het gaat onbewust. Of het werkelijk leuk zal zijn moet nog blijken.

Daar waar je open gaat daar ga je van jezelf uit. Je bent een centrum, maar je realiseert jezelf niet als centrum, wan