Netwerk‎ > ‎

Bouwpatronen 2017

Wat nog terug gehaald kon worden na verlies van alles in de link (dit is geen complete back up) 

Dynagram en Diagram

Langzamerhand is er al het één en ander aan bod gekomen over dynagram en diagram.
Gaan we naar de 5 lagen dan is bouwpatroon laag een midden tussen grondpatroon laag en gram laag. Dit te samen met de contouren (tijdruimte en ruimtetijd) die ordende rol spelen, maakt dat er veel mogelijkheden ontstaan over hoe/waar je begrippen in een gram kan plaatsen. Waar we van het grondpatroon verschillende restricties gebruiken (d.m.v. cruciale configratieve componenten) om te kunnen onderzoeken in een alles met alles samenhangende werkelijkheid, herhalen we niet alleen deze restricties in de bouwpatronen maar dienen we ze nog verder te verhelderen en/of uit te breiden.
De bouwpatronen brengen vele mogelijkheden met zich mee. Twee belangrijke bouwpatronen zijn dynagram en diagram. Een dynagram is geen diagram op de kop en/of vice versa. Dat impliceert wederom dat je scherp dient te krijgen vanuit welk referentie kader en/of optiek je de werkelijkheid onderzoekt.
Dat vraagt om dynagram en diagram in eerste instantie strikt van elkaar te scheiden.


Kosmo-morf en Antropomorf.


Onder anderen beschreven we al een verschil bij de assen in relatie tot onze menselijke vermogens.
Waar in we zowel in een dynagram als in een diagram een polaire 3 ledigheid verhouding zien.


Dynagram (blauw), heeft een kosmo-morfe referentie kader:
Hemel- geest-het immaterieel- zuid- discentrisch- boven
Mens- ziel- midden-bemiddeld- midden
Aarde- lichaam- het materiële- noord- concentrisch- onder


Diagram (rood), heeft een antropomorfe referentie kader:
Hoofd- denken- noord- concentrisch- boven
Borst-voelen-midden-bemiddeld-midden
Buik-willen-zuid-concentrisch-onder





Kosmo-morf: Wanneer je de mens als een midden ziet tussen hemel en aarde. Niet als een midden tussen 2 gescheiden werelden waarin hij/zij zich om geeft, maar als een derde mede lid volledig verbonden met zijn omgeving (subject betrokken) worden dynamieken van de kosmos ook als dynamieken van hen zelf. Door dat de mens zich zelf te midden van deze kosmo-morfe referentie kader kan plaatsen, brengt het tijdsbesef met zich mee.


De zon komt op, de zon is hoog aan de hemel, de zon gaat onder, de zon zit diep achter de aarde.


Antropomorf: Ons hoofd, borst, buik zijn leden van ons lichaam. Ons lichaam brengt ruimte besef met zich mee. Door het lichaam ontstaat de mogelijkheid om je te onderscheiden van je omgeving (object betrokken) . En kan je vervolgens 'vrij' bewegen in een ruimte.


De mens kan zich alle windrichtingen (oost, noord, zuid, west) op verplaatsen en in die zin uit verschillende routes kiezen.





We maken hier onderscheid tussen twee verschillende referentie kaders. Al hoewel deze goed te onderscheiden zijn dienen we ook hier te herhaling dat ze te onderscheiden zijn maar niet te scheiden.


Tijd en ruimte, subject betrokken en object betrokken worden in relatie tot dynagram en diagram hier onder verder uitgelegd.


Tijd en ruimte




De assen blijven in een dynagram en diagram hetzelfde, ze worden herhaald.


Maar zoals we net zagen dat zowel het kosmo-morfe referentiekader als het antropomorfe reverentiekader de polaire as een belangrijke rol speelt, is er wel een verschil met het noord en zuid van een dynagram in vergelijking met het noord en zuid van een diagram en visa versa.


Bij de contouren zagen we al verandering ondanks dat alle vier van de contouren in beide velden uitgewerkt kunnen worden.

Het dynagram is een tijdruimte veld (met processen en inhouden)
Het diagram een ruimtetijd veld (me posities en betrekkingen)
De contouren zorgen meer voor de ordening en de assen voor structuur. Zo is het mogelijk om bijvoorbeeld processen en inhouden in een diagram te zien en posities en betrekkingen in een dynagram. Maar dan dient men wel (onderliggend) vast te houden of aan een kosmo-morfe reverentiekader (dynagram) of aan een antropomorfe reverentiekader (diagram).


De 8 bronpunten hebben ieder een eigen specifieke dynamiek. Deels zijn deze 8 dynamieken het zelfde (overeenkomstig) in een tijdruimte als in een ruimtetijd veld en deels zijn ze door de contouren verschillend de 8 dynamieken in een tijdruimte zijn anders dan die van in een ruimtetijd. Ze worden ook door de contouren anders geordend.
Het verschil tussen dynagram en diagram wordt dan ook voor een deel bepaalt door hun relatie met tijd en ruimte.










We onderscheiden hier tijd (rechterzijde) en ruimte (linkerzijde), het ene is niet bepalender dan het andere. Ze zijn wel te onderscheiden maar niet te scheiden.

Tijd, is een dynamiek van het veld waardoor alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken zich in een statische ruimte ordenen. (ordening: moet samenhangend zijn)

Ruimte, is een statiek van het veld waarin alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken zich in een dynamische tijd structuren.(structuur: moet hetzelfde blijven)


Bronpunten (cruciale coördinaten) hebben een vaste structuur in relatie tot elkaar. Doordat elk bronpunt een unieke dynamiek heeft en door de assen. Bronpunten hebben een variabele ordening in relatie tot resonanties en de contouren; ruimtetijd (diagram) en tijdruimte (dynagram).


Deze variabele ordening kan een cruciale verband (positie, betrekking, inhoud of proces) weergeven van de bronpunten in het grondpatroon. Afhankelijk van de ingevoegde en te onderzoeken data kunnen plekken en functies in een gram variëren.
De assen, te samen met de contouren en de bronpunten vormen een samenhangend complex van web en matrix van ruimte en tijd, ordening en structuur.


We spreken van cruciale contouren in de bouwpatronen met doorgaans een vaste structuur:
een dynagram processen en inhouden in een tijdruimte
een diagram positie en betreking in een ruimtetijd


We spreken van alternatieve verbanden in de grammen met variabele ordening:


De ordening van data en de hiermee samenhangende begrippen kunnen op grond van onderzoek en gevonden inherente dynamieken en functties vairieren.

Cruciale configuratieve componenten verhouden zich meer tot structuur in relatie tot de alternatieve configuratieve componenten die zich dan meer tot de ordening verhouden. Van de cruciale configuratieve componenten verhouden de assen en de bronpunten zich meer tot structuur en de contouren en resonaties meer tot ordening.


Tijd en ruimte in een gram geven voor een deel de werkelijkheid weer zoals we die vanuit een subject betrokken optiek kunnen visualiseren. Daarmee komt een stukje werkelijkheid in beeld. Evenwel moeten we niet vergeten dat we altijd te maken hebben met een model waarin we dit stukje werkelijkheid in beeld hebben gebracht. Een model is niet de werkelijkheid, maar de wijze waarop en waarmee we naar de werkelijkheid kunnen kijken.





Tijd


Tijd, is een dynamiek van het veld waardoor alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken zich in een statische ruimte ordenen. (ordening: moet samenhangend zijn)

Hoe laat de zon op komt en onder gaat hangt altijd af waar je bent en wanneer je er bent. Uiteindelijk kun je het verloop (proces) modelmatig verdelen in vieren.

de zon is in een 'overgang' opkomend
de zon staat op zijn 'hoogte punt'
de zon is in een 'overgang' neergaand
de zon staat op zijn 'diepte punt'
Of het nou maanden duurt of één dag, het proces blijft hetzelfde voor de waarnemer, kijkend vanuit de aarde.


(meer subject betrokken, mythisch functioneel)



We nemen hier het voorbeeld van het proces van de dagloop, maar je kunt het ook uitwerken voor het proces van de seizoenen in de jaarloop.


ochtend overeenkomend met de lente


middag overeenkomend met de midzomer


avond overeenkomend met de herfst


midnacht overeenkomend met de midwinter



De tijdsloop van de uren in een dag loopt gelijk aan de tijdsloop van de zon in een dag, maar de zon komt niet elke dag op hetzelfde uur op en gaat niet elke dag op hetzelfde uur onder (behalve rond de evenaar).



Overeenkomend met de tijdsloop loopt het proces cyclisch door, waarin zonsopgang, zon hoogte punt, zonsondergang en zon diepte punt zich verhouden tot een ordening waar in we processen structuren of een structuur waar in we processen ordenen.


De uren van de dag, verhouden zich tot een bepaalde maat. In dit geval een afgesproken vaste tijd: een uur met 60 min en een dag met 24 uur. De klokken tijd krijgt een vaste inhoud en de daaraan verbonden structuur :

09:00 het 'midden' van de ochtend.

15:00 het 'midden' van de middag


21:00 het 'midden' van de avond


03:00 het 'midden' van de nacht.



De klokkentijd als inhoud kunnen we verbinden met de processen in een dag.
Het ochtend proces loopt van 03:00 tot 09:00 met als 'overgangspunt' 06:00, als start van de ochtend
Het dag proces loopt van 09:00 tot 15:00 met als 'hoogte punt' 12:00, als start van de middag
Het avond proces loopt van 15:00 tot 21:00 met als 'overgangspunt' 18:00, als start van de avond
Het nacht proces loopt van 21:00 tot 03:00 met als 'dieptepunt' 00:00, als start van de midnacht.

Koppelen we deze modelmatig aan de assen:
De zon op zijn hoogte punt en de zon op zijn diepte punt vormen samen een polaire dynamiek. Ze staan tegenover elkaar en beiden zijn ze omslagmomenten. De een kan niet zonder de ander bestaan. In het model op de ruimte-as zijn ze er tegelijkertijd, waar het aan de ene kant donker is, is het aan de andere kant licht. Dit geldt in de werkelijkheid alleen voor de poolnacht en de pooldag.
Zonsopgang en zonsondergang zijn overgangen; in hun beweging zijn ze duaal, ze kunnen niet tegelijkertijd plaats vinden, maar alleen na elkaar.



Modelmatig nemen we de betekenis van de horizon waaraan opkomst en neergang van de zon af te lezen is over in de functie van de horizontale as. Deels komt de horizontaal overeen met de horizon, maar deels ook niet, met name daar waar de horizon als opkomst en ondergang van de zon variabel is (afhankelijk van waar je bent en wanneer je er bent).



De tijds zones op de aarde verlopen verticaal over de horizontale as van oost naar west. Aan het oosten verbinden we met de opkomst van het licht de toekomende tijd en aan het westen verbinden we met het donker worden de verleden tijd.





Met de opkomst en ondergang van de zon (als proces) die niet tegelijkertijd kunnen plaatsvinden, geven we aan de horizontaal de functie van de duale as.





Met het hoogte punt en diepte punt van de zon (als proces) die modelmatig op de verticale as geplaatst worden geven we aan de verticaal de functie van de polaire as. Hoogte punt en diepte punt impliceren een tweeheid die zich kenmerkt door een insluitende, ledige verhouding. Het hoogte punt impliceert het diepte punt en vice versa.



De horizon in 4:


Met het fenomeen van de horizon verschijnt op aarde het direct waarneembare fenomeen van de tijd en de daaraan gerelateerde overgangen in de dagloop.

Daarmee hangt ook samen dat door de horizon de werking van de tijd verschijnt, de zon komt op, ergens aan de horizon en de zon gaat onder, ergens aan die zelfde horizon. Ontstaan, verschijnen, vergaan en verdwijnen ontstaan als fenomenen in een zintuiglijk waarneembare fenomenale werkelijkheid. Met de werking van het licht verschijnt de horizon die aan de dag treedt en met de nacht terug treedt.

Het is deze in vieren gedeelde horizon (ochtend – middag – avond – midnacht), gerelateerd aan de vier windrichtingen, noord en zuid op de verticaal en oost en west op de horizontaal, die van oudsher beschouwd werden als samenhangend met de 4 secundaire en 4 primaire kwaliteiten, de vier elementen, met in hun midden de quinta essentia, de ether werking (zie Ernst Marti, Das Aetherische).


Ruimte


Ruimte, is een statiek van het veld waarin alle coördinaten, verbanden, verhoudingen en raak-vlakken zich in een dynamische tijd structuren.(structuur: moet hetzelfde blijven)

Vanuit een subject betrokken optiek maakt het uit waar je staat en van waaruit je kijkt: naar het noorden of naar het zuiden.

Bekijken we de aarde van uit een object betrokken optiek dan maakt het niet uit waar je op aarde staat aangezien je jezelf buiten de aarde denkt. Waar je je ook bevindt, blijft het noorden en het zuiden zich bevinden waar we ze modelmatig hebben gepositioneerd in het diagram (rood).


Uiteindelijk kunnen je de posities modelmatig verdelen in vieren:




Oost punt, rechts,

Zuid punt, onder

West punt, links
Noord punt, boven

In de werkelijkheid kunnen we met het noorden bedoelen het verlengde van de lengte as van de aarde, het middelpunt van het noordelijk halfrond en de magnetische pool. Ze liggen niet op dezelfde plek.
Zo spreken we ook over het noordelijk halfrond en het zuidelijk halfrond (verticaal) gescheiden door de evenaar (horizontaal). Waar oost en west zich bevinden is afhankelijk waar je je bevindt, maar je oriënteert je wel op het noorden. De kompas naald wijst het magnetische noorden aan en de poolster staat in het noorden in het verlengde van de aard as. Zo is voor de waarnemer op het noordelijk halfrond, kijkend naar het zuiden, het oosten links. Voor de waarnemer op het zuidelijk halfrond, kijkend naar het noorden, het oosten rechts.


De kompas naald werd van oudsher weergegeven met de kleur blauw voor het noorden en de kleur rood voor het zuiden. Aangezien de magnetische noordpool van de aarde de zuidpool van de kompas naald aantrekt, wijst rood het noorden aan en blauw het zuiden. Een wisselwerking tussen noord en zuid impliceert dat er geen noorden is zonder zuiden. Waarmee we komen op de ruimte as met haar polaire dynamiek. De twee magnetische polen vormen de twee uitersten van een tweeledigheid, waarin het noorden de concentrische dynamiek laat zien en het zuiden de discentrische dynamiek.


Modelmatig geven we in het diagram (rood) deze polaire dynamiek weer op de verticale as met eveneens aan het noorden een concentrische dynamiek en aan het zuiden een discentrische dynamiek. Ook in een dynagram blijft deze verticale as dezelfde functie houden maar met dit verschil dat het concentrische noorden beneden komt te staan en het discentrische zuiden boven komt te staan. Het verschil leggen we in het volgende hoofdstuk/deel verder uit.




NO, ZW, NW, ZO, relatie betrekking



Het combineren van tijd en ruimte


Wanneer we tijd en ruimte, subject en object betrokken bijeenbrengen in een gram krijgen we het volgende plaatje waar in we de cyclus van de seizoenen van beide halfronden polair in beeld brengen.





Zowel het dynagram (blauw) op het zuidelijk halfrond als op het noordelijk halfrond geeft de subjectbetrokken positie weer van de waarnemer (rood poppetje).
Op het noordelijk halfrond ziet de waarnemer de zon links opkomen in het oosten en rechts ondergaan in het westen. De zon gaat van links naar rechts.

Op het zuidelijk halfrond ziet de waarnemer de zon rechts opkomen in het oosten en links ondergaan in het westen. De zon gaat van rechts naar links.


Ondanks het verschil in noord en zuid voor de waarnemers (op het noordelijk en zuidelijk halfrond) blijft de ochtend aan het oosten verbonden en het westen aan de avond. Zo ook respectievelijk de opkomst en ondergang van de zon in de dagloop en wat betreft de jaarloop zien we een zelfde dynamiek: lente met een stijgend zonneboog en de herfst met een dalende zonneboog.


Stijgen (verschijnen) en dalen (verdwijnen) van de zonnebaan plaatsen we op de horizontale as, daar waar we ook proces en tijd in beeld brengen.


Op de vertikale as zien we wel een verschil: voor het noordelijk halfrond verbinden we de zomer aan het zuiden en voor het zuidelijk halfrond wordt de zomer aan het noorden gekoppeld. Wel blijven de zomers warm (gerelateerd aan de zonne stand tussen steenbokskeerkring en kreeftskeerkring) en de winters koud (gerelateerd aan zowel de koude noord-pool als de koude zuid-pool), c.q. mede afhankelijk van lichtinval: schuine stand van de aard-as en de positie van de aarde in een baan om de zon).


Aangezien de jaarloop modelmatig in maanden en dagen wordt verdeeld, is het willekeurig op welke datum de seizoenen plaats vinden. Tussen het noordlijk en zuidelijk halfrond zien we een spiegeling. Als voor de waarnemer op het noordelijk halfrond in maart de lente begint, begint op het zuidelijk halfrond voor de waarnemer de herfst enz.


Zo zie je tussen werkelijkheid en model deels overeenkomsten en deels verschillen. Wanneer we modelmatig werken, hebben we de contouren (proces, inhoud, positie en betrekking) gekoppeld aan de bronpunten (windstreken en windrichtingen: Oost, Zuid, West, Noord). De werkelijkheid is complexer dan het model. Het model is niet de werkelijkheid, maar probeert een aantal dynamieken (functies) uit de werkelijkheid consistent en coherent weer te geven en te onderzoeken.


Dynagram en Diagram


Het functionele paradigma is pas mogelijk bij de wederkerigheid van, Zelf-functie en Ik-functie, Wordings-functie en Zijns-functie, tijd en ruimte, van kosmo-morf envan antropomorf, van mytisch en ontologische, van ordening en structuur.
Structuur is het systeem, de ordening is de dynamiek.
In een dynagram en diagram vind je structuur en ordening.


Dynagram, karakteriseert een mate van beweging (ordening) die de vorm (structuur) constitueert.
Diagram, karakteriseert een mate van vorm (structuur) die beweging (ordening) mogelijk maakt.
Toch zijn er onderling verschillen:







Dynagram:

Heeft een kosmo-morf referentie kader (irt de polaire as)
De tijd is primair, in een tijdruimte veld
De configuratieve componenten verhouden zich meer tot de tijd (configuratie dynamiek, proces)


Tijd wordt ruimte, een dynagram, karakteriseert een mate van beweging (ordening/tijd) die de vorm (structuur/ruimte) constitueert.




Vormt een eenheid in dualiteit.
Heeft een meer subject betrokken karakter.
Verhoudt zich meer tot de ordening ,geeft daardoor de gedachte gang weer.
Dynagram geeft een gedachtegang weer, brengt het reeds vermoede via beelden tot begrip.
Verhaal geeft een gedachte gang weer.
Van uit een functioneel mythisch referentie kader.

Link naar dynagrammen op site

Diagram:




Heeft een antropomorf referentie kader (irt de polaire as)
De ruimte is primair, in een ruimtetijd veld.
De con-figuartiev componenten verhouden zich meer tot de ruimte (compositie, statiek, positie)

Ruimte wordt tijd, een diagram, karakteriseert een mate van vorm (structuur) die beweging (ordening) mogelijk maakt.

Vormt een tweeheid in polariteit.
Heeft een meer object betrokken karakter.
Verhoudt zich meer tot de structuur, geeft daar door te denken.
Geeft te denken, brengt het nog onvermoede via begrippen in beeld.
Woorden geven nog te denken.

Vanuit een functioneel ontologisch referentie kader.
Link naar diagrammen op site










Basis voorbeelden dynagram en diagram in relatie tot tijdsverbanden

Het verschil tussen dynagram en dyagram zien we (door middel van de contouren) het sterkste over de duale as.


Oost en west in een tijdruimte staan ze in relatie tot processen. Het stijgende en het dalende.


Oost en west in relatie tot een ruimtetijd staan ze in relatie tot posities. Van tegendeel en tegenstelling.



Dynagram basis voorbeeld





Door dat bij een dynagram de tijd primair is en de ruimte secundair. Is er maar 1 belangrijke route: Rechts om


Oost: stijgen lente versnellen
Zuid: verspreiden zomer expolderen
West: dalen herfst vertragen
Noord: verzamelen winter inmploderen


Diagram basis voorbeeld


Door dat bij het diagram de ruimte primair is en de tijd secundair. Zijn er verschillende te denken routes mogelijk.
Toch is het van belang om 2 belangrijke routes van het diagram weer te geven. Links om en rechts om.



Oost: tegendeel, In het tegendeel zijn linksom en rechtsom nog op zich zelf staand geheel, als 2 zijde van dezelfde munt. De één is er niet zonder het ander.


Deze twee zijdes vromen een polariteit.
Links om staat in betrekking tot bronpunt Noord: concentrisch, concentratie
Rechts om staat in betrekking tot bronpunt Zuid: discentrisch, decentratie


West: tegenstelling, In de tegenstelling komen linksom en rechtsom tegen over elkaar te staan. De één is niet de ander. De één kan de ander zelfs te niet doen.


In een dynagram en diagram zien we ook overeenkomsten op Oost en West.
Oost: verschijnen
West: verdwijnen


In dynagram:
Oost: verschijnen: zoals we zien in het proces van de dag loop. De zon komt op in het oosten, verschijnt. De zon gaat onder in het westen, verdwijnt.


In diagram:
Daar waar ze verschijnen vormen ze elkaars tegendeel (oost), daar waar ze verdwijnen vormen ze elkaars tegenstelling (west).



We zien hier ook in een betrekking een overeenkomst met 2 assen:
De polaire as en tegendeel, De één is er niet zonder het ander. (elkaar insluitend).
De duale as en tegenstelling, de één is niet de ander. (elkaar uitsluitend).


Linksom route en rechtsom route behoren tot 2 mogelijke betrekkingen.
De posities zorgen voor vele mogelijke betrekkingen. En in tijd zijn er vele verschillende routes mogelijk. Routes die in een statische tijd tegelijkertijd kunnen manifesteren. Een ledig (en-en) verband in de tijd.
De processen lopen in dezelfde richting, één route. Ze verlopen in een na-elkaar delig verband.


Deze betrekkingen en processen kun je beide in een spiraal door denken.





Wanneer we vergelijkbare begrippen gebruiken in een dynagram en diagram wordt het verschil tussen deze tijdsverbanden duidelijker. Dit is maar een voorbeeld.


Dynagram: ontwikkeling en inwikkeling staan in het proces (tijd) in een duale verhouding. In de tijd (duale as) en nogmaals in de tijd (proces) verlopen ze na elkaar.
Diagram: ontwikkeling en inwikkeling staan in een betrekking in een polaire verhouding. In ruimte (polaire as) en in tijd (betrekking) beide tegelijkertijd.


Dynagram: ontwikkeling brengt verandering (zuid) te weeg. Inwikkeling brengt herhaling (noord) met zich mee. In de ruimte kunnen deze verandering en herhaling tegelijkertijd plaats vinden (polaire as).
Waarbij in het proces de herhaling weer voor nieuwe ontwikkelingen kan gaan zorgen.


Diagram:
Rechtsom is een sympatische routes, deze route beweegt mee met het kosmo-morfe proces. Startend in oost, naar zuid, naar, west, naar noord.
Linksom is een antipatische route, deze route loopt tegen het kosmo-morfe proces in. Startend in oost, naar noord, naar west, naar zuid.


In een tegen deel zijn ze nog als twee zijde van dezelfde munt.


Ontwikkeling (zuid), brengt verandering met zich mee.
Inwikkeling (noord), brengt herhaling met zich mee.


In een tegenstelling komen verandering en herhaling tegen over elkaar te staan.

De één is niet de ander. De één kan de ander zelfs te niet doen.


Een tegensteling kan voor een dilemma zorgen. Bijvoorbeeld wanneer je met meerdere mensen tegelijkertijd in de zelfde ruimte bent. Niet alleen fysiek maar ook op andere menselijke vermogens kan de één tegen tegen over de ander komen te staan. En ook binnen een mens zelf kunnen de 2 verschillende routes voor een dilemma komen te staan.


Door inzicht te krijgen op het dilemma, te zien dat beide routes en zelfs nog meerdere mogelijk zijn. Dat tussen het één en het ander een wisselwerking is. Die op verschillende manieren tot elkaar kunnen verhouden, in verband gebracht kunnen worden, op verschillende coördinaten uit gewerkt kunnen worden en daar door ook weer verschillende raak-vlakken zichtbaar worden. Kan je in het midden in de twisten tussen het één en het ander de onderlinge wisselwerkingen zichtbaar zien worden. Die niet de één of de ander uitsluit maar de schoonheid van beide tot zijn recht kan laten komen. Het dilemma is waardevol. .......(aemulatio?)


Eenheid in dualiteit en tweeheid in polariteit


Als we kijken naar de tijdsverbanden in relatie tot de assen zien we een verschil tussen dynagram en diagram.


Er is een eenheid in dualiteit:
In een dynagram zijn 2 belangrijkste pijlen stijgend (o) en dalend (w). Deze hebben een duale verhouding (na elkaar). Door het proces verlopend verband volgen ze dezelfde route (rechtsom).


Er is een tweeheid in polariteit:
In een diagram zijn 2 belangrijkste pijlen een rechtsom en een linksom gaan route. De één via noord de ander via zuid. Noord en zuid hebben een polaire verhouding (tegelijkertijd)





Deze 2 x2 pijlen maken voor een groot deel het verschil tussen dynagram en diagram. In de regel blijven ze twee gescheiden bouwpatronen met twee te onderscheiden tijdsverbanden.

Op de gram laag in relatie tot te onderzoeken data zien we wel uitzonderingen op deze regel.





Twee te onderscheiden routes in het dynagram.
Een proces van stijgen en dalen in een diagram.


Vaak als een extra toegevoegd verband (meer als een alternatief) bij de prosessen en inhouden (dynagram) of bij de posities en betrekkingen (diagram).
Als het zich voor doet wordt het van belang om te blijven kijken naar het referentie kader. Een dynagram is geen omgekeerde diagram en vice versa.

Behalve de contouren spelen nog meer factoren een rol.


Dynagram: Kosmo-morf, subject betrokken, functioneel mythisch.
Diagram: Antropomorf, object betrokken, functioneel onthologisch.




Want nog zeker intressant is en wat voor verwarring kan zorgen is het volgende. We gebruiken hier begrippen om een bepaalde dynamiek te laten zien van een tijdsverband (proces of betrekking). Sympathisch, antipathisch, stijgen, dalen, verschijnen en verdwijnen. Hou er rekening mee dat ook een 'begrip' weer los van het veel gebruikte verband ook in een andere verband gebracht kan worden.


Bijvoorbeeld:


In dynagram: De begrippen sympathisch en antipathisch
Sympatisch en antipathisch kunnen ook uitgewerkt worden in een proces.
Sympatisch op oost (stijgend-opbouwend) Anti-pathisch op west (dalend, afbouwend)


In diagram: De begrippen opbouwen en afbreken
Opbouwen en afbouwen kunnen ook uitgewerkt worden in een betrekking met 2 routes .
Opbouwen rechtsom (sympathische route), afbouwen linksom (antipathische route) .




Wederom speelt referentie kader weer een rol (kosmo-morf, antropomorf, enz) beide keuze tussen je te onderzoeken data uit te werken in een dynagram of diagram.


Subject betrokken en object betrokken in relatie tot dynagram en diagram







Dynagram:
De middenstip in het dynagram hier boven beeld het subject betrokken referentie kader.
Ter herinnering:
Kosmo-morf: Wanneer je de mens als een midden ziet tussen hemel en aarde. Niet als een midden tussen 2 gescheiden werelden waarin hij/zij zich om geeft, maar als een derde mede lid volledig verbonden met zijn omgeving (subject betrokken) worden dynamieken van de kosmos ook als dynamieken van hen zelf. Het maakt het mogelijk om zijn/haar omgeving van binnen uit te gewaar worden.


Diagram:
De stippen op 4 bronpunten beeld hier een object betrokken referentie kader.
Ter herinnering:
Antropomorf: Ons hoofd, borst, buik zijn leden van ons lichaam. Ons lichaam brengt ruimte besef met zich mee. Door het lichaam ontstaat de mogelijkheid om je te onderscheiden van je omgeving (object betrokken).
Het maakt het mogelijk om de mens vanuit verschillende invalshoeken waar te nemen.


Functioneel mythisch referentie kader: dynagram, kosmo-morf, subject betrokken.
Functioneel ontologisch referentie kader: diagram, antropomorf, object betrokken.


We maken hier onderscheid maar volledig te scheiden is het niet.


Ook de begrippen subject betrokken en object betrokken kunnen we plaatsen in 2 te onderscheiden tijdsverbanden:





In een dynagram staan ze in en proces.
In een diagram staan ze in een betrekking.


...


Begrip en beeld in relatie tot dynagram en diagram.


Net als subject betrokken en object betrokken kunnen we 'beeld' en 'begrip' ook gescheiden uitwerken in een dynagram of diagram.












Dynagram:
Processen en inhouden vormen een samenhangend geheel, in deze een dynagram, gekenmerkt door een statisch kruis in een dynamisch veld. (gedachte gang)



Een dynagram verhoudt zich meer tot de tijd (ordening). Deze tijd is primair (tijdruimte veld). Een proces is meer dynamisch dan een positie omdat we deze aan de tijd koppelen. Deze zelfde tijd kent maar 1 route (rechts om) , dit maakt een proces weer meer statisch. Hier in zien we een wisselwerking van dynamisch en statisch binnen 1 verband.

Het dynagram beeldt dan ook een gerichte gedachtegang.
In een dynagram (dynamisch veld) geven we een 'gedachte gang' weer. Een gedachte gang is rond wanneer het een en ander zodanig heeft verbonden dat het insluitend op zichzelf staat. Een gedachte gang krijgt hier mee een concentrisch karakter (blauw).


Blauw wordt doorgaans getypeerd als een koude kleur. Koud wordt gekarakteriseerd door een concentrische dynamiek.


Dynagram geeft een gedachtegang weer, brengt het reeds vermoede via beelden tot begrip.
De te onderzoeken data in een dynagram hangen samen met de gedachte gang die je in kaart wil brengen.
Verhaal geeft een gedachte gang weer.

Diagram:
Posities en betrekkingen vormen een onsamenhangend geheel, in deze een diagram, gekenmerkt door een dynamisch kruis in een statisch veld. (nog te denken)


Een diagram verhoudt zich meer tot de ruimte. Deze ruimte is primair (ruimtetijd veld). Een positie is meer statisch dan een proces omdat we deze aan ruimte koppelen. Door deze vaste posities kunnen we ze op meerdere en verschillende manieren met elkaar in verband brengen. De positie wordt dan ook weer meer dynamisch. Hier in zien we ook weer een wisselwerking van statisch en dynamisch binnen 1 verband.


Het diagram beeldt meerdere te denken richtingen
In een diagram (statisch veld) exploreren we hetgeen 'nog te denken' valt. Een diagram geeft te denken omdat de samenhang tussen de begrippen op meerder manieren uitgedacht kunnen worden. Het geen nog te denken valt krijgt hiermee een discentrisch karakter (rood).


Rood wordt doorgaans getypeerd als een warme kleur.Warm wordt gekarakteriseerd door een discentrische dynamiek.


Geeft te denken, brengt het nog onvermoede via begrippen en posities in beeld.
Te onder zoeken data in het diagram hangen samen met een mogelijke kaart op grond waar van je verschillende denk operaties kan oefenen.
Woorden geven nog te denken.


 



Comments